Het Achterhuis


auteur: Anne Frank


bron: Anne Frank, Het Achterhuis. Uitgeverij Contact, Amsterdam 1947 


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Zaterdag, 15 Juli 1944

Lieve Kitty,

We hebben van de bibliotheek een boek gehad met de uitdagende titel: Hoe vindt u het moderne jonge meisje? Over dit onderwerp zou ik het vandaag graag eens hebben.

De schrijfster van het boek becritiseert ‘de jeugd van tegenwoordig’ van top tot teen, zonder echter alles wat jong is helemaal af te wijzen als: tot niets goeds in staat. Integendeel, zij is eerder van mening, dat als de jeugd zou willen, zij een grote, mooiere en betere wereld zou kunnen opbouwen, dat de jeugd de middelen heeft, maar zich bezig houdt met oppervlakkige dingen zonder het wezenlijk mooie een blik te gunnen.

Bij enkele passages had ik sterk het gevoel, dat de schrijfster mij bedoelde met haar afkeuringen en daarom wil ik me

[p. 245]

nu eindelijk eens helemaal aan je openleggen en me verdedigen tegen deze aanval.

Ik heb een sterk uitkomende karaktertrek die iedereen die me langer kent moet opvallen, en wel mijn zelfkennis. Ik kan mezelf bij al mijn handelingen bekijken, alsof ik een vreemde was. Helemaal niet vooringenomen of met een zak verontschuldigingen sta ik dan tegenover de Anne van elke dag en kijk toe wat die goed en wat ze slecht doet. Dat ‘zelfgevoel’ laat me nooit los en bij elk woord dat ik uitspreek weet ik dadelijk als het uitgesproken is: ‘Dit had anders moeten zijn’, of ‘Dat is goed zo als het is’. Ik veroordeel mezelf in zo onnoemelijk veel dingen en zie steeds meer hoe waar dat woord van vader was: ‘Ieder kind moet zichzelf opvoeden’. Ouders kunnen alleen raad of goede aanwijzingen meegeven, de uiteindelijke vorming van iemands karakter ligt in zijn eigen hand.

Daarbij komt nog, dat ik buitengewoon veel levensmoed heb, ik voel me altijd zo sterk en tot dragen in staat, zo vrij en zo jong! Toen ik dat voor het eerst opmerkte was ik blij, want ik geloof niet, dat ik gauw zal buigen voor de slagen die ieder moet opvangen.

Maar over die dingen heb ik het al zo vaak gehad, ik wilde nu even op het hoofdstuk ‘vader en moeder begrijpen me niet’ komen. Mijn vader en moeder hebben me altijd erg verwend, waren lief voor me, verdedigden me en hebben gedaan wat ouders maar doen kunnen. En toch heb ik me lang zo ontzettend eenzaam gevoeld, buitengesloten, verwaarloosd en niet begrepen. Vader probeerde al het mogelijke om mijn opstandigheid te temperen, het baatte niet, zelf heb ik me genezen door mezelf het verkeerde van mijn doen en laten voor te houden.

Hoe komt het nu, dat vader me in mijn strijd nooit tot steun is geweest, dat hij helemaal missloeg toen hij me de helpende hand wou bieden? Vader heeft de verkeerde middelen aangepakt, hij heeft altijd tot me gesproken als tot een kind,

[p. 246]

dat moeilijke kindertijden moest doormaken. Dat klinkt gek, want niemand anders dan vader heeft me steeds veel vertrouwen geschonken en niemand anders dan vader heeft me het gevoel gegeven, dat ik verstandig ben. Maar één ding heeft hij verwaarloosd: hij heeft er namelijk niet aan gedacht, dat mijn vechten om er bovenop te komen voor mij belangrijker was dan al het andere. Ik wou niet van ‘leeftijdsverschijnsels’, ‘andere meisjes’, ‘gaat vanzelf over’ horen, ik wou niet als meisje-zoals-alle-anderen, maar als Anne-op-zichzelf behandeld worden. Dat begreep Pim niet. Trouwens ik kan iemand niet mijn vertrouwen geven, die mij ook niet heel veel van zichzelf vertelt en omdat ik van Pim zeer weinig afweet, zal ik de weg naar het intieme tussen ons niet kunnen betreden.

Pim stelt zich altijd op het standpunt van den ouderen vader, die ook wel eens zulke voorbijgaande neigingen gehad heeft, maar die met mij toch niet meer als vriend kan meeleven, hoe ijverig hij daar ook naar zoekt.

Door deze dingen ben ik er toe gekomen mijn levensbeschouwingen en mijn goed overdachte theorieën nooit aan iemand anders mee te delen dan aan mijn dagboek en een enkele keer aan Margot. Voor vader verborg ik alles wat mezelf beroerde: ik heb hem nooit in mijn idealen laten delen, heb hem willens en wetens van me vervreemd.

Ik kon niet anders, ik heb helemaal volgens mijn gevoel gehandeld, maar ik heb gehandeld, zoals het voor mijn rust goed was. Want mijn rust en zelfvertrouwen, dat ik zo wankel opgebouwd heb, zou ik weer helemaal verliezen, als ik nu kritiek op mijn half-affe werk zou moeten doorstaan. En dat heb ik zelfs voor Pim niet over, hoe hard het ook mag klinken, want niet alleen heb ik Pim in niets in mijn innerlijk leven laten delen, ik stoot hem vaak door mijn geprikkeldheid nog verder van me af.

Dit is een punt waarover ik veel denk: hoe komt het, dat

[p. 247]

Pim me zo ergert? Dat ik haast niet met hem leren kan, dat zijn liefkozingen me gemaakt lijken, dat ik rust wil hebben en het liefst zag, dat hij me een beetje links liet liggen, tot ik weer zekerder tegenover hem sta? Want nog steeds knaagt het verwijt aan me van die gemene brief, die ik hem in mijn opgewondenheid durfde schrijven. O, wat is het moeilijk om werkelijk naar alle kanten sterk en moedig te zijn!

 

Toch heeft dit me niet mijn ergste teleurstelling bezorgd, neen, nog veel meer dan over vader peins ik over Peter. Ik weet heel goed, dat ik hem veroverd heb inplaats van omgekeerd: ik heb me een droombeeld van hem geschapen, zag hem als een stillen, gevoeligen, lieven jongen, die liefde en vriendschap zo nodig heeft. Ik moest me eens uitspreken bij een levende, ik wou een vriend hebben die me weer op weg hielp, ik heb het moeilijke werk volbracht en heb hem langzaam maar zeker naar me toegedraaid. Toen ik hem ten slotte tot vriendschappelijke gevoelens voor mij gebracht had, kwamen we vanzelf tot intimiteiten, die me nu bij nader inzien ongehoord lijken.

We spraken over de meest verborgen dingen, maar over de dingen waarvan mijn hart vol was en is, hebben we tot nu toe gezwegen. Ik kan nog steeds niet goed uit Peter wijs, is hij oppervlakkig, of is het verlegenheid die hem zelfs tegenover mij tegenhoudt? Maar dat achterwege gelaten, ik heb één fout begaan door alle andere mogelijkheden om tot vriendschap te komen uit te schakelen en door te trachten met intimiteiten hem nader te komen. Hij hunkert naar liefde en hij begint me elke dag liever te vinden, dat merk ik heel goed. Hem geven onze ontmoetingen bevrediging, bij mij werken ze alleen maar de drang uit om het steeds weer opnieuw met hem te proberen. En toch kom ik er niet toe de onderwerpen aan te raken, die ik zo graag aan het licht zou laten komen. Ik heb Peter, meer dan hijzelf weet, met geweld naar mij toegehaald. Nu houdt hij zich aan me vast en ik zie voorlopig nog geen afdoend middel hem weer van me te scheiden en

[p. 248]

op eigen benen te zetten. Toen ik namelijk al heel gauw bemerkte, dat hij geen vriend voor mijn begrip kon zijn, heb ik er naar gestreefd hem dan tenminste op te heffen uit zijn bekrompenheid en hem groot te maken in zijn jeugd.

 

‘Want in zijn diepste grond is de jeugd eenzamer dan de ouderdom’. Dit gezegde is mij uit een of ander boek bijgebleven en heb ik waar bevonden.

Is het dan wel waar, dat de volwassenen het hier moeilijker hebben dan de jeugd? Neen, dat is zeker niet waar. Oudere mensen hebben een mening over alles en wankelen niet meer in hun daden door het leven. Wij jongeren, hebben dubbele moeite onze meningen te handhaven in een tijd waar alle idealisme vermeld en verpletterd wordt, waar de mensen zich van hun lelijkste kant laten zien, waar getwijfeld wordt aan waarheid en recht en God.

Iemand die dan nog beweert, dat de ouderen het hier in het Achterhuis veel moeilijker hebben, realiseert zich dan zeker niet in hoeveel groter omvang de problemen op ons toe komen stormen, de problemen waarvoor we misschien nog veel te jong zijn, maar die zich toch zolang aan ons opdringen, totdat we na heel lange tijd een oplossing gevonden menen te hebben, een oplossing meestal die niet bestand blijkt tegen de feiten, die haar weer te niet doen. Dat is het moeilijke in deze tijd: idealen, dromen, mooie verwachtingen komen nog niet bij ons op of ze worden door de gruwelijke werkelijkheid getroffen en zo totaal verwoest.

Het is een groot wonder, dat ik niet al mijn verwachtingen heb opgegeven, want ze lijken absurd en onuitvoerbaar. Toch houd ik ze vast, ondanks alles, omdat ik nog steeds aan de innerlijke goedheid van den mens geloof. Het is me ten enenmale onmogelijk alles op te bouwen op de basis van dood, ellende en verwarring. Ik zie hoe de wereld langzaam steeds meer in een woestijn herschapen wordt, ik hoor steeds harder de aanrollende donder, die ook ons zal doden, ik voel het

[p. 249]

leed van millioenen mensen mee en toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat alles zich weer ten goede zal wenden, dat ook deze hardheid zal ophouden, dat er weer rust en vrede in de wereldorde zal komen.

Intussen moet ik mijn denkbeelden hoog en droog houden, in de tijden die komen zijn ze misschien toch nog uit te voeren.

Je Anne.