(Volgens G. Naudé, Le Mascurat, 1650, afkomstig van een twaalfde-eeuwse Parijse professor in de Logica, Silo of Serlo.)
Het is voor het eerst dat ik van een boek het ‘Woord vooraf’ niet pas achteraf schrijf. Het is dan ook geen ‘Woord vooraf’, waarin de schrijver achterover leunend, terugblikt op wat hij heeft gewrocht, en ik heb dus ook de kop ‘Woord vooraf’ vermeden.
‘Wat eraan voorafging’ - luidt de kop nu. Wat ging eraan vooraf?
Als ik het me goed herinner, was het in het begin van juli 1981 dat ik ineens mijn lopend lange-termijn schrijfwerk af had. Af, ja, voor zover dingen af kunnen zijn. Ik had van mijn ‘Didactische Fenomenologie van Mathematische Grondbegrippen’ (later gewijzigd in ‘... mathematische structuren’) de Duitse vertaling voltooid, nadat al in 1980 de Engelse gereed was gekomen. Het Nederlandse origineel had ik in de eerste maanden van 1979 afgesloten. Afgesloten, maar niet voltooid. Ik heb onder Hoofdstuk xviii een streep gezet, toen bleek dat het volgende hoofdstuk uit zijn voegen zou barsten en een heel boekdeel voor zich zou opeisen. Een streep, een dikke streep, en die is niet meer uit te vlakken.
In het begin van juli 1981 stond ik dus voor het eerst sinds ik weet niet hoe lang, weer voor een echte keus. Een keus uit drie. Eén: het vervolg schrijven op de didactische fenomenologie. Twee: een filosofisch werk, een geïntegreerde uitwerking van wat ik bij stukjes en beetjes in haast een halve eeuw had neergeschreven en al of niet gepubliceerd. Drie: iets dat men oppervlakkig een autobiografie zou noemen.
Met elke autobiografie die ik in de loop der jaren heb gelezen - veelal met plezier - is mijn vast voornemen verstevigd er zelf nooit een te schrijven. Ik heb bij mijzelf heilige eden gezworen en die breek je niet. Althans - ik zal er mijn best voor doen
mezelf trouw te blijven, en kan alleen maar hopen dat het me zal lukken. Ziehier de eerste sporen van twijfel en aarzeling. Waarom zou ik geen autobiografie willen schrijven? Wat is erop tegen? Is een autobiografie iets anders dan enige andere uiting van jezelf?
Een vraag die ik me - ik weet niet hoe vaak al - heb gesteld, is: hoe kom je bij anderen over? Niet om me te corrigeren als er iets niet in de haak was - daarvoor was het heel vroeg al te laat - maar gewoon uit nieuwsgierigheid. Ik herinner me, alsof het de dag van vandaag was, mijn verbazing - ruim een halve eeuw geleden - over de eerste foto die me als man - niet als jongen - konterfeitte. Ik herinner me met ontzetting - ruim een derde deel van een eeuw geleden - de eerste kennismaking met mijn eigen stem, afkomstig van een magnetische band (of draad), je stem zoals ze door anderen wordt gehoord, een foeilelijke stem.
Ik ben nieuwsgierig en een enkele keer heb ik het erop gewaagd te sonderen hoe ik op anderen overkwam. Beter of slechter dan ik was - heus, dat doet er niet toe. Was het een beetje ernaast of helemaal? Zijn er mensen die je beter kennen dan je jezelf meent te kennen? Misschien. Ze zullen het je niet vertellen. Of ze zullen het niet kunnen, al zouden ze het willen.
Je hebt een beeld van jezelf, maar het beeld is incompleet. Het is een visie op jezelf - één visie, je eigen visie, een eenzijdige visie. Vind je jezelf de moeite waard om je van alle kanten te bekijken? Van verschillende kanten - laten we daarmee genoegen nemen.
Verleden zomer trok ik - op een conferentie van een week - nogal eens op met iemand die ik toen voor het eerst was tegengekomen en die mij bij herhaling liet weten hoe verbaasd hij was een totaal andere Freudenthal te hebben ontmoet dan hij uit mijn geschriften had gedestilleerd. Het verbaast me niet zo erg want bij het eerste woord dat we wisselden, voelde ik hetgeen tegenwoordig zo treffend wordt aangeduid met ‘het heeft tussen ons geklikt’. Ja, dan toon je je vanzelf van je beste kant. Nee, nee, laten we zeggen, van een andere kant dan wanneer het niet geklikt had. Of vertoon je je steeds en aan iedereen van dezelfde kant en ligt het aan hem of het al dan niet klikt?
Nee, ook weer nee! In mijn geschriften was hij een andere Freudenthal tegengekomen dan op die conferentie. Het verbaast
me eigenlijk toch. Of het bevalt me niet. Daar is iets mis. Of ik kan niet schrijven of hij kan niet lezen. Wanneer ik stukken lees van mensen die ik ken, hoor ik hun stem. Het sterkste had ik dit gevoel bij Minnaert, de Utrechtse sterrekundige, die even mooi schreef als hij sprak (het handschrift inbegrepen). Ik kan ook van mensen uit een ver verleden in hun geschriften de stem horen opklinken, van sommigen kan ik hun adem zelfs ruiken (bij voorbeeld van Dostojevski - d.w.z. ik kan hem niet ruiken).
Hoe kom je over? - toen ik die vraag formuleerde, dacht ik eigenlijk: bij de mensen die je persoonlijk kennen. En inmiddels is het veranderd in: bij je lezers. Dat schijnt toch een verschil te zijn. Het verschil - zeg maar - tussen spontaniteit en ‘sophistication’. En toch probeer ik - ook in mijn geschriften - één en al spontaniteit te zijn. Iedere volzin die ik schrijf, wordt, eer hij geschreven en gedrukt wordt, gewikt, gewogen en gewenteld tot het summum van spontaniteit is bereikt. Het moet erop lijken of al wat ik schrijf me net te binnen is geschoten. Het nadeel van deze procedure is dat ik nooit tot de diepe denkers zal worden gerekend (met de reservatio mentalis dat je misschien toch in die groep van diepe denkers terechtkomt die het zo gemakkelijk afgaat).
Het is niet eenvoudig je te tonen zoals je bent, vooral als je helemaal niet zo bent. Nog moeilijker lijkt het me je niet zo te tonen als je bent, vooral als je het anders wel bent. Met die ‘je’ bedoel ik bepaald niet mezelf. Integendeel, soms kan ik me een andere huid wensen om in te kruipen.
Maar je herkent een ander ook in een ander pak. Een baard als verkleedpartij is soms effectiever dan een masker. Er bestaat van mij trouwens een foto als Sinterklaas - mijn enige verkleedpartij die ik me herinner.
Aan verkleedpartijen heb ik, na mijn jeugdig toneelspelen, nooit veel gedaan. Een autobiografie is een verkleedpartij en dat zal wel de reden zijn waarom ik mij heb voorgenomen er geen te schrijven, hoewel ik verkleedpartijen van anderen met genoegen gadesla. Zijn niet al mijn schrijfsels verkleedpartijen? Nee, ik schrijf gekleed, maar niet verkleed.
Er zijn autobiografische geschriften die de lezer aan naaktlope-
rij willen doen denken - sommige onder de titel ‘Belijdenissen’. Naaktloperij is zowat de meest opdringerige verkleedpartij - althans het kan zo zijn. ‘Om je de waarheid te zeggen’ is de gebruikelijke aanzet tot een leugen. (Trouwens: de laatste zin begon vanzelf met ‘om je de waarheid te zeggen’.) Naaktloperij is de verkleedpartij waarbij je de toeschouwer suggereert dat hij nu alles van je afweet.
Hierboven beweerde ik dat ik niet aan verkleedpartijen deed. En een professorale toga dan? Juist, die was ik vergeten. Een teken dat ik hem niet als verkleding beschouw. Een professorale toga is veeleer zoiets als wat je bedoelt wanneer je in een vergadering zegt: ‘Ik zit hier met de pet op van...’. Het zijn denkbeeldige petten, onzichtbaar en alleen voor de notulen bestemd. Het op- en afzetten van petten, het weigeren of aanvaarden van een aantal simultane petten hoort nu eenmaal tot onze vergadertechniek. De pet van de hoogleraar heet baret, met als verlengstuk bef en toga.
Ik heb beloofd geen autobiografie te schrijven en ik hoop dat het me zal lukken. P. Spigt, die een geschiedenis van de autobiografie aan het schrijven is [inmiddels af], zal - naar ik hoop - kunnen zeggen of ik in mijn opzet geslaagd ben. Ik hecht aan zijn oordeel veel waarde.
Als dit toch geen autobiografie is, wat is het dan? Een heldendicht, een avonturenroman, een schelmenroman (misschien een beetje), een Bildungsroman (nee, maar ik zou er graag een schrijven)? Een reisverhaal - het leven heet weleens een reis te zijn en dan liefst per boot, maar ik houd niet van maritieme terminologie. Is Der Abenteuerliche Simplizissimus van Grimmelshausen een autobiografie? Nee, veeleer een ooggetuigenverslag van een roerig tijdperk. Met het woord ‘verslag’ ben ik wellicht op de goede weg.
Als reiziger in functie naar congressen en conferenties moet je nogal eens verslagen schrijven, bestemd om niet te worden gelezen. Verslagen van vergaderingen worden - althans door sommigen - wel gelezen, want ze moeten worden goedgekeurd en dat kan niet zonder dat er ‘aanmerkingen op’ of ‘opmerkingen naar aanleiding van’ zijn gemaakt.
Als schrijver van dit boek voel ik me dus verslaggever, rapporteur, of - als u wilt en het me toestaat -reporter. De titel doet denken aan die van een boek van de befaamde reporter Kisch - 50 à 60 jaar geleden - die ik me echter niet precies herinner. Het gebeurt nogal eens in vriendenkring dat ik verhalen vertel (thuis minder, want daar kent men ze al). Ware, driekwart-ware, halfware verhalen - maar als ik lieg, doe ik het altijd in commissie. Ik vertel verhalen, omdat ik hoop dat anderen ze onthouden en aan het nageslacht doorgeven - een ijdele hoop. Verhalen over mezelf, maar meestal over anderen. En dan gebeurt het telkens weer dat iemand zegt ‘Schrijf dat op, Hans!’, blijkbaar omdat hij het, net als ik, zonde vindt, dat zo'n verhaal in vergetelheid raakt.
Daar doe ik nu verslag van, van wat ik gezien en gehoord heb. Zoals ze in de 18e en 19e eeuw over hun reizen verslag deden. Maar dat er in Florence Titiaans hangen, in Rome een Capitool en een Vaticaan en in Egypte piramiden staan, is nu terdege bekend. Als er iets te vertellen valt, moet het nieuw zijn, althans voor wie het voor het eerst leest. De laatste aardbeving, treinramp, Hongkonggriep is ook maar een nieuwtje, maar dat is het dagelijks brood van kranteverslaggevers. Toch voel ook ik me een beetje journalist, de man die op de dag voor de dag schrijft, een literaire ééndagsvlieg, al heeft mijn dag wat langer geduurd dan 24 uur. Ik heb alle respect voor de dag-aan-dag-schrijvers en columnisten. Ik zou het hun niet kunnen nadoen. Maar toch voel ik verwantschap juist met hén. Schrijven met de zekerheid dat het papier waar het op staat morgen opgehaald wordt en ten hoogste in de kringloop herleeft. Zelfs wat ik wiskundig heb gewrocht is, voor zover het zijn nut heeft bewezen, al in de kringloop opgenomen en van het minst onbelangrijke dat ooit aan mijn wiskundig brein is ontsproten, kent haast niemand de bron. Mijn dag is nog niet afgelopen, maar één ding is al zeker: op het einde van de dag sterft een ééndagsvlieg. Een journalist.
Een journalist is niet iemand die er een journaal, een dagboek, op na houdt (bij tijd en wijle heb ik ook dit gedaan), maar iemand die voor een journaal, een krant schrijft. Ik heb voor dagen weekbladen geschreven - het fraaiste stuk voor een tijdschrift dat al lang ter ziele en in de wijdste kringen onbekend is - als ook
voor wetenschappelijke tijdschriften en uitgevers. En toch was het allemaal krant - het ochtendblad dat in de avond oud nieuws is en het avondblad dat het ontbijt niet haalt. Nu is het avondschemering. Ik doe verslag van deze dag, op het laatste nippertje, maar niet gehaast. Als hij afgelopen is, legt de pen zich vanzelf neer.
Het is geen autobiografie maar een verslag, een reportage. Het schrijfsel van een journalist, een dagjesschrijver wiens dag afloopt. En daar hoef je je echt niet voor te verkleden. Ik heb niets te verbergen, omdat ik niets te openbaren heb. Tenminste, als ik dit boek ooit zal schrijven, want zover waren we nog niet. U stond met mij op de driesprong. Ik had de keuze uit drie en moest nog beslissen. Waar ik het net over had, was mijn derde keus. Ik kon niet kiezen. Waarom? Omdat ik bang was de dag vóór de avond te prijzen? Maandenlang stond ik voor de keus en stelde hem uit. Ik had een gegronde reden en een goede aanleiding voor uitstel.
Toen ik niet kon kiezen, nam ik toch een kloek besluit: opruimen! Opruimen als noodzaak en als uitvlucht om uitstel te verkrijgen. Het is nu haast 35 jaar geleden dat ik voor het laatst ben verhuisd. Brand is er bij mij nooit geweest. Waterschade wel, maar die heeft mijn paperassen ongemoeid gelaten. In een gesloten kast heeft een muis, die er niet uitkon, een tijdje van de marges van enkele van mijn manuscripten geleefd. Een van mijn jongens heeft eens uit mijn correspondentie de ingedrukte postzegels gescheurd. Maar voor de rest is er meer bewaard gebleven dan een nette huishouding kan verdragen. Ik heb dagelijks de kranten opgeruimd op wat knipsels na. Weekbladen heb ik jarenlang bewaard, om ze ten slotte ook met de vuilnis mee te geven, en bloc, en daarna wekelijks. Ik heb nooit het lef gehad boeken weg te doen, hoewel ik ze, als ik ze nodig heb, toch nooit kan vinden en ze liever in een bibliotheek opvraag, waar dan weleens blijkt dat ik het gewenste deel zelf enkele maanden geleden daar geleend en nog bij me thuis heb. Van correspondentie heb ik in de loop der jaren steeds meer weggegooid, maar toch niet genoeg om tussen de rest nog adem te kunnen halen.
Drie maanden of langer ben ik aan het opruimen. Bij karre-
vrachten is het papier de deur uitgegaan - het mannetje dat vóór de Stadsreiniging uitrijdt, heeft een gezegende tijd gehad. Toen er een keer eens geen plastic zak of doos met papier voor de deur stond, heeft hij aangebeld om te horen of ik ziek was. Ik heb inderdaad een keer bij het opruimen zo hoog gegrepen dat ik er een liesbreuk van kreeg, die inmiddels geopereerd is, maar waarvan de nasleep nog enige tijd het energiek voortzetten van het opruimwerk zal beletten.
Eigenlijk ben ik met het opruimen haast klaar en ik zou de beslissing welk boek te schrijven, nu al kunnen en moeten nemen. De zakelijke correspondentie is van de persoonlijke gescheiden en netjes op datum en beginletter van de correspondent gerangschikt. Krante-, week- en maandblad-artikelen zijn netjes ingeplakt, maar onder de talloze stukken die ik heb geschreven, die nooit zijn verschenen of waarvan ik niet weet waar en of ze ooit zijn verschenen, heerst nog geen goede orde. Wetenswaardigheden en curiositeiten, ooit ergens uitgeknipt, zijn netjes geordend, maar over mijn boeken - een zee om in te verdrinken - regeert de chaos. De privé-correspondentie is netjes opgedeeld in: ouders, zuster, vrouw, kinderen en kleinkinderen en ‘anderen’, maar in die afzonderlijke dozen, elke op zichzelf, is niets geordend. Op een lange lijst is de opbergplaats van diverse mappen en bundels vermeld: in dit rek, in dat rek, in de studeerkamerkast, in de gangkast, in de kast op de zolderachterkamer, in de kast op de zoldervoorkamer, onder het bed en in de wieg.
Drie maanden is een aardig tijdsbestek om het puin van meer dan driekwart eeuw menselijke activiteit op te ruimen. Zo op te ruimen dat het netjes staat, zodat wie het van me overneemt er enig profijt van kan hebben. Maar onder het opruimen en terwijl je beslist of een stuk bewaard wordt en zo ja in welke map, kijk je of loens je weleens naar wat erin staat en dan kan het gebeuren dat in een oogwenk een heel verhaal uit het verleden zich opnieuw in je geest afspeelt, om even later voor een ander plaats te maken. Zodoende begin je in je verleden te leven, in een verleden, dat als een reeks dia's telkens verspringt. Een reeks dia's - ja, maar dan een die op de grond is gevallen en reddeloos in de war is geraakt.
Dat wordt opruimen in je verleden, niet meer belichaamd door archiefstukken, maar door je herinneringen. Opruimen en schoonmaak in je geheugen, die chaos van suikerspin, kauwgom en plakband - hoe harder je trekt des te vaster plakt het. Ik had eens het idee opgevat om alles uit mijn verleden, zoals het me te binnenschoot, achter elkaar op te schrijven, al die onbenulligheden, waarvan je niet begrijpt waarom en waarvoor je ze aldoor maar onthoudt. Op te schrijven om ze kwijt te raken, schoon schip te maken zoals je het geheugen van een computer ‘clear't’.
Inmiddels ben ik nog aan het opruimen en ik hoef nog niet te beslissen welk van die drie boeken ik ga schrijven wanneer de opruiming beëindigd is. Hoewel van de eerste twee keuzen al het een en ander op papier staat en van de derde keus geleidelijk hoofdstuk na hoofdstuk in mijn geest aan elkaar geregen wordt als aan een kralensnoer, waarvan sommige elementen al in details zijn bewerkt. En toch, als ik blader in wat al opgeruimd is en in wat nog valt op te ruimen, is het telkens alsof iemand bij mijn oor fluistert: ‘Schrijf dat op, Hans!’
Schrijf dit op, ja. Niet als autobiografie, maar in de stijl die mij eigen is. Ik heb hem niet uitgevonden. Een van de schrijvers die ik van A tot Z gelezen heb, is Jean Paul. Als u niet weet wie dat is, bent u in een uitgebreid gezelschap, ook onder geletterden. Jean Paul is niet als de Franse naam van de tegenwoordige paus en zijn voorganger te verstaan. Het is helemaal geen Frans; maar de nom de plume van de brave Duitse huisvader Jean Paul Friedrich Richter, die in Bayreuth de meest succesrijke romans van zijn tijdperk schreef, tijdgenoot van de Köningsbergense vrijgezel Immanuel Kant, die even lange, maar minder begrijpelijke volzinnen produceerde, en van de ‘sinnlich-übersinnliche Freier’ Johann Wolfgang Goethe, die weliswaar een Weimarse excellentie was, maar qua beroemdheid - speciaal bij de dames - niet in Jean Pauls schaduw kon staan. Jean Pauls romans zijn de georganiseerde chaos en daarin is hij de voorloper geweest van James Joyce. Jean Paul las ik toen ik nog op school zat en in mijn voorvoorlaatste schooljaar heb ik aan hem mijn verplichte lezing gewijd. James Joyce's Ulysses heb ik als student gelezen en als mijn reconstructie juist is, was dat in 1928. Mocht er ergens een club
van oud-James Joyce-lezers bestaan, dan zou ik me mogelijk als een van zijn oudste leden kunnen aanmelden. Ruim tien jaar geleden heb ik Ulysses herlezen en ik stond er telkens weer verbaasd over hoeveel in mijn geheugen was blijven hangen. Ik ga hier niet de lotgevallen van een ‘Schulmeisterlein Wuz’ schrijven, noch een 24 uur durende Odyssee, maar wat de stijl van de complete chaos aangaat, zal het niet mis zijn. Niets let me. Ik hoef niemand te ontzien. Ook niet de lezer. Eén troost is er wel. Al te lange zinnen schrijf ik niet en onbegrijpelijke evenmin (behalve weleens als citaat, maar dan kan het niet anders). De lezer zal zich dus nooit hoeven af te vragen: ‘Wat bedoelt die man eigenlijk?’ Wél - maar dan heel vaak - ‘Wat bezielt die man eigenlijk?’ En daar kan die man geen antwoord op geven, want dat weet hij zelf niet. Ken jezelf! Zeker, maar daar zijn grenzen aan en om te weten wat je bezielt, zou je de knoop moeten doorhakken waar je met toewijding aan zit te peuteren.
Inmiddels is er al weer uitstel. Ik moet ‘stellingen’ componeren voor een discussie over twee maanden, waar ik voor gevraagd ben, en het manuscript voor een lezing van drie kwartier op een internationaal congres, over negen maanden te houden. Negen maanden zwangerschap vond ik een ondraaglijk lange wachttijd toen onze eerste zoon op komst was, zes jaar ondraaglijk lang tot hij naar school zou gaan en dertig jaar ondraaglijk lang tot hij zo oud zou zijn als ik toen was. Maar vliegtuigen met uren vertraging hebben me opgevoed tot een geduldige oude man. Zulk een driekwartierlezing schrijf ik dus, als de vraag binnenkomt, heet van de naald. Er blijft dan tijd genoeg om het verhaal nog heter van de naald te doen voorkomen, om het te laten typen en om het zelf in drie andere congrestalen te vertalen ten behoeve van de simultaanvertalers, in de ijdele hoop dat ze niet zo eigenwijs zullen zijn een eigen versie te preferen boven de mijne.
Al met al een goede gelegenheid de beslissing welke van die drie boeken ik zal schrijven nog eens uit te stellen. Het helpt natuurlijk niet. Uitstel is geen afstel. Inmiddels kun je alleen maar hopen op een dik pak drukproeven van het een of ander, waarmee je een tijdje zoet kunt zijn, zeg tot volgende week, wanneer ik bezoek verwacht van een historicus die mijn archief wil raad-
plegen en die dan voor me de oudste ordners van de bovenste plank moet halen, waar elk verhaal - welk dan ook - mee moet beginnen. Ja, dan moet ik echt aan de slag - ik bedoel met de voortgezette opruiming, die me uitstel geeft om te beslissen welk boek ik ga schrijven. Uitstel is geen afstel - als er één levenswijsheid is, dan is het deze, die me doet denken: Schrijf dat op, Hans.