|
|
|
| |
| | | |
Wie aan mij voorafgingen
In 1740, uit Barchfeld a.d. Werra komende, vestigde Menachem ben Jitschak zich in
Tann in het Rhöngebergte, toen nog Beiers en pas door een
‘grenscorrectie’ na de oorlog van 1866 Pruisisch geworden,
een protestants stadje te midden van een nogal gemengde streek. In mijn jeugd
een stadje van zowat duizend inwoners, de koeien, geiten en het pluimvee niet
meegerekend, met voor haast elk huis een mesthoop. Er was geen riolering en
stadsverlichting. Maar hoe gauw heet buiten Nederland iets niet een stad!
Trouwens, de prachtige stadspoort boven mocht er wel wezen. Het slot van de
Freiherren von und zu der Tann-Rathsamshausen - een hunner was generaal in 1866
en 1870-71 geweest - getuigde echter niet eens van vergane glorie. Tussen twee
bergketens lag Tann (die Tann, zeggen ze ter plaatse) aan de snelle Ulster. Het
is daar waar ik mijn eerste lief heb ontmoet en gekust, tussen de bezonde
bramenheggen op de Habelberg in het westen en onder de oude beuken van het
Gerieth in het oosten. Verder zuidelijk door de stadspoort leidde de weg naar de
‘Hohe Rhön’, een streek nog armer dan die rond
Tann, met de Kreuzberg, de beboste Milseburg en de kale eenzame Wasserkuppe, 950
meter hoog, de berg waar voor het eerst ter wereld de sport van
‘Segelfliegen’ werd beoefend, waaraan ik in 1925 ook een
klein beetje meedeed - vijftien kilometer ver was toen het record. Om Tann nog
verder te lokaliseren: de meest nabije grote plaats, een uur sporen met de
boemel, was Fulda - een naam die ook Nederlanders iets zegt.
In 1967 was ik er weer, met de auto. De Wasserkuppe haast zo druk als de
Drachenfels, met schitterende hotels. En Tann - geen mesthopen meer, maar een
proper, schilderachtig plaatsje, en een van de mooist verzorgde huizen was No.
245-248, door | | | | mijn overgrootvader gebouwd toen hij ging trouwen.
Alleen de moestuin bij het huis op de straatkant ontbrak, mogelijk aan een
straatverbreding opgeofferd. Ook de joodse begraafplaats en de synagoge waren er
niet meer. Maar de bergen waren er nog en boven op de oostelijke en ten dele op
de westelijke kammen liep de ‘Zonengrenze’ - dus een
uithoek van de Bondsrepubliek.
Menachem ben Jitschak uit Barchfeld, die zich in 1740 daar had gevestigd, was de
grootvader van mijn betovergrootvader. Ik ben dus het zevende geslacht en mijn
kleinkinderen zijn het negende. Ergens ter wereld groeit het tiende en misschien
zelfs het elfde. Menachem ben Jitschak was liefst twee keer grootvader van mijn
betovergrootvader, want zijn kleinzoon Menachem Michael trouwde met zijn nicht,
Chawa, kleindochter van Menachem ben Jitschak.
‘Ahnenverlust’ noem je dit in de genealogie - het zal wel
niet de enige in mijn stamboom zijn.
Menachem ben Jitschak uit Barchfeld had twee zoons - volgens sommigen drie - de
oudste, naar zijn grootvader Jitschak genoemd (overleden in 1813) en de tweede,
Benjamin. Toen de joden - in of na de Franse tijd - geslachtsnamen moesten
kiezen, noemde de oudste zich Freudenthal en de tweede Goldschmidt - ik denk
niet dat hij goudsmid van professie was, mogelijk was zijn handel bijouterie.
Jitschak schijnt in vee te hebben gehandeld - bij de Sjioer, de leervoordracht op
Sjabbatmiddag hoorde ik meermalen vertellen dat hij, door de Fransen op
veesmokkel betrapt, in de cel van angst en schrik overleed - van de
veronderstelde derde vertellen ze dat hij zich Jüngster noemde,
stamvader van vier gezinnen Jüngster in mijn tijd.
Toen waren er vijfentwintig gezinnen Freudenthal in Tann, maar de naam
Goldschmidt heeft zich in Tann niet gehandhaafd, want de twee zoons van Benjamin
vertrokken naar Amerika; zijn twee dochters bleven in Tann, Chawa (Eva), die met
haar neef trouwde, zoals eerder verteld, en Madel, die met Löb Stern
trouwde, van de Sterns die zich later in Hilders zouden vestigen.
Maar dan de oudste zoon van Menachem ben Jitschak uit Barchfeld, de vader van
mijn betovergrootvader. Hij had drie dochters, Küsel, Madel en Lea,
en ten slotte nog een zoon, Mena- | | | | chem Michael (1785-1848), mijn
betovergrootvader. Van Madel en Lea weet ik alleen maar met wie ze trouwden,
maar van Küsel, die met Brendel Löwenstein in
Wüstensachsen, onder de Wasserkuppe gelegen, trouwde, ken ik het
nakomelingenschap tot in onze dagen, doordat er onder hen kleindochters en
achterkleindochters waren die met Freudenthals in Tann trouwden.
Met Menachem Michael, mijn betovergrootvader, begonnen de Freudenthals in Tann
een talrijk geslacht te worden. Bij zijn vrouw en nicht Chawa had hij acht
kinderen. Van de vier zoons die in Tann bleven en daar trouwden, bezit ik weer
de stambomen tot in onze dagen - vier clans, waarvan twee met elkaar overhoop
lagen om de sleutel van de oude afgebrande synagoge, die een stamvader zoek zou
hebben gemaakt. De oudste onder zijn zoons was mijn overgrootvader Naftali Zwi,
in het Duits Hirsch Freudenthal (4 mei 1813-2 mei 1892). Hij had bij zijn vrouw
Jette Stern uit Langsfeld (overleden in 1875) zes kinderen: Höly, die
onderwijzer was, maar als politiek verdacht naar Amerika uitweek, waar hij -
gevolgd door zijn zusters Karoline en Riekchen en een onecht kind van een hunner
- zich in Albany vestigde. Ook daar was hij publiek actief - mijn vader
herinnerde zich een gedeeltelijk in het Duits, gedeeltelijk in het Engels
geschreven tijdschrift, dat hij uitgaf Der Erzdruide, en het
woord ‘grove’ dat er geregeld in voorkwam en dat
klaarblijkelijk de plaatselijke afdelingen van deze Druïden-orde
aanduidde. Wat mijn vader zich ook herinnerde, waren de postzegels met de
presidentenkoppen voor zijn verzameling en de dollars voor vader Hirsch, uit
Amerika. Ook de jongste zoon van Hirsch, Benjamin, zat in het onderwijs,
aanvankelijk als onderwijzer, later als leraar. Benjamins zoon was de rabbijn
Dr. Max Freudenthal - ten slotte in Neurenberg - en diens zoon is de bekende
dirigent Heinz Freudenthal in Stockholm, wiens zoons als kunstenaars bekend
staan. Ook Hirsch Freudenthals jongste dochter zat in het onderwijs - zelfs nog
als getrouwde vrouw.
Resteert nog de tweede zoon, Isak (1840-1901), mijn grootvader, de enige van het
zestal die in Tann bleef wonen. Isak was niets. De blinde vlek in de familie,
die, als je hem zou kunnen inkleuren, de schilderachtigste van het zestal zou
zijn. Mijn vader | | | | Joseph (1879-1967) heeft mij twee schriften
nagelaten met jeugdherinneringen. Hij schreef ze in Haifa in 1950, eenenzeventig
jaar oud. Het is een aangrijpend verhaal om te lezen en als ik er zeker van zou
zijn dat het bij anderen zo zou overkomen, zou ik het in extenso afdrukken.
Aangrijpend als monument voor zijn grootvader Hirsch. Zijn vader Isak komt er
nauwelijks in voor. Wist mijn vader niet hoeveel hij aan zijn vader verschuldigd
was? Misschien wel, maar om het te vertellen, had hij die blinde vlek moeten
inkleuren en dat kon hij niet. Dat mocht hij niet. Wie kan, wie mag zoiets wel,
een autobiografie zonder blinde vlekken schrijven?
Als zeventigjarige schreef mijn vader over zijn grootvader, over de zeventig- tot
tachtigjarige gezien met het oog van de drie- tot dertienjarige - dit is het
aangrijpende van het verhaal.
Ik ben dit hoofdstuk telkens weer begonnen. Ik heb de saaie opsomming van namen
telkens weer ingekort en het verhaal trachten te verlevendigen. Maar hoe moet ik
nu verder? Eerst het verhaal doen van overgrootvader Hirsch, zoals het
verstrengeld is met de jeugdherinneringen van mijn vader? Maar dan zou ik mijn
grootvader Isak moeten overslaan, die ik bij stukjes en beetjes uit verhalen van
mijn vader heb leren kennen, te fragmentarisch om hem in vol postuur te kunnen
schilderen en te grondig om het niet aan te durven.
Laat ik dan liever de volgorde aanhouden zoals ik die zelf heb beleefd. We
brachten vaak onze vakantie - of ik alleen mijn vakantie - in Tann door. Het
huis en de zaak waren inmiddels van de oudste broer van mijn vader, Max
(1869-1938), die twee kinderen had, een zoon, die in de Eerste Wereldoorlog
omkwam, en een dochter, die met haar man en kind in de gaskamers zou eindigen.
In het huis woonde ook nog mijn grootmoeder Betty, een klein gebogen vrouwtje,
een Sommerich uit Ottensoos aan de Pegnitz, noordelijk van Neurenberg, van de
pottenbakkers Sommerich. Een hunner, Julius, neef van mijn vader,
handelsreiziger in de zaak van zijn broer, kwam geregeld bij ons thuis en leerde
daar een zuster van mijn moeder, Lene, kennen, met wie hij ten slotte trouwde.
Hij was dus oom van mij in de tweede én eerste graad. In het huis
woonde ook nog een zuster van mijn vader, | | | | de stokdove oude vrijster
Jettchen (1877-1942), die eens een beeldschoon meisje geweest moet zijn - waarom
ze niet is getrouwd, is een verhaal dat ik voor later bewaar. Ook zij eindigde
in de gaskamers. Verder kwam broer Jakob (1872-1966) uit Mellrichstadt er wel
eens, met twee zoons, die tussen de wereldoorlogen naar Buffalo gingen, dank zij
familie van hun moeders kant, en die ten slotte hun ouders lieten overkomen, die
daar hoogbejaard overleden zijn. Ook Thekla (1874-1938) kwam er wel eens met
haar zoon Martin. Ze was naar Berlijn uitgehuwelijkt aan een weduwnaar, die uit
zijn eerste huwelijk welvarende kinderen had, haast even oud als zijn tweede
vrouw; haar zoon leeft (of leefde) in Brazilië. Een enkele keer zag
ik ook de oudste zuster van mijn vader, de beeldschone en excentrieke Hedwig
(1870-1942), die met een rijke jonge erfgenaam in Pirmasens (een
schoenenfabrikant dus) was getrouwd, die die weelde niet aankon en in een mum
van tijd het vermogen van haar man erdoor had gejaagd. Ook zij is vergast, maar
haar nakomelingschap leeft, naar ik meen, zelfs in Duitsland. Dit waren dan de
twee broers en drie zusters van mijn vader; hijzelf was de jongste van het
gezin. Hij heeft het huis, zestien of zeventien jaar oud, verlaten en ging naar
Keulen, naar de kweekschool - daar kom ik nog op terug.
Zijn eerste betrekking was in Falkenburg in Pommeren, waar hij mijn moeder leerde
kennen, die vlakbij, in Tempelburg, geboren en getogen was. In Luckenwalde,
vijftig kilometer van Berlijn, waar hij zijn tweede betrekking had, ben ik
geboren.
In het huis in Tann waren nauwelijks boeken. Het meest indrukwekkend waren wel de
gebonden oude jaargangen Gartenlaube, waarin ik achteraf nog
de ‘Silbenrätsel’ en
‘Rebussen’ op ging lossen. Eén boekje was er
dat ik niet vergeet, het Wanderbüchlein van mijn
overgrootvader Hirsch, die reizend en trekkend zijn leerjaren als leerlooier
‘Geselle’ had doorgebracht, toen en nog tot na de Eerste
Wereldoorlog in Duitsland gebruikelijk in alle ambachten. Een boekje met vele
kleurige stempels van leermeesters en magistraten in zeker vijftig plaatsen van
Kopenhagen tot Zwitserland of Italië toe. Leerlooien was geen deftig
ambacht - een joods ambacht als het ware. Een leerlooier was im- | | | | mers
zoiets als een vilder, zij het dan een die de dierenvellen nog verder bewerkte.
Hoe de leerlooierij een eeuw geleden werkte, staat tot in details in de
jeugdherinneringen van mijn vader te lezen. Hij moest immers zijn grootvader bij
het werk helpen - je hebt geen microscoop nodig om tussen de regels te lezen dat
dit tot zijn minder prettige jeugdherinneringen behoorde. Tussen de zeventig en
de tachtig was Hirsch toen en hij werkte de hele dag als leerlooier - de laatste
van zijn gilde in de Tann. Leerlooien een eeuw geleden - mijn vader heeft het
precies beschreven. Of moet ik zeggen, anderhalve eeuw geleden, want wat Hirsch
praktiseerde was de techniek die hij een halve eeuw eerder als
‘Wanderbursche’ had geleerd, en niet die van zijn oude
dag. Maar laat ik de lezer niet vervelen met de finesses van het leerlooien een
eeuw of anderhalve eeuw geleden. Ik bezit nog een stuk leer dat ongetwijfeld uit
mijn overgrootvaders werkplaats afkomstig is, zo'n twintig bij zeven centimeter
groot. Het is de rug van een boek dat niet erg stevig meer in zijn band zit, een
Zunz-bijbel uit 1838, het boek waaruit de joden tot in
Oost-Europa Duits leerden, de vertaling van de ‘Vier und zwanzig
Bücher der Heiligen Schrift’. Mijn vader heeft het boek
van zijn grootvader geërfd; hij is het op zijn omzwervingen, ook in
kampen, niet kwijtgeraakt en er ontbreekt ook geen enkele bladzijde aan. Hij
heeft het me met zijn jeugdherinneringen uit Haifa gezonden en hij begon het
verhaal over zijn jeugd met het relaas over de Zunz-bijbel. Ik
heb net op de eerste bladzij de naam van mijn overgrootvader en mijn initialen
geplaatst in de hoop dat dit oude boek, dat niet meer in een beste staat
verkeert, mij nog vele geslachten zal overleven.
Ook in die tijd - vertelt mijn vader - toen hij iedere vrijdagavond zijn
grootvader uit de bijbel moest voorlezen, verkeerde het boek al in een niet te
florissante staat. Mijn vader besloot het boek opnieuw in te binden en dat is
dan de band waarin het nu zit: twee kartons van een oude Gartenlaube op maat gesneden en met zwart papier beplakt en een stuk
leer uit Hirsch's werkplaats als rug. Het is vermoedelijk het enige
ambachtelijke werkstuk dat mijn vader ooit heeft vervaardigd.
Lang - wellicht 1,90 meter - mager, maar gespierd, een ge- | | | | zond
gebruind gelaat met een witte ringbaard, die onder de kin net niet sloot, en met
nog steeds zwart hoofdhaar - aldus beschrijft mijn vader zijn zeventig-
à tachtigjarige grootvader, recht en sterk als de eiken die hem zijn
looivocht leverden.
Op 3 juni 1879 werd mijn vader in Tann geboren, drie weken na de grote brand op
13 mei 1879, die de halve stad in de as legde, synagoge en kerk incluis. De
brand van Moskou van 1812 en van Tann in 1879 waren in de geschiedverhalen zoals
mijn vader ze in zijn jeugd hoorde, zo'n beetje tegenhangers van elkaar. Wat
zo'n brand betekent, klinkt ook in mijn dagboek op 27 mei 1921 (blz. 1086/7)
door: ‘Toen we in de Volkswacht van een
“Grossfeuer” in Tann lazen, gingen Vader en ik naar de
redactie, om ons de krant te laten geven, waaruit het bericht afkomstig was. Op
de weg ernaar toe vertelde hij me van de brand, tweeënveertig jaar
geleden, op 15 (?) mei, dus in zijn geboortejaar, die de halve Tann had
vernield. Maar tot onze geruststelling lazen we in de Volksstimme (Frankfurt), dat de brand in een smidse was uitgebroken, dus
niet in Oom's buurt kon hebben gewoed.’ Het was inderdaad een blok
midden in de stad, dat ik nog enkele jaren later als ruïne zag
liggen. Over ‘Rampen’ zou ik veel kunnen vertellen, maar
de brand van 1879 hoort op deze plaats. Toen hij uitbrak, was de meerderheid der
joodse mannen op een veemarkt ergens in Meiningen, maar Hirsch was ter plaatse
om zich - ‘Sjema Jisroel’* - in
de vlammen van de brandende synagoge te storten om de twee nog onbeschadigde
wetsrollen te redden. Aldus het verhaal dat - waar of niet - nu eenmaal bij het
beeld van mijn overgrootvader hoort. Zijn huis, dat toen al twee gezinnen met
samen negen personen herbergde, bood gastvrijheid aan een der dakloze gezinnen.
Te midden van al die drukte werd mijn vader geboren. De stad was spoedig -
fraaier dan voor de brand - herbouwd. De synagoge, waarvoor alom in de joodse
wereld werd gecollecteerd, was drie jaar na de brand herrezen - en zo heb ik hem
nog gekend en bezocht - om ten slotte door nazi's in brand te worden gestoken.
In de geblakerde ruïnes van de kerk heeft mijn vader nog ge- | | | | speeld. Het duurde tien jaar eer de kerk herrees, uit blokken fraai wit
zandsteen - een wonder tussen de huizen van vakwerk en tichels. Maar het
opwindendst waren de vier grote klokken. Wat een gebeurtenis toen mijn vader als
tienjarige ze in de takels zag hangen, en honderden mensen aan een touw zag
trekken, dat van de kerk tot aan het vadershuis strekte - honderden die zelf
niet konden zien hoe de klokken - de een na de ander - naar de klokkenstoel
rezen. Op Sjabbat, tijdens de middagwandeling van de joden, begonnen ze proef te
luiden om zestig jaar later nog na te klinken uit de geschreven herinneringen
van mijn vader. Een gebeurtenis - de inwijding van die kerk. Alom guirlanden, en
aan die van Hirsch's huis naar de overkant van de straat zag de passerende stoet
een spandoek hangen met in fraaie letters de eerste twee verzen van psalm 122 -
een toespeling, lijkt het, op de guirlande als poort van Jerusalem en de
Christenkerk als huis van de Heer.
Dus dezelfde God - lijkt het - tot wie de tienjarige gebeden richtte, wanneer hij
urenlang de gelooide vellen moest vasthouden, terwijl zijn grootvader ze met het
krispelhout bewerkte, maar de lieve God liet zich niet vermurwen om het ontstaan
van de nerven in het leer te bespoedigen, zodat de jongen met zijn vriendjes op
straat had kunnen spelen. Een andere keer lijkt het hem wel te zijn gelukt. Toen
grootvader in een opvliegende bui tijdens de godsdienstoefening op Sjabbat er
één die zich misdroeg een draai om de oren gaf. Er zou een
kwalijke rechtzaak van zijn gekomen als Hirsch niet zo'n gezien lid van de
gemeente was geweest en - laten we het met de tienjarige geloven - God niet het
voor zijn grootvader biddende kind had verhoord.
Mijn familie had, zoals elke andere in Tann, ook ‘land’ -
weide en akkerland aan de Weissenberg; mijn overgrootvader had het ten dele zelf
ontgonnen door wat in mijn tijd nog steeds de ‘vijver’
werd genoemd, met keien uit de berghelling te dempen en te draineren. Zelfs de
geiten lustten het zure gras van de ‘vijver’ niet, maar
mijn overgrootvader maakte het dienstbaar aan de leerlooierij door er wilgen te
stekken. De tenen, die in het najaar ‘geoogst’ werden,
waren het materiaal voor de mandenmaker, die je op gezette tijden liet opdraven
- hoe je de tenen tot man- | | | | den vlecht, staat ook in mijn vaders
jeugdherinneringen beschreven, en ook waarom een leerlooier zoveel manden nodig
had, bij voorbeeld om ze met wol en haren, van de vellen geschoren, te vullen en
het vulsel in de molenbeek van de Ulster te wassen.
Lieden die op gezette tijden hun ambacht in je huis beoefenden, waren er meer: de
pantoffelmaker bij voorbeeld, die de textielafval van het hele jaar tot sokken
en pantoffels verwerkte, die je in huis en die de leerlooier in zijn hoge
laarzen droeg.
Mijn overgrootvader was een vrome jood, wiens gestaag werk alleen onderbroken
werd door de dagelijkse gebedstijden, die mijn vader met hem deelde - op
Nieuwjaar en Grote Verzoendag als de Sjofarhoorn geblazen werd, achter diens
gebedsmantel verborgen, want de Sjofar is er om te worden gehoord, niet om te
worden gezien. Mijn overgrootvader was geen schriftgeleerde, wel iemand door wie
de ‘leraar’ zich graag liet vervangen om de Gemeente voor
te gaan in het gebed, bij het lezen van de Thora en bij de Sjioer, de
leervoordracht. En voor de buitenwacht, voor menige christen, was hij het
symbool van dat geheimzinnige Jodendom, met wie naar mysteriën
hunkerende of alleen maar nieuwsgierige boeren en ambachtslieden gesprekken
aanknoopten om hun weetgierigheid te bevredigen. Zo - en als vertegenwoordiger
van het oude verbond - heb ik mijn vader nog benaderd zien worden in
werkplaatsen en op boerderijen, en bij tijd en wijle kom ik zelf nog mensen
tegen die van de afstammeling van Abraham meer voor hun diepste roerselen
verwachten dan zijn boekenwijsheid prijs kan geven.
Waren de joden even nieuwsgierig naar wat het christengeloof inhield? Ik denk van
niet. Kennis ervan nemen, met welk zintuig ook, leek op besmetting. De naam
Jezus, een joodse naam, sprak men niet uit. Hij was, als je van hem moest
spreken, de Toloei, de gehangene, en ikzelf heb nog moeite hem Christus te
noemen en als het ware te erkennen dat Jezus van Nazareth de Gezalfde van de
Heer, de Messias, was. En toch werd je, als je niet in een getto leefde, ermee
geconfronteerd. Soms mocht mijn vader van zijn grootvader boodschappen doen bij
een schoenmaker, een van Sneeuwwitjes dwergen naar het leek. De
schoenmakerswerkplaatsen, zoals mijn vader er een beschrijft, waar altijd iets
| | | | op een kachel stond te pruttelen, heb ik nog gekend. Maar bij
die schoenmaker hingen aan de muur oleografieën met bijbelse
verhalen, ook van, zoals de schoenmaker ze noemde, de Verlosser en van de moeder
Gods. Zelfs op de kweekschool die mijn vader bezocht, werd elke stap buiten het
Oude Verbond vermeden. Tot zijn eerste betrekking, toen hij, dan twintig jaar
oud, zijn literatuur zelf begon te kiezen, bleven de oleografieën en
verhalen van het schoenmakertje zowat zijn enige bron van geschiedenis van het
Nieuwe Verbond. Toen hij later in Goethes roman Wilhelm Meisters bezoek aan St.
Jozef de Tweede las, voelde hij zich van de kapel met de Jozefschilderijen
verplaatst naar het huis van het schoenmakertje - aldus mijn vader. Waarom ik
dit vertel? Omdat er zoveel meer achter schuilt dan wie dan ook kan bevroeden,
als een oudere man zich zulke ‘déjà
vu's’ herinnert. Zoals ik mijn vader heb gekend, hoe hij letterkunde
heeft geproefd, zijn hij en ik als jongelingen opnieuw als oude man door
hetzelfde moment in Goethes verhaal getroffen, maar hoe zou ik dat aan iemand
die dit verhaal niet kent, duidelijk kunnen maken; het verhaal van een oude
Jozefkapel, met het geschilderde bijbelse verhaal, dat als het ware een nieuw
paar Jozef-Maria doet leven? In plaats van dit hoofdstuk te vervolgen heb ik in
dit weekeinde die vreemde parallelle en elkaar kruisende levens bij Goethe
herlezen - in de Wahlverwandtschaften en in Wilhelm Meister - en gepeinsd over al die dubbele levenslijnen die ik
zelf heb willen tekenen, en over andere zaken, waarvan nog sprake zal zijn.
Ik ben al weer ver afgedwaald - van mijn vaders prilste jeugd naar zijn iets
rijpere jaren en zijn ouderdom, en parallel hiermee de mijne. Dus weer terug.
Toen mijn vader zes jaar was kreeg hij tyfus en het mag een wonder heten dat hij
de ziekte overleefde. De dokter herinnerde hij zich nog met de St. Bernhardhond
waarop hij een keer toen hij al aan de beterende hand was, mocht rijden. Als
jongste in het gezin, door de ziekte verzwakt, maar wellicht ook zwak van
nature, werd hij door zijn zusters nogal verwend, ze deden hun best om hem aan
de arbeidsdiscipline van hun grootvader te ontfutselen. Mijn vader, op de joodse
eenmansschool, was een goede leerling - aldus onderwijzer Hecht, tevens leraar
van de joodse gemeente, die ik nog gekend heb - en | | | | zodoende werd op
zekere dag het geweldige besluit genomen dat hij door moest leren, de enige van
de zes kinderen uit het gezin, hoewel neef van onderwijzers en leraren.
Doorleren - dat betekende naar de kweekschool, om tot onderwijzer en tevens tot
leraar die een gemeente zou voorgaan, te worden opgeleid. Ik vermoed dat mijn
vader de Bijbel voor het eerst in het Duits heeft leren kennen. Uiteraard had
hij op de lagere school ook Hebreeuws geleerd om de gebeden te kunnen zeggen;
maar om naar de kweekschool te gaan, was meer vereist. Na de lagere school heeft
hij eerst nog twee jaar lang privé-lessen in Hebreeuws van zijn
onderwijzer gekregen en ook in Fulda les daarin gehad, om de bijbel te kunnen
lezen. Hij heeft vioollessen gevolgd en in de winter cursussen van voortgezet
onderwijs, eer hij, vermoedelijk in 1895, zestien jaar oud, naar de joodse
kweekschool in Keulen ging. Het is vreemd dat hij - de grote verteller -
nauwelijks over zijn studiejaren heeft gesproken. Niets over Keulen, de stad aan
de Rijn met de grote Dom, niets over leraren en vrienden, het moet een
ontzettende tijd zijn geweest. Het enige dat ik uit die tijd van hem bezit, is
een opstel bij de tachtigste verjaardag van Bismarck; het enige dat ik me uit
zijn verhalen herinner, zijn de eerste sigaren die hij kocht, van geld dat hem
geschonken was, en dat het geschiedde net op dezelfde dag dat de beierende
klokken aan een mensenmenigte Bismarcks dood verkondigden.
Mijn vaders eerste baan was in Falkenburg in Pommeren en daar in het nabije
Tempelburg heeft hij haar ontmoet die mijn moeder zou worden, Elsbeth Ehmann -
hij negentien en zij zestien. Het moet meteen raak zijn geweest tussen Sepp en
Else. Een van de fraaiste foto's in mijn bezit is die van de zilveren bruiloft
van mijn grootouders Ehmann, in de kring van hun zeven - nog ongehuwde - zoons
en drie dochters, mooie jongens, op de jongste na allen als heer gekleed, en
mooie meisjes. Maar het middelpunt van de kring, de blikvanger als het ware -
geen Rembrandt had het beter kunnen componeren - Elsbeth, het hoofd schuin
achterover, de enige die niet met een uitgestreken gelaat in de lens staart, een
zelfbewust meisje van vijftien dat weet hoe mooi ze is en hoe ze het mooiste
overkomt.
| | | |
Geen grotere tegenstellingen, tussen twee clans dan tussen - om het wat ouderwets
te zeggen - mijn zwaard- en spillemagen. Van vaderszijde Zuidduitsers, uit de
bergen, wat benepen aandoend, maar de koning te rijk met hun armoe, jolige
feestvierders, vooral zo'n vrolijke Frans als mijn vader. Van moederszijde
Noordduitsers, uit de Oostelbische vlakte, dikdoenders, opsnijders, bij wie elk
feest in geschreeuw en ruzie eindigde, althans wat de mannen aanging. Het is wat
kras en overdreven gezegd, maar als je groepen mensen tegenover elkaar plaatst,
ben je gauw aan zwart-wit portretten toe en verwaarloos je hoe licht en schaduw
waren verdeeld. Mijn vader in Falkenburg had zijn zuster Jettchen als
huishoudster over laten komen, uiteraard om bij een der broers Ehmann in de
smaak te vallen. Wel, geen hunner gunde haar de ander en Jettchen bleef haar
leven lang een oude vrijster.
In 1901 trouwden mijn ouders, zij was negentien en hij tweeëntwintig,
en spoedig was mijn vader aan zijn tweede baan toe, in Luckenwalde bij Berlijn,
waar ik in 1905 werd geboren, vermoedelijk na een reeks miskramen; in 1909
volgde mijn zuster Lotte. Inmiddels was ook grootvader Ehmann van baan
veranderd, naar Zerkow, in wat toen de provincie Posen heette, vlak bij zijn
geboorteplaats Konin, even over de grens, in Russisch Polen gelegen. Nog later
verhuisde hij naar Militsch in Silesië.
Van de familie van moederskant is er geen stamboom. Ik heb van die kant wel mijn
twee grootouders gekend. Ook Lottchen Fürst, naar wie mijn zuster is
genoemd, de moeder van mijn grootmoeder, die als jong mooi meisje aan een veel
oudere man was uitgehuwelijkt - ik heb haar alleen gekend als de oude heks, voor
wie wij neven en nichten doodsbenauwd waren. Vol humor en met een scherpe tong -
zo kwam ze in mijn moeders gesprekken over, waar geestige gezegden veelal
gevolgd werden door een ‘zoals mijn grootmoeder Lottchen placht te
zeggen’. Originele zinswendingen zoals ‘er red't wie Kuhs
Arschloch’, wanneer iemands woordenvloed niet te stuiten was. Van
haar grootmoeder Lottchen erfde mijn moeder twee grote gouden oorbellen, elk
bestaande uit een grote bol met een klein bolletje als aanhangsel. Mijn moeder
liet de twee grote bollen tot een | | | | broche samenvoegen en van de
kleine bolletjes kreeg mijn zus oorbelletjes - ik herinner me nog hoe dat
gebeurde. Toen mijn zusters dochter Bettina die oorbelletjes van haar moeder en
de broche van mijn vader erfde, kwamen overgrootmoeder Lottchens oorbellen in
hersteld verband.
Lottchen van ‘fürstlichem Blut’ en uit het
Hertogdom (d.w.z. Posen) afkomstig, zag met minachting neer op haar schoonzoon
en zijn Russisch-Poolse familie. Van die kant heb ik nogal eens leden gekend en
ontmoet, tot in Parijs in 1927 toe. Maar een van mijn oudste herinneringen is
het bezoek vanuit Zerkow aan mijn overgrootvader Mosje Ehmann, toen de hele
familie bij elkaar was om zijn zeventigste of tachtigste verjaardag te vieren.
Ik zie me nog in een koude kale kamer staan tussen de spiegel en hem, die uit de
synagoge thuiskomend zijn handen op mijn hoofd legt om zijn oudste
achterkleinzoon te zegenen zoals Jakob had gedaan met Efraim en Manasse.
Mosje Ehmann was van professie kleermaker, maar voor de joden in Konin was hij
een soort heilige. De wonderverhalen over hem waren niet van de lucht. Eens op
een vrijdag, midden in een strenge winter, toen meren en rivieren potdicht zaten
en nergens vis te koop was, die immers bij het Erev-Sjabbat-maal hoorde,
geschiedde het dat mijn overgrootmoeder in een tobbe water ging halen uit een
wak - en ziedaar: ze had een vis gevangen, de wondervis van Mosje Ehmanns
Erev-Sjabbat.
Ik was twee jaar oud toen we mijn grootvader in Zerkow en mijn overgrootvader in
Konin bezochten. De briefkaart waar dit uit blijkt is zoek, maar een vroegere
kaart is er wel, een foto van mij, nog geen jaar oud, op de schoot van mijn
grootvader, de koning te rijk met zijn ‘oudste kleinzoon’:
‘Das ist Hansing mit dem “Opapa”, hat
natürlich nicht stillgesessen, der wilde Hans’, schreef
mijn moeder erbij. Inderdaad, omdat mijn moeder Pommerse was, werd ik
‘Hansing’ en werden mijn ouders
‘Vating’ en ‘Mutting’ genoemd, en
onder de naam ‘Vating’ hebben mijn kinderen en enkelen van
mijn kleinkinderen mijn vader gekend. ‘Wild’ was ik ook,
het duurde jaren eer de eerste scherpe amateurfoto van me lukte.
Ik leed vermoedelijk toen al aan astma. ‘Hij heeft niet meer ge- | | | | hoest’, schreef mijn moeder op de kaart die zoek is. Toch
herinner ik me ook uit die tijd dat ik weer eens ziek was. Ik herinner me ook
het speelgoed dat grootvader Abraham Ehmann voor me in elkaar knutselde - een
wagentje uit een sigarenkist en twee doorgezaagde garenklossen voor de wieltjes.
Abraham Ehmann was, zoals mijn vader, voorganger in de Gemeente - ik denk niet
rabbijn, zoals zijn zoons beweerden. Hij kende Thora en Talmoed beter dan mijn
vader, maar vooral was hij een kunstvaardig en vernuftig knutselaar in veel
ambachten, en dat hij dat wist, straalt van zijn zelfgenoegzaam gezicht af. Ik
heb wat er overgebleven is van zijn werkdoos in mijn bezit. Een rol geel
perkament, en een tweede, waarop hij begonnen is met het boek Genesis tot midden
in hoofdstuk iii, vers 13 - drie kolommen perkament met de
ganzepen en (uiteraard zelfgemaakte) zwarte inkt geschreven - een wonderbaarlijk
mooi Hebreeuws schrift, licht voorover leunend. Je kunt nog zien hoe hij het
gedaan heeft: eerst met een fijne pen de omtrekken van de letters en die dan met
een bredere ingevuld. Alleen de eerste twee woorden (‘In het begin
schiep’) zijn niet ingevuld, misschien opengelaten tot het hele werk
af zou zijn. En hetzelfde schrift, maar dan minuscuul, ruim een millimeter hoog,
vind ik terug op de rolletjes perkament in de kapsels van de onvoltooide
gebedsriemen. De mallen zijn er ook nog waarop de leren kapsels werden
opgetrokken en de stempels waarmee lettertekens in het leer werden geperst, en
de gietvormen van de stempels; er is een zaadstreng van een stier, waaruit
draden werden gespleten om het leer te naaien; hulzen voor de rollen die aan de
deurposten werden gehecht, een passer, een scherpe pen om onzichtbare lijnen te
trekken; onnoemelijk veel stukjes perkament; werktuig voor de besnijdenis (mes
en een glazen buis). Twee Ester-rollen heb ik, één - dacht
ik - door hem geschreven. En dan iets - ik weet niet of het zijn eigen
uitvinding was: bij wijze van Chanoeka-kandelaar maakte hij (misschien alleen
voor mij) een set ronde loden stoeltjes met vier pootjes, met een gewelfde,
doorbroken leuning, en in plaats van het zitvlak een vaatje voor de olie en in
het vaatje een schuin vlak om de pit te dragen - er zijn nog enkele exemplaren
van over en ook van de vormen van beukehout | | | | waarin hij ze heeft
gegoten. Er is ook een stuk van zo'n gietvorm voor een trendel - een soort
dobbelsteen die je tollend in beweging zet. De stoeltjes, zowat
drieëneenhalve centimeter hoog, bleken trouwens in de praktijk niet
te voldoen. Als je de vlam van het droog gebrande stoeltje niet meteen bluste,
ging het lood smelten en daar werd het stoeltje niet mooier van. In de doos -
het zijn er eigenlijk twee - zijn ook, hoewel ze er niet in horen, de eerste
krullen van mijn hoofd, in krantepapier verpakt - ik denk dat ze eraf gingen
nadat ze op de statiefoto van de 2½-jarige voor het laatst waren
vastgelegd. Het is vreemd dat er onder elf kleinkinderen van twee grootvaders,
die allebei krullen hadden, maar één krullebol voorkomt -
misschien haalt de volgende generatie de schade in.
Grootvader Ehmann werd niet oud - midden in de zestig. De foto van zijn
grafsteen, waarop ik zijn geboorte- en sterfjaar zou kunnen lezen, is zoek. Zijn
eerste hartaanval trof hem toen de grootouders bij ons logeerden, als ik het me
goed herinner rond 1912. De meesten van zijn tien kinderen hebben zijn fysieke
aanleg geërfd. Ze stierven betrekkelijk jong, aan diabetes,
nierziekte, hart- en vaatziekten - het hele syndroom in al zijn schakeringen.
Twee of drie hebben een hoge leeftijd gehaald. Uit 1920 heb ik een brief van
mijn moeder, waarin ze schrijft dat te hoge bloeddruk bij haar was geconstateerd
- ik wist niet dat ze toen al naar zoiets keken. In die tijd viel er natuurlijk
niets aan al die ziekten te doen. Mijn moeder leed aan reumatiek, had
hartklachten en stierf in haar 47e levensjaar, na een korte acute ziekte aan
uremie. Ze werd gecremeerd - ongewoon in die tijd; haar graf, niet op de joodse
begraafplaats maar op de Waldfriedhof, is er nog.
Ik was nog met grootvader Ehmann bezig en via zijn lichamelijke gesteldheid kwam
ik bij zijn nakroost en hun ziekten en dood terecht. Van moederszijde had ik
ooms en tantes die niet om en rond één plaats kluisterden,
maar wijd en zijd verspreid waren: drie broers en een zuster van mijn moeder in
Silezië, twee broers in Berlijn, één broer in
Memsl en één, in 1900 naar de Wereldtentoonstelling in
Parijs vertrokken, later daar als tailleur gevestigd en met een nicht (of een
achternicht) van de Koninse lijn - eveneens tailleur - getrouwd, als Duitser in
1914 naar de | | | | Verenigde Staten gevlucht, omstreeks 1925 als
Amerikaans burger in Parijs terug om aan Amerikaanse vrouwen zijn Haute Couture
te verkopen, in 1940 opnieuw naar Amerika gevlucht, maar dan in zijn
hoedanigheid van jood. Ten slotte, niet te vergeten, een zuster in Neurenberg,
die getrouwd was met een neef van mijn vader. Dit waren heel wat
vakantieadressen, naast Tann in het Rhöngebergte.
Daartussen lag Luckenwalde, waar om de haverklap familie van hier en daar
neerstreek. Neven en nichten had ik bij de vleet - van moederskant eenentwintig
- en ik herinner me nog mijn verontwaardiging wanneer ze over mijn ouders als
Oom Sepp en Tante Else spraken, terwijl ik me niet realiseerde dat ik hun ouders
ook bij hun voornamen noemde. In mijn geheugen leeft ook nog de grote
‘Baumkuchen’ bij het huwelijk van tante Lene en oom Julius
en dat ik niet begreep hoe die Julius al vóór zijn
huwelijk met mijn tante mijn oom (feitelijk van de tweede graad) kon wezen,
terwijl zulke aangetrouwde titels normaal pas ná een huwelijk werden
verworven. In mijn oren klinkt nog de ‘Moritat’ (een drama
geïllustreerd met schilderijen) die mijn ouders bij die bruiloft
opvoerden. Ze vormden een geweldig span dat van plezier hield - mijn ouders. Hij
zowat de vrolijkste man in het stadje en zij - wat overdreven gezegd - de
mooiste vrouw, altijd volgens de nieuwste mode gekleed, zoals een reeks foto's
laat zien.
Mijn moeder was sterk van lichaam en geest, slim, handig, hartstochtelijk,
mateloos in haar doen en laten, in haat en liefde, een diepe zee onder een
bruisend oppervlak.
Mijn vader was - ik vertelde het al - een vrolijkerd, iemand die elke keer dat
hij de deur uit was geweest en thuiskwam, een verhaal kon vertellen, terwijl
zijn zoon - ook een beetje een verteller - zijn verhalen uit de krant, uit
andermans verhalen of moeizaam uit de diepte van zijn geheugen moet knippen. Op
reis ontmoette hij altijd mensen van wie na een kort gesprek bleek - zeg maar -
dat ze een oudoom hadden wiens huishoudster getrouwd was met een zakenvriend van
de vroegere eigenaar van de brouwerij waar zijn overbuurmans vader in loondienst
was geweest - ik verzin maar iets, want ikzelf heb een slecht geheu- | | | | gen voor dergelijke relaties. ‘Kol Jisrael achehem’ -
heel Israël zijn broeders - maar vaders relatiesysteem was niet tot
het Jodendom beperkt.
Wie aan mij voorafgingen - is de titel van dit hoofdstuk, maar onverhoeds lijkt
het te worden: wie rond mij leefden. Laat ik het dus afkappen, maar dan om een
verzuim in te halen: wat ik de blinde vlek in mijn stamboom heb genoemd, mijn
grootvader Isak, van vaderszijde. Ik heb hem niet gekend, en op mijn vaders
wereldtoneel trad hij nauwelijks op.
In 1920, vóór ik op reis ging naar oom Julius en tante
Lene, was het mijn moeder die het geheim verklapte. Ik zou in Neurenberg vast en
zeker ook mijn vaders neef, de opperrabbijn Dr. Max Freudenthal, bezoeken - en
volgens het Dagboek (blz. 481) deed ik dat op 19 juni 1920, en zij waren
‘höchst liebenswürdig’, al vond ik
het stomvervelend. Maar daar wilde mijn moeder me niet voor waarschuwen. Als ik
bij Dr. Freudenthal zou worden uitgenodigd, zou ik op moeten passen met mogelijk
alcoholgebruik. Het is waar dat ik toen, nog geen vijftien jaar oud, bier
stoerder vond dan limonade en bij feesten - die waren er nogal wat - een glas
wijn dronk, maar was dat een reden? Ik was zo matig als je van een jongen van
vijftien die geen sissie was, mocht eisen.
Wel, mijn grootvader Isak, een vrolijke Frans - dat loochende zelfs mijn vader
niet - kenner en zanger van alle opera's en operettes, die hij in de jaren van
zijn militaire dienst had bezocht, meester-scherpschutter, lid of voorzitter van
alle pretverenigingen in Tann, kapitein van de Vrijwillige Brandweer - dat
vertelde mijn vader er wel eens tussen neus en lippen door of werd me door
anderen in Tann verteld - Isak Freudenthal was een drinkeboer, zelden thuis en
vaak in de kroeg. Of was hij wat je noemt een
‘Quartalssäufer’? Overgrootvader Hirsch heeft
met zijn twee oudste kleinzoons Max en Jakob de leerlooierij draaiende en het
gezin in leven gehouden. Mijn vader leek op de zijne, een zwakke imitatie - denk
ik. Maar mijn vader dronk niet. Of niet meer dan hij net moest.
Waarom vertelde mijn moeder me dat? Dat ik me bij Dr. Freudenthal niet zou
blameren en zij zouden zeggen: ‘Net zijn | | | |
grootvader’? Ze had me toch nog nooit dronken gezien? Ik denk nu dat
het subtieler was - een typische hersenkronkel, mijn moeder waardig:
‘Zouden ze hem daar, bij Dr. Freudenthal, niet dronken willen voeren
om te kunnen zeggen: “Net zijn grootvader”.’
Het idee dat het zo in elkaar zat, komt nu zomaar in me op. In dit opzicht lijk
ik op mijn moeder: ergens iets achter zoeken en dat meestal daar waar niets
achter zit.
En mijn vader, die honderduit van alles en nog wat kon en wilde vertellen,
behalve over zijn eigen vader? Moet dit niet een kwelling zijn geweest? Of zoek
ik ook daar meer achter?
|
*Begin
van een gebed: ‘Hoor Israël...’
|
|