|
|
|
| |
| | | |
H.F.
Hans Freudenthal, geboren 17 september 1905 in Luckenwalde, was de zoon van
Joseph en zijn vrouw Elsbeth geboren Ehmann. Zijn vader was voorzanger en
godsdienstleraar van de kleine joodse gemeente van ruim vijftig gezinnen - een
wat je noemt liberale gemeente met godsdienstoefeningen in het algemeen alleen
op vrijdagavond en de feestdagen. De Freudenthals woonden achtereenvolgens
Carlstrasse 38 - in het gebouw van de synagoge -, Breitestrasse 32,
Grabenstrasse 29, Dahmerstrasse 6, Weinberge 6.
Luckenwalde was een plaats van 25000 inwoners, een oude stad, maar als
middelgrote fabriekstad een parvenu uit het eind van de 19e eeuw - textiel-,
hoed-, metaal-, meubelindustrie - aan de lijn Berlijn-Halle de eerste
middelgrote stad, vijftig kilometer van Berlijn en na Lichterfelde de eerste
stop van de ‘Eilzüge’ en een enkele D-trein. De
plaats was een massieve markttoren rijk, die nog steeds het stadsbeeld beheerst,
drie evangelische kerken, een Baptistenkerk en een katholieke kerk (met
toentertijd niet meer katholieken dan joden), drie of vier lagere scholen, een
Reform-Realgymnasium (met ‘Vorschule’), de
‘Friedrichsschule’, en een Höhere
Töchterschule. Het fraaie koekebakkerstijl-gymnasiumgebouw was net
klaar toen H.F. met Pasen 1911, vijfen-eenhalf jaar oud, op de
‘Vorschule’ kwam. Hij deed daar op 22 februari 1923
eindexamen.
Van 1923 tot 1930 studeerde hij wiskunde (en nog wat bijvakken) in Berlijn, met
een tussendoorsemester in 1927 in Parijs, verdiende zijn studie door
privé-lessen te geven, was enkele jaren lang
‘Hilfsassistent’ in de wiskunde en redactieassistent bij
het ‘Jahrbuch über die Fortschritte der
Mathematik’. Na een aantal vergeefse pogingen slaagde hij er in 1929
in een wiskundig proef- | | | | schrift te schrijven, waarop hij op 20
februari 1930 doctor philosophiae werd. Op 15 november 1930 vertrok hij naar
Amsterdam, als assistent, naast Witold Hurewicz, van L.E.J. Brouwer, die hem in
1927 bij zijn ‘Gastvorlesungen’ in Berlijn had opgemerkt.
Na enige maanden in Laren, Brouwers woonplaats, te hebben gewoond, was hij van
het najaar van 1931 tot de zomer van 1947 Amsterdammer; tijdens de oorlog stond
hij jarenlang op non-actief. Van 1946 tot 1976 was hij hoogleraar in Utrecht,
sinds 1971 ook hoogleraar-directeur van het iowo (Instituut
Ontwikkeling Wiskunde Onderwijs). Uit zijn huwelijk met Susanna J.C. Lutter zijn
vier kinderen gesproten.
Over zijn doen en laten bestaat nogal wat documentatie. Daar zijn ouderlijk gezin
veel en verscheidene kanten uit placht te reizen, is er heel wat correspondentie
geweest, waarvan grotendeels alleen het tot hem gerichte deel behouden is. Er
zijn schoolschriften vanaf het eerste leerjaar, er is een dagboek van 2043
bladzijden, daterende van 20.10.1918 tot 23.2.1923, de dag na zijn eindexamen,
dat echter niet - althans niet in zijn geheel - toegankelijk is. Uit zijn
studietijd is er weinig correspondentie, doordat hij elk weekeinde thuiskwam.
Vanaf 1930 is er weer veel familiecorrespondentie, van zijn kant veelal in
carbon-kopieën behouden. De gehele familiecorrespondentie zal 1000
à 2000 stuks belopen. Daarnaast is er in toenemende mate beroeps- en
wetenschappelijke correspondentie. Er zijn wederom dagboekperioden met
onderbrekingen vanaf 1939 tot 1945; dit materiaal is gemakkelijker toegankelijk.
H.F. was vanaf zijn prilste jeugd tot ongeveer zijn vijfenvijftigste zwaar
astmalijder. Aan zijn ziekte werd uiteraard veel aandacht besteed;
één van zijn zoons heeft er eveneens, zij het veel minder,
last van. Bij het minste of geringste moest hij thuis of in bed blijven; hij
kreeg gemakkelijk van school verlof om vervroegd met vakantie te gaan en later
terug te komen. Op school was hij een goede leerling en graag bereid te laten
zien dat hij de beste van de klas was. Thuis was hij een lastpak, een huilebalk
en een plaaggeest voor zijn drieëneenhalf jaar jongere zuster, maar
bij de ooms en tantes bij wie hij op bezoek kwam, wist hij zich voorbeeldig te
gedragen. Voor loftuitingen was hij zeer gevoe- | | | | lig. Tot zijn
voordeel mag worden gememoreerd dat hij nooit uitblonk in valse bescheidenheid.
Uit pure luiheid las hij vroegtijdig veel, maar niets grondig. Bij het begin van
zijn dagboek is hij met de hele Lessing bezig; het was blijkbaar begonnen met de
Hamburger Dramaturgie, waaruit hij kennis wilde putten voor zijn eigen
dramatische produktie. Goethe en Schiller had hij toen blijkbaar al achter de
rug. Nog geen zeventien jaar oud las hij Freud c.s. Wat hij van al wat hij las,
echt begrepen heeft, kon hij zelf achteraf moeilijk zeggen - geen rekbaarder
begrip dan ‘begrijpen’. In elk geval kon hij vroegtijdig
over van alles en nog wat meepraten en dat deed hij ook. De hiervoor vereiste
wijsheid deed hij veelal uit de krant op - het Berliner
Tageblatt. Die enkele keer dat hij bij zo'n gelegenheid een steek liet
vallen, heeft hem jaren later in de herinnering nog het schaamrood naar de kaken
doen stijgen. Op school wist hij alles beter, soms zelfs beter dan de leraar,
maar dat lag dan aan de leraar. De enorme stapel Duitse poëzie die
hij in die jaren heeft geproduceerd, heeft hij in het eerste hoofdstuk van dit
boek opgeruimd, kennelijk niet zonder gegronde redenen. Hij was voor zijn
leeftijd mogelijk een goede schaker, ook simultaan en weleens blind. Als hij
won, was het de goede combinatie; als hij verloor, was het een domme blunder.
Hij kon slecht tegen verliezen.
Na het eindexamen, bij het begin van zijn studie wiskunde, is hij met schaken
gestopt, naar hij zei omdat je niet twee dingen tegelijk kon doen. (Maar deed
hij echt zoveel aan wiskunde?) Daardoor is zijn hele schaakliteratuur en zijn
zijn opgetekende schaakpartijen en composities grotendeels verloren gegaan -
vermoedelijk geen groot verlies voor het schaakdom.
In wiskunde was hij als twaalfjarige aan differentiaal- en integraalrekening toe.
Theoretische fysica begon hij (28.12.1919) met de relativiteitstheorie, die
bracht hem (27.8.1920) op de elasticiteitstheorie, en pas daarna (6.10.1920) op
de algemene mechanica. Uit die volgorde kan men gissen hoeveel hij ervan
begrepen zal hebben. Maar in elk geval kon hij erover meepraten. Thora, Talmoed,
middeleeuwse Hebreeuwse filosofen, architectuur, krijgswetenschap, het leek
allemaal gesneden koek.
| | | |
Toen hij aan zijn wiskundestudie in Berlijn begon, bleek hem dat hij niet het
enige jonge wiskundegenie op de wereld was. Maar spoedig vond hij zijn draai:
van alles net genoeg leren om erover mee te kunnen praten. Of om er een ander
les in te kunnen geven of de les te kunnen lezen. Hij las per dag tien
à twintig kranten en wist dus alles van film en toneel af. De voor
het kunnen meepraten vereiste kennis wordt echter bepaald door de kringen waarin
je verkeert, en daar zijn ambitie uitging naar die waar ‘everybody is
somebody’, leerde hij ondanks alles nog genoeg wiskunde om te
promoveren en om op gevorderde leeftijd te gelden als iemand die van alles wat
afwist, hetgeen bleek bij lezingen en op colloquia, omdat hij op het juiste
ogenblik de juiste vraag wist te stellen. Hij deed weleens een goede greep, maar
nooit diep genoeg om een goudmijn te exploiteren. Later leerde hij wel hele
akkers om te spitten, maar nooit dieper dan het kouter van de gemiddelde boer
delft. Het sprekende bewijs voor zijn oppervlakkigheid is een ontdekking die hij
gelijktijdig met en onafhankelijk van twee andere onderzoekersgroepen deed en
waar zijn onderzoek net daar stopte waar het echt had moeten beginnen.
Zijn beunhazerij strekte zich over meer gebieden uit. Bij voorbeeld de
Nederlandse letterkunde, door hem met veel - meestal ongepubliceerd - werk in
proza en poëzie verrijkt, dat hij kennelijk van zoveel waarde achtte
dat hij het in het eerste hoofdstuk niet vernietigde. Hij schreef graag, veelal
speels (zijn oppervlakkigheid maskerend) in dag-, week- en maandbladen, vooral
in De Groene Amsterdammer, en als hem gevraagd werd ergens een
lezing over te houden, gebeurde het uiterst zelden dat hij zich met tijdgebrek
of ‘geen verstand van’ excuseerde. Hij liet trouwens ook
de geschiedenis en filosofie van de wetenschap niet ongemoeid. Ten slotte raakte
hij nog in de netten van de onderwijskunde verstrikt - een gebied waarop zijn
oppervlakkigheid hem uitstekend te pas had kunnen komen, ware het niet dat de
splinters in zijn eigen oog hem in staat stelden, de balken in die van anderen
te onderkennen, hetgeen hem, daar hij het gaarne kenbaar maakte, niet in dank
werd afgenomen.
Hij had de neiging zijn intense burgerlijkheid met een aura | | | | van
excentriciteit te omgeven. Als student kleedde hij zich
‘jugendbewegerisch’, droeg later een snor, een
vlinderdasje en bruine schoenen, geen hoed en geen trouwring en ging nooit met
zijn vrouw gearmd. Het toppunt van geaffecteerdheid is de
overlijdenskennisgeving, zoals hij die voorschreef: alleen zijn kale naam,
plaats en dag van geboorte, overlijden en begrafenis bevattende - dit wellicht
nog overtroffen door zijn grafsteen, waarop niets staat dan
H.F.
| |
Commentaar door een onbevooroordeelde
Het bovenstaande doet denken aan wat Heine over Fouché schreef
‘een bekende valse man, die in zijn valsheid zo ver was
gevorderd, dat hij op het eind zelfs valse memoires schreef’.
Fouché's postuum verschenen memoires zijn vermoedelijk vals, maar
dan natuurlijk vervalst door hemzelf.
H.F., van wie hier beweerd wordt dat hij niet aan valse bescheidenheid leed,
wordt - op de bruine schoenen na - zo zwart afgeschilderd, als strookt met
de kennelijke bedoeling de indruk te wekken dat niemand zo zwart is als
afgunstelingen hem afschilderen - een te doorzichtige poging, indien dit met
verdraaide hand geschreven stuk inderdaad vals zou zijn, om zich van een
maximaal aantal witte voetjes te verzekeren. Een bijzonder geraffineerde
trek: dat de schrijver van H.F. diens vijf eredoctoraten verzwijgt.
De waarheid ligt in het midden - een stomvervelend grijs of een gulden
middenweg, de gulden middelmatigheid.
|
|
|