|
|
|
| |
| | | |
Jiesgadal* (Havelte 1944)
't Is 8 augustus weer, de 16e 8 augustus in het zwijgende prieel, en die geen
vrienden in de drukke kring meer bindt van gast en gastvrouw en het blij
genieten van het zomerfruit in 't kruim'lige gebak.
't Is 8 augustus weer, de 16e 8 augustus, sinds de kring verbrak. Gij zijt de
band geweest, die veel verbond, en hebt de band, die veel verbond, verbroken.
Toen stierf de kat, de hond ging eigen wegen, het paard werd ziek, de gasten
werden moe en schaars de feesten. De een na de ander keerde niet terug. Want
geen prieel is groot genoeg, om wat in verten is verstoven te bevatten.
In 15 jaren is zoveel gebeurd, en enkel de zwaluw wordt het niet gewaar en keert
terug en broedt als steeds in 't lover van het zwijgende prieel.
Het zwijgt voorgoed. Maar zou ik het herkennen? Wie vuur en bijl en onkruid
weerde, kon de tijd niet weren, die de dingen bij hun schaduw pakt en met de
schaduw ding en wezen sloopt, om in het gruis hun vormen te herscheppen.
Niets blijft zichzelf of het verandert mét de dingen, die 't omgeven.
En gij? En zou ik u herkennen? Ik was niet bij u, toen gij afscheid naamt, en
heb uw laatste zegen niet ontvangen.
| | | |
Ik heb u nooit gemist, en ik herken u steeds.
Wat heeft de verte u toch slecht verborgen op plaatsen, waar ik zelf te vaak
vertoef, en die vibreren van uw verend vlugge stap, wanneer ik peins. Daar staat
gij voor mij, prijzend of verwijtend, of achter mij als vorsend spiegelbeeld, of
als betoog, dat uit de warme hartstocht in uw stem en zonder woorden lange
zinnen spreekt.
Ik zie en voel tot in de knokkels en de vingertoppen van uw smalle blanke handen
uw helderhoge rimpelloze voorhoofd speurend en ontzaglijk peinzen en zie en voel
uw donkerfelle ogen het onbegrepen onbegrijpelijke grimmig straffen.
Want ieder vervolmake zijn bezonkenheid. En uw bezonkenheid bij ons was vlijt. Ik
zie u niet meer achter het fornuis of in de moestuin of in 't keldertje. Een
andere verdrong u daar voorgoed. Maar in haar zuchten, als de naald de draad
niet pakt, verneem ik soms het uwe en het klinkt, gelijk het altijd klonk nabij
alsof, onhoorbaar ver de ganse mensenheid zuchtte, onder het leed, dat
mét de mensheid zich vermenigvuldigt. Ik schrik dan niet, want ik
herken uw kwaal en hartstocht liefde, die u, maar niet zichzelve kon verteren.
En dat stelt mij gerust. Ik weet en 't streelt mij, dat geen worm aan u geknaagd
heeft, dat gij verbrand zijt in de vlammen van uw trots, die overwon en steeds
nog overwint. En God, dien gij ten langen leste hebt gehaat, maar nooit
verloochend (al dacht gij 't zelf) vergeldt uw trots met uw bezonkenheid, en dat
stelt mij gerust.
Wat mét ons leeft, is één zoals het is. Het is
zijn eigen laatste beeld, en and're zijn er niet, die met ons leven. Portretten
sterven in de barensweeën van wie ze schiep, of 't was een meester,
die de toekomst kende. En wat gestorven is, herkent men niet.
Maar in uw jeugdportret schittert gijzelf. In 't achteroverwerpen | | | |
van uw hoofd en golvend kapsel slingert de zestienjarige, die bloost, haar lange
bruine vlechten in haar nek, en ik herken u aan uw trots op uw bekoorlijkheid.
Die hield met haar en u gelijke tred en was van u. Want alles, wat in u
bekoorlijk was, was schoon.
Zo was 't beschikt, en daarom mocht gij niets bij ons voltooien. Ook niet uw
leven - meet het niet bij jaren, maar bij seizoenen van geluk en leed, en bij
seconden, die van feest en hartstocht tint'len.
Seizoenen, feesten, hartstocht en seconden, en gasten in het gonzende prieel -
gij zijt de band geweest, die veel verbond, en hebt de band, die veel verbond,
verbroken. Ik heb u nooit gemist, en ik herken u steeds.
Ga dan, terwijl ik zuchtend lange regels schrijf, voorbij het raam, of sta voor
mij wanneer ik opkijk van de zwaaislag met de moker, en vrees niet, dat ik
schrik! Ik zal u zo begroeten en omhelzen, als men een vriend omhelst, die lang
afwezig was, want ik herken u steeds.
In 15 jaren is zoveel veranderd.
En gij?
Misschien vergis ik mij.
Misschien...
Het nieuwe weifelt lang. Wat nieuw uw stem omlijst, is
vóórnoch nagalm uit een vreemd verschiet, maar iets uit
ú, waar uw geluid in stroomt, als water stroomt in water. Het spreekt
de taal van uw gedachten, maar niet úw taal. En met een stem, die
niet betoogt, maar die omhelst. Zo rijst gij langzaam, dunkt mij, op de steile
straat der stilte en koestert met uw blanke hand wat gij bemint en in uw
gonzende prieel vergaart.
| | | |
En ik herken u steeds. En naast u, wie de naaste bij uw hart was, en naast uw
kind'ren kind'ren van uw kind'ren. Gij licht uw leed uit 't hart der
onderdrukten, die gij bij ons altijd hebt hulpeloos verhoord, en scheldt uw
straffen kwijt voor 't kwaad der onderdrukking.
Zo galmt uw stem.
Misschien...
Misschien omhelst uw liefde reeds de verste sterren en laat het onbegrijpelijke
onbegrepen. In 15 jaren is zoveel veranderd.
En gij? Blijft steeds uw laatste beeld, dat leeft en nooit veroudert - geen dag,
geen oogwenk zelfs in 15 jaren. En ik herken u aan uw jeugd. In 15 jaren bleef
uw golvend kapsel bruin, bleef rimpelloos uw helderhoge voorhoofd en blank de
hand, die zijn gedachten streelt en meedenkt. De wijde ruimte tintelt van uw
stap.
Wat is de wereld groter dan een klein prieel! Maar als wij groeien, wordt een
wereld klein.
We zien elkaar weer. Ik zal grijsaard zijn, en gij bleeft jong. Uw oog bleef
open, en uw mond beweegt in woorden. Ge spreekt tot mij. Ik hoor uw warme stem.
Maar roep mij nimmer in de taal, die ik verleerd ben, en luister goed, als ik
mijn stem verhef!
Ik spreek. Ik noem u Moeder.
Moeder!
|
*Eerste woord van het gebed voor de
dodenherdenking
|
|