Hij was iets ouder dan ik. Vanaf de eerste schooldag zaten we zes (negen) jaren lang in dezelfde (parallel)klas. Hij was de zoon van een boekhouder, uit een erg kleinburgerlijk gezin; boeken waren er nauwelijks in huis. Wanneer we elkaar voor het eerst opvielen, weet ik niet. Het zal in het vijfde of zesde leerjaar zijn geweest. Allengs werden we dikke vrienden. We zagen elkaar praktisch dagelijks; voor gesprekken over natuur- en scheikunde en proeven en om te schaken. We waren op het schoolplein samen, wandelden met elkaar, pratend en (blind) schakend.
Lichamelijk was hij mijn volstrekte antipode; mager als ik, maar dan gespierd, de snelste sprinter en schaatser van de klas. Ik heb zo achteraf de indruk dat hij op alle gebieden die wij gemeenschappelijk hadden, mijn meerdere was en het verbaast mij dat ik volgens mijn dagboek vaker van hem bij het schaken won dan hij van mij. In elk geval was hij het die voor scheikunde-proeven het initiatief nam.
Onze vriendschapsband was even smal als hij hecht was. We spraken wel nog over politiek, maar ik denk niet dat we veel over literatuur praatten, of als we het deden, kwam het van mijn kant. Die dingen deed ik met anderen met wie ik lang zo nauw niet was verbonden. Zelfs moppen vertelden we elkaar niet; ik denk niet dat hij gevoel voor humor had. Ik was een tijd lang op zijn zus verliefd; of hij toen op iemand verliefd was, weet ik niet. We spraken niet over gevoelens; daarvoor had ik andere praatpalen. Na het zesde leerjaar lieten zijn ouders hem de ‘Realschul-kant’ opgaan, hetgeen betekende dat hij na het negende leerjaar het ‘Einjährige’ kon halen. Ik ging de ‘Realgymnasium-kant’ op met het vooruitzicht op het ‘Abitur’ na het twaalfde leerjaar.
Maar gedurende drie jaar hadden we nog heel wat vakken gemeenschappelijk.
Na het ‘Einjährige’ plaatsten zijn ouders hem als volontair bij de brandspuitenfabriek Koebe, waar hij twee jaar verlummelde. In het voorjaar van 1922 ging hij naar het Technicum in Chemnitz en daarna zag ik hem nog maar sporadisch. Net vond ik een brief van 8 mei 1932 uit Chemnitz; ik ben van het handschrift geschrokken.
Uit die tijd is er ook een foto van Karl en mij bij het schaakbord, door een schoolvriend in het schoolatelier genomen (Dagboek blz. 1621); eerder constateerde ik al dat Karl zich alleen nog voor schaak interesseerde.
Na Chemnitz ging hij toch nog aan de th Charlottenburg studeren, maar in feite werd hij professioneel schaker en - naar ik meen - een goede. Ik had het schaken opgegeven. Ik zag hem nog af en toe - het laatst ongeveer in 1929 in de trein naar Berlijn. Ik ging eind 1930 naar Amsterdam.
Toen ik bij mijn eerste bezoek aan Luckenwalde, in 1931, naar hem informeerde, bleek dat hij zelfmoord had gepleegd, uit liefdesverdriet naar het schijnt.