Het verheugt mij van harte dat ik op deze plaats en bij deze gelegenheid mijn vriend Kurt Schwitters mag herdenken. Op trektocht met mijn vrouw door Noorwegen in 1934 leerde ik hem kennen, in het berghotel Djupvasshytta aan de rand van de barre Noorse hoogvlakte. Daarna heb ik hem tot de oorlog elk jaar weer ontmoet, in Noorwegen, bij mij in Amsterdam, of bij hem thuis in Hannover.
Schwitters bracht toen de zomers in Noorwegen door, niet alleen omdat het Noorse landschap hem boeide, maar vooral omdat het geestelijke klimaat van Hitlerduitsland hem steeds meer ging benauwen, 's Zomers vluchtte hij naar Noorwegen, en in de winter bereisde hij andere landen van Europa, maar Hannover, waar zijn vrouw leefde en waar hij huizen en ander vermogen bezat, bleef nog jarenlang de basis van zijn bestaan, al werd het steeds moeilijker om zijn buitenlandse verblijven vanuit Duitsland te financieren. In Noorwegen verdiende hij iets met het schilderen van portretten en landschappen, die hij aan touristen verkocht. De prijzen die hij ervoor kon bedingen, waren belachelijk laag; vijftig tot honderd gulden was zowat het maximum. In 1940 nam hij voor de Duitse troepen, die Noorwegen binnenvielen, de wijk, steeds hoger naar het Noorden, en ten slotte naar Engeland. Pas na de oorlog hoorden wij weer iets van hem. Wij hebben hem niet weergezien: in de eerste dagen van 1948 overleed hij.
Ik weet niet meer of de naam Kurt Schwitters mij vóór onze eerste ontmoeting veel zei. Ik stond toen niet geheel vreemd tegenover de stromingen die zich in de laatste twintig jaar in de kunst hadden afgetekend, maar het zou best kunnen, dat zijn ‘nom de guerre’ Merz mij toen vertrouwder was dan de naam,
waarmee hij bij de Burgerlijke Stand stond ingeschreven. In elk geval is het niet zijn schilderkunst geweest, die ons nader tot elkaar bracht.
Het was niet moeilijk met Kurt Schwitters een gesprek aan te knopen. Trouwens, die middag op Djupvasshytta was hij het die begon, en enkele uren later declameerde hij al, met zijn stem van een Stentor, voor ons zijn ‘Sonate in Urlauten’ en zijn ‘Anna Blume’. In de Noorse hotels, waar de gasten komen en gaan, was hij mét het personeel de pièce de résistance én de centrale figuur, die met zijn grappen en boertige verhalen een publiek urenlang kon boeien. Toch zullen er onder de honderden en duizenden die hem daar hebben meegemaakt, niet velen zijn voor wie een avond met Kurt Schwitters meer is geweest dan een tijdpassering, als met een reisgenoot, die men vluchtig leert kennen en spoedig vergeten is. We hebben toen ons verblijf op Djupvasshytta, dat naar ons oorspronkelijke plan één nacht had moeten duren, met enkele dagen verlengd. Enkele maanden later was hij bij ons in Amsterdam te gast, en pas de oorlog sneed onze correspondentie en de reeks van onze ontmoetingen af. Hij had veel vrienden hier in Nederland, nog uit de jaren 1922-23, toen hij met de Doesburgs de boer op trok, om over een verbijsterd Nederlands publiek de verschrikkingen van het Dadaïsme uit te storten.
U zult van mij niet verwachten dat ik Kurt Schwitters' leven voor u schets. U vindt het naar jaartallen gerangschikt in de catalogus - geboren 1887, 1918 zijn eerste abstracte kunst, 1919 zijn befaamde gedicht ‘Anna Blume’, 1921 de ‘Ursonate’, 1924 het begin van de geweldige plastiek, waaraan hij jaren zou werken, in de jaren dertig het begin van zijn ballingschap als ontaard kunstenaar, die zou eindigen met zijn dood in Engeland in 1948. Ik zal ook niet trachten Kurt Schwitters' werk, dat in de zalen boven is tentoongesteld, kunstzinnig te analyseren en zijn betekenis voor de ontwikkeling van de hedendaagse kunst in een goed of kwaad daglicht te plaatsen. Er zijn er genoeg die over de kunstenaar Kurt Schwitters met oneindig groter gezag kunnen spreken en schrijven dan ik. Ik heb de mens leren kennen en in de
mens ten slotte ook de kunstenaar leren waarderen. Ik zou zijn schilderijen nooit kunnen zien zonder aan de mens te denken, en dit niet-kunnen-abstraheren van het persoonlijke zal voor mij een beletsel zijn om door te dringen tot het blijvende, tot hetgeen het sterfelijk lichaam zal overleven. Wat mij het dierbaarst is in de gedachtenis aan hem, is juist de vluchtige ongrijpbare seconde, het vrolijke gesprek, waarvan de wind de klanken wegdraagt, het bezonken zwijgen, dat zolang als het duurt eeuwigheid lijkt - angstige eeuwigheid - en erom vraagt te worden verbroken, de glimlach en de rimpel die niet verstarren, de schaduw van een wolk die over het landschap glijdt - kortom, het leven, waaraan hij, nu haast een decennium, geen deel meer heeft. De pen en het penseel kunnen trachten het vergankelijke vast te houden - ze zullen niet beletten dat met de mens zijn menszijn ten onder gaat, en al was het diep gegrift in ons geheugen, het zal niet langer duren dan zijn laatste ooggetuigen.
Kurt Schwitters zal voortleven, in musea, op tentoonstellingen, in encyclopedieën en in de analyses van kunsthistorische onderzoekers - als ik er ooit aan heb getwijfeld, dan is het mij zeker daarstraks bij de rondgang door de tentoonstelling in alle helderheid duidelijk geworden. Maar ook dit heb ik beseft: dat de Kurt Schwitters, die dan zal leven, een andere zal zijn dan die wij hebben gekend. Hij is het nu al. Want ziedaar - een vreemd gevoel bekroop mij daarstraks bij mijn rondgang, het gevoel van een oneindige vertrouwdheid met dit werk, dat ik jarenlang niet heb gezien, en dat ik toentertijd maar met tegenstribbelen heb aanvaard, en alleen omdat het van Kurt Schwitters kwam. Dat is het vreemde: dat hij het pleit gewonnen heeft. En daarom leek het mij soms of ik hem niet meer herkende, hem, die geweldenaar, die zich met zijn onstuimige dictie opdrong aan wie hem niet wilden aanvaarden. Alleen zijn signatuur stelde mij gerust, zijn signatuur was niet veranderd, de steile letters van zijn wat onbeholpen lijkende hand.
Het zal een andere Kurt Schwitters zijn. Niet geboren in 1887, maar op deze tentoonstelling, acht jaar na zijn dood. De Schwitters van hen, die hem niet hebben gekend, van hen die de ‘Ursonate’ en ‘Anna Blume’ niet uit zijn mond hebben gehoord, maar
van een grammofoonplaat, die niet meer dan de fysische sporen van zijn declamatie in zich heeft opgenomen. Wie hem niet bij zijn werk heeft gadegeslagen, wie hem niet langs de weg en tussen het afval de wonderlijke ingrediënten heeft zien verzamelen, wie niet getuige is geweest van zijn ongemotiveerd lijkende invallen en hem niet heeft begeleid op zijn kronkelwegen van scheppen en vernietigen, verdoezelen en herscheppen, zal genoegen moeten nemen met de objectieve kunstuitingen, en geen fysische of kunstzinnige röntgen-analyse zal hem iets verraden omtrent de geheimen die hij en wie hem hebben gekend meenemen in het graf.
Wat hem heeft bezield, gezeten burger van Hannover, erfgenaam van welgestelde kooplieden, begaafd genoeg om zich met conventionele portretten aanzien en vermogen te verwerven - wat heeft hem bezield, om onder de nieuwe wegen in de kunst juist de meest revolutionaire, de meest anticonventionele, de meest anarchistische te kiezen, de weg van het alles ontkennende dadaïsme? Zijn politieke overtuiging was veeleer behoudend dan radicaal. Geen van de vier temperamenten was hem vreemder dan het zwartgallige. Waarom moest juist hij zich opwerpen tot apostel van de afbraak, hij die met alle vezels van zijn sterke natuur vastzat in de wereld zoals die reilt en zeilt, groeit en bloeit, wonden heelt en zich levend verzet tegen alle ingrepen die alleen maar destructief willen zijn?
Hij verwierp onze onzekerheden, omdat hij boven alle één verkoos, de ijdelste: de zekerheid van het leven zelf, van zijn onstuimige leven, van zijn ongebreidelde kracht, waarvan hij zich met een feilloos instinct bewust was. Er is niets cerebraals in zijn werk. Zijn kunsttheorie is a posteriori; het leven gaat aan de leer vooraf. Hij miste in zijn strijdvaardigheid de gave en het temperament van de etsende kritiek en de bijtende ironie. Als kemphaan gebruikte hij niet het zwavelzuur, maar de moker. In de grond was hij geen negativist. Zijn anarchisme was dat van het onstuimige leven dat geen grenzen wil kennen, niet vernielzucht, maar levensdrift. Het jeugdige vuur is in hem blijven branden. De jaren hebben hem niet wijzer, dat is, niet bedaarder gemaakt. In de kunst heeft hij zijn exuberantie uitgestort, niet gekanali-
seerd. Waar hij vormen schiep en zich matiging oplegde, werd hij conventioneel; zo zou men hem de tegenpool kunnen noemen van een Mondriaan, die redenerende zichzelf grenzen stelt en binnen die grenzen zijn uitdrukkingsmogelijkheden tracht te vinden.
Misschien zullen velen het niet met deze kenschetsing eens zijn, en ik kan dit best begrijpen, want ikzelf had, toen ik zijn werk weerzag, het gevoel dat de grote strijd geleden is en de wonden geheeld zijn, ik was getroffen door de uiteindelijke harmonie, al is het die van de chaos. Maar ik heb de mens Schwitters naar de kunstenaar toe geredeneerd, want het zou mij eeuwig spijten als de mens mij in dat werk zou ontsnappen. Al het feit dat thans musea hem de laatste en eerste eer bewijzen, doet mij vreemd aan, en evenzeer het feit dat men zulk een indrukwekkende verzameling bijeen kon brengen. Want Kurt Schwitters was een zwerver, zijn levensdrift deed hem een vagabonderend bestaan leiden, ook waar hij duurzaam was gevestigd.
Zelfs in zijn huis in Hannover woonde hij niet, maar hij kampeerde er, en dit was zijn wijze van leven overal waar hij kwam, in Noorse hotels, in een hut bij Molde, en bij vrienden die hij bezocht. Hij kon een geordende huishouding flink in de war brengen, maar hij deed dit met zoveel zwier dat gastheer en gastvrouw die last licht en blijmoedig droegen. Toch kon deze zwerver zich alleen thuis echt uitleven. Daar, Waldhausenstrasse 5, kon hij zijn kracht botvieren. Daar kon hij breken, metselen, timmeren en met zijn emmers gips knoeien. Daar ontstond zijn levenswerk, veeleer het bijprodukt dan het doel van zijn activiteit. In de grootse plastiek die hij daar schiep, groeide hij boven zijn dadaïstische faze uit. Ik heb dat werk, dat mij van al zijn scheppingen het meest bekoorde en het beste is bijgebleven, in wording gezien. Het was trouwens steeds in wording en niet bedoeld om ooit te worden voltooid. Het groeide en het zou groeien, zolang er nog holten in het huis waren en zolang er nog gips was, om die holten, als in een druipsteengrot, te vormen. Die plastiek, die van binnen ontlook, was een symbool van het leven, van het onstuimige leven van Kurt Schwitters, chaotisch
en uitdrukking van ontembare kracht. Niets van dit werk is aan de bommenoorlog ontsnapt; alles wat ervan rest zijn de foto's, die u boven in de vitrine kunt zien. Zijn tweede gelijksoortige werk, dat hij in Noorwegen aanving, is eveneens vernield, bij de derde poging, in Engeland, heeft de dood hem verrast.
Het zal een groot verlies wezen - toekomstige kunsthistorici zullen het kunnen becijferen. Toch treur ik er niet om - evenmin als hij dat deed. Want het is een groot ding, iets onvergankelijks te hebben geschapen, maar voor wie leeft en medeleeft, telt slechts de oogwenk, de overvloeiende beker vol van geluk en wanhoop, die hij ledigde en die wij hem hebben zien ledigen, de ijdelheid der ijdelheden.
Ik sta hier geen kunstbeschouwing ten beste te geven. Ik zou het ook niet kunnen. Als ik in een museum stilhoud voor een portret, is het enige wat mij iets doet, niet het spel van kleuren en lijnen op het doek, maar de innige wetenschap dat dit schilderij een mens is geweest, naar bloed en vlees, die poseerde voor een mens naar bloed en vlees, in wie eenmaal de geest vaardig was, om uit te beelden wat hij zag en beleefde. Dit is een averechtse visie, allerminst geschikt om abstracte kunstuitingen recht te laten wedervaren. Het is de visie van de vriend en medemens die, langs de schilderijen gaande, hem die er niet meer is naast en achter zich weet, over zijn schouder wijzende en zijn zwijgen onderbrekende. Laat anderen zeggen wat in dit werk geobjectiveerde geest en onvergankelijk is. Voor mij is het document humain, getuigenis van een mens, die ik ontmoette, echt en waar in het goede en kwade, spiegelbeeld naar gelijkenis, en menselijk in zijn onvolmaaktheid, zijn onstuimigheid en zijn ondoorgrondelijkheid.