terug  begin  verderprepost
[p. 130]

Reizen - kommer en kwel

Het laatste verhaal van het hoofdstuk ‘Reizen’ bracht me op het idee ermee door te gaan, maar dan op een andere manier.

Allereerst de Eerste Internationale Topologische Conferentie, 4-10 september 1935 - de eerste en voor jaren de laatste ontmoeting met Sovjet-wiskundigen in de Sovjet-Unie. Volgens mijn kassaboekjes moet ik op 30 augustus van Berlijn zijn vertrokken, op 1 september naar Warschau, op 2 september in Moskou, op 11 september terug met mogelijk een onderbreking in Berlijn en zeker een bij Kurt Schwitters in Hannover; op 19 september was ik weer thuis. Het congres begon uiteraard al in de trein naar Moskou met al die deelnemers uit het Westen die veelal nieuwe kennissen voor me waren. Op een grote foto van de conferentie zijn er een aantal te identificeren. Op het station in Moskou werden we in de vroegte door een grote delegatie van Russische collega's opgewacht - enkelen geen onbekenden voor me. We werden opgewacht, alleen de bus die ons naar het hotel moest brengen, ontbrak. Het was dus wachten voor ons en telefoneren voor onze Russische collega's. De bus was stellig vertrokken en hij had er al lang moeten zijn. Alleen: hij was er niet. Ik denk dat we daar een uur met onze koffers op het perron stonden te wachten. We zetten dat nog enige tijd in een soort wachtzaal voort, tot iemand - ik weet niet wie - ontdekte dat de voor ons bestemde bus al uren had staan wachten bij een zijuitgang van het station.

Wij logeerden in een Grand Hotel - het eerste van mijn leven, met kamers als zalen, bedden als leefkuilen (om het modern te zeggen), overvloedige maaltijden en welgeteld één badkamer in het hele hotel, die duidelijk een meer recente aanwinst was. Wij - dat waren de buitenlandse gasten; onze Russische collega's durfden dit paleis niet binnen te stappen, behalve bij een groot ban-

[p. 131]

ket, en dan had je op het toilet nog de gelegenheid om de een of ander buiten de officiële congresgebeurtenissen aan te spreken. Ik meen dat het hotel ‘National’ heette of iets dergelijks. In 1966 was het al lang door een moderner geval vervangen. Op de hoek tegenover het hotel lag de oude universiteit, inmiddels al lang verplaatst naar een wolkenkrabber elders, waar ik in 1966 tegen op zou kijken.

Uiteraard hadden we ook het een en ander te bezichtigen. In de schouwburg had ik een vrouwelijke tolk naast me, die me vol eerbied toefluisterde ‘dat is een Akademik’ toen een acteur optrad, die voor Akademik speelde. We zagen Tsarskoe Selo (‘Tsarendorp’) dat toen Detskoe Selo (‘Kinderdorp’) was, scholen, fabrieken en ik zie me ergens in een textielfabriek met de bekende wiskundige Von Neumann naast een kleine wentelende constructie staan, waarvan we trachtten de zin te achterhalen tot Von Neumann diagnosticeerde: ‘Dit is een machine waarvan doel en bestemming is zichzelf te oliën.’ Aangezien ik erom bekend sta deze beeldspraak - of is het er een? - toe te passen in onze eigen maatschappij waar en wanneer hij te pas komt, neem ik deze gelegenheid te baat Von Neumanns auteurschap te erkennen. Ik was ook in de gelegenheid mij in de Tretjakov Galerij dood te schrikken van iets waar je de 19e-eeuwse voorloper van het socialistisch realisme in kon zien: een verhalen-schilderij, zou ik het noemen. Ik bezocht familie van een kennis van me. Een groot paleisachtig huis, waar elke kamer huisvesting bood aan een gezin, of veeleer een familie. Waar ik toevallig kwam, woonden zes personen: vader, moeder, grootmoeder, schoonzuster, dienstmeisje en een kind, dat vijf talen sprak, met elke volwassene een andere. Van de metroweelde heb ik ook een glimp opgevangen. Auto's waren er nauwelijks. Trams soms op vier sporen naast elkaar. Vele straten hadden niet eens plaveisel. Toen ik thuiskwam en aan de slavist (eigenlijk historicus) Bekker, later hoogleraar in Amsterdam, verslag moest doen en bekennen dat er geen Izvoščik (aapjeskoetsier) meer in Moskou te bekennen was, wilde hij zijn oren niet geloven. Wel was Moskou nog vele mooie houten huizen rijk, die er uiteraard nu niet meer zijn. Maar terug tot onze conferentie. Ik hoor nog André Weil jegens een rasechte

[p. 132]

communist Stalins Chinapolitiek afkraken en zie de ander nog met de mond vol tanden staan, maar zoiets was bepaald buitenissig. Alles liep volgens een zekere regelmaat. Zoals het op de eerste dag begonnen was, ging het voort. Overal en altijd vertragingen en wel cumulatief. Het diner verschoof geleidelijk naar na middernacht, we stonden steeds later op en op 't eind hadden we zowat een halve dag verloren. Nog een aardigheid: Von Neumann had uit Moskou een flinke hoeveelheid kaviaar meegenomen en die in de frigidaire van het restauratierijtuig gestald. In Negoreloje, op de grens met Polen, moesten we door de douane, waar de wiskundige J.W. Alexander moeilijkheden kreeg omdat hij boven het in het paspoort aangetekende geïmporteerde fototoestel nog een tweede bij zich bleek te hebben - een randapparatuur waar hij niet over gedacht had die bij de heenreis aan te geven. Toen we eindelijk weer op het perron stonden, bleek het restauratierijtuig net afgekoppeld te zijn en mét Von Neumanns kaviaar in de verte te verdwijnen.

Ik hou me maar aan de chronologische orde om te berichten over een Internationaal Congres voor Geschiedenis der Wetenschappen, dat ik meer als official dan als echt belangstellende heb meegemaakt, in Warschau en Krakau, van 24 tot 31 augustus 1965 - het werd toen in Polen gebruikelijk congressen te laten ‘reizen’. Suus was weer van de partij en op Schiphol ontmoetten we Hooykaas, toen nog aan de vu en mede dank zij deze ontmoeting later collega in Utrecht. Het vliegtuig van de lot, dat nog uit Warschau moest komen, had vertraging; elk uur kwam er weer een uur bij. Ik herinner me niet meer hoeveel het uiteindelijk was. In plaats van in de middag, kwamen we te middernacht in Warschau aan - praktisch allemaal congresdeelnemers. Het vliegveld was gelukkig nog open, maar de mensen van het congresbureau waren vertrokken - die hadden ons het hotel moeten opgeven en andere gegevens moeten verstrekken. Ook het wisselkantoor was dicht. Gelukkig was er nog een bus naar de Air Terminal. Toen we daar uitstapten, vroeg de chauffeur betaling, d.w.z. zlotys, die we niet hadden, niet mochten hebben. Inmiddels was een eenzame wandelaar genaderd, had zich het geval laten uitleggen, zijn beurs getrokken, voor ons betaald en ons

[p. 133]

de weg naar het dichtstbijzijnde hotel gewezen - een kwartier koffers sjouwen. Wij - Suus en ik - boften, het was het voor ons bestemde hotel. Anderen kwamen pas uren later op hun bestemming aan. Mijn vriend Biermann logeerde samen met een Amerikaan, die nogal laat thuis placht te komen. In zijn hotel gebeurde het dat er 's nachts soms geen water was (een pomp die ze stillegden). Biermanns slaapje had thuiskomend de kraan opengezet en, toen er niets uitkwam, niet dichtgedraaid. In de ochtend werd Biermann door kloppen op de deur gewekt. Het water stond toen al enige centimeters hoog in zijn kamer. Hij kon er niets aan doen, maar in het hotel gingen ze hem Wassermann noemen.

Het Congres verplaatste zich op zekere dag per bus van Warschau naar Krakau. De autoweg was op een boerenkar na leeg. Op de plaats waar hij een andere autoweg kruiste, die net zo leeg was, hing een verkeerslicht in functie. Onderweg mochten we ons in een gloednieuw hotel vertreden. De dames-wc's hadden geen deuren - niet in nabootsing van Amerika waar openbare wc's zonder deuren in de jaren zestig normaal waren, maar eenvoudig omdat de leverancier ze nog niet had afgeleverd. In Krakau kwamen we ook in een gloednieuw hotel terecht; het restaurant was nog niet klaar en de ontbijtzaal was zo krap dat je voor het ontbijt een uur of langer in de rij moest staan. Meubilering en stoffering waren nog gloednieuw, maar van een soort dat het niet lang uithoudt. Restaurants waren overvol, maar als je een tafel kon bemachtigen, werd je goed bediend. Bij het vertrek hoorden we dat voor het congres een groot restaurant was gereserveerd, dat praktisch leeg bleef omdat niemand er iets van af wist. Van het Veit-Stoss altaar, nu in de kerk, was niet veel te zien.

In 1966 was het weer Moskou geblazen: het Internationaal Mathematisch Congres. Voor mij was een voorspel in het atoomcentrum Dubna weggelegd: de General Assembly van de International Mathematical Union. Ik had hotel klasse ia besteld, hetgeen in Moskou het gigantische Hotel Ukraina bleek te zijn, dat inderdaad ia was. Het hotel van de gedelegeerde in Dubna was echter niet ia, maar luxe. Ik bedoel: per definitie. IJzeren

[p. 134]

bedden, tafels en kasten van triplex, verstopte wastafels, geen douche of wc op de kamer en een smerige algemene wc. Ik moest het verschil tussen ia en luxe bijbetalen. Ja, voor Dubna was dit een luxe hotel, maar die luxe sloeg alleen op het hotel, niet op de maaltijden. Ik kreeg de tegenwaarde van het verschil in consumptiebonnen overhandigd. Want er stonden geen luxeof ook maar ia-gerechten, beantwoordend aan de consumptie-bonnen, op de kaart. Ik kreeg bij elke maaltijd wisselbonnen terug. Toen ik mijn beklag bij de Intourist-juffrouw deed zei ze: ‘Dan moet u maar twee soepen of twee desserts eten.’ Ik heb ten slotte de bonnen nog in Moskou kunnen opmaken. In Dubna mochten we laboratoria bezichtigen. Intens ouderwets.

Toen we van Dubna uit met de bus in ons Moskous hotel aankwamen, duurden de receptieformaliteiten anderhalf uur. Suus, die rechtstreeks naar Moskou was gevlogen, had het nog erger. De duizenden deelnemers kregen pas op het vliegveld te horen naar welk hotel zij moesten. Er waren lijsten van deelnemers, maar die waren niet alfabetisch opgesteld. Het waren veeleer lijsten van de afzonderlijke hotels en bij elk hotel volgens kamernummer de namen van de deelnemers. Er waren tientallen tafels waar employés zaten, die voor elke afzonderlijke naam al die lijsten moesten doorbladeren. Het duurde uren en nog eens uren.

Het congres vond plaats in het gigantische universiteitsgebouw, een symmetrische, in zekere mate zelfs viertallig symmetrische, plattegrond. Je raakte voortdurend in de war, bij voorbeeld in welke van de vier symmetrisch gelegen kantines je een afspraak had gemaakt. Je liep, als je eruit wilde, geregeld de verkeerde kant op. Een Russische collega maakte me er ten slotte op attent dat in het centrale vierkant de vloertegel in de zuidwest-hoek op speciale wijze gemerkt was. Dit om je te kunnen oriënteren.

Het eten in Ukraina was uitstekend, maar de bediening abominabel. Onwillig personeel - terecht onwillig als ik af mag gaan op scènes die ik beleefd heb. Je kon ook in andere restaurants eten. Je moest ervoor in de rij staan. Je, daarmee bedoel ik de Russen. Vreemd geld had voorrang.

Op zondag werden we door een Russische vriend uitgenodigd

[p. 135]

voor een autotocht naar Zagorsk, het beroemde bedevaartsoord. Onze vriend nam het niet zo nauw met de verkeersbepalingen. Op de heen- en op de terugweg werd hij door de politie aangehouden. Hij trok, voor hij uitstapte, zijn jasje aan met de Leninprijs op het revers en mocht doorrijden. Inmiddels hadden wij hem zitten knijpen. Visa voor de Sovjet-Unie golden (gelden) alleen voor bepaalde plaatsen, in casu Moskou; voor Zagorsk hadden we niet eens een visum.

Graag had ik ook gevolg gegeven aan een uitnodiging van de Georgiërs voor een authentiek Georgische avond in Moskou, maar die avond was bezet door een bezoek aan onze ambassade - leuk, maar zeker niet met dat andere te vergelijken. Wel waren we een keer uitgenodigd bij een van mijn vrienden thuis, een onmogelijk ouderwets huis in een onmogelijke buurt, een grote woning met een pijpenla van een gang, waarop pijpenladen van kamers uitmondden. Ik kon mijn ogen niet geloven in deze woning, een museum zo vol met moderne kunst - schatten zoals er in de officiële musea niet mogen worden vertoond, van kunstenaars waar ik nooit van heb gehoord, die hun kunst niet tentoonstellen maar onderhands kwijtraken aan kenners. Wat weten wij in het Westen hiervan af? Wanneer komt de eruptie die deze schatten aan het daglicht brengt?

Op een avond wilden Suus en ik uitgaan. Het Intouristbureau in het hotel was verdeeld over twaalf à veertien tafels. We wilden eens naar een bioscoop. We werden van tafel 1 naar tafel 2 gestuurd, van tafel 2 naar tafel 3, enzovoort, tot we de kring rond waren. Op ‘bioscoop’ hadden ze het niet begrepen. Er was niet eens een lijst van films en bioscopen. ‘U wordt geacht naar opera, schouwburg, concert, ballet te gaan.’ Maar we wilden per se naar een bioscoop. Employés van de diverse tafels confereerden met elkaar. Er werd druk getelefoneerd - ik weet niet of er ten slotte ook het politbureau aan te pas kwam. Eindelijk konden we vertrekken met een briefje - het adres van een bioscoop - Poesjkinplein, ‘Oorlog en Vrede’, ik weet niet meer welk - en een stempel van Intourist. Veiligheidshalve waren we er twee uur voor het begin. Er stonden er al vijfhonderd tot duizend mensen in de rij voor één loket. We gingen erachter staan, maar werden - als

[p. 136]

kennelijke vreemdelingen - meteen naar voren gedirigeerd en hadden twee uur voor het begin onze biljetten. Suus ging op een van de banken in het plantsoen op het Poesjkinplein zitten. Ik houd niet van zitten wachten en maakte mijn rondjes om het Poesjkinplein tot ik er genoeg van had aldoor maar door jonge dames te worden aangesproken.

De bioscoop was een enorme kwartcirkel. Van je plaats kon je behalve het enorme scherm nauwelijks iets van de ruimte zien. Ineens niesde iemand in het publiek, dat als reactie hierop in schaterend gelach uitbarstte. De nies herhaalde zich en het gelach eveneens. De niesbui hield aan en het gelach zette door. Toen was er pauze, in het souterrain dat veel weg had van een Erosbeurs.

Maar laten we afscheid nemen van Moskou! We deden het met een banket. Een staand banket voor zesduizend mensen of zo. In een fantastische hal - ik stond er zo vroeg bij de gesloten glazen deuren dat ik vanuit de hoogte uitzicht had over de houten tafels, waar, op helder witte lakens, glazen en flessen, vorken en messen flonkerden in het licht van de lusters en waarop kleurige bloemen en spijzen geurige genietingen beloofden - een groots stilleven zoals geen schilder zou kunnen uitbeelden. Toen de deuren stipt op tijd openschoven, moesten we enkele treden omlaag en toen we een uur later uit de hoogte een blik terug wierpen, leek het of een vlucht sprinkhanen een bloeiend veld had verwoest. Sic transit gloria mundi. De volgende ochtend moesten we om vijf uur in de vestibule van het hotel gereed staan om - ruim op tijd - naar het vliegveld te vertrekken. We waren er, wij en de anderen. We stonden in de hal met onze koffers te wachten op de bus die ons weg zou brengen. We stonden te wachten, een half uur, drie kwartier, een uur - ik heb het niet genoteerd. Toen herinnerde ik me een scène van eenendertig jaar terug. Ik liep op mijn stoute schoenen om het hotel. Een kwartslag naar links was voldoende. Daar stond - niet eens bij een ingang - een bus te wachten. Mét de chauffeur. Mijn beetje Russisch was voldoende om hem te bewegen naar de ingang te rijden. De opgewonden massa reizigers beklom met bagage terstond de bus. Het was een gedoe langs en boven de koffers in de

[p. 137]

gang nog eens koffers en menselijke lichamen te persen, maar min of meer lukte het dan toch. Toen schudde de chauffeur zijn hoofd. De koffers moesten in de bagagebak onder de touringcar - een redelijke eis. Dus terug en opnieuw koffers en mensen door het gangpad persen. En daar stonden we weer, of veeleer zij, de koffers, naast de bus bij de bagagebak, waar ze in moesten. Maar ze konden er niet in, want de bak was dicht. Was en bleef dicht, want de chauffeur had er geen sleutel van. Pech gehad, en het sjouwen begon voor de derde keer, opnieuw de bus in. We bereikten op tijd ons vliegtuig. Er was immers genoeg tijd voor uitgetrokken. Je moet op alles voorbereid zijn.

Voor de afwisseling nog eens Polen en dan 1971 - een prachtige conferentie in Krakau, de 23e bijeenkomst van een internationale groep voor het wiskunde-onderwijs, waarvan ik zonder het te weten een van de medeoprichters was (met Piaget, Beth, Gattegno en anderen). Het was de eerste conferentie van die groep die ik bezocht, nadat de leden twee autocratische presidenten, die ik niet lustte, versleten en eruit gezet hadden. Het was de nieuwe presidente, mijn vriendin Krygowska, die deze geweldig geslaagde conferentie organiseerde. Maar wat in dit hoofdstuk telt, was de onvermijdelijke kommer en kwel. Het begon al weer in Amsterdam, 19 augustus 1971. Het Poolse vliegtuig waarmee Edu Wijdeveld en ik in de middag zouden vertrekken, kwam met twee uur vertraging uit Londen aan, zodat we in Warschau onze mooie slaaptrein naar Krakau moesten missen. Gelukkig hadden we van ‘Orbis’ een transfer en werden we op het vliegveld opgewacht en naar een soort nachtkwartier gebracht, om 's morgens in alle vroegte opgehaald te worden voor de dagtrein naar Krakau, terwijl ik eigenlijk de openingsvoordracht had moeten houden. Ontbijt hadden we niet gehad en een restauratierijtuig was er ook niet. Gelukkig wel iemand die ook naar Krakau moest en zich over ons ontfermde. Hij heeft zelfs nog een rol koekjes met ons gedeeld.

In Krakau stonden enkele honderden optimisten bij de taxistandplaats te wachten, maar onze begeleider rekwireerde eenvoudig een jeep, die ons voor een fooi naar de universiteitsgebouwen buiten de stad bracht. Dat was boffen. We aten alles

[p. 138]

op wat van de lunch was overgebleven. Behalve de lezingen stond er, zoals gebruikelijk, ook een dagexcursie op het programma onder de verantwoordelijkheid van Orbis. Bezichtiging van drie bezienswaardigheden - een slot, een kerk, een museum -, een lunch en een reis met platboomde kleine vaartuigen over de ondiepe Weichsel tussen keien door, over keien heen en door stroomversnellingen - de boten werden telkens op vrachtauto's vanuit het eindpunt naar het beginpunt van de reis teruggereden. Elk van de drie bezienswaardigheden was gesloten, alsmede het restaurant waar we moesten lunchen. En toen we kwamen waar de boottocht moest beginnen, waren er geen boten, en als ze er wel geweest waren, hadden we niet kunnen vertrekken, want er was geen water in de Weichsel. De bussen brachten ons zo'n twintig kilometer lager, waar wél water was. Maar bij ‘Orbis’ was er blijkbaar niemand die kon uitrekenen hoe vaak zo en zo veel boten heen en weer moesten varen en rijden om honderden gegadigden van de inderdaad fantastische tocht over de Weichsel te laten genieten, en de laatsten onzer kwamen pas tegen middernacht op de plaats aan waar ze hun inmiddels koud geworden diner konden opsouperen.

Vanaf de jaren vijftig was mijn pas geregeld versierd met Oosteuropese visa, Poolse, Bulgaarse en Hongaarse. De marechaussée toonde daar belangstelling voor. Bij elke grenscontrole, waar ik ook naar toe ging of vandaan kwam, schreven ze al die visa woordelijk over - lichtdrukken bestond er toen nog niet. Ik verkneukelde me terwijl zij met het Pools, Bulgaars en vooral het Hongaars worstelden. Bij de bvd in Den Haag liggen zeker een dozijn handgeschreven kopieën van mijn Hongaarse visum uit juni 1962. Kommer en kwel voor de bvd.

Maar laten we ons niet tot Oost-Europa beperken. Italië is een net zo vruchtbaar landschap voor kommer en kwel-reizen. Ik herinner me nog tijden dat post naar dat land alleen bij wijze van uitzondering werd besteld. En dat voor elk evenement drie kwartier vertraging vanzelfsprekend was - misschien is dit nog steeds zo. En dat je, als je naar Florence wilde vliegen, in Pisa terechtkwam omdat de reisagent de kleine letters over het hoofd had gezien die het vliegveld van Florence naar Pisa verplaatsten -

[p. 139]

dan hielp geen protest en moest je per bus de halve breedte van Italië door. En in Florence op dat congres in 1964 zie ik nog een ochtend een voorzitter zwijgend twee uur lang voor een zwijgend publiek wachten op een minister die uit Rome moest overkomen om een speciale lezing te beluisteren die dus voor meer dan de gebruikelijke drie kwartier vertraagd was.

Of in 1971, toen mijn hotelreserveringen in Rome niet waren doorgekomen en ik onder onbeschrijflijke omstandigheden moest logeren. En dat ik bij het vertrek uit Rome veiligheidshalve één uur eerder dan nodig met de bus naar het vliegveld vertrok - wilde vertrekken, want de bus slaagde er niet in een reusachtige demonstratie van landbouwers te doorbreken en kwam veel te laat op het vliegveld Leonardo da Vinci aan, hetgeen er echter niet toe deed, omdat de Alitalia, waarmee ik naar Frankfurt moest vertrekken, net wat uurtjes aan het staken was en niemand wist hoe lang het zou duren, weshalve ik alvast in het restaurant op de welbekende Italiaanse kip zonder vlees ging lunchen, om achteraf door de lege hallen wandelend te ontdekken dat ik binnenkort met een Argentijns vliegtuig (Duitse bemanning) naar Frankfurt zou kunnen vertrekken, hetgeen inderdaad geschiedde, maar helaas, de vluchtleiders in Frankfurt hielden net een langzaamaan-actie die ons een uur boven die stad deed cirkelen, waar ik toch nog uiteindelijk de laatste trein naar mijn bestemming (Offenburg-Oberwolfach) haalde omdat die een half uur vertraging had - een lange zin, maar voor zoiets heb je een lange adem nodig.

Eind januari 1973 zou ik medewerking verlenen aan de ‘Tweede Internationale Week voor de School’ in Rome. Ik had het geaccepteerd hoewel ik er eigenlijk niet meer van wist dan dat ik een lezing moest houden, echter niet waar en wanneer dit precies zou geschieden. Alleen één ding wist ik precies: het hotel waar ik zou logeren. Achteraf bleek het geheel een commerciële tentoonstelling te zijn, gelardeerd met wat lezingen. Ik had het geaccepteerd omdat het paste tussen een bezoek aan Erlangen, waar ik het ‘Erlanger Programm’ moest herdenken, en aan Zürich, waar ik moest helpen Van der Waardens zeventigste verjaardag te vieren.

[p. 140]

Het hotel was een dure tent, maar daar had ik gelukkig geen last van. Ook niet van die sjeik of emir die daar met een hele harem logeerde. Alleen vond ik het vervelend dat ik op geen van de telefoonnummers die ik voor nadere inlichtingen draaide gehoor kreeg. Affijn, het was zondag. Op maandag in de vroegte lukte het. Over drie kwartier zou mijn lezing beginnen en de man die mij ernaar toe zou brengen was al onderweg. Ik ging dus vast voor de deur staan, ietwat verbaasd over de tijd die de straatklok aanwees. Ik weer naar binnen, hoe laat het eigenlijk was. O ja, de elektriciteit was uitgevallen (staking?), maar mijn horloge trok zich er niets van aan. Ik bleef maar voor de deur op de onderweg-auto wachten, maar liep af en toe naar binnen, of er geen telefoontje voor me was. En inderdaad, één keer was het raak: een misverstand, en ik moest maar een taxi nemen naar eur, de tentoonstellingstad, onder Mussolini gebouwd, ongeveer tien kilometer buiten Rome.

Aangezien ik meer dan drie kwartier te laat was, waren ze vast begonnen met de tweede spreker, mijn vriend Varga, die wél geweten had waar hij moest spreken, maar niet in welk hotel hij moest logeren. Ik hield mijn lezing in het Frans, hetgeen zin voor zin door een tolk in het Italiaans vertaald en daarna door mij gecorrigeerd werd. Bij een wat vertraagde geweldige lunch werd de schade ingehaald.

Voor de volgende dag had de organisatie een bezoek aan de president der republiek op het programma. Men zou per taxi van eur vertrekken. Toen ik kwam, zat men zwijgend te wachten op de eerste spreker, een minister van Onderwijs, die gelukkig precies drie kwartier te laat kwam. De tweede spreker was op tijd en toen konden we met zijn allen drie kwartier vertraagd naar de president vertrekken, naar het paleis de Quirinalis. De binnentrap die we beklommen, was rechts en links omzoomd met een reeks reuzen in uniform - ik denk geen onder de twee meter. Vanuit de garderobe kwamen we door een eindeloos lijkende reeks van open zalen met op de drempel tussen de opeenvolgende wederom rechts en links een geüniformeerde reus. Het eind was een zaal met deur en even nadat we binnen waren en die gesloten was, kwam door een andere deur de president der republiek,

[p. 141]

Leoni, iemand die men zelfs onder normale omstandigheden kort van stuk zou noemen. Na de gebruikelijke ceremonie van kennismakingen begroette hij ons met een toespraak die hij - meen ik - al van buiten kende. Na de verversingen en een blik door het raam vanuit de Quirinalis vertrokken we, spitsroeden lopend tussen geüniformeerde reuzen.

De volgende dag zou ik vertrekken. Veiligheidshalve had ik me op de hoogte gesteld van de vertrektijden van de bussen naar het vliegveld. Eigenlijk overbodig, want ik wist toch al dat dit om de twintig minuten was. Behalve op de dag van mijn vertrek, want dan zouden ze staken. De taxi's ook? Gelukkig kon ik een auto van het hotel krijgen.

Toen ik in december 1973 voor de eeuwviering van de geboorte van Levi Civita, een vermaard Italiaans wiskundige, in Rome moest zijn, was net de eerste oliecrisis uitgebroken. Ik vertrouwde het luchtverkeer niet en reisde dus per trein, heen vanuit Brussel waar ik eerst nog een lezing moest houden en dan per slaapwagen naar Milaan. Van Milaan naar Rome had ik in de drukke trein een gereserveerde plaats, maar helaas niet in het restauratierijtuig. Voor de terugreis had ik niet eens een reservering in de trein naar Milaan - ik moest, aldus het reisbureau - in Rome aangekomen meteen een plaats bespreken. Toen ik arriveerde was het bureau dicht en toen ik het de volgende dag probeerde, stonden er al duizenden mensen te wachten op het herstel van de computer die het had laten afweten. Toen ik desalniettemin aan de beurt was, waren al alle plaatsen besproken. Maar twee wagons, zeiden ze, blijven onbesproken en als je er vroeg genoeg bent, enzovoort. Bij mijn vertrek was ik er inderdaad vroeg genoeg. Vanaf Milaan was het dan weer slaapwagen - hoe heerlijk ouderwets.

Toch deed ik het de keer daarop, 1974, naar Rome weer door de lucht. Deze keer verliep de reis zonder wederwaardigheden. Althans voor mij. Mijn vriendin, Krygowska, die de euvele moed had in ons pension thee te drinken, had de pech dat de ketel net tevoren zo grondig schoongemaakt was dat er nogal wat van het afwasmiddel in was achtergebleven alvorens er theewater in gekookt werd. Zoiets onthoud je omdat het pension toevallig tea heette.

[p. 142]

Van mijn Rome-reis van 1976 heugt me nog de halve taxistaking. De helft van de taxi's staakten. Na twee uur wachten met de koffer bij de standplaats was ik aan de beurt. In het hotel had ik - vlak onder het dak - de kleinste kamer die ik ooit bewoond heb; het raam was zo klein dat zelfs je hoofd er niet door kon.

Maar laat ik opgehouden met op Italië te mopperen. Toen Suus en ik na een verblijf van zes weken in het onvolprezen State College, met overstappen in Pittsburgh, naar Minneapolis wilden vliegen, had ons vliegtuig zoveel vertraging dat we redelijkerwijs niet konden verwachten de aansluiting in Pittsburgh te halen. Maar in Pittsburgh was men gewaarschuwd: wij en onze bagage mochten er als eersten uit en werden door een vriendelijke juffrouw dwars over het vliegveld enkele honderden meters begeleid naar ons vliegtuig, dat, zodra we ingestapt waren, vertrok.

In 1970 van Carbondale in Illinois komend om van St. Louis naar Columbus (Ohio) te vliegen (en twee of drie dagen later naar Minneapolis), werd ik in St. Louis door een langzaamaanactie van de vluchtleiders getroffen. Ik zat maar rustig op een vlucht naar Columbus te wachten, maar de ene vlucht na de andere naar het oosten werd afgelast. Ineens zag ik dat er over een kwartier (of was het maar tien minuten?) een vliegtuig naar Minneapolis zou vertrekken, dat toch al mijn uiteindelijke bestemming was. ‘Of ik mee kon?’ ‘Uw bagage?’ ‘Is naar Columbus opgegeven.’ ‘Ik bel even of ze hem kunnen vinden.’ ‘Gevonden - omlabelen vlucht zoveel naar msp.’ Toen hij hierin geslaagd was verkocht hij me een biljet naar Minneapolis, waarschuwde het vliegtuig, wees me de weg en toen ik binnen was vertrok het toestel.

Is dat nou kommer en kwel? Nee, maar het is de inleiding op een ander verhaal. Op 31 augustus 1973 moesten we naar Bordeaux vertrekken, naar een van onze jongens. Vertrek Schiphol 8.05 uur, 9.05 uur aankomst Le Bourget, 10.00 uur vertrek, 11.00 uur Bordeaux - een prachtverbinding - op dat kleine vliegveld Le Bourget zou het niet mis kunnen lopen. Wij waren op tijd op Schiphol en het klm-toestel stond op tijd gereed. Behalve Suus en ik was er nog een enkele kandidaat-passagier. Het klm-toestel bleef maar wachten. Wachten, zoals bleek, op een honderdtal Ja-

[p. 143]

panners die met de klm van Anchorage moesten komen en vertraging hadden. Je kon het de klm niet kwalijk nemen dat ze de vlucht op Parijs daarvoor uitstelden. Maar geen nood, we zagen spoedig de machine van Anchorage landen, vlak in de buurt. Wat we niet konden zien was dat ze de passagiers de hele tocht naar de ingang en terug naar onze poort lieten maken, in plaats van ze rechtstreeks over het praktisch lege vliegveld direct naar het Parijse vliegtuig te vervoeren (zoals ze met ons in Pittsburgh hadden gedaan). We vertrokken uiteindelijk met haast een uur in plaats van een kwartier vertraging. Eindelijk in het vliegtuig lieten we het aansluitende vliegtuig waarschuwen. Enkele minuten voor zijn vertrek in Le Bourget stonden we met onze koffers op de vaste grond; het toestel was er nog, maar de deuren gingen net dicht. Ik kon nog net op tijd naar Bordeaux bellen om te waarschuwen dat ze ons niet af hoefden te halen. Het werd een zinderend hete dag in Parijs tot we met de laatste vlucht van Orly naar Bordeaux konden vertrekken. Bijna twaalf uur vertraging. In het vervolg zijn we maar via Londen naar Bordeaux gevlogen.

Zwitserland mag er ook een (of twee) keer van langs hebben. Op 21 oktober 1974 moest ik in St. Gallen een lezing houden. Of eigenlijk twee. In de ochtend in St. Gallen zelf, in de middag in Nesslau in hetzelfde kanton, in een school, op een steile heuvel, ongeveer vijftien meter hoog gelegen. Tijdens mijn lezing begon het te sneeuwen - ongewoon voor de tijd van het jaar. Het leek maar een klein beetje sneeuw. Maar toen mijn lezing en de conferentie afgelopen waren, maakte de voorzitter van de deelnemende onderwijzers, die van alle kanten uit het kanton waren gekomen, de lijst bekend van alle passen die inmiddels gesloten waren. De een na de ander vertrokken de auto's, elk in een slakkegang de gladde helling afkruipend. Dat nam veel tijd in beslag. Na drie kwartier was onze auto aan de beurt. Op de terugweg zag ik op een steile verhoging langs de weg een auto ondersteboven liggen - ik begrijp niet hoe die daar was gekomen.

In 1977 had ik een conferentie van 26 juli tot 2 augustus in Lausanne - preciezer: in de buurt van Lausanne, in de meest elitaire hotelschool, waarvan de leerlingen net met vakantie waren.

[p. 144]

1 augustus is de Zwitserse nationale feestdag. Op 1 augustus 1291 tekenden de drie oerkantons het verdrag dat het begin van het eedgenootschap markeert, en dit verdrag wordt alom in den lande plechtig herlezen, met redevoeringen en muziek omzoomd, in de open lucht bij vuren of vuurwerk. Wij, de conferentiedeelnemers, mochten eraan meedoen, achter de dorpskapel aan naar het veld waar de dorpsburgemeester het verdrag (in de Franse vertaling) voorlas en van commentaar voorzag - een lange stoet dank zij onze conferentie, want anders liep er niemand mee. Dezelfde dag las ik in een Zwitserse krant een ingezonden stuk: wanneer zullen we er eindelijk mee ophouden onze nationale feestdag te vieren op 1 augustus, wanneer iedere rechtschapen Zwitser met vakantie is en we zijn aangewezen op onze vakantiegasten als feestvierders! Ik vermoed dat dit soort stukken elk jaar opnieuw wordt ingezonden. Kommer en kwel voor de Zwitsers.

Ik weet niet meer hoe het hotel in Menton heette waar ik van 27 tot 31 augustus 1970 voor de Algemene Vergadering van de Mathematische Unie logeerde. Wel weet ik nog mijn kamernummer: 81. Je zou zeggen: is dat nou kommer en kwel? Toen de ober mij bij het ontbijt mijn kamernummer vroeg en ik ‘quatre-vingt et un’ zei, corrigeerde hij me: ‘quatre-vingt un’. Ik heb het in geen woordenboek kunnen nagaan en was het al haast vergeten, ware het niet dat ik haast twaalf jaar later (precies 22 juli 1982), naar het geboortejaar van L.E.J. Brouwer (1881) gevraagd, dezelfde fout maakte, zonder gecorrigeerd te worden, helaas ook zonder te informeren wat nu goed was. Kommer en kwel!

Toen ik in februari 1956 voor een conferentie naar het Tata Instituut in Bombay moest, beleefden we in Nederland een van onze strengste winters. De winter was laat begonnen, pas in februari, en de nacht voor ik per vliegtuig via Londen moest vertrekken zou de koudste van allemaal worden - als ik het goed heb, -23 °C. Ik moest om 8.30 uur op Schiphol zijn om om 9:00 uur te vertrekken. Ze zouden me allemaal uitwuiven - mijn hele gezin. Het spoorverkeer was danig in de war. Ik had voorgesteld per taxi van Utrecht naar Schiphol te gaan, maar dat vonden ze toch overdreven. Toen zei ik: ‘Als het gewoon moet, dan maar

[p. 145]

met de allereerste trein’ - ik weet niet meer hoe vroeg die vertrok. Toen we op het station waren, werd het hoe langer hoe duidelijker dat er die dag helemaal geen trein zou rijden. Dan maar een taxi naar Schiphol. Maar na vijf minuten, midden op de Vleutenseweg, sloeg de motor af en was niet meer te starten. Ik kijk om en zie achter ons de bus naar Aalsmeer. Ingestapt en in Aalsmeer overgestapt op die naar Schiphol. Ondertussen was ik - in de kou - tropisch gekleed. In elk geval haalde ik het vliegtuig, op het laatste nippertje. In Heathrow had ik drie uur wachttijd, genoeg om van het ene vliegveld naar het andere te komen - ze waren toen nog gescheiden. Ik liep om niet te verkleumen door alle zalen en hallen van het vliegveld. Ineens zag ik midden in een grote hal mijn - in transit opgegeven - koffer staan. Ik was nieuwsgierig wat ermee zou gebeuren en ging in een hoek staan. Er kwam een employé die naar de label keek en doorliep. Er kwam een tweede, die ook niets van mijn koffer moest hebben. Ik weet niet wat er gebeurd zou zijn als ik niet mijn geduld had verloren. Ik heb toen iemand die de indruk maakte van hoger gezag op mijn koffer attent gemaakt. Hij werd weggehaald en ik zag hem in Bombay terug. Het vliegtuig was praktisch leeg, maar de temperatuur was ondraaglijk. Voor de landing in Bombay vlogen we over een meer. De zeilschepen beloofden een frisse bries. Het werd een bries, maar dan een gloeiend hete.

Vanuit Bombay schreef ik dagelijks luchtpostkaarten naar huis met fraaie postzegels voor mijn filatelistische kinderen. Pas op de dag voor mijn vertrek op 28 februari werd ik gewaarschuwd. Je mag alleen brieven met opgedrukte postzegel versturen. De opgeplakte waarde van een luchtpostbrief komt ongeveer overeen met het maandsalaris van een Indiase ambtenaar. Inderdaad is geen van mijn kaarten aangekomen. Thuis was men in alle staten. Ik had in Cairo een tussenlanding gemaakt, had een biljet voor een zijsprong naar Israël en een Israëlisch visum op zak. Wat zou er met mij gebeurd zijn? Ze hebben zelfs de diplomatieke dienst ingeschakeld. Toen kwam er bericht via een andere Nederlander die aan een andere conferentie in Bombay deelnam en mij had ontmoet.

[p. 146]

We logeerden in Bombay in het luxe-hotel Taj Mahal, met vier bedienden per hotelgast, te midden van duizenden daklozen, die op straat slapen en van het keukenafval in de hotelvuilnis leven. Is dit ook kommer en kwel? Misschien om te zien. Om het te ondergaan - nee, daar zijn, voor zover mij bekend, geen termen voor.

Van Bombay vloog ik op 28 februari naar Cairo in een vol toestel, ingeklemd tussen twee welgevoede passagiers, waarvan de vleesmassa's over mijn stoel heenpuilden. Via Port Said moest ik naar Cyprus, waar we zeven en een half uur moesten wachten op het vliegtuig naar Tel Aviv. Cyprus was toen nog van de Britten, die het zwaar te verduren hadden van het Griekse verzet dat op ‘Ennosis’ met het moederland aanstuurde. Toen de politie in mijn bagage op de deelnemerslijst van Bombay de naam van een Rus ontdekte, kregen ze argwaan. Ik werd grondig ondervraagd, waarbij ik tot overmaat van ramp nog in tegenstrijdigheden verward raakte, althans in wat zij als zodanig aanzagen. Nooit is mijn bagage zo grondig onderzocht en nooit eerder of later heeft lichamelijk politie-onderzoek bij mij zich tot het blote lichaam uitgestrekt. En dit voor een verblijf van enkele uren op Cyprus, waar ik ten slotte toch nog in en vanuit Nicosia op wegwijzers al die plaatsnamen mocht lezen die me toen vertrouwd waren uit berichten over bomaanslagen.

Mijn Israëlisch visum was niet in mijn pas gestempeld - mijn reis bracht me immers door Arabische landen. Op 29 februari tegen middernacht kwam ik in Tel Aviv aan. Mijn verblijf in Israël sla ik maar over. Op 19 maart vloog ik via Wenen naar huis. Joegoslavië, met sneeuw bedekt, zag eruit als een ijsbaan, met beken en rivieren als schaatskrassen. De vlucht langs de Alpen was een van mijn mooiste. Je zag de rechter zijrivieren van de Donau uit de bergen komen in de volgorde zoals je die op school had geleerd (of eigenlijk de omgekeerde, want we vlogen stroomopwaarts). De kommer en kwel? Mijn vliegtuig landde op Schiphol een kwartier te vroeg. Er was niemand om me af te halen. Geen nood: mijn koffer was er immers ook niet. Nog niet. Ten slotte kwam alles terecht.

Scherpe grenscontroles heb ik vaker ondergaan. Ik ben blijk-

[p. 147]

baar een heer met een verdacht uiterlijk. Het is me geregeld gebeurd dat ik uit een grotere groep - een treincompartiment bij voorbeeld - werd gehaald, om mijn bagage te laten doorwoelen. Wie wat te smokkelen had, kon het beste maar in mijn coupé gaan zitten. Toen ik in 1969 (1970?) via Chicago en St. Louis naar Carbondale moest en ik op het vliegveld van Chicago dacht alle formaliteiten al achter de rug te hebben, werd ik teruggeroepen, om in een aparte kamer te worden onderzocht - klaarblijkelijk op narcotica. De onderzoeker greep onder mijn jasje door om ook mijn rug af te tasten. In Carbondale aangekomen constateerde ik dat mijn overhemd onder de rode verf zat, die ook nog door het jasje was overgenomen. Onschuldige verf, die niet opgewassen bleek tegen chemisch reinigen.

Het lijkt me gepast dit hoofdstuk te besluiten met een Belgenmop, maar dan een die echt gebeurd is in 1951, toen Suus en ik twee dagen deelnamen aan een congres in Brussel. Toen we 's avonds laat in ons pension kwamen, zagen we op onze bedden de mottemaden bij honderden over de dekens kruipen. Toen ik de volgende dag de eigenares erop attent maakte, kreeg ik het antwoord: ‘Och, het geeft niet, de boel is toch al verkocht.’

prepostterug  begin  verder