Een schrijfmachine hebben we nog. Ook een verbruikt lint van vooroorlogse kwaliteit, honderd keer zo goed als de tegenwoordige linten. Ook papier, en mét het leven hebben we heel wat meer gered dan we nog een maand geleden durfden hopen. Het had ook anders kunnen aflopen. Bij voorbeeld het water twee hoog, of kapotgeschoten stadskwartieren - Amsterdam heeft gelukkig van de eigenlijke oorlog weinig gevoeld, minder dan de meeste andere Nederlandse plaatsen.
We vieren nu sinds een week in het mooiste zomerweer bevrijdingsdag en dat feest zal nog wel wat weken kunnen duren en dan kunnen Didi en Thijs het ook nog meemaken. Die zitten in Friesland, in Grouw, zuidelijk van Leeuwarden. Op 14 februari hebben we ze weggestuurd, toen we niets meer te eten hadden. In het ruim van een Zuiderzeeschuit zijn ze overgevaren. De reis heeft vier dagen geduurd; onderweg is een baby gestikt. Daar in Friesland hebben de mensen het goed gehad, bij brood, melk, boter en eieren, terwijl we hier van de kou en de honger omkwamen. Toen ze net weg waren, kregen we 100 kilo aardappelen. Suus huilde toen: ‘Nu hebben we genoeg voor de jongens om te eten en ze zijn weg.’ Maar zij hebben geboft, bij een bekende Friese familie. Vijf kinderen hebben ze zelf, dan onze twee, twee uit Rotterdam, twee uit Noord-Brabant. Toen hebben ze in Grouw een hotel gehuurd voor de hele bende. Jammer dat de jongens ons maar een keer uit Grouw hebben geschreven, maar het zal niet lang duren of we zien ze weer terug. Ik zou ze eigenlijk moeten beschrijven, maar hoe dik zijn ze ondertussen geworden? Ik zie Didi maar zo bleek en mager en ondervoed voor me als hij ons heeft verlaten. Thijs, die anders ronder was, zag ook
bleek en had het altijd koud; hij kon de Friese kuur wel gebruiken. Tom was in de laatste drie maanden meestal bij een vroegere student van me in Beverwijk in Noord-Holland. Alleen Mirjam was thuis en sinds enkele weken krijgt ze weer melk en ze heeft nu dikke roodbruine wangen. Ook Suus en ik zien er weer goed uit. Sinds enkele weken, sinds de oorlog op sterven lag, hebben we flink in onze voorraden gehakt en nu komen de lekkernijen, als in luilekkerland, uit de lucht aanvliegen - we hebben er alleen nog niet veel van gekregen. Maar we zien er weer goed uit, Suus en ik. De hongersnood is ons niet meer aan te zien. Wel zijn we wat ouder geworden, mijn haren dunner, en vier van mijn mooie kiezen foetsie. Vier tanden in vijf jaar, jongen, jongen, en wie zijn leven heeft gered, heeft een kluif om het hele leven op te knagen. Het was een tijd - kinderen worden mensen en mensen worden atleten, zielsatleten als ze het volhouden. Onze kinderen, zo klein, hebben er al wat van onthouden, maar wat te zeggen van zoveel anderen, bij voorbeeld van de 100000 joden die ze hier hebben weggesleept - God weet waar naartoe.
Dus we zien er weer goed uit en veel zijn we niet kwijt, vier tanden en nog wat kleinigheden. Het vaatwerk is kapot. Na vijf jaren niets kunnen kopen is er niet veel meer van over. Schoenen - mijn enige bezit zijn zwaar bespijkerde berglaarzen, en met Suus is het eender. Sokken, kousen, bedde- en tafeloed - een beetje hebben we nog, al is het niet schoon te krijgen. Ook nog enkele gammele stoelen. Maar voor de rest leven we nog. De kinderen zijn in die vijf jaar verder gegroeid alsof er niets aan de hand was. We zijn vaak echt blij met ze geweest, vooral de laatste moeilijke maanden - ze waren nooit zo lief en hulpvaardig als in die hongertijd. Didi [geboren november 1935] het meeste. Hij is een grote lieve jongen. Hij lijkt erg op jou. Alleen als hij leest, denk ik aan Vating. Hij leert behoorlijk, tekent een beetje, beter dan ik. Hij helpt graag, doet boodschappen en is voor ons in de ergste tijd een grote steun geweest. Bij voorbeeld eens een keer in januari (ik ging er niet uit omdat de Duitsers ieder meenamen die ze te pakken kregen en Suus had een zere voet) heeft hij urenlang de stad afgelopen voor brood - er waren broodbonnen maar
geen brood. Urenlang in de kou en voor elk brood dat hij meebracht, kreeg hij een extra boterham. Die extra boterhammen had hij wel nodig. Er was toen nog 1000 gram per persoon per week. Later werd het minder, en ten slotte was het 400 gram (dus één snede per dag) en 1 kilogram aardappelen per persoon per week, en dat was het dan.
Thijs is nu zeven jaar, klein, rond en schrander... Vier jaar oud kon hij lezen en rekenen. Alleen met het schrijven lukt het niet. Hij is links en zijn geschrijf lijkt nergens op. Thijs heeft de blauwste ogen en de zwartste haren van onze kinderen. De blauwe ogen heeft hij van Suus, en hij lijkt ook verder op Suus. Toch is er veel joods in zijn uiterlijk, al zou ik in onze familie niemand weten op wie hij lijkt. Thijs is wel lastig, maar ik ben als kind stouter geweest dan alle vier samen. Hij leert goed... het liefst aardrijkskunde, maar dat zal in de loop van de tijd wel veranderen.
Dan Tom. Een ‘Ehmann’, in uiterlijk en in gedrag. Tom en Mirjam naast elkaar, dat is als oom Eugen en Mutting op de oude foto. Tom is nogal muzikaal. Het is een lust hem te zien springen en dansen. Hij is intelligent. Hij gaat nog niet naar school, maar leest al vrij aardig. Hij kan ook rekenen, maar alleen met boterhammen; 3 + 2 kan hij nog niet, wel 3 boterhammen en 2 boterhammen. Jammer dat hij mijn astma heeft geërfd. De enige, de anderen zijn gezond.
En Mirjam - het zal je al zijn opgevallen - lijkt op Mutting [van de gelijkenis bleek later niet veel te kloppen]. Bruine krullen (de anderen hebben allemaal sluik haar - merkwaardig met bij drie van de vier grootouders gekruld haar). Een energiek, mooi gezicht. Ik begrijp niet waar het in zit, maar de gelijkenis met Mutting treft me steeds meer, vooral in het profiel. Ik schrik er soms van.
in ons huis, een beneden en een boven. De beneden-wc heb ik dichtgespijkerd. In het najaar kwamen er namelijk altijd ratten door de wc in ons huis. Een heb ik eens met de pook doodgeslagen. Een andere sprong altijd de wc in als je de deur opendeed. Overal in de straat hadden de mensen ratten in de wc's. De riolering deed het niet meer. Bij sommigen liepen de wc's ook over, de woning in. De putten lopen overal over en het stinkt. Bovendien gooien de mensen vuilnis op straat want er is geen stadsreiniging. Er is geen motorbrandstof voor putzuigers en vuilnisauto's en voor honderd andere zaken. De groenteman haalt zijn waar met de handkar van de markthallen - de Duitsers hebben ook de paarden meegenomen. Maar dat is niet zo erg, want er is toch geen groente. De groenteman handelt in zwartgeslacht vlees, 40 gulden per pond. Bij de slager kun je tenminste nog meel kopen voor 10 gulden per pond. Bij de bakker is er weliswaar geen meel, maar zout, dat hij voor het broodbakken toegewezen krijgt, en dat kost 14 gulden per pond. Enzovoort, en dan moet je niet denken dat ik ook maar een beetje overdrijf. Dergelijke prijzen hebben we hier tijdens de hongersnood betaald. Aardappelen waren al aan de 5 gulden per pond toe. Kaas hebben we voor 20 gulden per pond gekocht, en uiteindelijk heeft het liefst 35 gulden per pond gekost. Dat waren de prijzen sinds december 1944, maar nog was het moeilijk er iets voor te krijgen - Suus heeft zich er erg voor moeten inspannen. Vóór die tijd was er ook sluikhandel en toen verbeeldden we ons dat het veel was als je voor 800 gram brood 2 gulden betaalde (op de bon zowat een dubbeltje) en voor een pond boter 25 gulden - jarenlang waren dat de normale prijzen. In die tijd hebben we niet veel zwart gekocht - we hadden er het geld niet voor. Maar later, met die fantastische prijzen, moesten we wel kopen, anders waren we van de honger of van de kou doodgegaan.
In januari en februari, tijdens de vorst, werd het aardappelrantsoen verlaagd tot 1 kilogram en daar bleef het bij. Maar die aardappelen bestonden alleen op papier, ze kwamen er pas weken later. Daarenboven was er nog 400 gram brood en 125 gram vlees. Het vlees bestond ook alleen op papier, het kwam maanden later. Deze week krijgen we boter (voor kleine kinderen) waarvan de
bonnen in november geldig verklaard waren. Maar wat hadden we ook met al die aardappelen en groenten moeten doen, als ze er geweest waren? Je kunt ze toch niet rauw eten, al heb je nog zo'n honger. Op 5 oktober stopte de elektriciteit en een week later was het met het gas afgelopen. We kregen 75 kilogram kolen en als we wat wilden eten, moesten we onze bonnen bij de gaarkeukens inleveren - daarvoor moesten we een dag in de rij staan en dan konden we dagelijks eten halen, een halve liter per persoon, uren wachten en met de dag werd de spoeling dunner. Ten slotte leverden de gaarkeukens maar om de andere dag, en helemaal op het eind liep het ook met de gaarkeukens af, toen ze geen kolen meer hadden. Dan was het toch maar eenvoudiger, direct gewoon dood te gaan - denken die mensen die het niet hebben meegemaakt. Maar je gaat niet zomaar dood. Je moet niet denken dat tijdens een hongersnood de mensen zomaar op straat doodvallen, en dan komt de lijkwagen en ruimt de boel op. Gezonde mensen kunnen een hele tijd hongeren eer ze dood gaan en de zieken - nee - die sterven thuis. Maar ga eens dood in zo'n tijd! Hout is een kostbaar goed als er geen kolen zijn, en per kilo heeft het ten slotte anderhalve gulden gekost. Toen hebben ze de lijken in papier verpakt, als er papier was; dat had je toch nodig om de kachel aan te maken en voor de wc, want van de honger krijg je buikloop, en de kranten werden aldoor maar kleiner. Als er dan nog een paard te vinden was, hebben ze zo'n zending van twintig lijken naar de begraafplaats gebracht en als er geen paard was, ging het op de handkar. En toen handkarren voor belangrijker zaken nodig waren, bleven honderden lijken enkele weken in een kerk liggen. Maar de slimmeriken begroeven de lijken van hun familie in de achtertuin of elders; dan hoefden ze het sterfgeval niet op te geven en konden de brood- en aardappelbonnen (400 gram resp. 1 kilogram) voor zichzelf houden. ‘Das war ein Winter mein Junge, da steckt was hinter, mein Junge.’ Maar dat was niet het ergste. Alleen wie het niet meegemaakt hebben, denken dat honger en kou zo vreselijk zijn. Honger is niets en kou is niets. Maar als je nog voor een week of voor twee weken of vier weken eten in huis hebt (zeg, voor zes personen een brood en twee kilo aardappelen per dag - wat
een luxe - en twee kilo hout om ze te koken) en als je dan uitrekent, nog zo of zo lang en dan is het op en dan is er niets meer en dan is het echt verhongeren - dat is veel erger. Twee volwassenen en vier kinderen, om acht uur gaan de kinderen naar bed, om 9 uur de volwassenen en de volwassenen kunnen niet slapen, want ze staan pas om 9 uur op om eten te sparen. En als ze niet kunnen slapen, rekenen ze aldoor maar uit hoe lang het eten nog strekt als er niets bijkomt, en hoe lang als er wel iets bijkomt en hoeveel dat zou kunnen zijn. Honger is niet erg. Het ergste is de angst. We hebben geen bommen gehad, maar het zal daar net zo zijn: de angst voor de volgende.
Dat was dan zo'n relaasje van een hongersnood. Acht maanden heeft het geduurd. Aanvankelijk viel het nog mee maar het werd steeds erger. De eerste bevrijdingsweek hebben de mensen met niets gevierd. Een week later werden de eerste levensmiddelen verdeeld, die al drie dagen voor de capitulatie waren afgeworpen. Legerpakketten. Eten, boter, vlees, eierpoeder, biscuit, enzovoort, maar ook sigaretten, fototoestellen, kousen, schoenen, enzovoort, en de mensen die daarover gingen, hebben eerst elk pakket opengedaan om te kijken wat erin zat.
Ten slotte hebben we ook nog wat gekregen, en wanneer de levensmiddelen die per boot en auto aankomen eens verdeeld worden, hebben we meer dan we de hele oorlog hadden, om van de laatste hongersnood maar geheel te zwijgen.
Ja, dat was dan de hongersnood. Maar je moet niet denken dat het zo eenvoudig was als ik het heb verteld. In het leven is het nooit zo eenvoudig dat je alles kunt uitdrukken in ronde getallen, zoals 400 gram brood en 1 kilo aardappelen. De wereld is veel gecompliceerder. Een mens sterft niet zo meteen van de honger, zelfs niet wanneer hij als Ghandi of Jolly erg getraind is. Mensen hebben reserves en steden hebben reserves. Hoewel er maar 75 kilogram brandstof per huishouden werd gedistribueerd, hebben de meeste mensen nog zelf gekookt, want het gaarkeukeneten was slecht en wat men extra had kon men toch niet rauw opeten, en sommigen hebben het in hun huis nog redelijk warm gehad.
Waar kwam die brandstof vandaan? Nou, dat zijn de reserves van een grote stad. Ten eerste de bomen. Afgezien van de vijftigtot honderdjarige iepen op de grachten, die je niet zomaar in een nacht kon omzagen en de bomen in de (gesloten) parken zijn in die maanden haast alle bomen in Amsterdam geveld. Natuurlijk particulier. Wanneer je op een ochtend uit het raam keek, was ineens de hele straat zonder boom. In onze straat moesten de kleine mooie amandelbomen eraan geloven, maar op de laatste vorstdag - ik herinner het me nu nog - werden de mensen als door een vlaag van waanzin gegrepen: ze rukten uit alle plantsoenen de rhododendron-, taxus- en acanthusstruiken om ze naar huis te sjouwen - als je dat goedje in de kachel stopt, gaat de beste kachel uit, het kon de mensen niets schelen. Ze konden geen hout meer zien of ze namen het mee.
Maar de bomen - dat was nog lang niet alles. Een stad heeft ook verborgen reserves. In de Jodenbuurt waren veel huizen onbewoond - hele straten en blokken ten slotte. Daar sloegen ze eerst ramen en deuren in - voorzichtigheidshalve aan de achterkant, klommen erin en haalden er de deuren en vloeren uit. En toen deuren, vloeren en kasten uitgeput waren, kwamen de trappen aan de beurt en na de begane grond de eerste verdieping, de tweede, enzovoort tot de dakbalken. Maar dat was nog niets, daar was nog veel meer hout. Daar zaten nog al die balken in, mooie, lange, dikke balken, 100 kilo, 200 kilo en een kilo hout heeft in de laatste weken anderhalve gulden opgebracht. Daar hebben ze de balken uit de huizen gezaagd en gerukt en het puin viel tussen de fundamenten en op straat. Het was al lang geen geheim meer: hol en leeg en wankel stonden de ruïnes; men liep er beter niet te dicht langs. Jongens van zes klommen boven in de derde en vierde verdieping en gooiden het spul naar hun broertjes van vier en die kregen soms ook een zending bouwpuin op hun hoofd en soms kwam daar iets ergers van dan een buil. In delen van de stad zijn zodoende hele straten verwoest. Maar het hout - jongen, jongen, timmerhout - een twee meter lange plank splijt je met één scherpe bijlslag in de hele lengte van boven tot beneden in twee delen - zoals de Zwaabse kruisridder de Turk - ‘zur Rechten sah man wie zur Linken einen halben Turken hin-
untersinken’ - want dat was Amerikaans grenenhout, zonder kwast en kaarsrecht, en zo kan men steeds verder splijten, steeds dunner, luciferdun, met de bijl, en daar kan men de kachel mee aanmaken zonder papier. Een waar plezier. De hele winter heb ik gehakt, en de deurkrukken en montering en sloten en spijkers liggen nog in de tuin. Het hout - Suus heeft het per kinderwagen uit de verwoeste Jodenbuurt gehaald. In december al, toen het nog 35 cent kostte. Later heeft ze hele balken meegebracht, in de strandwagen, die gleden er altijd opzij uit. Twee à drie keer per dag kruide ze zo met de kinderwagen door de stad. Vijfendertig kilo in een kinderwagen, dat is een uit de kluiten gewassen baby en bij gladheid weet je soms niet wat sneller glijdt, de wagen of de voeten met de spijkerschoenen, vooral als je nog niets gegeten hebt. Ik kon er toen niet uit - dat vertel ik nog - ik heb het hout in ontvangst genomen en eten gekookt.
Nou, dat was het hout. Het kwam nog uit andere hoeken. Je realiseert je niet wat allemaal van hout is en waard om uitgerukt te worden. De banken in de plantsoenen, de tramabris en in sommige straten, bij voorbeeld bij ziekenhuizen, plaveiselblokken. Die hebben ze er zelfs overdag uitgelicht. Alleen de bruggen en borstweringen bleven gespaard - enkele uitzonderingen daargelaten. En verder waren er nog de kolen. We hebben immers ook mijnen. In Limburg bij voorbeeld, een voortzetting van de Akense. Maar die waren al in het najaar door de geallieerden bezet. Zodoende moesten we kolen delven in de Hollandse grond. Niet turf, maar kolen. Prachtige stukken antraciet soms. Die lagen er natuurlijk niet voor het grijpen. Dat is in de echte kolenstreken ook niet het geval. Je moet wel zoeken. En als je zo'n goudmijn hebt ontdekt, zijn de andere mensen er ook zo. Vlak in de buurt hadden we een oude gasfabriek, al lang op non-actief, maar de houders werden nog wel gebruikt. Op het terrein van de gasfabriek begonnen ze in het najaar te graven. Stof, zand, stenen, vuil en tussendoor ook af en toe kolen en cokes. Suus heeft daar ook gewerkt en de jongens hielpen. Met schep, zeef, zakken en wagen erheen en vuil als de echte kompels thuis. Per uur 5 à 10 kilo, maar als je bofte kon je in een paar minuten ook 50 kilo buitmaken. Na een maand of twee was dat afgelopen. De
gasfabriek bedoel ik, niet het kolen delven. Toen werd er een nieuwe mijn ontdekt. Dit kwam als volgt. Op 17 september zette het grote offensief in Nederland in, dat bij Arnhem bleef steken. Tegelijkertijd beval onze regering in Londen een spoorstaking. Het offensief liep vast en onze bevrijding werd vertraagd, acht maanden vertraagd - wie kon dat toen bevroeden -, maar de spoorwegstaking ging door tot het eind van de oorlog. Het betreden van het spoorterrein was natuurlijk streng verboden, maar zoals alle verboden raakte ook dit in vergetelheid. Eerst trokken de moedigsten de spoordijken op en veroverden fantastische kolenvoorraden, bergen voor het grijpen. Steeds meer durfden het aan en die moesten al schep en zeef meebrengen. Ten slotte hebben op het rangeerstation bij ons duizenden gewerkt. Ook Suus, met en zonder de jongens. Af en toe kwam er ook eens een enkele Duitse locomotief met Duitse machinist en stoker. Als ze er zin in hadden, gooiden ze wat kolen naar beneden, waar de mensen om gingen vechten. Later, tegen het eind van de oorlog toen ze zelf niets meer te eten hadden, ruilden ze de inhoud van hun tenders voor brood, tabak, enzovoort.
Af en toe stalen de kolenzoekers zomaar. Dat was natuurlijk een gemene streek, die de Duitsers niet namen. Dan schoten ze de spoordijk leeg en de vlijtige kolendelvers waren wat uren werkloos. Een keer ook enkele weken. Toen de Groene Politie onraad bespeurde, zette ze het hele terrein af en beide partijen konden ernaar fluiten. Suus heeft op de spoordijk ook zaken gedaan: 75 kilo antraciet voor een bus vooroorlogse pijptabak (50 gram). En een enkele keer twee kleine dwarsliggers voor 10 kilo aardappelen. Fraai, hard eikehout, maar ik heb het nog niet klein, want dat moet met een lintzaag. Ik zal het ook niet meer doen en van mij kunnen de Nederlandse Spoorwegen hun dwarsliggers terugkrijgen. Dwarsliggers, dat was in de laatste dagen voor de bevrijding de grote rage. De Duitsers op de dijk verkochten ze voor boterhammen. Fraaie grote dwarsliggers, 60 à 70 kilogram weegt zo'n stuk en sommigen hebben er tien weggesleept. Gekocht van de Duitse oppassers of gewoon gestolen - dat scheelt
niet veel. Enkele kilometers spoor zijn vernield en nu valt er wat te repareren eer daar de eerste trein rijdt. Met het repareren alleen is het natuurlijk niet gedaan. Er moeten weer kolen komen en natuurlijk treinwagons en locomotieven. Op ongeveer twintig locomotieven na hebben de Duitsers zowat alles meegenomen. Van de geëlektrificeerde trajecten is misschien meer over, maar daar hebben de Duitsers de bovenleidingen weggehaald, fraai, rood, blinkend koperdraad, vele kilometers. Het minst heeft nog de tram geleden, maar ook daarvan zijn er rijtuigen weg, naar Duitsland.
Het spoorverkeer stopte op 17 september - ik vertelde het al. In de weken daaraan voorafgaand werd zowat elke trein door Engelse en Amerikaanse vliegtuigen beschoten. Zo'n toneel heb ik zelf ook meegemaakt - vijf uren in het bos schuilend terwijl dat geweld door de lucht raasde en donderde. Als ik zover ben, vertel ik het nog. Vanaf 17 september staakten de spoormensen om de opmars van de geallieerden te steunen. Een week of twee, dacht je, zal die inspanning duren. Ondertussen duurde het maar voort en aangezien er geen treinen reden, kwamen er ook geen levensmiddelen. Nu zijn ze vanouds hier op het scheepvrachtverkeer ingesteld, maar de Duitsers verboden dat vracht die vroeger per spoor was aangevoerd, nu op boten werd geladen. Dus zaten ze in Friesland en de andere noordelijke en oostelijke provincies met hun mooie aardappelen die in de grond verrotten, want de werklieden om ze te rooien kwamen er ook niet, en met graan in de schuren dat niet gedorst kon worden, want er was geen stroom. In het begin van december lieten de Duitsers de scheepvaart toe, maar dat was te laat. Er waren trouwens te weinig boten, want de meeste waren eerder in de oorlog al naar de Rijn versleept of verrot en voor de rest was er in het algemeen geen brandstof. Bovendien was er door de Duitse mensenjachten een tekort aan schippers. In de beste tijd kon je 13000 ton per week over het IJsselmeer naar het westen brengen, dus 3 kilogram per hoofd van de bevolking. In feite kregen we maar de helft. Rond kerst begon het te vriezen. Enkele weken lichte vorst, maar bij dat beetje scheepvaart waren binnenwateren en havens meteen dicht. Elke ochtend liep ik naar de thermometer bij de fietsenma-
ker. Altijd 6 à 7 °C vorst. Mooi helder vorstweer met sneeuw. Maar op 20 januari 1945 - we waren toen 12½ jaar getrouwd en dat heet hier koperen bruiloft -hebben we de kachel de hele dag aan gehad en toen het donker werd kaarsen aangestoken, fraaie kaarsen die in de sluikhandel 10 gulden of meer kostten, en we hebben een konijn gegeten dat Suus voor 125 gulden aan het andere eind van de stad had bemachtigd - met blaren en wonden aan de voeten is ze thuisgekomen en ze kon drie weken niet meer de deur uit. Het konijn woog 3½ pond en het was heerlijk. Dini en Ber [schoonzuster en zwager] waren op visite. Witbrood hebben we bij de bakker gebakken - Suus had net 5 pond bloem en 5 pond aardappelmeel voor samen 100 gulden kunnen kopen - erwtensoep gekookt en worteltjes met erwten en gebakken aardappelen en pudding. En 's avonds nog waterkers en zalm uit oeroude blikjes en kaaskroketjes en gebakken gort. En witbrood. En tussendoor marsepein (van witte bonen) en taart. Ber en Dini zijn met buikpijn naar huis gegaan, maar wij hebben - dat haal je de bliksem - bij kaarslicht nog eens elk 3½ witte boterhammen gegeten en de volgende ochtend heb ik onder het scheren gezongen, wat al lang niet meer was gebeurd. Didi en Tom hebben ook het hunne gepresteerd. Thijs niet, die is geen flinke eter.
Dat was dan het grootste feest in deze maanden. Maar kleinere feesten werden ook gevierd. Je verjaardag, 8 februari, hebben we bij voorbeeld gevierd met suikerbietflensjes bij de koolmaaltijd, sla, wittebrood en marsepein (van bonen). En dan de overwinningen. Als er iets moois in de krant stond, heeft Suus 's avonds nog flensjes gebakken voor alle zes, en die heten dan Posenkoek of Breslaukoek of Thornse katarijntjes, naar gelang van de te vieren overwinning. En hoewel het in de kamer ijskoud was, waren we een beetje vrolijk, maar dan verlangden we toch naar bed. Suus en ik sliepen tegen elkaar geperst, in één bed - dat hebben we vroeger nooit klaargespeeld, maar met die kou en de ondervoeding was dat nodig. Wanneer ik opstond, hakte ik eerst hout om in beweging te raken. Dan maakte ik de kachel aan. Alles lekker langzaam om de tijd te doden. Ik kookte wat soep, voor ieder een bord. Die aten we om 10 uur en dat was het ontbijt. Ondertussen werd het warm door het koken van het middag-
maal. Niet echt warm, want je stookte zo dat je geen warmte verspilde, en als het maal gekookt was, liet je de kachel uitgaan. Het was een kunst, dat koken. Kookfornuizen zijn hier haast onbekend en je moest maar zien hoe je aan een salamander kwam. We hadden er een, met een kistachtige bus in de buis, waar je iets op kon zetten. Vier potten tegelijk konden we op de kachel hebben, maar er stond er slechts één echt op het vuur. Het was een gegoochel om voor zes personen dan het hele middagmaal klaar te maken. Bovendien moest je er op letten dat je zuinig stookte. Daarom gooide je de kachel eerst voor twee delen vol met slakken om de vlam zo dicht mogelijk bij de pot te krijgen. Er waren ook van die uitvindingen, zogenaamde wonderkachels, met hetzelfde doel, blikken bussen, die zowat 10 gulden kostten en die je in de kachel hing of erop zette. Het waren je reinste wonderen. Vooral als de schoorsteen niet goed trok. Dan kon je de rook in de kamer snijden.
We hebben drie van die wonderen bezeten, maar voor de hoofdmaaltijd maakte ik liever de kachel aan. Die zullen we nog een tijd nodig hebben, want aan gas valt voorlopig niet te denken. Vandaag starten de gaarkeukens weer - haast twee weken na de bevrijdingsdag. Alles is nog een warboel en het zal nog even duren eer alles weer op gang komt. We krijgen een halve liter soep met vlees en vet erin - niet het verdunde water van weleer. Maar leven kun je er niet van, evenmin als van de andere rantsoenen die inmiddels stijgen. Het eten halen gaat ook vlugger dan weleer. Toen moesten de mensen in regen en kou soms uren wachten op de wagen met de lamme knol en de vuilnisemmers vol eten, en wanneer die kwamen riepen ze ‘hoera’ en als het maar voor 500 mensen strekte, moesten de andere 3000 nog maar een beetje wachten en dat deden ze ook gelaten. Tot ze omvielen. Maar dat hielp ook niets. Daardoor kregen ze toch niet meer of eerder eten. Want dan zou wel iedereen willen omvallen. Er werd niet veel gebedeld. Dat was ook al te inspannend. Een bedelaar gaf je in het algemeen een aardappel (als je er een had). De kinderen kregen extra eten op school. Maar dat was ook water.
Zuigelingen kregen melk. Dat was ook water. Maar met het water was het ook al haast afgelopen. Enkele dagen nog en de brandstoffen voor de waterleidingbedrijven waren uitgeput. In Noord-Holland deden alleen de Amsterdamse en de Haarlemse waterleidingen het nog. Gelukkig hadden we nog een groot pak chloor en kool, om grachtwater te desinfecteren en te zuiveren. Dat hadden we al in september gekocht. Grachtwater was er in overvloed. Soms liepen de grachten over. De pompen hadden ook geen brandstof meer en bij vloed zetten de Duitsers de sluizen van IJmuiden open om in geval van nood voldoende water te hebben om de omgeving van Amsterdam te inunderen. De pompen werken nu weer, maar de riolering is nog altijd verstopt. De stadsreiniging heeft zich nog niet aangemeld en als ik deze bladzij af heb, breng ik de vuilnisemmer in de kinderwagen naar de officiële stortplaats - inofficiële vuilnisbelten liggen er ook overal en sommigen hebben voor hun deur een gierput aangelegd. Het ruikt niet zo best in Amsterdam, maar dat was vroeger ook al zo, althans in het centrum langs de grachten. Desondanks was de staat van gezondheid hier redelijk. Toch zijn tijdens de hongersnood hier 600 mensen per dag gestorven tegen vroeger 200. Niet precies van de honger. Maar er zijn ziekten die op zichzelf niet zo erg zijn, maar verergeren als de zieke niet behoorlijk te eten heeft. Ik heb bij voorbeeld de laatste jaren, maar vooral tijdens de laatste maanden, voortdurend geleden aan etterende wonden, die zich door infectie uitbreidden. De dokter behandelde ze geregeld, maar het hielp niets. Ten slotte heb ik me er niet meer om bekommerd, want behoorlijk verband en pleisters waren er toch niet. Nu, na een poosje behoorlijk eten, zijn ze ineens geheeld.
Ik heb heel wat negatiefs over de laatste maanden verteld, maar dit moet wel in verband met heel wat positiefs worden begrepen. Bij voorbeeld, zeven maanden geen elektra. Aanvankelijk gingen we eenvoudig om zeven uur/half acht naar bed. We hadden wel wat kaarsen in huis, maar die spaarden we voor ziektegevallen. Ook hadden we een rest petroleum, maar die wilden we niet nodeloos verbruiken. We dachten toen nog niet aan kopen. Een liter kostte 40 gulden (voor de oorlog 4 cent). Maar op
een dag bracht Suus schoensmeer mee, f 1,50 per doos, en zo hebben we inderdaad enkele weken onze kamer verlicht, met schoensmeer, brillantine, soldeervet, enzovoort. Het is heel eenvoudig. Een pit erin en die met de lucifer aansteken. Of liever twee pitten en als de een ondergegaan is, steek je de tweede aan. Als je de eerste eruit hebt gehengeld, is de tweede ondergedoken, enzovoort. Laat ik niet overdrijven. Met soldeervet heb je tussendoor nog wat tijd voor iets anders, bij voorbeeld je smerige vingers schoonmaken. Zwarte schoensmeer deugt niet, die gaat aldoor maar uit. Pommade is ook niet veel waard. Maar soldeervet, dat gaat. Het was echt gezellig met die verlichting. Terwijl ik met de pitten zat te prutsen, lazen de anderen of luisterden. Ik vertelde de kinderen verhalen, ware en verzonnen, en de hele bijbel. Stilaan hadden de drogisterijen geen soldeervet meer en de geallieerden waren er nog steeds niet. Toen kocht Suus wat flessen ruwe olie voor 25 gulden per liter. Het brandt net als petroleum. We hebben nog een fles en die zal het wel doen tot er weer elektra is. Wel moesten we zuinig zijn met het licht. Na het avondeten zaten we nog een tijdje in het duister voor we licht durfden maken en als de lamp uitging (want aanvankelijk hadden we geen cilinder en dan kon dat makkelijk gebeuren) waren we bedroefd, want met de lucifers moest je ook zuinig zijn, die waren helemaal niet meer te koop. Bij de petroleumlamp zaten Suus, ik en de twee grote jongens, die ruzie hadden omdat de een de ander niet voldoende plaats gunde aan het tafeltje. Thijs las toen een jeugdbijbel - zó lang en zó breed en zó dik - en Didi had een jeugdtijdschrift uit de bibliotheek, dat er niet veel voor onderdeed. Ondertussen zette ik thee (surrogaat), aten we het fameuze marsepein, of, als er een overwinning te vieren viel, flensjes van water en meel of suikerbietpulp. Bovendien hadden we het koud, want de kachel was al lang uit.
Dit was dan de verlichting en met andere dingen was het navenant. We hebben niet alleen maar gehongerd. In december hadden we twee grote Goudse kazen gekocht, elk woog ongeveer 7 kilo. De een heeft 30 gulden per kilo gekost, de ander 45 gulden. Maar die hebben we niet aangeraakt. Dat was onze laatste reserve. We lieten ze liggen. Té lang eigenlijk. Ze zijn nu
nog niet op. In die tijd kon Suus nog 35 kilo aardappelen kopen voor 65 gulden. Later werden ze tien keer zo duur. Een heel bijzondere feestdag was 22 december. Suus was naar de stad met de kinderwagen en een lege kist. De kist moest naar Friesland geëxpedieerd om met aardappelen gevuld terug te komen en drie maanden later gebeurde dit inderdaad. Ondertussen kregen we van een vroegere student van me, die bij een groot bedrijf personeelschef is, cokes, rode bieten en bruine bonen thuis. En 's middags had de groenteman kool en daar heb ik Didi op afgestuurd - als jood mocht ik die winkel niet binnen - en hij kwam met een heleboel witte kool thuis. Ondertussen was Suus in de stad en toen ze daar de kinderwagen met de lege kist liep te duwen, hoorde ze een stem: ‘Was haben Sie dadrin?’ Het was een Duitse soldaat en hij vroeg Suus of ze dan zo'n honger had. Dat viel niet te loochenen, dat kon zelfs een blindeman zien. Toen gaf de soldaat haar een brood. Een ‘Kommissbrot’, 3 pond, dubbel zo zwaar als een Hollands brood.
Ze accepteerde het van die vijand. Maar hij was geen vijand. Hij was uit Danzig en toen Hitler in Danzig kwam, moest hij in het Konzentrationslager (kz). Later toen Hitler meer soldaten nodig had, heeft hij ook de mensen uit het kz gehaald. De Danzigse soldaat was met paard en wagen uit IJmuiden naar Amsterdam gecommandeerd, maar aangezien hij niet precies wist waar hij naar toe moest, bleef hij met zijn hit maar ergens staan. Hij zou ons later nog eens bezoeken, maar hij heeft het adres mogelijk niet kunnen vinden. Met kerst hebben we het ‘Kommissbrot’ opgegeten en de kinderen verteld dat Suus de Kerstman tegen was gekomen. Nu is de man uit Danzig krijgsgevangene, net als die Duitsers die scholden als iemand bedelde en op kinderen schoten als hun wat dwars zat. Dat hoort allemaal bij 22 december. Maar die geluksserie was daarmee nog niet afgebroken. Behalve het brood bracht Suus nog 35 kilo groente in de kinderwagen mee die ze toevallig op de kop had getikt. Toen was er nog groente; we hebben die op de vloer in de studeerkamer gelegd, anders hadden we niet geweten waar we het moesten laten. Later was
dat totaal afgelopen. Eén pond per week was het toppunt. Maar met de kerstdagen waren we echt een beetje vrolijk ondanks het Duitse offensief in de Ardennen en ondanks de oproep, die op de tweede kerstdag werd aangeplakt, dat de jaargangen 1905-28 zich voor arbeidsdienstplicht moesten melden, dat wil zeggen dat ze naar Duitsland werden gestuurd. In Amsterdam hebben er, denk ik, nog geen honderd man gevolg aan gegeven - de terreur was toen al ineffectief.
Zulke blijde dagen als 22 december hadden we meer. Ik kreeg van verschillende kanten steun, van oud-studenten, van de schaakkampioen Euwe, die vroeger wiskundeleraar was geweest, maar sinds jaren directeur van een groot kruideniersbedrijf is. Ook van de universiteit, dit wil zeggen van de hoogleraren. Ook van de ‘Ondergrondsen’, die er ten slotte ook voor zorgden dat Didi en Thijs in Friesland kwamen. Aanvankelijk was het niet veel, maar we kwamen er toch verder mee. Op 27 januari maakten we de inventaris op en constateerden dat we voor ons zessen nog levensmiddelen voor zeven weken hadden (bij bescheiden behoeften). Enkele dagen later begon het te dooien - vooruitzicht op voedseltransporten in het algemeen. Maar toen de schepen weer voeren, kregen we ook persoonlijk meer. Door relaties kregen we aardappelen uit Friesland. Een keer 100 kilo door een hoogleraar en drie keer 50 kilo van een overigens onbekende vrouw. Uit de laatste aardappelzak rolden tot onze verbazing nog drie Edammers à 3½ pond, waarvan we niet weten hoe ze erin waren gekomen. Ook van de pleegouders van de jongens kwam er nog een kist aardappelen. En de oud-student van me, die voor het personeel van zijn bedrijf inkopen in Friesland deed, bracht ook nog het een en ander mee. Tom was enkele weken bij zijn vrouw in Beverwijk op bezoek - weer een verlichting voor ons. De hele voedselvoorziening was toen in de war. De grote bedrijven, de inkoopverenigingen van ambtenaren en andere bevoorrechte groepen mochten zelfstandig in Friesland en Groningen inkopen doen voor hun personeel of hun leden en dat deden ze dan ook zonder dat iemand controleerde hoe het verdeeld werd. Als men zich bij zo'n groep, zonder erbij te horen, kon aansluiten, deelde men mee. Voedsel was alleen nog clande-
stien te krijgen, als je maar relaties had. We hebben geen overdreven gebruik van de onze gemaakt. Het meeste kregen we zonder te vragen. Bij voorbeeld, daar klopt 's avonds iemand op de deur (de bel ging al lang niet meer omdat er geen stroom was) en als je opendoet, staat er iemand met een pond vlees van ‘Onbekend’ [sinds kort weet ik wie het was] - een bijzonder waardevol cadeau. Hier in de Watergraafsmeer was er een groep die speciaal kinderrijke gezinnen voedsel bracht, en daar hebben we ook van geprofiteerd.
Maar de hoofdzaak was toch de suikerbiet - een bijzonder chapiter. Nog een jaar geleden wist hier geen mens dat je suikerbieten kon eten. Suikerbieten, dat is zoiets als voederbieten, maar dan helemaal zoet. Gewicht 2 pond, waarvan een half pond klei. Eigenlijk maak je er suiker van, maar daar de raffinaderijen geen brandstof hadden, moesten ze de suikerbieten aan het hongerige volk overlaten. Vóór kerst, toen het er al heel erg uitzag, had Suus gezegd: ‘Ik trek naar de Wieringermeer.’ Dat deden ze indertijd echt, met handkarren. Drie dagen duurde de reis. Ze deden daar levensmiddelen op en een verkoudheid, want onderweg moesten ze door geïnundeerd gebied waden. Ik heb het Suus uit haar hoofd gepraat, maar eruit, dat moest ze en dat wou ze. Met de rugzak en wat stukken zeep ging ze naar de overkant van het IJ om bij de boeren wat te ruilen. De boeren hadden zelf niets of ze hadden al genoeg geruild, maar op het eind van de tocht kwam ze op een akker waar suikerbieten zouden worden verkocht. Daar stonden de mensen in de rij en de boer had er lol in dat hij zoveel visite op zijn land had en om die niet te snel af te werken, maakte hij om het half uur schafttijd - voor zichzelf, niet voor het publiek. En wanneer hij het werk hervatte, begon hij aan de andere kant van de akker en daarvoor liet hij de schare over het veld marcheren, waarbij klompen en hakken in de klei bleven steken. En als ze niet behoorlijk marcheerden, zei hij, verkoop ik helemaal niets meer. Ten slotte kreeg Suus 25 kilo suikerbieten en ze vond nog iemand die dat pak op zijn fiets nam, want 25 kilo is een beetje veel voor een zwakke rug. Maar de fietser hoefde niet ver naar huis en dus schoot niets anders over dan de suikerbieten bij hem te laten en de volgende dag met de
kinderwagen op te halen. De fietser was een eerlijk man en de 25 kilo suikerbieten kwamen goed thuis. Maar hoe ik die dag op Suus heb zitten wachten, in het stikkedonker. Aldoor keek ik maar weer uit en ik had al alle hoop opgegeven dat ze nog terug zou komen. Toen ik weer eens opendeed, hoorde ik stappen van vermoeide voeten in zwaar bespijkerde bergschoenen.
Van een gedeelte van die 25 kilo hebben we toen stroop gekookt, maar het meeste hebben we rauw gegeten, bij het ontbijt en bij het avondmaal. Ze smaakten goed, waren voedzaam en verdreven de ergste honger. Maar het echte suikerbietentijdperk begon later. Al tijdens de vorstperiode werden bonnen geldig verklaard voor suikerbieten, maar geleverd werden ze pas later en naast die op de bon kochten we er nog massa's bij, enkele keren 100 kilo voor 80 cent per kilo. Per dag hebben we toen 3 à 4 kilo suikerbieten gegeten. Het begon bij het opstaan. Onder het houthakken kauwde ik stukjes suikerbiet, dan bij de ontbijtsoep, en in elke stamppot werd suikerbiet geraspt (bij voorbeeld 3 pond aardappelen, 5 pond kool, 2 pond suikerbiet). Bij de avondboterham hadden we natuurlijk rauwe suikerbiet. Je kon suikerbiet ook als groente koken - het gaarkeukeneten bestond uit haast niets anders. Van geraspte suikerbieten kon je met wat meel zoete koekjes bakken en ook als dessert deden ze het. En natuurlijk kon men ze ook uitkoken en het sap tot stroop indampen. Van de overgebleven pulp maakte je ook allerlei, bij voorbeeld met vissmaak viskoekjes, met vleessmaak vleeskoekjes en met veel pepersurrogaat iets dat we nasigoreng noemden. Maar het hoogtepunt komt nog (en maar weinigen zijn op dat idee gekomen): de suikerbieten inmaken. In water, in Keulse potten. Enige tijd bij de kachel, dan worden ze zuur. Niet te zuur. Men haalt ze van de kachel weg om het niet te overdrijven. De vakman noemt het melkzuurgisting en de prakticus haalt ze uit de pot, snijdt ze in stukjes en draait ze door de vleesmolen. Ze worden gekookt in het water waarin ze gestaan hebben, zijn gauw gaar en smaken ongelooflijk. Als citroenrijst. We hebben er borden vol van gegeten en na het eten konden we ons niet meer bewegen. Elke
avond twee soepborden. Er waren mensen die over de suikerbieten gemopperd hebben. Bij voorbeeld omdat hun ingewanden ze niet verdroegen. Anderen klaagden over een onaangename scherpe smaak, vooral rauw. Maar die mensen hebben nooit verzuurde suikerbieten gegeten. Die hebben geen bijsmaak. Alleen een hoofdsmaak en die is heerlijk. We hebben nog massa's suikerbieten, in de grond, en tot kort geleden hebben we nog elke avond suikerbietenpap gegeten. Jammer dat we er nu mee moeten stoppen. Bij de tegenwoordige temperatuur gaat de gisting te vlug en de inmaak bederft. Maar volgende winter - als de groenteman dan nog weet wat suikerbieten zijn - begint het opnieuw. Het was een hels werk. Elke dag 3 à 4 kilo suikerbieten schoonmaken. De rasp - aldoor maar stomper - was het meest gebruikte keukengereedschap. Rode kool, savooiekool, rode bieten - het werd allemaal geraspt, want anders had je het niet gaar kunnen krijgen. De gehaktmolen is trouwens ook niet meer wat hij geweest is. Onder het werk door moest je elk ogenblik naar de kachel kijken en de potten verplaatsen. Suus en ik waren zowat de hele dag met koken bezig. Aan bezemen, stof afnemen, enzovoort viel niet te denken. Echt de was doen was er al lang niet meer bij. Zelfs als je wasmiddelen had gehad, hoe had je aan het warme water moeten komen? Gelukkig was er onder de vuile of de zogenaamd schone was altijd nog een stuk dat niet zo vuil was als wat men net aan had of waar men op sliep, of waar men van at. Alleen de kinderen hebben nog enigszins schoon ondergoed gehad. Aan het vuil heeft men in de loop van de oorlog moeten wennen. Als je tegenwoordig toevallig eens linnengoed uit een reservekoffer haalt die jarenlang in een bomvrije kelder heeft gelegen, sta je er verbaasd over hoe de was er vroeger heeft uitgezien. Wat we de laatste jaren hebben gebruikt, is mogelijk niet meer schoon te krijgen. Het wordt nu eigenlijk nog erger, want als je vroeger geen zeep had, was er tenminste ook geen vet om met behulp van de zeep uit te wassen. Nu, na de oorlog, begint het al weer behoorlijk met het vet, maar aan zeep valt voorlopig nog niet te denken.
Ik ben nu van het eten naar de zeep verdwaald. Maar ondertussen moet ik nog over het marsepein vertellen. Dat wordt van
witte bonen gemaakt. Die worden eerst geweekt, geschild, in de amandelmolen gemalen en met suiker en zoetstof gekneed tot een brij. Dan wordt er aan de massa een smaak toegevoegd uit één of meer van die twintig flesjes die je daar ziet staan: amandel, citroen, rum, kaneel, mokka, karamel, perzik, ananas, kers, framboos, enzovoort enzovoort. Het smaakt zo heerlijk dat het tovenarij lijkt. Het is ook bij elkaar getoverd, bij een olielampje, uit twintig verdachte fiolen. Ja, Suus kon toveren.
Dat waren dan de smaak- en zoetstoffen. Die hebben een grote rol gespeeld. Als de mensen niets te eten hebben, moet het tenminste goed smaken. Je betaalde ten slotte 5 cent voor een stukje sacharine dat niet deugde en de vloeibare zoetstof was net zo duur. Maar de smaken waren heerlijk - een vooruitgang van de techniek - en er was nauwelijks een maaltijd of je deed er van dat spul in. Voor die spullen vermoordden de mensen elkaar bij de kruidenier. En dan was er het eiwit. Dat was minder bekend. Eigenlijk was het hondevoer. Uit ossebloed. Dat at je met de lepel, als poeder, want het was eiwit en eetbaar. Maar het was duur. Achter het echte geheim is maar een minderheid gekomen. Wij hebben ontdekt dat je het als echt eiwit kon opkloppen. Iedere avond deden we op onze citroenrijst van suikerbieten een flinke berg eiwitslagroom. Dat was drie keer zo heerlijk. In de straathandel kon je ook van dat schuim kopen, vermoedelijk van mager melkpoeder. Zulk een berg zou daar zeker 10 gulden hebben gekost. Of tulpebollen - nou, je denkt zeker dat ik je voor de gek houd. Ze hebben een eigenaardige delicate smaak, maar we konden er niet veel van krijgen. De bollenvelden zijn bij Haarlem en zodoende zullen de Haarlemmers wel de meeste tulpebollen hebben gegeten. Van dahlia-bollen hebben we ook horen vertellen, maar gegeten hebben we ze niet. Misschien bij de volgende hongersnood.
Dus we hebben nogal wat gegeten (en zagen er toch ontzettend verhongerd uit). Je kunt je niet voorstellen hoe Suus de hele dag heeft rondgelopen en -gereden - niet met de tram, want die reed al lang niet meer, maar met de kinderwagen. En altijd tot het andere eind van de stad.
Wanneer er weer zo'n zending aardappelen aankwam, moest de kinderwagen of de strandwagen eruit en dwars door de stad ging het naar de markthallen waar het schip uit Friesland lag. En bij de laatste zending gebeurde het dat een wiel van de strandwagen brak en Suus maar moest kijken waar ze de vracht op moest leggen. Dat was niet zo eenvoudig want toen werd voor een pond aardappelen 10 tot 20 gulden betaald. Iemand de opdracht geven de vracht af te halen kon natuurlijk ook niet. Ja, 50 kilo aardappelen of een konijn van 125 gulden waren de moeite van een tocht door de stad waard. Maar je deed het ook voor een pond zuurkool die je op een briefje van de Ondergrondse ergens mocht halen. Of voor 5 pond rode kool en dergelijke, maar eigenlijk was het niet de moeite waard. Affijn, men had weer voor enkele dagen groente in huis.
Maar dan de schoenen. Suus en ik hebben er de hele oorlog geen toegewezen gekregen - de kinderen wel. Tot september kon je je schoenen regelmatig laten verzolen. Maar daar kwam je er toch niet mee. Ik ging toen voor schoenmaker spelen, met leer dat Suus ergens op de markt had opgedoken - bijltassen van het Nederlandse leger van 1914, we zijn er nog niet doorheen. Ik heb het ambacht gauw geleerd. We konden een driepoot lenen. Spijkers kon je op de markt kopen; al vóór september 1944 moest je een gulden voor 100 gram neerleggen. Ik lijmde de zolen eronder en ze hielden uitstekend. Aanvankelijk met Cetabever - voor één zool had je zowat vijf tubes nodig. Later ontdekte Suus een leverancier van schoenmakerslijm. Onder de zool kwam nog de nodige bespijkering. Natuurlijk werden de schoenen er niet beter van en op het ogenblik hebben we hoegenaamd niets. De kinderen liepen in de zomer op houten zolen met een paar riempjes, die je telkens opnieuw moest vastspijkeren. Als het hout niet deugde was dat schoeisel na een week onbruikbaar. Vorige zomer gebeurde het dat de driepoot op mijn linker grote teen viel. De nieuwe nagel is er voor de helft weer uit. Sinds september 1944 had ik ook nog wonden aan de handen, van het houthakken. En etteren deden ze ook.
In het begin vertelde ik hoe weinig er te eten was en achteraf
bleek dat we toch nogal geschranst hebben. Wat is er nu echt van waar? Van de officiële rantsoenen kon geen mens leven en sommigen zijn ervan gestorven. De meesten hadden hun extraatjes - oude voorraden of zwart betaalde nieuwe. Er waren er die zich de hele oorlog niets behoefden te ontzeggen. Wij hebben het misschien iets beter gehad dan de doorsnee en toch, wat we beleefd hebben was ontzettend. Waarom en hoezo - je kunt het iemand die het niet mee heeft gemaakt niet uitleggen, al zou je het er dik opleggen. Wie geen rantsoenering kent, weet niet wat het betekent als je van 1800 gram brood moet leven en het maakt op hem dezelfde indruk alsof je hem zegt dat je maar 400 gram hebt. Het is toch allemaal eender. En ook wie de hongersnood als enkeling heeft ondergaan, kan zich niet voorstellen wat het met vier kinderen betekende. Sinds kerst stond het als een paal boven water dat ze weg moesten. We deden er veel moeite voor. Verschillende protestantse kerken, de katholieke kerk, kennissen. De kindertransporten werden meestal door de kerken georganiseerd en daardoor waren onze kinderen al wat achtergesteld. Op 2 februari kwam het bericht dat ze de volgende dag met een autotransport naar Friesland konden. Grote opwinding - Suus moest nog van alles naaien enzovoort. Laat in de avond kwam er een afzegging. De auto was kapot of in beslag genomen - ik weet het niet. Wát een ontgoocheling! Ondertussen liepen de jongens weer van het ene medisch onderzoek naar het andere. Op 4 februari weer een oproep: de volgende dag vertrekken. Weer niets. Op 13 februari kwam er van de Ondergrondse - zoals dat heette - een man die op antwoord moest wachten: morgenmiddag om 3 uur per boot naar Friesland. Toen zijn ze dan meegegaan. Het was een koude, akelige dag. Wij gingen met Didi te voet naar de haven, Thijs en de koffers werden door de melkboer op zijn bakfiets ernaar toe gebracht. In het ruim van de boot werden de jongens op stro gelegerd. Volwassen passagiers waren er ook - samen meer dan honderd. Het duurde een hele tijd eer we een brief van de kinderen kregen en het is gedurende al die maanden bij deze ene gebleven. Hij kwam op 26 februari. Didi schreef:
‘Lieve mama en papa. Wij zijn goed in het ezeltje aangekomen [Grouw = grauw]. En onze bagage is ook overgekomen, maar
met veel moeite. Wij zijn de zeventiende februari in Grouw aangekomen. Maar nu ga ik vertellen, hoe de reis gegaan is. Eerst toen jullie ons naar de boot bracht en toen we erin stapten, gingen de mensen op een baal stro zitten. En die nacht op het schip heeft een vrouw ons geholpen. En die nacht werden alle mensen, die aan boord waren, zeeziek. Een klein kindje is op het schip gestikt. De volgende ochtend waren we in Enkhuizen aangekomen, daar moesten we op dek zitten. We kregen ook vier sneden brood van de burgemeester, die in Enkhuizen thuishoort, we hebben ook nog wat anders gehad, een bord met lekkere stappot en een visch van twee centimeter dik en zes centimeter lang. Na het eten gingen we met de leidster door Enkhuizen wandelen. Die nacht werd niemand zeeziek. Maar toen halverwege hadden we niet genoeg olie meer, dus we keerden naar Enkhuizen terug. Daar bleven we een dag liggen, en om 4 uur in de nacht gingen we naar Harlingen. Daar kwamen we ook zonder ongeluk aan. Nu gaan we over de Harlingertrekvaart, en als die voorbij is zijn we in Leeuwarden. Ik mag op de voordek zitten van de kapitein. De boot vaart nu eerst naar Franeker en dan naar Leeuwarden. In de middag komt het schip in Leeuwarden. Daar hielp de leidster ons met koffers dragen, want de koffer was erg zwaar. Toen we buiten stonden moest er een autobus komen. Maar als hij niet kwam moesten we in een school slapen. We wachtten maar de autobus kwam niet. Dus alle kinderen, die naar Grouw gingen, moesten die nacht in een school slapen. De volgende morgen was Thijs een beetje ziek en een tijd later stond de autobus voor de school en nam ons mee naar Grouw. En met de reis is het nu uit. Mama en Papa jullie weten dat we in Amsterdam Sinterklaas vieren, maar dat doen de meesten in Grouw niet, daar voor vieren ze in Grouw St. Pieters, en die is de 21e februari. En van St. Pieter krijgen we klompen. Veel kussen van Didi. [Laat er eens tegenwoordig ook negenjarigen van die brieven schrijven!]
En Thijs schreef:
‘Lieve Papa en lieve Mama. Hier in Grouw is veel water. Maar weet je wat ik zoo jammer vind? De eerste dag toen ik in Grouw aankwam, had ik pijn in mijn buik gekregen. En toen mocht ik niets eten. Maar ik heb 's middags toch nog een beker bouillon
gekregen en 's avonds nog een bord pap en een beker melk die geel van de room was. En na het eten hebben we snip snap gedaan. Maar niet met echte snip snap kaarten. Maar met kaarten waar jij weleens mee gegoocheld hebt. En dan zal ik er ook een paar namen van op noemen. Zoals ruitenboer en hartenaas. En toen ben ik weer naar bed gegaan. En toen ik opstond, had ik geen pijn in mijn buik meer. Toen heb ik 's middags een half worstje gekregen. En na het eten zijn we gaan wandelen. En onderweg hebben we boeken gehaald. Veel kusjes voor Papa en Mama.’ [Thijs was toen zeven]
Tom heeft ook al kleine briefjes geschreven. Dat de konijnen in Beverwijk jongen ‘gelegd’ hebben en dat hij op de geiten rijdt. Maar nu is hij weer thuis en speelt met Mirjam. Die is drie en spreekt nog niet behoorlijk. Zo lang heeft het zelfs bij Tom en Didi niet geduurd. Alleen bij Thijs ging het vlug. Die brulde toen hij nog geen jaar oud was als een wildeman ‘kaka hebben’, als hij wat gedaan had en zijn beloning moest krijgen. En tegenwoordig is hij degene die het minst prijs stelt op eten. Wel moet het zoet zijn, van scherpe dingen houdt hij niet, en aan nieuwe spijzen moet je helemaal niet met hem beginnen. Didi is een fijnproever, maar hij eet ook veel. Enkele dagen geleden kregen ze chocolade. Mimi wou dat aanvankelijk niet eten. Sinds eergisteren drinken we ook weer echte thee. Het laatste kleine restje hadden we op 20 januari verbruikt. Massa's beschuit zijn er (in plaats van brood) uit Canadese legervoorraden. En uitstekende peulvruchtensoep met vet. Sinds de bevrijding zijn de mensen in de zevende hemel. Niet alleen om het eten. Je kunt op alle gezichten zien hoe volmaakt gelukkig ze zijn. De laatste maanden - sinds september 1944 - zijn de ergste geweest, niet alleen wat het eten aangaat. Ook daarvóór hebben ze veel doorgemaakt - om van de joden nog helemaal niet te spreken - arbeiders weggesleept naar Duitsland, krijgsgevangenen, studenten, gijzelaars doodgeschoten, enzovoort. Na september 1944 ging dat gauw alle perken te buiten. In Rotterdam op één dag 48000 man aangehouden en weggesleept, mensenjachten in Hilversum, Bussum, Haarlem, en in veel dorpen. Een dorp voor de helft in de as gelegd, omdat in de buurt een Duitse soldaat zou zijn doodgeschoten; de meeste
inwoners weggevoerd naar Duitsland, naar een vernietigingskamp. Voor een soortgelijk geval zijn in Amsterdam twee huizen in de as gelegd en er vlakbij twintig man gefusilleerd. Toen de Höhere ss Rauter vermoord werd, hebben ze als wraak duizenden in het hele land doodgeschoten. Bij voorbeeld hier, in een park, 35. Enkele dagen later weer zo'n aantal. Natuurlijk mensen die met de zogenaamde aanslagen niets te maken hadden. In het begin van januari werd arbeidsdienstplicht voor de jaargangen 1905-28 afgekondigd: de mensen moesten zich melden en werden naar Duitsland gebracht. Zonder succes. Een grote razzia als in Rotterdam is er hier gelukkig niet geweest. Wel kleine overvallen uit een hinderlaag, waarbij zo'n 100 man werden meegenomen. Maar als je je niet op straat liet zien, was je enigszins veilig en daarom ben ik binnen gebleven. De laatste tijd zat de Duitse politie achter fietsers aan - een grote inlevering had al in 1943 plaatsgehad. Ze namen zelfs damesfietsen mee. Ten slotte durfde niemand meer met een fiets de straat op. Nog enkele dagen voor de capitulatie hadden we kleine mensenjachten. Ze moesten in allerijl verdedigingswerken midden in Amsterdam aanleggen. Als ze de gelegenheid hadden gekregen Amsterdam te verdedigen, zouden de Canadezen de hele stad kapot hebben moeten schieten. De bevrijding was dus echt een bevrijding. Gejuicht is er haast niet. Dat komt misschien nog. Alleen de vlaggen uitgestoken (wij hebben 25 gulden voor een vlag neergelegd) en vrolijk door de straten gewandeld. De Canadezen zijn echt populair. Vooral om de sigaretten. Men betaalt hier 5 gulden per stuk.
Ik heb nu hoofdzakelijk over de laatste maanden verteld. Maar eerder hadden wij al het een en ander meegemaakt. Ik bij voorbeeld. Op 13 mei 1944 kwam er per post een stuk van het arbeidsbureau Meppel: op 15 mei voor keuring naar Meppel; werkkleding, schoenen, lepel, vork enzovoort meebrengen. Het was al de vierde keer. De eerste twee keer viel het erg mee. De derde keer - hier in Amsterdam - hebben ze met enkele uitzonderingen alle gemengd gehuwde joden goedgekeurd en op Schiphol te werk gesteld; later werden ze naar meer zuidelijke kustplaatsen gebracht. Ik werd toen nog afgekeurd wegens mijn
astma en de uit het lid schietende arm. We delibereerden nog of ik naar Meppel zou gaan of me niet liever ziek zou melden. Omdat ik net weer astma had, was ik te optimistisch. Ik haalde hier op het arbeidsbureau mijn reisbiljet en op 15 mei vertrok ik met rugzak en reisvergunning - zonder die mochten joden hun woonplaats niet verlaten. Uren in de trein gestaan en uren op het arbeidsbureau. Het waren allemaal joden uit Amsterdam, die ze toch zouden afkeuren. Minder dan de helft was komen opdagen. Velen hadden hun vrouwen gestuurd met een doktersattest dat ze ziek waren. Ook ik had attesten, voor de schouder en voor mijn astma. ‘Ihre Atteste interessieren uns ja gar nicht,’ blafte de Duitse Fachberater Zimmermann een jood toe, die zo en zoveel percent suiker had en op streng dieet moest leven. De - Nederlandse - dokter liet me de arm opheffen en toen ik hem het verhaal over mijn schouder deed, zei hij meewarig: ‘Ja, dan mag u niet zo hard werken.’ Toen ik eruit kwam, was ik goedgekeurd. Een man met maagzweer was ook goedgekeurd. Die lag daar in mijn kamp vanaf de eerste dag in bed en spuwde bloed. Ook van de andere goedgekeurden was het merendeel permanent ziek. Men bracht ons per auto naar het jodenkamp bij het vliegveld Havelte. Daar lagen alle gemengd gehuwden uit het land (behalve Amsterdam) voor zover ze niet blind of verlamd waren of zich ziek hadden gemeld of ondergedoken waren. Ik werd nummer 420. Later steeg de bezetting tot haast 600. Ik had een bewijs waarop stond dat ik grondwerker was, in dienst bij de firma Walther & Kottman, de grootste die op het vliegveld werkzaam was. Voor de oorlog had Walther een ijscotent in Zandvoort en Kottman zette de strandstoelen in het zand. Tijdens de oorlog hadden ze wat locomotieven, lorries en rails gekocht, waren vriendjes van de Duitsers geworden en reden in een auto. De Duitse Bauleitung reed mee en inspecteerde het vliegveld in spe, het grootste van Europa (als het klaar was gekomen, maar op zekere dag hebben de Engelsen de hele boel platgebombardeerd). Dat was een bedrijf, dit vliegveld. Supermodern. Deskundigheid wat de klok sloeg. Walther & Kottman waren tenminste al voor de oorlog in het zandvak geweest, in Zandvoort op het strand. Maar de Duitsers hadden er niet de flauwste notie van. Geen in-
genieur op het hele terrein. Opzichters die ervoor moesten zorgen dat het vliegveld niet te vlug klaar kwam, anders hadden ze ook nog naar het front gemoeten. Soldaten waren er nauwelijks - misschien 100 man. Soms drie vliegtuigen. Maar een geweldig terrein waar in alle hoeken werd gewerkt. Een startbaan was klaar, een rolveld kwam af terwijl we daar werkten, en een rolbaan. Maar de hallen waren niet af, omdat er geen hout kwam, sommige zonder dak, sommige zonder deuren, sommige zonder ramen. Wat zandtreinen reden daar af en aan, er waren wat excavators, maar de meeste deden het niet, een betonmolen, maar die had geen benzine en een pompinstallatie, die soms geen olie had. Voor de rest was het allemaal handwerk. Wie dat bedrijf zag, kon er niet meer aan twijfelen hoe de oorlog zou aflopen.
Daar gingen we dus met de vrachtauto heen - een hout- of antracietauto. Het jodenkamp was midden op de Drentse heide, vlak bij de befaamde hunebedden van Havelte. Daarnaast een kamp van strafgevangenen - welgevoede, prachtige bruine kerels. Het eten was uitstekend - Nederlandse gevangeniskeuken. De kok was een strafgevangene. De gevangenen zaten achter prikkeldraad en gingen onder bewaking naar het werk. Wij waren vrij en konden hem smeren wanneer we wilden - maar dan moest je oppassen dat ze je niet snapten, vooral in de trein waar joden niet zonder vergunning in mochten. We konden hem smeren en dat deden we uiteindelijk ook.
Het was toen in mei nog vrij koud op de Drentse heide, vooral 's nachts; ik heb me meteen een deken na laten sturen. We stookten, met kolen voor het vliegveld en met planken die we onder de ledikanten uithaalden. Ten slotte waren er zo weinig planken over dat de een ze van de ander weggapte en 's nachts er af en toe een met zijn hele bed op de ondermens viel. Ik at meteen de eerste avond dubbele porties en die gewoonte heb ik in het algemeen gehandhaafd, behalve dat ik het soms driedubbel deed. 's Avonds stamppot en 's ochtends havermout in melk. Bovendien op het veld nog eten uit de gaarkeuken van Meppel. We hadden extra boter (maar die kwam gedeeltelijk in het eten en dat ging later mis toen we niet meer van de gevangeniskeuken aten), extra
vlees (maar meestal in de vorm van bloedworst die toch al vrij was) en extra brood. Bovendien floreerde de sluikhandel en juist onder de joden zaten enkelen dusdanig in melk, boter, vlees en eieren dat ze het gewone eten niet lustten.
De werktijd was van 7 tot 7; een tijd lang begon het zelfs al om 6 uur. Bovendien duurde de tocht naar het werk een half of een heel uur, heen en weer terug. En als je in de barak kwam, in de rij staan voor het eten, voor de bonnen, voor je loon, voor de dokter. Zelden meer dan 6 uur slaap. Vaak 's zondags werken van 8 tot 4, maar af en toe was de zondag vrij. Vaak overwerk. Soms van 7 uur 's ochtends tot 10 uur 's avonds, maar dat heb ik zelf niet meegemaakt. Wel heb ik een keer op een zondag van 8 uur 's ochtends tot 9 uur 's avonds moeten werken. Achtenveertig cent per uur, overurentoeslag, premies, akkoordwerk, ‘Trennungsgeld’ voor je gezin, enzovoort. Een keer heb ik 60 gulden in een week gehad. Het werk was ten dele zwaar, ten dele vervelend. Langzamerhand leer je van alles, ook het lijntrekken. En de vereiste grondwerkerstaal, van klootzak tot sodemieter. We hadden drie rustpauzes per dag, een keer een half uur en twee keer een kwartier. Maar dat was niets vergeleken bij het luchtalarm. Wanneer de sirene begon te loeien, moest ieder van het vliegveld af. Ook arbeiders die niet op het vliegveld werkten, lieten het werk in de steek en kwamen pas terug wanneer het alarm afgeblazen werd. Vooral als je zo ver van het vliegveld werkte dat je de sirene niet kon horen, kwam dit te pas. Dan maakte ieder zijn eigen luchtalarm. Het was de tijd van de massale bombardementsvluchten op Duitsland. Grote eskaders vlogen over Havelte. Een keer telden we haast 1000 toestellen. Van Havelte trokken ze zich niets aan, maar bij de heen- en terugvluchten kregen we luchtalarm. Een keer duurde dat zes en een half uur. Bij de thuisvlucht werd het soms kritiek. Geraakte vliegtuigen, die te laag vlogen, werden door het afweergeschut beschoten. Dan schoten ze met hun mitrailleurs terug. Net vóór ik kwam was een jood in de barak dodelijk getroffen. Dat bleef het enige geval. Mijn kortste afstand tot mitrailleurkogels was in dekking aan de achterkant van een boerderij waar aan de voorkant de kogels door de ramen van de eerste verdieping vlogen.
Op het vliegveld werkten enkele duizenden mensen, professionele grondwerkers, stratemakers, asfaltwerkers, timmerlieden, boeren, gedwongen werkers voor een maand uit de omliggende dorpen, strafgevangenen en joden. Behalve het jodenkamp was er een groot kamp voor niet-joden.
We werkten allen onder dezelfde condities, behalve dat de anderen om de drie weken verlof hadden en wij om de vier weken. Maar herhaaldelijk werd het verlof geweigerd. Was er verlof, dan konden we van zaterdag tot maandag thuis zijn. Mijn eerste verlof was met Pinksteren. Wat een vreugde thuis. Het werk was geen plezier en voor Suus was het geen plezier met vier kinderen alleen thuis, want ik had veel in de huishouding geholpen. Maar elk ding heeft twee zijden en de tweede was voor mij wél prettig. Ik had jaren in Amsterdam opgesloten gezeten en was nu weer in de buitenlucht, op de heide en in het bos - er zijn daar mooie bossen. Ik ben daar flink opgeknapt, heb er de hele oorlog niet zo goed uitgezien. En met wat zelfdiscipline kon men het werk wel aan. We hadden Nederlandse putters. In het algemeen bemoeiden de Duitsers zich niet veel met ons. Als het wel gebeurde, kon het akelig aflopen. De Duitsers deelden klappen uit (maar aan de anderen net zo goed als aan de joden).
Op de eerste dag kregen we onze spaden. Dat nam tijd in beslag. We gingen op een weiland werken, graszoden uitsteken. De zoden werden op wagens geladen, de paarden bleven met de wagens in de modder steken, maar daar was een ontzettend dikke jood, die zo hard kon schreeuwen dat de paarden van schrik optrokken. Waar de zoden werden gelost, stond een kleine oude jood die moest tellen of er 120 stuks op waren en die vertelde zich voortdurend. Maar het waren altijd 120 stuks, behalve als toevallig een Duitser het natelde en dan was het altijd te weinig omdat de boer al te weinig geladen had of er onderweg wat afgegooid had. Na het lossen werden de zoden volgens de regels van de kunst ingeplant. Dat was eigenlijk geen jodenwerk, maar ik heb het later toch eens enkele uren gedaan en het ging heel behoorlijk. Het moest mooi glad worden, niet te hoog en niet te laag, niet te veel aarde onder de zode schuiven en niet te weinig. En daar liepen twee putters rond en de ene zei ‘eruit halen, te
hoog’, en de ander ‘eruit halen, te laag’. Een gemene streek, want het werk werd per vierkante meter betaald.
Maar als de putter fatsoenlijk was, schreef hij dubbel zo veel meters op. Nou, daar hadden wij joden op dat ogenblik geen last van. Wij liepen met de kruiwagen; wij moesten overgebleven zoden wegbrengen of nieuwe aanbrengen. Mooie vette zoden met vette pieren. Geen zwaar werk, maar je moest altijd in beweging blijven, ook als je niets te doen had; voor lange gesprekken was er geen gelegenheid en dat maakt zo'n werk vervelend,
Ik bleef niet lang bij de zoden. Dat was veeleer zo'n werkverschaffing voor de nieuwelingen. Zodra men elders mensen nodig had, haalde men ze daar weg. Al de tweede dag moest ik op een vrachtauto stappen, naar Steenwijk, het meest nabije spoorstation. Daar stonden drie goederenwagons, twee volle met elk 20 ton briketten, en de derde met 15 ton. Die moesten gelost, nog op dezelfde dag. In auto's of, als er geen auto's waren, op de grond. 55 ton steenkoolbriketten, elk van 10 kilo, dus 5500 brik. Een lange rij - één man in de wagon, later als er meer plaats is, twee, drie, vier, een aantal staan buiten, de briketten vliegen van hand tot hand, zonder haperen, want anders staan de anderen daar met hun 10-kilo-briketten en breken hun rug. Als het goed gaat, ben je gauw klaar, 1000 stuks in 20 minuten, maar dan moet je ook een half uur rusten. Ook om af te wisselen. Wie de briketten opneemt en wie ze opzet, hebben het het moeilijkst. Aan het eind van de rij moet iemand staan die handig is, want het opzetten is niet zo eenvoudig als het snel moet gaan. Steenkoolbriketten geven veel stof af. We hadden stofbrillen, maar konden ze niet gebruiken omdat ze besloegen. We kwamen pikzwart in het kamp. Gelukkig kon ik een emmer warm water in de keuken krijgen; met koud water krijg je kolenstof er niet af. Mijn kleding was helemaal verknoeid. De meesten die het hadden meegemaakt, waren de volgende dag ziek. Maar langzamerhand kwam er een ploeg kolenlossers die behoorlijk samenwerkte. De daarop volgende week werd ik met een aantal anderen zowat elke dag naar Steenwijk gebracht. Dagelijks kwamen
er twee wagons briketten voor de vraatzuchtige locomotieven van het vliegveld. Het begon met een mooie autorit, die bepaald niet in Steenwijk hoefde te eindigen, want als onderweg de benzine op was en ze bij de eerste pomp maar een flesje vol hadden, reed je ermee tot de volgende, tot overal de flesjes op waren en je de auto ergens aan de kant zette en te voet naar het kamp ging. Bij luchtalarm liet je de auto toch al staan, al was je 10 kilometer van het vliegveld. Veel had je er niet aan, want de twee wagons moesten gelost, dus betekende het overuren. Een keer werkten we zo krankzinnig hard dat we al om 1 uur klaar waren. In zo'n geval moest je zien hoe je thuiskwam zonder dat ze je pakten. Het kolenlossen was niet het ergste. Medelijdende vrouwen op het station Steenwijk gaven ons af en toe een boterham of bonnen (jammer genoeg geen zeep) en het was behoorlijk lijntrekken, maar de wagons kwamen leeg. Het eind van het lied was dat ik ontstoken ogen had door het kolenstof. Ik moest naar de dokter. Dit was een extra genoegen want daar was het zo druk dat je uren kon wachten. Als de patiënten te veel lawaai maakten, gooide de dokter ze er allemaal uit en dan konden ze de volgende dag terugkomen. Jammer genoeg werd enkele weken later bepaald dat joden niet meer onder het werk naar de dokter mochten. Die moesten zich na het werk door de joodse kampdokter laten behandelen. Mijn oogontsteking was snel behandeld. Wat inspuiten, en dat doet een dokter graag, want dat is een operatie en wordt als zodanig betaald. Toen ik daarna op het weiland kwam waren mijn makkers weg. Ze waren door de ‘Wehrmacht’ opgehaald en bleven daar wekenlang. Dat werk was veel inspannender, maar er werd maar acht uur gewerkt. Ik kwam in een groep oude heren terecht die de wagons met de zoden losten. Maar de volgende dag kwam ik met deze groep op een weiland waar ze zoden staken en laadden. Altijd 120 per wagen en weer die kleine jood die de zoden moest tellen en zich verrekende en de putter die de karrevrachten moest tellen, en niet oplette en 's avonds ruzie had met de boeren. Per slot van rekening werd alles dubbel betaald. Het grasdek was tevoren met een speciaal hiervoor ingerichte motorploeg gestoken, een scherp voorwiel sneed het weiland open en de ploegschaar wierp de stukken om.
De oude heren laadden ze op de wagen, sommigen met de schep, anderen met handschoenen. Uiteraard alleen als er wagens waren, maar dat gebeurde niet erg regelmatig. En als er geen luchtalarm was. Bij luchtalarm ging je in het hooi liggen, op de boerderij bij het weiland en sliep. Daar op het weiland werkte ik samen met joodse intellectuelen uit Den Haag, maar het werk was een beetje vervelend. Op de tweede dag werd ik bij het zodensteken betrokken. Dit was niet zo eenvoudig. Eerst moest je je spade slijpen om de zoden goed af te steken, maar de hoofdzaak, het uittillen van de zode, moest je echt leren. Met een ruk de spa eronder en met de knie ertegen aan. Zo werden de hoeken van het weiland behandeld die de motorploeg had laten staan. Want de weilanden moesten tot het laatste toe geplunderd. Het zal jaren duren eer daar weer gras groeit. De meeste boeren uit de omgeving raakten op die manier hun weilanden kwijt. Ik weet niet of de geallieerden hun rolvelden volgens dezelfde methode aanlegden. Ik denk van niet. Anders hadden ze de oorlog niet gewonnen.
Ondertussen was het haast Pinksteren. Tot op het laatste ogenblik wist niemand of het verlof ingewilligd werd. Dat liep over heel wat Duitse instanties en als de ene ‘ja’ zei, zei de andere ‘nee’. Gewerkt werd er met Pinksteren in ieder geval niet. Maar daar hadden de joden niets aan. Die moesten verlofpapieren hebben van de Gestapo. Die kwamen altijd pas op het laatste ogenblik en een keet gebeurde het zelfs dat de passen, terwijl de auto's van het kamp al op ons stonden te wachten, door een humeurige ‘Baurat’ werden afgepakt en we pas een dag later mochten vertrekken. Bij het pinksterverlof werd een deel van ons door de joodse ‘Lagerführer’ gechicaneerd, die uit puur machtsvertoon de passen achterhield. Ondertussen liep Suus in Amsterdam met de kinderen naar elke trein om me af te halen en Didi ondervroeg tussendoor nog op zijn eigen houtje de spoorbeambte bij het hek of zijn vader nog wel uit Havelte terug kon komen.
moeder veel, deed uitgebreid boodschappen en voelde zich ook weleens de plaatsvervanger van de ontbrekende vader.
Enkele dagen voor Pinksteren moesten wij met ons kamp verhuizen. Er waren zoveel mensen bij gekomen dat er geen plaats genoeg was. Plotseling kwam er een verhuisbevel en in een half uur moesten we weg. Het nieuwe kamp was vroeger van de Rijksarbeidsdienst geweest. De barakken waren beter, vlak bij het dorp Havelte, maar ook dichter bij het vliegveld. De barakken hadden splintermuren. De kamers waren er donkerder door, maar je hoefde er nu 's nachts niet bij elk luchtalarm uit.
Na Pinksteren bleef ik nog een tijdje bij het zodensteken. Maar op een avond, terwijl ik al sliep, kwam de (joodse) personeelschef, zocht in elke kamer een aantal dat al sliep en veroordeelde die tot ander werk. Dat was de methode: wie sliep kon zich niet verzetten. Op die manier kwam ik de volgende dag bij de ‘Duitse boer’, officieel de ‘Deutsche Landwirtschaft’, een fraai bedrijf dat het gestolen land rond het vliegveld bewerkte. Een oude hofstede met 10 à 12 prachtige roodbonte ossen die ze af en toe als trekdieren inspanden. De boeren van Havelte lachten zich dood. Dat hadden ze hun hele leven lang nog niet gezien: surrogaat-paarden. De baas was een Sakser uit Wurzen, die nog minder van landbouw afwist dan ik, maar dat wist hij zelf niet, omdat niemand het hem had verteld. Hij reed op een motor en inspecteerde een à twee keer per dag zijn velden - honderden hectaren - en veroordeelde, als iets hem dwars zat, de landarbeiders tot 100 mark boete of ‘bunker’, maar de joden heeft hij met rust gelaten.
We waren dus door onze firma aan de Duitse boer uitgeleend. Ik moest nu haast een uur heen en evenveel terug en moest de hele dag aardappelen schoffelen. Het is niet erg inspannend, maar heel erg vervelend. Twintig man in een rij schuifelen met de hak over de akker, niet te snel, niet te langzaam, anders wordt de rij krom. Aan het andere eind aangekomen, draai je je om en sla je de tegengestelde richting in. Aldoor maar hakken. De enige afwisseling: soms heeft de kwek de overhand en soms de melde en soms de muur en elk onkruid moet een beetje anders behakt - daar kom je wel achter. Ik heb later daar nog geoogst: het was een bos van onkruid. De aardappelen waren te vroeg geschof-
feld: toen de planten nog te klein waren. Aangezien het onkruid van het hakken alleen maar beter groeit, zolang het niet in de schaduw van de aardappelplanten staat, was de hele inspanning voor niets geweest.
Dus het werk was niet zwaar, maar vervelend. In dit opzicht was het het ergste dat ik in Havelte heb meegemaakt. Gelukkig leerde ik bij het werk een aantal Hagenaars kennen met wie ik onder het werk aardig kon praten. De voorman, een landarbeider, had niets tegen de conversatie, maar je moest oppassen dat de Duitser niet kwam. Ineens was die daar op zijn motor en stond achter je. En toen hij net achter me stond, hakte ik weer een aardappel kapot (want de planten waren zo klein datje ze tussen het onkruid nauwelijks opmerkte) en hij schreeuwde: ‘Mensch, du hackst ja eine Gardoffel gabutt.’ Hoewel dat toch een ernstig geval van sabotage van de produktieslag was, deed hij verder niets, hetgeen trouwens ook al een soort sabotage was. Toen hij zich had omgedraaid, hakte ik de volgende gardoffel gabutt.
Gelukkig duurde het bij de Duitse boer maar een week. Behalve het aardappelschoffelen heb ik het nog voor de voederbieten geleerd, maar dat is geen groot verschil, behalve dat er op dat veld massa's mollen waren, waar de voorman op jaagde - hij heeft er in drie dagen zo'n vijf à zes geslacht. Op dit veld was het dat we het bericht van de invasie hoorden.
Van de Duitse boer werd ik naar de verste uithoek van het vliegveld overgeplaatst. Daar stond nogal veel bos. Dat was wel de mooiste tijd in Havelte. Het werk was vrij zwaar, maar de putter Heinen was zeer fatsoenlijk. We waren bij elkaar een groep van 10 man, en we konden goed met elkaar opschieten; mijn Haagse vrienden waren er ook bij. Op de eerste dag waren we in feite niet met 10 maar met 40. We moesten het bos opruimen. De putter koos er de 10 sterkste mannen uit en daar was ik bij - stel je voor! Vijf weken zijn we bij elkaar gebleven. Ik was nu houthakker. De bomen werden in feite niet omgehakt, maar ondergraven; met een grote bijl werden de wortels doorgehakt en dan werd de boom omgegooid en stomp en kroon eraf gezaagd. Ik deed dit zagen samen met een Haagse leraar, met een
trekzaag - je weet wel, daar zit er aan elke kant een die trekt en het lijkt wel op een ouderwets stuk speelgoed, die heen- en weertrekkers. De zagen waren natuurlijk allemaal bot en de timmerman van Walther & Kottman die ze had moeten zetten was al weken ziek. Het was een hels werk, met die botte zagen, maar ten slotte hebben we het toch klaar gespeeld en het mooie woud (‘wer hat dich so hoch da droben’) uitgeroeid. Dennen van 40 jaar oud die gerust daar nog een poos hadden kunnen blijven staan. De putter bemoeide zich niet veel met ons. Hij had nog een ploeg dwangarbeiders uit Meppel onder zijn hoede die zandtreinen loste. Als er luchtalarm was ging hij samen met de joden de bossen in, keek in de nesten van Vlaamse gaaien en luisterde hoe die joden over God, onsterfelijkheid, communisme, literatuurgeschiedenis en sociologie kletsten, verondersteld dat ze niet sliepen, wat bij die lange werktijden nogal eens nodig was. Maar natuurlijk niet de keukenauto uit Meppel verslapen - er hoeft niet altijd zuurkool in de gamellen te zitten, snert is ook lekker.
Jammer genoeg was het bomen vellen op een dag afgelopen. De andere werkers van onze putter mochten weer naar huis en omdat hij geen nieuwe kreeg, moesten wij hun werk overnemen.
Dat was niet zo mooi meer als hakken en zagen, maar het werd dan ook het vliegveld op zijn toppunt. Het zag er daar als volgt uit:
Oorspronkelijk was het bos en heide geweest. De excavators hadden de heuvels weggeschaafd en de zandtreinen hadden van alle kanten hun lading gelost om de heide toe te dekken, waar start- en rolbanen moesten komen. En waar grasvelden zouden worden aangelegd, schaafde de ploeg de heide weg. Toen wij er kwamen was er van de heide al niets meer te zien. Zand- en zodentreinen reden kris-kras door het landschap, brachten zoden uit een naburig dorp naar het groeiende rolveld en zand van de afgraving naar de stort. Daar stonden we dus en weer kwam er een smalspoorlocomotief met 10 tot 20 lorries à 2½ kubieke me-
ter, de putter hief zijn arm op en de trein reed tot de putter hem liet zakken. Dan werd de eerste lorrie gekiept, naar rechts, en dan de tweede. De putter floot, de trein trok op, maar gauw ging de arm weer omlaag. De volgende twee werden gekiept, naar links tegenover de eerste twee. Enzovoort, tot de trein leeg was en terug kon stomen. Zo'n 2½ kuub kiepbak - een klein kind kan die met de pink leegkiepen, als hij goed geladen en in evenwicht is. De bak wordt ontgrendeld en dan breng je hem aan het schommelen en als er ‘muziek’ in zit, worden de schommelingen steeds wijder en ten slotte kiept hij zoals het hoort - maar pas op dat je er niet ergens met je vingers tussen komt. Is de bak scheef geladen, dan spelen geen 10 man het klaar al gaan ze allemaal aan één kant hangen. Dan moet er één bovenop en uitscheppen, maar pas op, dat de bak niet ineens vanzelf kiept terwijl je boven staat. Onder het kiepen glijdt het meeste zand eraf en de rest duw je met je schep eruit als de trein optrekt. Ten slotte worden de rails schoon geschept en de trein kan terug.
Maar het zand is nog niet op zijn plaats van bestemming - gevolg van slechte organisatie. Het wordt nu in veldspoorlorries geschept - één kuub - akelige, roestige, kromgetrokken bakken, die op kromme veldspoorrails rijden en voortdurend ontsporen - pas op je handen en voeten. Als twee wielen uit de rails springen, valt het nog mee, maar alle vier...! Met hangen en wurgen moet de wagen er weer in. Aan de achterkant hangen en drukken tot de voorwielen van de grond komen, draaien dat ze in de rails glippen en dan hetzelfde met de achterwielen. De lorries worden geduwd of rollen vanzelf, worden gekiept, altijd naar rechts langs de veldspoorhjn, of kiepen vanzelf en als daar weer een laag van 20 cm zand ligt, wordt geschift (van ‘to shift’ - dat hele spoortaaltje komt uit het Engels). De tien man verdelen zich op meters afstand langs de lijn, pakken de rails en trekken op commando. Pas op dat je voeten er niet onder raken en dat je handen niet in de spleet tussen twee rails komen. En als de rails een halve meter verschoven zijn, begint het opnieuw, het zandstorten, aldoor 20 centimeter hoog, weer schiften, enzovoort.
Af en toe moeten de rails helemaal worden verplaatst, uiteengeschroefd en opgenomen en je leert gauw of het lichte of zware
zijn. Rails dragen is een onbarmhartig zaakje. Daar loop je dan tussen de twee rails en de putter kan je wijsmaken dat ieder maar 25 kilo draagt - dat weet hier iedereen op het vliegveld, hoeveel lichte rails wegen en hoeveel zware rails en het is dan een eenvoudig deelsommetje. Maar dat delen is niet eerlijk. Als vier man samen 100 kilo dragen, is het helemaal niet zeker dat iedereen er netjes 25 kilo van krijgt. Ook zonder lijntrekkerij. Want de ene is langer dan de ander of heeft kortere armen en wiens handen het hoogst staan, die moet weleens de hele 100 kilo voelen. En als het terrein wat oneffen is of een beetje berg op berg af, gaat de laatste of de eerste schelden op de anderen, die lijntrekkers, maar daar wordt hij niet beter van. En van alle mooie theorieën over railsdragen evenmin, of de kleineren vóór en de groteren achter moeten lopen of omgekeerd, en met optelsommen kom je er ook niet. Ineens hangt de hele 100 kilo in je armen en je denkt dat ze uitgerekt worden.
Op lange afstanden draagt men de rails op zijn schouders, maar die voelen de pijn net zo als de handen, en het enige ware is, helemaal niets dragen. Bij voorbeeld met de Franse sleutel rondlopen en hier en daar wat los- en vastschroeven. Dat lijkt al meer op vakmanschap en die lieden zie je niet bij het gemene werk. Een van mijn Haagse vrienden klom later op tot oliepeut. Die liep de hele dag kris-kras over het vliegveld om de wagens te oliën. Als er toevallig olie in de kan zit en men zich niet te zeer inspant lijn te trekken, kan men dat hele werk in een uur af, maar je mag er niet bij vergeten dat het werk is voor een hele werkdag. Op een van zijn wandelingen ontdekte hij ergens op een dood spoor een kapotgeschoten locomotief. De stoker zat daar elke dag trouw op zijn machine tot de avondklok (behalve in de middagpauze) en op vrijdag brachten ze hem zijn verdiende loon. De heren waren er misschien nog niet achtergekomen dat de locomotief niet meer reed, of er was niemand die erover ging en hem ander werk kon opdragen. Bij een andere wandeling ontmoette mijn vriend iemand die de godganse dag over het vliegveld moest trekken om moeren, schroeven en nietplaten van de veldsporen te zoeken - ook een aardig tijdverdrijf. Of met de landmeter mee, want er moest aldoor maar gemeten worden,
omdat de plannen aldoor maar werden gewijzigd. De meetlat dragen, palen in de grond steken en eruit halen.
Maar rails sjouwen en uren in de hitte zand scheppen is minder mooi. Ik heb alleen maar veldspoorrails gedragen. Voor smalspoorrails was er een speciale ploeg van sterke mannen. Smalspoorrails zijn niet door ijzeren dwarsstaven verbonden, maar los. Ze worden op de schouders gedragen. Daar horen dwarsliggers bij, eikehout, 60 tot 80 kilo, en een van die sterke mannen neemt zo'n ding zomaar op zijn schouder en marcheert er vrolijk mee door het landschap. Smalspoor heb ik niet helpen aanleggen, wel schiften. Dat is dan niet wegtrekken met je handen, want de rails liggen vast in de grond. Men tilt ze er met ijzeren stangen uit en schuift ze op. Op commando. Het was zwaar werk bij die putter, soms een hele dag zonder luchtalarm. Maar het kon niet anders, want hij was de fatsoenlijkste van het hele vliegveld en die mocht je geen last bezorgen. Ik heb het goed doorstaan.
Ik was soms erg moe van het zware werk. In het begin, toen ik het nog niet beheerste, kreeg ik van het scheppen heuppijn, maar ik heb er niet blijvend last van gehad. Was ik eindelijk terug in de barak, dan voelde ik me als na een grote trektocht, en ik speelde het nog klaar lange brieven te schrijven en wat te werken.
In de tijd van Havelte was Suus twee keer met Didi en Thijs bij me. Dat was ook wat. De treinen waren vol en werden vaak beschoten waarbij ook doden vielen. Hotels waren er in Havelte niet; daar hadden de Duitsers beslag op gelegd. Op dezelfde dag heen en terug, dat loonde niet vanwege de lange reistijden en slechte verbindingen. Je moest bij een boer onderdak vinden. Die in het dorp durfden niet, want het was verboden bezoek te ontvangen. Dus ergens buiten onderdak, maar slapen was er niet bij, vanwege de vlooien. Bij hun eerste bezoek had ik zondagwerk, maar met veel luchtalarm tussendoor. Bij het tweede bezoek gebeurde iets vervelends. Toen ik naar Suus toe ging, werd ik door een politieagent aangehouden en gefouilleerd. Hij vond een pond boter en pakte het af. Ik heb het later teruggekregen, maar prettig was de zaak niet. Sluikhandel was doodgewoon (20 tot 25
gulden voor een pond boter), vooral in Havelte, maar verboden was het wel en de agent had me net zo goed naar het strafkamp in Westerbork kunnen sturen (en daarvandaan kwam je gauw in Polen). Het gevolg van dit incident was dat ik veel te voorzichtig werd. Ik had anders uit Havelte een mooie wintervoorraad naar huis kunnen sturen. Toch heb ik daar nog wat boter gekocht en een keer een hele levensmiddelenkaart, die zich voortgeplant heeft, want de volgende werden op een bon van de oude verstrekt en daardoor hadden we tot het eind een kaart meer dan ons gezin personen telde. Vier keer heb ik verlof gehad - elke keer heerlijke dagen thuis, maar eer het zover was werden je zenuwen op de proef gesteld. Suus verwachtte me al een halve dag tevoren op het station.
Op een dag was het afgelopen bij putter Heinen. In de andere uithoek van het vliegveld werkte een fameuze putter, Beckers, met enkele honderden mensen. Hij stond op het vliegveld bekend om zijn vloeken. Hij had twee man nodig en vroeg er tien aan en omdat wij joden bij Heinen met zijn tienen waren, moesten we naar Beckers. Heinen kreeg een groep gedwongen werkers uit Meppel. Beckers had twee handlangers nodig voor stratemakers; die moesten aangenomen werk doen, dus met de stratemakers delen. Die twee moesten zich vrijwillig melden. Ik deed het met nog één. We hebben een week lang als gekken met stenen gekruid, 20 bakstenen à 4 kilo per kruiwagen. Daarmee werd de rolbaan geplaveid, 50 bakstenen per vierkante meter. Elke dag