Een opgeschoten jongen kwam fluitend en met losse handen zijn bakkerskar besturend de brug affietsen. Een voddenkoopman, die van de andere kant kwam, stapte van zijn bakfiets af om een oude krant op te rapen. Hij las eventjes de kop ‘Chamberlain voor het Lagerhuis’. Dus een hele oude. Met op enkele meters afstand de brug vond hij het niet meer nodig op te stappen. De bakfiets versperde de smalle straat. Een voetganger met jodenster kwam in de blokkade terecht. ‘Hé Chamberlain,’ riep de voddenkoopman de voetganger toe, die opkeek of hij net wakker werd gemaakt, ‘waar is je paraplu?’ De voetganger lachte of hij het de natuurlijkste zaak van de wereld vond dat een voddenraper hem met Chamberlain vergeleek, maar ondertussen staarde hij in de grote etalageruiten aan de overkant om vast te stellen wat er van klopte. Een fietser, die de brug af kwam racen, miste hem maar net. Toen hij voorbij was, draaide hij zich om en beet de voetganger toe: ‘Sufferd!’
Het was een antiekwinkel waar hij voor bleef staan toen hij de overkant bereikte, een grote winkel met hoge brede spiegelruiten. Hij had net zo goed voor een blinde muur kunnen blijven staan, alsof hij de klinkers wilde tellen, maar dat zou een raar gezicht zijn geweest, een aanleiding voor passanten om zich om te draaien of hem iets na te roepen. Hij bleef dus naar het mahonie-houten penanttafeltje tussen de twee grote barokkasten van gebarsten donker eikehout kijken. Want er zijn bepaalde dingen - als je erover nadenkt, moet je het staand doen. Of zittend - dat zijn weer andere dingen. Of liggend, op je linkerzij, op je rechter-, of door de kamer benend; of de trap op lopend, of met een
potlood spelend, of lui in je leunstoel liggend met je handen in je haar, of zoemend, of uit het raam kijkend. Bij elke geestelijke bezigheid hoort een bepaalde bezigheid van je lichaam waar je rekening mee moet houden of het lukt je niet. Zijn grootvader bij voorbeeld - daar dacht hij net aan - hij zou nu negenentachtig zijn als hij hier was gebleven, want hij was nogal kras geweest, al liep hij zo krom als een boog. In Westerbork begon hij te sukkelen - ziekenhuis enzovoort - terwijl hij vroeger nooit ziek was geweest, en dat transport naar Polen is hij zeker niet te boven, gekomen.
Uit het verkeersgeluid in zijn rug klonk een schrille fietsbel. Die stoorde hem in zijn overpeinzingen en hij kon de draad ervan niet weer oppakken. Als je je gedachten zo maar met je mee kon tronen! Maar er is niets dat even onbetrouwbaar is als dat wat je meent altijd bij je te hebben. Als je dat penanttafeltje wilt zien, hoef je enkel maar hier voor de etalage te staan en je ogen open te doen. Maar je gedachten... Op het penanttafeltje lagen als bij toeval vier boeken en op een van die boeken stond een kandelaar van gesmeed ijzer. De andere boeken waren eender gebonden, misschien delen van een meerdelig werk. Een achttiende-eeuwse band, octavo, lichtbruin varkensleer, met op de rug gouden versierselen en gouden letters op groene ondergrond. Het groen en het goud waren verbleekt en de man met de jodenster trachtte vergeefs de titel de ontcijferen. Hij meende zoiets als ‘Plinius’ te lezen, maar hij kon zich niet voorstellen welke Plinius-editie dit kon zijn, octavo in drie delen van zoveel bladzijden. Als het tussen drie en vijf uur was geweest, zou hij de winkel binnengestapt zijn, maar met zijn jodenster en zijn joods uiterlijk wilde hij het nu liever niet riskeren. Het vierde boek was de Charactères van Labruyère - daar zou een Plinius goed bij passen - in elk geval iets heel geschikts om door een achttiende-eeuwer op bed gelezen te worden, als voorbereiding op de volgende dag, bij het schijnsel van een kaars die neergezet werd op het boek als de lezer het dicht had gedaan om te slapen.
In zijn jongensjaren had hij ook op bed gelezen - alles wat hij te pakken kreeg van Old Shatterhand tot en met de Untergang des Abendlandes, maar langzaamaan was lezen iets anders voor hem
geworden: werken, excerperen, naslaan, opzoeken, uitzoeken, bladeren - iets dat je deed aan je bureau, dat doorboog onder de last boeken, of naast reeksen boekenrekken, waar tussen honderd boeken die je koud lieten er één stond dat je aanging, een enkel boek waar op bladzijde 97 de derde regel van de voetnoot iets bevatte dat elders geciteerd was - fout geciteerd natuurlijk, en om te weten hoe dat precies in elkaar zat, moest je dit boek en deze bladzijde 97 en die regel 3 van de voetnoot hebben.
Een landkaart in een lijst hing boven het penanttafeltje. Precies uit ‘Wagenaar’ gestolen - hij zou met zijn ogen dicht de bladzijde kunnen aanwijzen. Hij hield van die ouderwetse landkaarten met de dikke, onhandig gekleurde grenslijnen, schepen, burchten, dieren en tafereeltjes, maar hij haatte ze evenzeer, want hoeveel boeken zijn er niet geplunderd vanwege landkaarten en prenten! Een fatsoenlijk antiquair doet dit niet, maar je hebt van die gewiekste handelaars die hun publiek kennen en voor een titelprent meer durven vragen dan voor het hele boek en het krijgen ook. Toch zou hij graag een mooie kaart in zijn studeerkamer willen ophangen en herhaaldelijk was hij al een winkel binnengestapt waar in de etalage van dat mooie spul hing. Maar voor hij er een vijf à tien gulden voor kon neerleggen, zag hij daar ergens uit een donkere hoek een fleurig boekje naar hem toe glimmen en wanneer hij er naderbij kwam, bleek hem dat dit nu net iets was dat hij kon gebruiken en was die kaart al vergeten die hem naar binnen had gelokt.
‘Hé Sander,’ zei iemand met een jodenster en gele molières en tikte de man die door de ruiten keek met zijn wandelstok op zijn linkerschouder.
Die keek om, trok een zo verblijd mogelijk gezicht en begroette zijn collega, die hij vóór de oorlog dagelijks had gezien, maar nu hoogstens toevallig op straat tegenkwam. ‘Daag Sjaak,’ zei hij, greep de uitgestoken hand en schudde die iets te hevig.
‘Wil je zo'n harnas kopen?’ vroeg Sjaak hem, en Sander keek om, want dat er ook harnassen in de etalage stonden, was hem nog niet opgevallen.
‘Nee, dan liever een mitrailleur,’ zei hij, een beetje trots op zijn slagvaardigheid die hij anders alleen bezat als hij op het geduldig
wachtende papier aan een geschreven een te schrijven volzin moest knopen.
Een Duitse soldaat met een gevulde aktentas ging voorbij en het leek of ze in een gesprek over mitrailleurs waren verwikkeld en met het vervolg liever wachtten tot de lucht weer gezuiverd was. Ondertussen kwamen er van de andere kant twee met driehoeksspeldjes en Sjaak Vellemans vond het gepast zijn vriend Sander Begaas te beduiden dat het beter was het gesprek in de zijstraat te vervolgen.
Het gesprek ging er natuurlijk over wie ze de laatste dagen hadden weggehaald. Mr Sjaak Vellemans was er als lid van de Joodse Raad goed van op de hoogte en lichtte zijn vriend dr Sander Begaas in, met alle interessante bijzonderheden (die was boven de negentig, die was ziek, die is onderweg overleden, die is uit de transportauto gesprongen en ondergedoken, die is de volgende dag vrijgelaten - stempel met een nummer boven de 110000). Sander Begaas was gemengd gehuwd, drie kinderen, en het volgende onderwerp van gesprek waren dus de kansen van de gemengd gehuwden gespaard te blijven van Westerbork, Polen, enzovoort.
Na deze en al die andere oppervlakkigheden nam het gesprek een wending naar het serieuze toen Sjaak informeerde waar zijn vriend vandaan kwam. ‘Van het Huis met de Beelden,’ zei hij en wees met zijn duim over zijn schouder naar een Renaissance-herenhuis met twee stoepen.
‘Wat doe je daar?’ wilde Sjaak weten.
‘Ik werk daar geregeld in de bibliotheek.’
‘Bibliotheek?’ vroeg Sjaak hem verbaasd, ‘ik dacht dat het een museum was.’
‘Er zijn er meer die dat denken,’ zei Sander, ‘maar ze hebben daar een mooie bibliotheek. Een beetje ouderwetse bibliotheek, maar dat is precies wat ik nodig heb.’
De ander keek hem ongelovig aan. ‘Het is geen openbare bibliotheek, mijn ster hindert dus niet.’
‘Hèhè, geen openbare bibliotheek - als ik dat had geweten.’
‘Nou, ik denk niet dat er wat van jouw gading in is. Maar doe me een plezier en praat er niet over. Er komen al te veel joden
die erachter zijn gekomen dat het geen openbare bibliotheek is. Als toevallig een nsb-er aan de overkant woont en merkt dat daar geregeld joden binnenlopen, hebben ze in minder dan geen tijd de ss aan de deur en die zal de bibliothecaris wel leren wat een openbare bibliotheek is, desnoods in Vught.’
‘Zijn die mensen daar allemaal goed?’ begon Sjaak opnieuw.
‘Het personeel is prima. Behalve op de redactiekamer. Daar hebben ze een nsb-er moeten aanstellen, maar die vent is zelfs te dom voor potloden slijpen. Wanneer de radioberichten worden doorgegeven, sturen ze hem altijd met een dwaze opdracht de kamer uit. Hij heeft tot nu toe niets gemerkt.’
‘En het publiek?’
‘Publiek is er enkel in de bibliotheek en in zo'n oude bibliotheek komen geen nsb-ers.’
‘Ik zal je hier eens komen bezoeken,’ beloofde Sjaak, ‘fietsvergunning heb ik niet, anders was ik al lang bij je thuis aan komen lopen, maar zonder fiets is het me te ver. Als je hier te bereiken bent, is het heel iets anders. Wanneer kom je hier altijd?’
‘Haast dagelijks.’
‘En dan zit je in de bibliotheek?’
‘Ja, maar niet altijd in de leeszaal. Soms dwaal ik ergens tussen de boekenrekken en dan is het een hele klus om me te vinden, in dat labyrint.’
‘Zit er geen Minotauros in?’ vroeg Sjaak en hij lachte zelf over die grap.
‘Nee, maar zo'n bibliotheek is zelf een Minotauros. Die eet je op. Die verslindt je als je er niet op verdacht bent. Gelukkig is er een verschil of je van bibliotheken houdt of van boeken. In het laatste geval word je bibliothecaris en in het eerste word je... ja, dan kun je van alles worden want boekenliefhebberij past overal bij. Of omgekeerd: boekenliefhebber word je alleen maar als je nog voor iets anders belangstelling hebt.’
‘Je bedoelt...’
‘Ik bedoel, als je ook belangstelling hebt voor iets dat ín de boeken staat.’ Hij sprak met grote overtuigingskracht. ‘Anders word je bibliothecaris.’
‘Lezen bibliothecarissen boeken?’
‘Ja, zoals er bakkers zijn die ook brood eten en koekebakkers die snoepen. Je kunt bibliothecaris én boekenliefhebber zijn, maar die twee hebben dan niet veel met elkaar te maken.’
‘Ik denk dat je met merkwaardige bibliothecarissen te maken hebt.’
‘En met merkwaardige bibliotheken,’ vulde Sander aan. ‘Ik ben eigenlijk met de neus in de boter gevallen. Vroeger heb ik die bibliotheek wel incidenteel gebruikt, alleen als ze iets hadden dat ik elders niet kon bemachtigen. Toen die verordening afkwam, in 1941 - of wanneer was het precies? - dat we geen openbare bibliotheken meer mochten gebruiken, had ik net een stel boeken uit het Huis met de Beelden bij me en veiligheidshalve bracht ik die als de weerga terug, maar de bibliothecaris vertelde me doodleuk dat de bibliotheek van het Genootschap geen openbare bibliotheek was, dus... Ik ben dus wat ik nodig heb blijven lenen en dat was een uitkomst want de openbare bibliotheken mocht je met je ster niet binnen. De bibliothecaris is een buitengewoon geschikte vent. Ik haal zelf uit de rekken wat ik nodig heb en hij vindt het best, want dan hoeft hij het niet te doen en het is voor hem ook geen plezier om aldoor maar door vier verdiepingen onderweg te zijn om de boeken die je nodig hebt bij elkaar te scharrelen.’
Sander haalde eventjes adem en ging toen door: ‘Verleden maand - ik had echt medelijden met de bibliothecaris, hij was verlegen als een jong meisje, toen hij mij moest zeggen - verleden maand, toen ik in de leeszaal iets zat te excerperen wat ik om zijn omvang niet wilde meenemen, kwam de bibliothecaris bij me en zei me, half fluisterend, want er zat nog iemand bij te werken - hij zei me dat het Bestuur van het Genootschap besloten had, geen boeken meer aan joden uit te lenen, met het oog op het gevaar dat die joden ondertussen opgehaald zouden worden en de boeken niet meer terecht zouden komen, bij voorbeeld als de “Pulsers” zich om de stempels van het Genootschap niet zouden bekommeren en de boeken mee zouden nemen, net als de meubels en de tafellakens.
Hij had echt de smoor in die maatregel, maar hij kon er natuurlijk ook niets aan doen - besluit van het Bestuur. Hij stelde
me nog voor dat ik de boeken die ik moest hebben, op naam van mijn vrouw zou lenen - je ziet wel, hij is een geschikte vent - maar ik moet je zeggen, het kan me weinig schelen. Ik gebruik de boeken nu ter plaatse, daar heeft het Bestuur niets op aan te merken en voor mij is het in zekere zin ook makkelijker als ik de boeken niet naar huis hoef te slepen. Ik gebruik veel tijdschriften en die paar bladzijden die je van zo'n tijdschrift nodig hebt, kan je evengoed ter plaatse bestuderen. Je zit daar heel prettig, in het Huis met de Beelden, en als je een twintigtal boeken uit de rekken bij elkaar hebt gezocht en voor je neer hebt gezet en gelegd op de tafel, het ene opengeslagen op bladzijde 100 en dan wordt wat geciteerd, en dan sla je het andere open op bladzijde 150 en dan heb je weer het eerste nodig op bladzijde 70 en dan leg je het tweede boek, geopend zoals het is, om zo te zeggen als bladwijzer op het eerste bij bladzijde 100, want die bladzijde 100 zou je straks nog nodig kunnen hebben, en dan blader je naar bladzijde 70 en dan komt het derde boek daar weer op, en dan moet je weer naar de zolderverdieping bij de Verzamelde Werken en daar blijf je een uur hangen, omdat je in het deel dat je nodig hebt bij het openslaan juist iets bijzonder aardigs ontdekt dat van het grootste belang is voor een kwestie waar je binnenkort aan moet beginnen. En als je de hele dag op de zolder zou blijven hangen, zou het ook niet hinderen. De conciërge zou je wel komen waarschuwen wanneer het tijd zou zijn naar huis te gaan en als je de volgende ochtend de leeszaal weer binnenkomt, liggen de boeken daar nog net zo op de tafel als je ze gisteren hebt achtergelaten - een boek opengeslagen op bladzijde 70, met een boek dat op bladzijde 150 geopend is als bladwijzer op bladzijde 100, en een derde boek daar bovenop, en je grijpt naar het vierde en dat schuif je naar links, en het vijfde, dat schuif je helemaal opzij, dat is niets van je gading, en in het zesde ligt nog een gesloten enveloppe met een brief erin, gedateerd januari 1867, waarin de afzender - zekere Everardus Johannes Potgieter - de bibliothecaris verzocht hem niet kwalijk te nemen (“Potgieter?” vroeg Sjaak tussendoor - “Ja Potgieter,” zei Sander) dat hij het boek zo lang heeft gehouden, en met die brief tijg je naar de tegenwoordige bibliothecaris, die zich als het ware gevleid voelt,
dat E.J. Potgieter hem uit het hiernamaals een brief schrijft...’
‘Wat hebben jullie met die brief gedaan?’ wilde Sjaak weten.
‘Ik mocht hem zelf op de afdeling Handschriften afgeven, en op die manier ben ik ook daar binnengedrongen. Want de bibliothecaris gaat daar niet over.’
‘Voer je daar nu eigenlijk ook iets uit?’ vroeg Sjaak hem verder.
‘Ja, je zult het niet geloven, maar het is echt zo. Ik schiet heel bevredigend op met mijn werk.’
‘Bij welk hoofdstuk ben je dan?’
‘Niet bij één bepaald hoofdstuk, maar bij alle tegelijk. Het opschrijven, in nette hoofdstukken verdeeld, is alleen maar de afsluitende taak. Ik zal het, als de oorlog voorbij is, meteen in de machine dicteren. Voorlopig bestaat het hele werk nog uit een kaartsysteem.’
En dat zal het ook blijven, dacht Sjaak want hij vertrouwde zijn vriend met die merkwaardige geestdrift voor boeken en bibliotheken niet. Hij had zich tot nu toe niet met de geestesgesteldheid van boekenliefhebbers beziggehouden, maar de woordenstroom van zijn vriend was net genoeg geweest om hem daar iets van te doen beseffen. Het is zonde - dacht hij - dat een mens als hij zich in bibliotheken begraaft. Maar iedereen heeft tegenwoordig zijn methode om de kwellende werkelijkheid te ontvluchten. De een noemt de schijnwerkelijkheid die hij voor zichzelf opbouwt Joodse Raad, en de ander stapelt boeken op elkaar en maakt er excerpten en kaartsystemen van. Maar hij verbeeldt zich dat uit zijn schijnwerkelijkheid na de oorlog een boek zal kiemen, terwijl ik weet dat ik na de oorlog weer met beide voeten op de vaste grond zal staan. Misschien wordt het werkelijk een boek - dan zal hij dus zijn leven in de schijnwereld voortzetten als hij weer toegang tot de echte heeft.
Sander ging met dezelfde geestdrift door zijn leven in de bibliotheek te beschrijven. Om negen uur 's ochtends begon hij daar; de bibliothecaris kwam meestal pas om half tien, maar de conciërge liet hem binnen om naar de bibliotheek door te lopen. Hij had zijn boterhammen bij zich en bleef doorwerken terwijl de bibliotheek voor het twaalfuurtje gesloten was; ze hadden
meestal ook nog een kopje koffie voor hem. Ook na het officiële sluitingsuur bleef hij daar nog, meestal tot vijf uur.
Van negen tot vijf in de bibliotheek zitten, dacht Sjaak, jongen, jongen, zou je dat vroeger hebben gedaan?
Er waren er nog meer die geregeld daar kwamen werken, maar geen zat daar zo lang als hij - vertelde Sander - bij voorbeeld een erratoloog (zo noemde Sander hem voor de grap), dat wil zeggen iemand die drukfouten en dergelijke verzamelde als bouwstenen voor een diepgaande en wijdvertakte psychologie van zetters en stenotypisten. Hij hoefde een boek maar even open te doen of hij ontdekte meteen een drukfout - Nederlandse of Spaanse of wat dan ook; het deed er niet toe - en verklaarde de drukfout volgens een schema dat tot nu toe nooit gefaald heeft. Sinds een maand of drie had die erratoloog het Huis met de Beelden tot werkterrein gekozen en daar werkte hij alle boeken en tijdschriften door die hij niet reeds elders onder handen had gehad. ‘Op de afdeling redactie zijn ze verguld met hem, want hij neemt hun hele correctiewerk waar. Kort geleden heeft hij, toen hij een stuk in handen kreeg dat net naar de zetter moest, de drukfouten voorspeld (onder de voorwaarde dat één bepaalde zetter het stuk moest zetten, en die zetter kreeg dan ook de opdracht). Zijn voorspellingen zijn vrij aardig uitgekomen.
Je moet er niet om grinniken,’ ging Sander verder, ‘die erratoloog verdient het absoluut dat men hem van de serieuze kant bekijkt. Maar ik geef toe dat je bij ons (ons dacht Sjaak) ook met minder serieuze gevallen te maken krijgt. Daar komt bij voorbeeld geregeld iemand die aan de unificatie van alle christelijke kerken werkt. Hij gebruikt de bibliotheek eigenlijk meer als zit- en werkplaats, want boeken raadpleegt hij haast niet. Kort geleden heeft hij mij zijn laatste omzendbrief voorgelezen die hij aan de paus en de hoogste instanties van de andere christelijke kerken heeft gestuurd, alsmede aan lagere functionarissen; hij houdt er een hele lijst op na. Het stuk leek me vrij onnozel, maar hij kon me toch een paar mappen antwoordschrijvens laten zien - ook van de paus moet hij er een hebben gehad, maar wat hij me liet zien, was een kopie, die trouwens echt leek, want er stond niets van betekenis in.
Dan komt er onder het mom van bibliotheekbezoeker elke week een vent die het een of ander te koop heeft - zo terloops maakt hij zijn offertes, altijd zonder succes, maar hij laat zich toch niet ontmoedigen. Kort geleden kwam er een boekenkoopman van het Amstelveld, die evenmin als jij wist dat er in het Huis met de Beelden een bibliotheek was en die bij zijn pogingen om op goed geluk aan de deur oude boeken te kopen in de leeszaal verzeild raakte. Onze boeken bevielen hem niet. Hij bood een kwartje per kilo, werd brutaal toen de bibliothecaris er niet op inging, maakte een hels lawaai - ze kwamen zelfs uit het museum aanlopen om te kijken wat er aan de hand was. We zijn de man ten slotte kwijtgeraakt, geholpen door een ploeg luchtbeschermers, die net passeerde. Je ziet wel dat het een gezellige boel bij ons is.’
Het ‘bij ons’ amuseerde Sjaak vooral. Als je nagaat dat die Sander, met wie je vroeger als collega midden in de maatschappij stond, nu van een droge bibliothecaris en zichzelf als ‘ons’ sprak! Als het maar een echte bibliotheek was geweest, waar mensen in en uitlopen, waar oude mannen en kleine kinderen wijsheid en kennis opdoen, waar je de mensen moet adviseren wat mooie boeken zijn, of tenminste een wetenschappelijke bibliotheek waar je de polsslag van het geestelijk leven voelt! Maar zo'n dooie boel - de bibliothecaris had echt gelijk toen hij stelde dat het geen openbare bibliotheek was, al heeft Seiss-Inquart toen hij de joden de toegang tot de openbare bibliotheken, parken, badinrichtingen, groentewinkels, trams en ik weet niet wat allemaal ontzegde, er niet aan gedacht. Wat een dooie boel - dacht Sjaak - een erratoloog, een godsdienstig fantast, een bibliothecaris, een stelletje joden dat zich verveelt sinds ze niet meer in bibliotheken, cafés en bioscopen mogen komen.
‘Wat hebben jullie daar voor boeken?’ vroeg hij.
‘Van alles,’ wilde Sander zeggen, maar dat was niet precies juist. De bibliotheek was van het Constminnende Genootschap onder de zinspreuk Beidt uw Tijdt, was door dit Genootschap gesticht en was niet veel jonger dan het Genootschap, dus uit de tweede helft van de zeventiende eeuw. Er zaten dus al die boeken in die zulk een constminnend genootschap in de zeventiende
eeuw hoorde te bezitten (voor zover ze niet zoek waren geraakt zoals de tweede helft van de atlas van Blaeuw), dat wil zeggen de Griekse en Latijnse oudheid in geannoteerde en niet-geannoteerde edities en historische en filosofische werken, zoals Bor en Descartes. Dat was de grondslag van de bibliotheek, en de opeenvolgende bibliothecarissen hadden ieder erbij gekocht en verzameld wat hun generatie kenmerkte, al was de bibliotheek in de laatste eeuw hoe langer hoe meer de persoonlijke belangstellingssfeer van de verschillende bibliothecarissen gaan weerspiegelen. In onze eeuw was het Genootschap zich gaan beperken tot het verwerven van de publikaties van andere geleerde genootschappen in binnen- en buitenland in ruil voor zijn eigen publikaties. Alleen voor het aanschaffen van encyclopedieën, wetenschappelijke woordenboeken en grote verzamelwerken was er nog een fonds en af en toe werden door het bestuur boeken aangeschaft die verband hielden met de geschiedenis van het Genootschap of met de architectuur van zijn gebouw, het Huis met de Beelden. Zodoende was de bibliothecaris gedegradeerd tot een administrateur, die niet meer - zoals zijn voorgangers - bij de uitbreiding van de boekenschat zijn eigen smaak kon doen gelden. Vooral in het midden van de vorige eeuw waren er bibliothecarissen geweest die aan de bibliotheek van een Genootschap een eigen cachet konden geven en een hunner had de unieke verzameling bijeengebracht waarvan Sander Begaas bij zijn cultuurhistorische onderzoekingen profiteerde.
Negentiende, achttiende, zeventiende eeuw, dacht Sjaak. ‘Heb je misschien ook nog wat met onze eeuw te maken?’ Met nieuwere publikaties op dit gebied kon Sander niets beginnen. Hij moest terug naar de bronnen en het speet hem niet dat de recente literatuur voor hem niet toegankelijk was. Hij zou wensen dat hij er nooit zijn tijd mee had verknoeid. Hij kon desnoods alles wat hij uit andere bibliotheken moest hebben door de bibliotheek van het Genootschap laten opvragen, maar hij maakte er nagenoeg geen gebruik van.
‘Ik wens je veel succes,’ waren Sjaak Vellemans laatste woorden, eer hij zijn weg, over de brug, vervolgde, en Sander bleef nog eventjes op de hoek aarzelen welke kant hij op zou gaan.
Toen keek hij in de etalage van de antiekwinkel naar de boeken op het penanttafeltje. Het groen van de rug schitterde in de stralen van de zon die door een raam aan de overkant weerkaatst werden. Toen zei Sander bij zichzelf: ‘Verdomme, dat is een negentiende-eeuwse Plinius in een achttiende-eeuwse band.’
Hij ging langzaam verder, wentelde zich van de ene botsing naar de volgende voort, want hij liep aan de verkeerde kant van de straat en bleef een tiental huizen verderop staan bij een winkel van nouveautés, ansichtkaarten, papier, kerstboomversiering, scheerspiegels en dergelijke. Hij keek een poos naar het verschoten en stoffige schrijfpapier dat in de etalage lag, trok zijn horloge uit zijn zak, wachtte nog enkele minuten, want het was nog iets vóór vijf. In de winkel kenden ze hem al. Hij kwam daar meer op dat uur en hij kocht altijd papier van een zending die daar al tien jaar lag en waar nog geen andere klant dan hij naar had gevraagd. Sander kon geen papier in een etalage zien liggen of hij moest er wat van kopen. Voor zijn boek - zei hij tegen zichzelf, maar hij had thuis voorraden liggen voor de manuscripten van tientallen boeken en was aan zijn eerste nog niet begonnen.
Toen de grote oude iepen door de ziekte waren aangetast werden ze gekapt en sindsdien kwam de brede Renaissance-gevel van het Huis met de Beelden tot zijn recht. Mensen die hier dagelijks waren gepasseerd, vroegen zich af waar dat herenhuis ineens vandaan kwam en wat het herbergde. Er was een museum in gevestigd - maandag en donderdag van 2 tot 4 uur geopend - dat was op een koperen plaat bij de ingangen vermeld - het museum van het Constminnende Genootschap onder de zinspreuk Beidt uw Tijdt, maar behalve vreemdelingen die alle in hun gids vermelde bezienswaardigheden afwerkten, waren er niet veel nieuwsgierigen die er prijs op stelden te weten wat er in dat museum tentoongesteld werd. De metselaars die daar op houten steigers bezig waren, zagen als ze door de ramen keken niets dan boeken en alleen op de zolderverdieping vonden ze iets dat op de inhoud
van een museum leek - meubels, karpetten, stoven, haarden, ladders, bedden, maar ze hadden het mis, want dat was de rommelzolder van de conciërge en het museum lag aan de achterzijde op de begane grond en keek uit op een niet bepaald verwaarloosde maar ook niet fraai verzorgde grote tuin, die een paar kleine bomen, een fontein met een gebarsten bekken, enkele stenen beelden en een verveloos paviljoen rijk was. De naam ‘Huis met de Beelden’ kreeg het gebouw al in de zeventiende eeuw en wel vanwege de, naar ik meen, mythologische figuren op de kroonlijst. Elke keer als ik in de buurt kom, neem ik me voor de beelden nader te bekijken, maar even vaak loop ik er gedachteloos langs, ofschoon de figuren vrij opvallend geplaatst zijn - het dak van een hoog gebouw is trouwens geen geschikte plaats om iets neer te zetten dat de aandacht van de voorbijgangers verdient. Anderen vergaat het eender. In geen van de kunsthistorische verhandelingen over het Huis met de Beelden komen de beelden tot hun recht.
Haast anderhalf jaar ging de voorgevel van het gebouw achter een steiger schuil, maar slechts heel zelden heb ik iemand op de steiger zien werken en ik zou niet kunnen zeggen wat hij daar uitvoerde. Er lag ook een boot met stenen en specie in de gracht voor het Huis met de Beelden, en af en toe heb ik iemand iets naar de steiger zien kruien, maar wat ermee gebeurde, zou ik niet kunnen zeggen. Ik ken weliswaar de conciërge, maar die is hardhorend en ik heb nergens zo het land aan als aan gesprekken met hardhorenden.
Telkens als de conciërge opendeed, haalde Sander de grap uit dat hij tegen hem een toespraak hield die enkel uit mondbewegingen bestond, zonder klanken. Elke keer antwoordde de conciërge met een lang verhaal - meestal de geallieerde legerberichten van drie weken geleden, die wat tijd nodig hadden om tot de hardhorende door te dringen. Meer actuele berichten werden om 12 uur ontvangen wanneer de bibliothecaris zich met een stel ingewijden, waaronder ook Sander, op de rommelzolder terugtrok waar ze naar de uitzendingen luisterden. Men bleef boven zolang napraten - de een op een kapotte stoel, de ander op een sofa waar
de stalen veren uitpuilden, weer een ander op een wankele tafel, een vierde op een omgevallen Friese klok - tot de bel de bibliothecaris waarschuwde dat zijn aanwezigheid in de bibliotheek gewenst was. De anderen bleven dan vaak nog nadiscussiëren voor ook zij vertrokken, naar hun werk in het gebouw of, wanneer ze alleen voor het luisteren waren gekomen, naar huis.
Een keer werden ze daar verrast door een metselaar die op de steiger werkte en brutaal door de ruiten spiedde. Sindsdien zaten ze daarboven achter een gordijn en het schemerdonker verhoogde de geheimzinnigheid van die illegale bijeenkomsten, en als ze dan niet zo hard gediscussieerd hadden over de krijgskansen, zouden ze vaker geschrokken zijn van het ritselen van een muis of van de kalk die soms in de holle scheidingswanden afbrokkelde. Niemand van het gezelschap durfde alleen de kamer binnen en ook met z'n tweeën voelden ze zich ‘unheimisch’. Liefst zaten ze daar met z'n vieren of vijven; dan hadden ze geen last van de vreemde geluiden en verdachte bewegingen in het behang en al die levenstekenen die zo'n dode rommelzolder voort kan brengen.
Ten behoeve van de samenzweerders was een van de boeken van de bibliotheek naar de rommelzolder verhuisd, een grote atlas die een uitstekende kaart van het oostelijk front bevatte. Die atlas lag daar voorgoed, tot op zekere dag, toen de bibliothecaris wegens ziekte afwezig was, toevallig een bestuurslid dat anders heel zelden in het Huis met de Beelden kwam, expres voor die atlas aan was komen lopen. Hij vond hem niet op zijn plaats in de rekken, was verontwaardigd dat zoiets uitgeleend werd, maar Sander redde de situatie door het gewenste boek van de zolder te halen. De atlas had de gewoonte aangenomen dat hij, wanneer men hem op goed geluk opendeed, altijd de kaart van Rusland vertoonde. Het bestuurslid merkte dat meteen, want om die kaart had hij juist de atlas willen raadplegen, en hij knipoogde tegen Sander en vond het best in orde dat daar iemand in afwezigheid van de bibliothecaris in de bibliotheek zat te werken. Enkele weken lang bleef de atlas nu op zijn plaats in het rek, om pas ná de conferenties op de rommelzolder geraadpleegd te worden. Maar toen niemand meer aan de visite van het bestuurslid dacht,
werd de atlas weer meegenomen en bleef daar liggen, op de Friese klok of op een stapel negentiende-eeuwse historische romans - Schimmel, Bosboom-Toussaint, Van Lennep - die niet van de bibliotheek waren, maar van de conciërge.
Het radiotoestel was eigendom van de zwager van de bibliothecaris, die meestal meeluisterde - ‘eigendom’ is wat bot gezegd, want hij had zich dat toestel toegeëigend toen hij als postbeambte mee moest doen bij het in ontvangst nemen van in te leveren toestellen. Onder een stapel boeken die hij eerst uit het Huis met de Beelden had meegenomen, had hij het op een bakfiets vervoerd en in een mand, ook weer onder boeken, het gebouw binnengebracht. Dat het daarboven stond wisten behalve zij die er geregeld kwamen, alleen de hardhorende conciërge en zijn vrouw, die de sleutel van hun rommelzolder aan de bibliothecaris hadden afgestaan. Oorspronkelijk hoorden tot de kring van luisteraars behalve de bibliothecaris en zijn zwager alleen twee ambtenaren van de redactie. Later was de ‘erratoloog’ erbij gekomen en nog later Sander. Voor Sander in het clubje was opgenomen, bleef hij gewoon in de leeszaal werken, terwijl de bibliothecaris zich terugtrok. Sander dacht toen dat de bibliothecaris ondertussen zijn boterham at, want als hij later met de nieuwste berichten binnenviel, stond hij bij de deur meestal nog met de redactieambtenaren te praten en wekte de indruk alsof hij via iemand van de redactie aan zijn nieuws was gekomen. Het viel Sander alleen op dat hij soms met zijn ogen deed of hij uit een donkere kamer plotseling in het daglicht kwam, maar hij meende dat de bibliothecaris op een verholen plaats een uiltje had geknapt.
De nieuwsberichten drongen tot iedereen in het gebouw door, behalve tot de hardhorende conciërge en de nsb-er, maar op een dag werd Sander waardig gekeurd mee te luisteren - iemand met een jodenster kon je vertrouwen al waren er ook van die jodenverraders, maar die waren toch gesignaleerd en wie zijn ogen en oren openhield, hoefde daar niet in te lopen. Sinds de dag dat hij in het clubje was opgenomen, had Sander haast geen zitting verzuimd. Wanneer de bibliothecaris niet aanwezig was - door ziekte of omdat hij door een bestuurslid voor het een of ander werd
geraadpleegd - haalde hij de sleutel van de rommelzolder achter de dikke Bibliografische Catalogus vandaan en leidde de stoet naar de zolderkamer. Daar nam hij de plaats van de bibliothecaris bij het radiotoestel in, zocht de golf en deed wat voor een goede ontvangst vereist was. Een redactielid schreef mee, in een geheimschrift dat echter volgens een bibliotheekbezoeker - een wiskundige, voor de aardigheid dechiffreerder - een prul was, en het andere redactielid was tijdens het luisteren al die onuitspreekbare Russische plaatsnamen aan het opzoeken. Na de uitzending werd er druk over gepraat wat de Russen nu zouden doen en waarom ze dit of dat nog niet gedaan hadden. De een bracht de indrukken over die een lid van de Oostcompagnie bij het Peipusmeer of in Wit-Rusland had opgedaan, de ander was door een verlofganger op de hoogte van de gevolgen van het laatste bombardement op Stettin of een andere keer van de stemming onder de arbeiders in het Ruhrgebied. Een had een vriend, van wie een broer in IJmuiden woonde, en kon op die manier het clubje af en toe inlichten over wat de Duitsers aan de kust aan het doen waren en dat een van de bezetters gezegd had dat ze zich ‘totsiegten’. In de tijd dat in Rusland het front steeds verder achteruitschoof, was dat nu geen diepzinnige of treffend geformuleerde uitspraak meer. Was het gespreksthema uit het Verre en Nabije Oosten naar Nederland afgedreven, dan was het Sanders beurt om over de nieuwe etappes in de jodenvervolging te berichten en na de stereotiepe vraag of we die mensen weer terug zouden zien, werd de toekomst, ná de oorlog, besproken, de wraak op de verraders, het lot van partijen en kerken, de vormen van wederopbouw en politiek leven, en soms werden daar tussen de stoffige meubels achter de donkere gordijnen ook sociologische theorieën ontwikkeld en bestreden, er werd gefilosofeerd zoals mensen die verder kijken dan hun neus lang is al sinds eeuwen doen, en het belangrijke gebeuren van de dag was ingeschrompeld tot een onwezenlijk onderdeel van het eeuwig ogenblik, dat van het ontstaan van de wereld reikte tot zijn ondergang in de ijle verstrooiing van het heelal.
De erratoloog deed daar niet aan mee. Voeten warm en hoofd koel houden - was zijn leefregel. Hij stond op en liep rond zodra
men aan de sociologische theorieën begon, schoof af en toe een gordijn opzij en keek op straat alsof hij daarvandaan hulp verwachtte, draaide zich ineens om, om de spreker met een sarcastische opmerking in de rede te vallen. Toch personifieerde hij niet de spreekwoordelijke Hollandse nuchterheid. Met zijn dikke wenkbrauwen boven de borende ogen in het brede martiale gezicht was hij in het geheel geen Hollands type, zelfs wanneer hij het - heel zelden - klaarspeelde zijn pokdalig lijkende wangen en scherpe mondhoeken tot een goedige lach te plooien. Alleen als hij drukfouten opspoorde, verdwaalde in zijn sarcastische opmerkingen een goedige klank, en soms misschien nog wanneer hij mensen ontmaskerde wier goed en kwaad even onbenullig waren als het leven van een letter die zijn doel bereikt heeft als hij op de goede plaats staat en het grootste kwaad dat hij kan doen, als drukfout realiseert. Maar met de mensen speelde hij het niet klaar en in zijn leuze ‘voeten warm en hoofd koel’ wonnen de voeten het van het hoofd; wanneer hij een van zijn afgebeten opmerkingen plaatste, leek het of hij de aangevallene venijnig schopte.
Toch hielden ze in het clubje van hem, want zolang ze bij de actuele kwesties bleven, was de geschopte altijd de gemeenschappelijke tegenstander, die al lang bezweken zou zijn als je onder kwinkslagen bezwijkt - zo goed mikte hij met zijn scherp geslepen wapen. Maar zodra iemand in toekomstdromen ijlde, naar de zin van de geschiedenis en de bestemming van de mens vroeg, draaide hij zich om, keek door de spleet van het gordijn en keerde zich ineens tegen de spreker met een opmerking en een gelaatsuitdrukking die de toehoorders aanvaard zouden hebben wanneer ze tenminste nog naar de objectiviteit van het cynisme zou hebben gezweemd, maar hij gedroeg zich dan niet eens als een cynicus, hij zag er enkel nijdig en gemelijk uit, en nijdig en gemelijk was de klank van zijn woorden.
Het bij uitstek Hollandse element in dit gezelschap werd vertegenwoordigd door een redactiemedewerker, een bezonnen volgeling van Calvijn. Hij sprak zelden en als hij het deed langzaam maar zonder te aarzelen, en droog maar zonder te vervelen. Hij kon, wanneer de jood geagiteerd, soms zelfs geestdriftig, een van
de facetten van zijn levensbeschouwing schitterend belichtte, droogjes van een adempauze profiteren om zoiets op te merken als ‘dat is strijdig met Gods woord’ of ‘het zou de consequentie van uw woorden zijn, Jezus Christus als uw verlosser te aanvaarden’. Een dergelijke interruptie had op de jood de uitwerking alsof iemand op de knop van een ratelende wekker drukt om hem af te zetten, maar de knop te gauw weer loslaat zodat de wekker direct weer doorgaat met zijn lawaai. De jood wendde zich tot de aanvaller die de interruptie had aangedurfd, legde nog eens uit wat hij net had geponeerd, met nog meer ijver en overtuigingskracht, en wanneer hij klaar was en vriendschappelijk uitdagend zweeg, bleef de calvinist even beleefd zwijgen of bepaalde zich tot een opmerking als ‘dat kan ik als Christen niet aanvaarden’ of ‘ik begrijp u niet’. Zweeg hij, dan begon de jood opnieuw maar hij slaagde er nooit in een werkelijke discussie uit te lokken.
Geheel anders reageerde de andere redactiemedewerker, een katholiek uit het zuiden. Hij liet zich geen twee keer uitdagen en deed voor Sander weinig onder in uitingen van warm temperament, en wat hij aan intelligente schalksheid miste, verving hij door een boers gespeelde leutigheid, die echter net nog binnen de grenzen bleef van wat een noordelijke stedeling toelaatbaar vindt. Zijn discussies met de jood waren van dat merkwaardige genre dat bij alle diepzinnigheid nooit tot de diepte doordringt; bij alle geagiteerdheid kwam het nooit tot werkelijke strijd. Bewust en onbewust beheersten beiden zich te goed om iets te zeggen dat de ander gevoelig kon treffen en om aan een onvoorzichtige uiting van de ander overmatig aandacht te besteden. Dat betekende niet dat ze nimmer tot de principiële verschillen van overtuiging doordrongen, maar ze plaatsten beginselen alleen dan tegenover elkaar als ze wisten dat het beginselen waren die elkaar konden verdragen, of - beter gezegd - beginselen die niet meer ruimte opeisten dan de hersenen van hen die ze formuleerden. De discussies leken meer op bekentenissen van de een die van de andere kant door bekentenissen werden beantwoord, maar ieder lette erop met zijn bekentenissen net zover te gaan dat ze niet meer dan bekentenissen van de ander uitlokten. De koelbloedige calvinist heeft zich vermoedelijk in stilte af en toe
geërgerd over de houding van de twee. Hij zag deze discussies zonder strijd van twee mensen die in verschillende werelden leefden voor spiegelgevechten aan, en zijn afkeer van wat hem onoprechtheid leek groeide naarmate die twee met nog groter gemak nog diepere problemen oplosten door hun oplossingen naast in plaats van tegenover elkaar te plaatsen. Al was hij bereid elke dwaling te dulden die de waarheid naast zich wilde dulden, en al eiste hij van anderen verdraagzaamheid, toch kon hij niet begrijpen hoe iemand het bestaan van twee waarheden naast elkaar mogelijk kon achten. ‘Twee waarheden naast elkaar zijn twee dwalingen,’ zei hij eens toen niemand er op verdacht was. Beide tegenstanders zwegen toen alsof iemand ze betrapt had bij iets dat niet mocht, en de calvinist voelde zich, toen het zwijgen te lang duurde, verplicht het gesprek weer op gang te brengen. Misschien heeft hij toen iets beseft van de geestelijke aanleg die nodig is als men vriendschappelijk wil doordringen tot waar de beginselen wortelen en hij zou van dit moment misschien nog meer geleerd hebben als de tegenstanders, die zijn verlegenheid doorzagen, hem de taak het gesprek weer op gang te brengen, niet zo gemakkelijk gemaakt zouden hebben. Zo was hij spoedig vergeten dat hijzelf eens tegenstanders, die hij verslagen had, een hand had toegestoken, en het viel hem gemakkelijk gedragingen af te keuren waarvan hij de psychologische wortels en de maatschappelijke betekenis bij zichzelf even goed als bij anderen had kunnen bestuderen wanneer hij gewend was geweest zichzelf te observeren.
Een dag later, toen de berispten vierentwintig uur over de scherpe interruptie hadden kunnen nadenken, spitste hun gesprek zich steeds weer toe op een uitdaging van de zwijgende calvinist, die niet scheen te merken dat ze hem bedoelden wanneer ze elkander aankeken, dat de twee kemphanen hem berechtten en wezenlijk een oordeel over hem velden. Hij verzette zich niet, luisterde zelfs misschien niet eens, evenmin als de onwetende gedaagde luistert wanneer officier en advocaat elkaar met juridische argumenten bestoken. Voor hem vocht echter geen advocaat. Het leek eerder of twee aanklagers het niet eens waren over de straf die ze moesten eisen.
In deze merkwaardige debatteerclub bezetten de bibliothecaris en zijn zwager een minder opvallende maar niet minder belangrijke plaats. Ze vormden zoiets als het publiek of - liever - de openbare mening. Hun taak was het de sprekers bij te vallen of te interrumperen - niet met banale parlementaire tussenwerpsels, maar soms met hele volzinnen of speeches. Maar ook als zij het tot een hele speech brachten, waren ze niet meer dan publiek, openbare mening, reactie van het moment, reactie op voorgedragen meningen, en zij reageerden zoals een kiezerscorps reageert op de successen en wansuccessen van de regering en de propagandaveldtocht van de partijen. Net zoals het kiezerscorps op verschillende tijdstippen verschillend mag reageren, evenzo mochten de bibliothecaris en zijn zwager van mening veranderen, en van dit recht maakten ze ruimschoots gebruik. Nauwelijks had de spreker met wie ze het roerend eens waren geweest, zijn speech beëindigd of ze vielen zijn tegenstander bij. Niemand deed moeite ze op het tegenstrijdige in hun gedragingen te wijzen, en als iemand die moeite zou hebben genomen, zouden ze er vermoedelijk niets van hebben begrepen. Ze aanvaardden alles: één waarheid, twee waarheden naast elkaar, een heelal van waarheden, inclusief de waarheid dat twee waarheden naast elkaar twee dwalingen zijn - zoals de fijnproever evenmin van ‘alle dagen kaviaar’ houdt als van ‘alle dagen bruine bonen’. En zoals de grondwetten van alle democratische landen de kiezers toestaan kaviaar en bruine bonen af te wisselen, nam in het luisterclubje niemand aanstoot aan de wankelmoedigheid van de bibliothecaris en zijn zwager.
‘Wat zijn we toch een leuk stel,’ merkte Sander Begaas op zekere dag op. ‘Het zou zonde zijn als er met het eind van de oorlog aan onze bijeenkomsten een eind zou komen.’
‘Hoe bedoelt u dat?’ vroeg de bibliothecaris hem verbaasd, want hij had zich nog niet gerealiseerd dat, zodra er weer betrouwbare berichten van alle kanten zouden komen, niemand meer om dit aanbeden radiotoestel zou malen. Het luisteruur op de rommelzolder was vergroeid met zijn ambtelijke werkzaamheden in het Huis met de Beelden. Toch is de bibliothecaris in de winter van 1944-45, toen koude en honger het hele wezen op-
eisten, de eerste geweest die de rommelzolder ontrouw werd, en het langste heeft Sander het volgehouden die met het Huis met de Beelden hoegenaamd niets te maken had. Alleen al voor het luisteren kwam hij nog dagelijks zijn bezoek brengen, tot de bibliotheek gesloten werd, en pas toen hij merkte dat de hardhorende conciërge geen zin meer had om van zijn kamer over de stenen vloer naar de deur te sloffen, gaf hij het op. Maar over die winter zullen we het niet hebben.
Voordat Sander in het luisterclubje geïntroduceerd werd, was hij nooit op de zolderverdieping geweest. Hij was toen nog een gewone bibliotheekklant. Hij zat in de leeszaal. De bibliothecaris bracht hem zoals ieder ander de boeken die hij wenste, en dat waren er vrij veel. Alleen stond de bibliothecaris hem soms toe tijdens de middagsluiting te blijven doorwerken, maar Sander maakte er geen regel van: als het hem niet uitdrukkelijk werd gepermitteerd, ging hij om 12 uur weg. Er waren er trouwens meer die vaak 's middags doorwerkten en die zich in de bibliotheek als het ware hadden gevestigd, een vaste zitplaats er op nahielden en de boeken die ze vaker moesten raadplegen op die plaats lieten liggen. De bibliothecaris was allesbehalve een bureaucraat, hij praatte graag met de bezoekers en, wanneer er niet te veel aanwezig waren, ook wel eens over politiek. Wanneer ze van de rommelzolder kwamen, was Sander altijd present om het belangrijkste nieuws te horen. Op een dag nodigden ze Sander uit mee te gaan wanneer ze zouden luisteren. Het geschiedde naar aanleiding van de volgende scène: Ze waren toen met z'n allen de bibliotheek binnengevallen om eventjes de atlas te raadplegen. Ze zochten het stadje Marioepol, maar ze zochten in een verkeerde hoek. Toen wees Sander als met gesloten ogen op de plaats. Het maakte een geweldige indruk op ze. Zo kwam de uitnodiging tot stand.
Sander klom de volgende dag mee naar de zolder. Hij trilde, zijn knieën schenen het te begeven toen hij naar de bibliothecaris stond te kijken die aan de knoppen draaide, en hij schrok danig toen de eerste krak uit het toestel kwam. Wat er omgeroepen werd, hoorde hij nauwelijks - dat merkte hij pas later toen hij de berichten aan zijn vrouw wilde vertellen. De spanning van het
naar de radio luisteren had al het andere verdrongen. Het was als een opwindende rit op een draaimolen. In en om hem bleef het draaien toen het toestel al weer zweeg. Als afwezig zat hij daar, half dromend zag hij mensen die hij kende, hoorde hun vertrouwde stemmen en volgde hen blindelings toen ze opstonden. Maar toen hij naar huis ging, brak er iets door in hem, trots, blijde gevoelens, zoals van een jongeling die zijn eerste liefde beantwoord weet en die iemand zoekt om het aan te vertellen - een boom, een vogel, als hij geen mens vindt. Hij rende naar huis, hij vloog zoals je soms in je droom vliegend springt en hij hoefde zijn vrouw niet te vertellen dat er iets bijzonders gebeurd was. Hij stoeide met de kinderen tot zijn vrouw het welletjes vond en merkte niet eens dat zijn vrouw niet meedeed, niet meegesleurd was, zoals anders, in zijn roes.
Hij vertelde haar wat er gebeurd was en zij deed ook of ze het ‘reuze’ vond, maar stilletjes glimlachte ze, toen ze over haar bord gebogen het vlees voor de kleinste aan stukjes sneed, over die grote jongen die, wanneer hij het liefste was, op een klein kind leek. Maar zij deed voor hem in kinderlijkheid niet onder: telkens wanneer hij 's middags thuiskwam van het Huis met de Beelden, rende ze hem tegemoet en eer de straatdeur in het slot viel, moest hij al de eerste woorden van het nieuws vertellen of haar op zijn minst toevoegen: het gaat goed. Dan, onder het eten, kwam het uitvoerige relaas, tot de discussies in het luisterclubje toe: ‘Toen zei ik...’ ‘Toen zei hij...’ ‘Vind je ook niet...’ ‘Hoe kun je nou...’ En ineens zichzelf interrumperend: ‘En wat ik nog vergeten heb,’ gevolgd door een aardig detail uit de radioberichten.
De kinderlijke geestdrift maakte plaats voor iets anders dat minder fel brandde maar dieper verwarmde. Zou Sjaak Vellemans, die geamuseerd glimlachte wanneer Sander ergens voor warm liep, ook geamuseerd glimlachen, wanneer hij zijn vriend op de rommelzolder zou zien als as van de discussies over God, wereld en maatschappij? Wanneer je op de hoek bij de antiquair staat en door de muren van het Huis met de Beelden meent te kijken op massa's boeken onder eeuwige lagen stof, dan heb je het niet zo erg mis. Maar elk ding heeft twee zijden. En soms wel drie.
Elk ding heeft twee zijden. Bij voorbeeld de boekenrekken als ze niet tegen een muur leunen. Of de boeken. Maar die hebben ook een rug waar de titel op staat. En drie sneden. De ene is stoffig grijs en de twee andere zijn wit, bruin, groen, blauw. Of gedrenkt in een overvloed van goud en dan plakken de bladen nog aan elkaar - eeuwen nadat de kwast erover heen ging, als ondertussen niemand het boek heeft opengedaan. Maar dan zijn er ook van die dunne boekjes, die nauwelijks een rug hebben, die voor negen tiende uit een perkamenten banddeksel bestaan en voor één tiende of minder uit slechts een paar gescheurde en geplakte dunne bedrukte bladen met onbeholpen houtsneden en koeien van letters. Daar helemaal bovenin rek 246 staan van die boekjes en er is er een bij dat maar uit een enkel blad bestaat, een Onze Vader, gedrukt in het jaar dat Columbus Amerika ontdekte. Het hoort daar eigenlijk niet, het staat daar tussen wulpse liedjes, van Venus als Vlaamse herderin verkleed en Adonis sprekend als een Vlaamse boer die zijn taal heeft laten polijsten in de Rederijkerskamer van Brugge. Te zingen op de wijs van ‘Amaryllis, ai, waer draelt gij?’ Dat schijnt een populaire wijs geweest te zijn in het Vlaanderen van de oude Karel v. Sander komt al het vierde liedje tegen dat je op die wijs moet zingen. Hoe zou die wijs zijn? ‘Ta, ta, ta,’ probeert Sander... ‘De sponde waar 'k op nederzeeg en Vrouwe Venus zweeg.’ Wat een refrein! De sponde waer 'k op nederzeeg en Vrouwe Venus zweeg - drie keer, vier keer... acht coupletten en bij het negende: Het graf waerin ik nederzeeg en Vrouwe Venus zweeg.
‘Cupido, ik wil gaeren met Dana spelevaeren’ op de wijs van ‘Een ridder kloek en moedig’. Sander zoemt en bladert in de dunne boekjes. Hij staat op een ladder en woelt op de hoogste plank van een rek. Voordat hij een boekje op de plank terugzet, trekt hij er het volgende uit, want de boeken staan daar op elkaar geperst. Dan blaast hij het stof van de snee, opent het boekje op goed geluk, leest, en als het hem bevalt, bladert hij terug naar de titel. Antwerpen 1583. En een vignet: twee Vlaamse engeltjes met bolle koontjes die elkaar wat toeblazen op hun trom-
bones en daartussen wappert een lint met een korte zinspreuk.
Wat staan daar voor boekjes, op de volgende plank? Drie keer zo breed en hoog. Dat zijn de ware liederenboekjes met de ouderwetse vierkante noten zonder balken. Ta, ta, ta... nee dat deugt niet. ‘Met madelieve' en eeglantier’... Ta, ta, ta... O, daar hebben we hem:
Sander kijkt aandachtig naar de muziek en probeert te fluiten. Hij schudt het hoofd, van muziek heeft hij geen verstand. Hij laat het boek voorzichtig vallen zodat het de grond plat raakt.
Twee of drie boekjes trekt hij van de bovenste plank en die gaan dezelfde weg. En dan zoekt hij weer op de tweede plank van boven. Met nog twee boekjes in zijn rechterhand daalt hij de ladder af. Hij raapt de deeltjes van de grond op, loopt ermee naar de middengang, aarzelt een ogenblik bij een monumentale Ovidius-editie, buigt zich over een stapel boeken die hij elders heeft uitgezocht en in de middengang gedeponeerd en sjouwt zijn schatten naar de leeszaal. Daar ligt al een stapel boeken op zijn plaats en deze nieuwe moet er nog bij. De dunne liederenboekjes legt hij apart en hij doet een grote negentiende-eeuwse atlas van klederdrachten open. Hij schijnt een grote plaat te bestuderen, maar als men met zijn ogen zou kijken, zou men de plaat als een homogeen waas zien, want hij heeft zijn ogen op de verte ingesteld. Dat doet hij soms als hij niet wil zien maar toch zijn ogen niet wil sluiten. Op den duur krijgt hij er hoofdpijn van. Dus pakt hij een van de kleine deeltjes van de aparte stapel, gaat ermee bij het raam staan en doet binnensmonds ‘ta, ta, ta’, waarbij hij zijn rechterhand op en neer beweegt alsof hij dirigeert. Het lukt maar niet. Hij leest de noten verkeerd.
Sander gaat naar het rek waar de encyclopedieën staan. Hij zoekt onder ‘muzieksleutel’. Maar het artikel bevat geen historische gegevens. Hij wordt er niet wijzer van. Hij zal vanmiddag
bij Ab Cohen aanlopen. Die heeft verstand van muziek, ook van zestiende-eeuwse. Sander gaat weer zitten, trekt op een vel papier lijnen waarbij hij de drachtenatlas als lineaal gebruikt, en schrijft de muziek over. Hij doet het erg zorgvuldig, juist omdat hij de wijs niet begrijpt. Op het papier tekenen en noten kopiëren is een aardig werk. Hij tekent nog een tweede wijs over en een derde. Hij bekijkt de muziek met een zekere trots. Hij heeft immers geen verstand van muziek en met zijn eigenlijke werk heeft dat niets te maken. Hoe zal Ab niet opkijken als hij met een blad muziek komt aandragen? Sander houdt het vel muziek tegen het licht. Hij gebruikt dit papier nu al jaren en voor het eerst valt het watermerk hem op. Een lier! Merkwaardig, als voorbestemd voor muziek.
‘Doet u ineens aan muziek?’ vroeg de erratoloog die achter hem de deur opendeed.
‘Als het toeval het wil, doe ik ook aan muziek,’ zei Sander en keek nog steeds door het papier. ‘Hebt u er verstand van?’ voegde hij eraan toe.
‘Laat eens kijken?’ vroeg de ander en hij pakte zonder het antwoord af te wachten het liedboekje. ‘Middeleeuwen, nee hoor. Op jazz heb ik het niet zo, maar het moeten ook geen middeleeuwen zijn.’
Ze begonnen een gesprek over de middeleeuwen. Een vrij triviaal gesprek, tenminste van de kant van de ander. ‘Vooruitgang, Beschaving. Heksenprocessen. Bijgeloof... Ja, van de tegenwoordige tijd deugt ook niet veel, maar vroeger... nee...’ Sander verdedigde de middeleeuwen. De ander was een tegenstander van alle historie.
‘Alleen om te leren hoe dom ze vroeger geweest zijn... nee.’
De bibliothecaris luisterde mee. ‘Uitstekend,’ interrumpeerde hij.
Sander deed alsof hij verbaasd was: ‘U als bibliothecaris? Geen vijf procent van deze boeken zijn van deze eeuw.’
De bibliothecaris retireerde onmiddellijk: ‘Ja natuurlijk in de wetenschap. Je begrijpt eigenlijk niet hoe er altijd nog iets bij kan komen in de wetenschap.’
Een fraaie bibliothecaris, dacht Sander. Hij moest zijn bibliotheek dan maar dicht doen.
Het gesprek verliep. Sander keek in de atlas, maar hij had geen rust. De kleine perkamenten bandjes kregen de overhand. Hij las gedichtjes, zestiende, zeventiende, achttiende eeuw. Iemand zou eens een bloemlezing moeten maken van gedichten van onbekende auteurs en auteurs die in geen literatuurgeschiedenis vermeld zijn. Weer een nieuw plan van Sander Begaas. Hij trok uit zijn kaartsysteem een kaart waarop nieuwe plannen werden genoteerd. ‘Een geschiedenis van academies en andere geleerde genootschappen’ stond daar. ‘Wernicke - of de ondergang van het epigram.’ ‘Thales - of de ondergang van de wijsbegeerte.’ ‘Wie heeft de schroeven uitgevonden?’ enzovoort.
Het waren allemaal onderwerpen die weinig of niets uit te staan hadden met Sanders toekomstige boek. En die liederenboekjes had hij heel toevallig ontdekt. Hij was eigenlijk van plan geweest een moderne editie van Rabelais uit het rek aan de overkant te halen. Een spinneweb tussen de rekken had hem afgeleid en zijn blik was daarboven blijven steken op een perkamenten bandje met een rugtitel in Oostindische inkt, die hij niet kon lezen. Toen had hij de ladder erbij gehaald. Het was niet bij dat ene deeltje gebleven, want de andere waren net zo aardig. Een uur had hij daarboven op de ladder gestaan, al striemden de smalle sporten zijn voeten door de zolen van zijn schoenen heen. Honderd van die dunne deeltjes stonden daar naast elkaar en om in honderd van die deeltjes ook maar een vluchtige blik te werpen, heb je meer dan een uur nodig. Het wegblazen van het stof vereist al bij elkaar zeker tien minuten. Toch waren zijn handen er vuil van geworden.
Tegenwoordig hoef je je handen niet meer na de 12-uur-boterham te wassen. Zonder boter bestaat vetvlekkengevaar niet meer. Maar als je van die stoffige boeken naar de boterham overstapt, is het niet overbodig. De bibliothecaris is wat blij dat hij voor mij niet meer de vuile rommel uit de rekken hoeft te halen, dacht Sander.
Tot aan zijn eerste luisteruurtje had Sander van de bibliotheek alleen de leeszaal gezien. Maar de week daarna gebeurde het dat
hij een deel van de Werken van het Utrechtsch Historisch Genootschap moest raadplegen. Welk deel wist hij niet. En het werk bestaat uit heel veel delen. Wat hij zocht stond op een linkerpagina helemaal bovenaan en op de rechter begon de afdruk van een zeventiende-eeuws journaal. De bibliothecaris nam Sander mee naar de rekken met de Werken van het Utrechtsch Historisch Genootschap, bleef een poos toekijken en liep weg terwijl Sander nog aan het zoeken was. Sander vond de plaats, excerpeerde vlug en keek nog even rond in de omringende rekken, trok een deel publikaties van een geleerd genootschap uit het kanton Vaud uit een rek en vond daar toevallig iets van zijn gading en hij zag ook van al die andere delen de registers door, maar daar vond hij niets bijzonders in. Het ene deel nam hij mee en liet het aan de bibliothecaris zien, maar die gaf er niet veel om te weten wat Sander uit de bibliotheek naar de leeszaal had meegenomen. Een half uur later moest Sander een ander deel van het Utrechtsch Historisch Genootschap raadplegen. ‘Ik zal het maar zelf halen,’ zei hij tegen de bibliothecaris, en die was blij dat hij een keer minder voor boodschappenjongen hoefde te spelen. Die Sander Begaas was een aardige vent, maar hij verslond als het ware boeken. Alleen voor hem kon je al de hele dag aan de gang blijven. ‘Ik breng dat deel zelf wel terug,’ waarschuwde Sander de bibliothecaris voordat hij naar huis ging. De bibliothecaris vond het best. De andere boeken bleven op Sanders plaats staan of liggen. Ook zijn kaartsysteem, of althans het grootste deel ervan.
Sander kwam die dag weer als met vleugels aan zijn voeten thuis. Om het radioluisteren - dacht zijn vrouw die hem bij de straatdeur opwachtte. Ja, dat klopte wel, maar dat hij voor het eerst zelf wat uit het magazijn had mogen halen, was ook niet te verwaarlozen. Hij vertelde het echter niet meteen. Pas enkele dagen later liet hij zich in het gesprek terloops ontglippen dat hij zelf de boeken bij elkaar zocht. ‘O, wist je dat niet,’ zei hij nonchalant. ‘De bibliothecaris zou er feestelijk voor bedanken. Op sommige dagen heb ik honderd boeken nodig. Ik doorzoek bij voorbeeld alle delen van zo'n tijdschrift systematisch. Of ik loop tussen de rekken door en haal er het eerste het beste boek uit. Zo doe ik mijn aardigste ontdekkingen. Zo ontdekte ik bij voor-
beeld een buitengewoon charmant gedichtenbundeltje, verschenen te Amsterdam in 1783. Ik heb het enkele jaren geleden in de Koninklijke Bibliotheek doorgebladerd. Auteur onbekend. Het boekje was helemaal uit mijn geheugen verdwenen. Toevallig zie ik het vandaag in het Huis met de Beelden en ziedaar, naast het titelblad heeft toch een van de bezitters of een vroegere bibliothecaris de naam van de auteur geschreven. In de catalogus van de bibliotheek stond het boek dan ook onder die naam. Het is een vrij bekende achttiende-eeuwer, zijn naam staat ook in ‘Van der Aa’, maar die bundel wordt door Van der Aa niet vermeld. Ik ga die zaak nog uitzoeken.’ Over zulke ontdekkingen praatte hij vaak, maar zijn vrouw vond op dat moment de radioberichten belangrijker. ‘Hoe loopt het met de frontlijn?’ vroeg ze en de achttiende eeuw is vergeten.
De dag nadat Sander voor het eerst tussen de rekken heeft gestaan, haalt hij weer een deel van het Utrechtsch Historisch Genootschap; hij vraagt niet eens meer of het mag. Iets later moet hij iets hebben van de Academie van St. Petersburg. ‘Waar staat dat?’ vraagt hij de bibliothecaris. Die heeft het druk. ‘Kijk maar zelf in de catalogus!’ ‘Rek 113?’ De bibliothecaris legt hem uit waar dat is en Sander daalt de trap af en haalt zelf het deel op. Van nu af aan zoekt hij zelf in de catalogus de standplaatsen van boeken en tijdschriften op. Ach wat, catalogus! Hij maakt echte wandelingen door het gebouw, pikt hier wat op, neemt daar wat mee. Een mooie band, een rare titel, een buitengewoon formaat, een felle kleur, een vetvlek trekken zijn aandacht naar een bepaald boek en naast dit boek staat weer een boek en als je er al twee van de plank hebt genomen, zit er schot in en dan is er geen reden meer waarom je niet de hele plank zou bekijken en misschien zelfs het hele rek, al kijk je alleen maar naar titel en vignet.
Daar bij voorbeeld, die kleine leuke Horatius - je bezit er zelf een exemplaar van, maar dat is juist een reden te meer waarom hij daar zo schalks tussen de lijvige Plutarchus en de nog lijviger Ovidius staat te gluren als een dwerg tussen twee reuzen - het is juist een reden te meer om hem als vriend te herkennen en te begroeten, van de plank te halen, hem open te doen - en kijk eens, de moeite wordt beloond: je hebt daar toevallig het handexem-
plaar van Petrus Burmannus te pakken gekregen, en als je de handtekening niet wilt geloven, hoef je hem alleen maar te vergelijken met bekende handschriften van de vermaarde achttiende-eeuwse Utrechtse hoogleraar, of je moet zijn schriftelijke annotaties - door de gedrukte tekst heen - vergelijken met de gedrukte annotaties bij zijn beroemde uitgave van de klassieken.
Sander neemt het exemplaar mee naar de leeszaal en laat het de bibliothecaris zien. ‘Met annotaties van de hand van Petrus Burmannus jr.’ moet deze op Sander Begaas' gezag aantekenen op de kaart in de catalogus.
‘Petrus Burmannus?’
‘Ja,’ bevestigt Sander, ‘dat is die vent die bij het rek met de Werken van het Utrechtsch Historisch Genootschap staat.’
‘O ja’ - de bibliothecaris was op de hoogte - ‘die met de krullen.’
Overal in de bibliotheek stonden levensgrote marmeren borstbeelden, meestal tegen de smalle kanten van de rekken aan in de middengangen, waar het zo donker was dat iemand die er geen erg in had er tegenaan kon lopen. Op die manier was bij voorbeeld Socrates al eens van zijn voetstuk gegooid en een deel van zijn toch al onbetekenende neus kwijtgeraakt. Enkele van die beelden waren beter geplaatst en die straalden een smetteloos wit uit, want ze werden door de schoonmaaksters goed onderhouden. De beelden waren in de negentiende eeuw op bestelling vervaardigd. Voor een schatrijke parvenu, die lid van het Genootschap was en ze aan het Genootschap had vermaakt. Over het al dan niet aanvaarden van de collectie was indertijd nogal wat discussie geweest in het bestuur en men had besloten tot aanvaarding - hoofdzakelijk omdat de collectie gekoppeld was aan een niet onaanzienlijk fonds in contanten. De conservator van het Genootschapsmuseum verzette zich er toen met succes tegen dat de beelden bij hem geplaatst werden - hij had er geen plaats voor. Zodoende kwamen ze in de bibliotheek terecht. Het waren er een stuk of vijftig, van Thales tot en met Cuvier, geleerden
van elke slag. De namen stonden op de voetstukken. Aan het verband tussen naam en beeld scheen nogal wat te haperen - het was bij voorbeeld duidelijk dat Aristoteles en Linnaeus verwisseld waren. Andere beelden had men gerust met elkaar kunnen verwisselen zonder dat het opgevallen zou zijn, want de kunstenaar had zijn schepselen niet als uitgesproken individuen uitgebeeld. Behalve dan Petrus Burmannus. Hij zag er zo belachelijk uit dat ieder die een keer het beeld had gezien, onthield dat het Petrus Burmannus was. Op Sanders projectenkaart stond aangetekend: ‘Een blijspel: P. Burmannus dient aanklacht wegens smaad in tegen negentiende-eeuwse kunstenaar.’
‘Hij lijkt op Petrus Burmannus’, was een populair gezegde in het Huis met de Beelden. Men kon zich er trouwens gemakkelijk van overtuigen dat Petrus Burmannus totaal niet op ‘Petrus Burmannus’ leek, al werd door het tergende realisme van het beruchte beeld gesuggereerd dat dit wel het geval zou zijn geweest. Met twee diepliggende kleine ogen onder een rechthoekig voorhoofd staarde Pieter Burmannus je bestraffend aan. Tussen de scherpe kaken zonder kin zat een aardappelachtige neus en daaronder een mond met opgestulpte lippen - het leek of Burmannus blies of sputterde. Dit was schrikwekkend realistisch uitgebeeld, maar de lachwekkende indruk ontstond door de zachte golven van een statiepruik die dit infernale gezicht omhulden - een tegenstelling die de lachspieren van tot nu toe elke beschouwer had geprikkeld (behalve die van een politieagent die toevallig in het Huis met de Beelden verzeild was geraakt, een poosje voor Burmannus was blijven staan en met een meewarig hoofdschudden en een ‘Asjemenou’ aarzelend afscheid nam).
‘Petrus Burmannus,’ zei de bibliothecaris dus, maar hij vulde de kaart niet zo aan als Sander Begaas hem gezegd had. Er waren vaker van die gevallen geweest. Een Duitse Petrarca - een dikke foliant in varkensleer uit 1564 met mooie houtsneden was onder de naam van de houtsnijder geregistreerd, en de eerste uitgave van het Mirakel van Amsterdam was in de natuurhistorische afdeling te vinden tussen de Geschichte einer Frau, die in ihrem Unterleib ein verhärtetes Kind 22 Jahren getragen hat en een determineerboekje van vlinders en motten.
‘Eigenlijk hoort dit boekje in het museum,’ zei Sander. Maar dat deden ze toch niet. Ze plaatsten het in een glazen sleutelkastje, tussen vijftiende-eeuwse drukken en andere rariteiten, dat, sinds Sander Begaas in de bibliotheek aan het snuffelen was, gepromoveerd was tot een soort kleine schatkist, waarvan de sleutel bewaard werd op een plaats die alleen Sander, de ambtenaar van de handschriftenafdeling en de bibliothecaris kenden. Het opnemen van een boek in deze verzameling ging altijd gepaard met een zekere plechtigheid en een ritueel dat allengs vaste vormen aannam. Over het inlijven van een rariteit in deze keurcollectie ontstond soms meningsverschil tussen Sander Begaas en de ambtenaar van de handschriftenafdeling, die minder geestdriftig was dan Sander en soms ontdekte dat er in het onderhavige exemplaar een bladzij ontbrak of die een boek dat Sander in verrukking bracht, in bedekte termen een prul noemde. De bibliothecaris echter besliste als Sander voet bij stuk hield steeds ten gunste van Sander, en de ambtenaar van de handschriften was geen spelbreker en deed aan de plechtigheden mee, ook als hij zijn zin niet had gekregen. Er werd dan een bord ‘gesloten’ aan de deur van de leeszaal naar de kamer van de bibliothecaris gehangen en wanneer de erratoloog toevallig bij een dergelijke gelegenheid de leeszaal binnenviel en het bord zag, zei hij schamper: ‘Ze zijn weer aan het bidden.’ Een wrok die hij niet verborg, dreef hem heen en weer door de zaal en wanneer hij bij de kamer kwam, trommelde hij op de vensterbank. Wanneer de deur ten slotte openging, behandelde hij het driemanschap als kinderen die een dode kikker of vogel plechtig hebben begraven en die op de vraag waar ze vandaan komen, de ogen neerslaan en blozen omdat ze niet zeker weten of wat ze gedaan hebben verboden is. Sander had de erratoloog wijsgemaakt of geprobeerd wijs te maken dat ze naast de sleutel van het glazen kastje een oude kruik Bols verborgen hadden en dat de inlijving van een boek in de heilige collectie bezegeld werd met een glaasje uit die fles. Deze fles werd een soort symbool voor ieder lid van de luisterclub en het hele Huis met de Beelden. Net als de erratoloog wisten ze niet wat er van waar was. Maar de anderen kon het niets schelen. De erratoloog was een agnost. Hij geloofde nergens in, ook niet
in die fles. Maar die fles was juist het struikelblok van zijn ongeloof. De fles was voor hem wat voor een godloochenaar God en het paradijs zijn. Je zou iets kunnen verspelen door niet te geloven in hun bestaan. De fles was voor de erratoloog God en het paradijs. ‘Als de fles nu toch zou bestaan, als Sander nu eens niet loog en de plechtigheid achter de deur met een neutje voor elke deelnemer besloten werd.’
‘Geloof is tot alles in staat,’ zei eens een van de redactie-ambtenaren in het luisterclubje.
‘Hartstochtelijk geloven,’ zei Sander, ‘je moet in een Bols geloven of je hebt hem.’
Hij had tot de redactie-ambtenaar gesproken alsof hij hem voor de mal wilde houden. Maar allen keken knipperend naar de erratoloog, die tussen de gordijnen door uit het raam keek. Iedereen in het Huis met de Beelden kende het probleem waarmee de erratoloog worstelde, maar niemand liet het hem merken. De één spiegelde zich aan de ander en oefende zich aan zijn voorbeeld in de tactiek van schampere opmerkingen die de erratoloog op zijn gevoeligste plek moesten raken - alle opmerkingen zo gestileerd dat ze niets met de erratoloog te maken schenen te hebben en juist daarom raak waren. Alleen de dove conciërge was niet in de samenzwering betrokken. Geheel argeloos maakte hij eens, toen hij voor de erratoloog opendeed een opmerking van ‘Na de oorlog is het weer pimpelen’, en bij al zijn doofheid merkte hij dat hij de wind van voren kreeg, alleen wist hij niet wat hij misdaan had. Bij het eerstvolgende opendoen trachtte hij zich te excuseren maar daarmee joeg hij de erratoloog nog meer tegen zich in het harnas. Sindsdien was er vijandschap tussen die twee. ‘De dove,’ zei de erratoloog. ‘De...’ zei de conciërge en deed met zijn vuist bij zijn mond en het hoofd achterover of hij een glaasje ledigde.
Voor het glazen kastje tot schatkamer voor incunabelen en andere kostbaarheden werd gewijd, was het een bergplaats geweest voor een stel sleutels die aan spijkers hingen. Boven elke spijker
stond een nummer, en hetzelfde nummer hing geponst aan de sleutel. De bibliothecaris wist maar van één sleutel waar hij op paste. Het was de sleutel van een vertrek dat in de vorige en in het begin van onze eeuw nog als bestekamer dienst had gedaan. De pleestoel stond daar nog en het rook er nog naar turfmolm - aan het einde van de bezetting toen de riolering niet meer functioneerde, is dit ouderwetse meubel trouwens nog gebruikt. Van de andere sleutels wist de bibliothecaris niets en ook geen van de andere ambtenaren wist er iets van, ook niet die van de handschriften die in de bibliotheek de voorganger van de tegenwoordige bibliothecaris was geweest.
Een sleutel is een voorwerp dat je onverschillig laat, ook als hij er zo geraffineerd uitziet als die ouderwetse exemplaren met de kruisvormige sneden in de baard. Een sleutel verraadt nooit op welk slot hij past.
‘Ik heb er wel vijftig thuis en ik gooi ze niet weg, in de hoop dat de sloten waar ze bij horen zich op zekere dag als het ware vanzelf presenteren,’ zei Sander, ‘maar soms geloof ik in plaaggeesten die sleutels aanmaken, enkel sleutels, zonder slot, en ze door de schoorsteen of ik weet niet op welke manier in je huis strooien.’
De erratoloog was een en al wantrouwen zodra Sander begon te praten. Er zou een geheime symbolische betekenis schuil kunnen gaan achter de woorden ‘slot’ en ‘sleutel’ en achter die paradoxale opmerking. ‘Sloten en sleutels,’ zei hij, ‘zijn een uitvinding van theologen’ en hij deed de anderen die zijn woorden niet begrepen, versteld staan.
‘Nee, een uitvinding van de slotenmakers,’ was het antwoord van de gereformeerde redactie-ambtenaar, de enige die de onuitgesproken redenering van de erratoloog had meegedacht. Hij oogstte een lachsucces. Zoiets lukte hem niet vaak en hij moest meelachen, iets dat hij ook niet vaak deed.
Daarmee was het gesprek over de sleutels afgelopen en Sander Begaas borg ze op in het sigarenkistje waarop ‘50 Medinos’ stond en een plaatje met een ridder op een strijdbaar ros was geplakt.
Een tijdje na zijn introductie in het luisterclubje deed Sander Begaas zijn eerste nog schuchtere stappen tussen de rekken in het Huis met de Beelden. Als hij iets nodig had, bladerde hij in het kaartsysteem van de catalogus, hij haalde de boeken zelf en bracht ze zelf terug naar de rekken. Moest hij veel delen van een tijdschrift of verzamelwerk raadplegen, dan deed hij het bij de rekken. Zijn verblijf bij de rekken duurde met de dag langer en in de tijd dat ons verhaal begint, bracht hij er soms uren door, uren van kruistochten door de boekenwereld. Hij sleepte nog steeds boeken naar de leeszaal, maar tien keer zoveel bladerde hij ter plaatse door. En de boeken die hij niet opendeed, die hij alleen maar streelde met zijn handen of ogen, waren hem even dierbaar en vertrouwd als die hij met de pen in zijn hand en zijn kaartsysteem naast zich excerpeerde. De grote perkamenten band met de onleesbare inkttitel op de brede rug bij voorbeeld - hij keek elke keer verliefd maar toch berustend naar die band. Hij kende nu elke deuk en elke vlek in het perkament, hij kende de inkttekens zo goed dat hij ze na had kunnen tekenen wanneer hij aan de tafel in de leeszaal zat, maar hij deed geen moeite meer ze te ontcijferen en hij nam het boek ook niet van zijn plaats.
Meestal kon hij zich niet beheersen wanneer hij een merkwaardige band zag, of wanneer de plank waar hij mee bezig was, nog afgewerkt moest worden - steeds weer een boek pakken en dan nog een - en wanneer hij de rekken verliet, werd hij toch door het een of ander, rechts of links van zijn weg, vastgehouden en gevangen. Bij de dikke perkamenten band beheerste hij zich. Die naderde hij niet met zijn hand, want hij hield van hem, en een stem in hem, die hij vertrouwde, riep hem toe dat hij zó van hem moest blijven houden. De band was als de boom der kennis die de diepste wetenschap beloofde en die tevens dreigde met de verbijsterende ontgoocheling te weten dat je naakt was.
Sander haalde, zonder een ogenblik te aarzelen, deel 13 van een tijdschrift uit een rek - ook op een vrijdag de dertiende - hij ging onder de boekenladders door en liep rustig verder als hij ergens struikelde, wat nogal vaak gebeurde. Waarschuwingen van
buiten erkende hij niet, maar hij geloofde in inwendige stemmen, vooral als ze niet bevalen maar verboden, want hij helde altijd over naar lijdzaamheid als hij tussen doen en niet-doen moest kiezen. Behalve bij de boekenrekken. Daar aarzelde hij heel zelden. Hele rekken werkte hij af. Het kwam niet meer in hem op bepaalde literatuur te zoeken. Hij zat zo lang in de magazijnzalen bij de boeken dat hij geen tijd meer had om de boeken die hij van zijn tochten meebracht naar de leeszaal door te nemen. Ten slotte kwam hij meestal zonder boeken terug in de leeszaal - hij kwam er enkel om van daaruit naar de rommelzolder of naar huis te gaan. Wanneer hij aankwam, deponeerde hij er zijn tas, groette de bibliothecaris, als die er al was, en vervoegde zich bij de boeken om met zijn snuffeltocht door te gaan waar hij de dag tevoren opgehouden was. Soms schatte hij de weken of maanden die hij nog nodig had om de hele bibliotheek te leren kennen, maar zodra hij weer wat boeken ingekeken had, begreep hij dat hij - als hij er dan eindelijk mee klaar was - opnieuw zou moeten beginnen, elke keer dieper doordringend, steeds minder oppervlakkig. Wat wist hij nog van Karel van Mander en Anthonis de Roovere? Van Houwaerts Lusthof der Maeghden wist hij alleen dat Plantijn het werk in 1583 had gedrukt in vier delen, met merkwaardige lettertypen die op geschreven schrift leken; van Anna Bijns wist hij dat haar werk fraai gebonden was in geurend leer, met het wapen van Antwerpen in goud op het voorplat en de Vlaamse Leeuw op het achterplat. Met volle teugen genoot hij op de heen- en terugweg van het toekomstige plezier de gedichten van Catullus eens na te lezen in de bekoorlijke 12o editie - vroeger had hij er heel wat van uit zijn hoofd kunnen reciteren, maar het lukte niet meer, enkel het ritme was er nog, als muziek zonder woorden. Thuis zou hij wel eens nakijken welk woord in die lacune hoorde - dacht hij, maar hij deed het niet. Hij moest immers die Catullus in 12o lezen en daarvoor had hij op het ogenblik geen tijd. Want Catullus in 12o stond in het Huis met de Beelden en wanneer Sander daar van 9 tot 5 was, had hij de tijd niet om Catullus of wat dan ook te lezen. Van 9 tot 5 snuffelde hij, ruimde hij rekken uit en in, deed hij ontdekkingen (en luisterde hij naar de verboden nieuwsberichten).
Met de eerste zaal van de tweede verdieping was hij nu haast klaar. Alleen het rek bij de tussenmuur moest nog, schuin tegenover Petrus Burmannus junior. Toen Sander daar de eerste boeken uit het rek had gehaald, viel hem de lambrizering achter het rek op. Hij keek om, maar overal was de muur onbekleed, alleen hier achter het rek zat hout. Hij onderzocht de muur vanuit de doorgang naar de andere kamer. Ook daar was de muur onbekleed. Maar de muur leek dik, veel te dik voor een tussenmuur. En ineens was het hem duidelijk: er was geen lambrizering achter de boeken, maar een ingebouwde kast. Hij smeet een massa boeken uit het rek, ontdekte het sleutelgat, rende naar de kamer van de bibliothecaris (die kwam pas om tien uur), kwam terug met het sigarenkistje en probeerde de sleutels. Zowat de tiende paste, het slot knarste, de kastdeur ging open. Ongeveer een centimeter, toen stuitte de deur op het rek.
Sander liet zich op een stapel boeken zakken. Hij hijgde. Het zweet gutste van zijn voorhoofd. Hij was misselijk, hij zag rode en groene spookbeelden voor zijn ogen. Zijn hoofd suisde. De boekenrekken draaiden om hem heen en in hem draaide iets als een pierement en klopte tegen de wanden van zijn schedel. Uit een oneindige verte zag hij boeken op zich afkomen die dreigend uitdijden en voor hem ontploften. Loeiend vlogen ze op hem af en met de regelmaat van zijn polsslag ontploften ze, en daartussen hoorde hij de stem van de erratoloog die hem als een knockout geslagen bokser tussen de touwen uittelde. Bij elke tel sloeg hij hem met de stopwatch voor zijn hoofd. Hij telde en er kwam geen eind aan. Opengeslagen boeken kwamen aanvliegen en ze klapwiekten of ze bruine vogels waren. Ze vlogen in de rondte om hem heen, eerst onstuimig en allengs majestueus als reigers, haast zonder de vleugels te bewegen. Toen was het hem of hij in een weiland lag en grote witte vogels, reusachtige vellen papier neerstreken om hem toe te dekken. Zacht tikte de stopwatch van de erratoloog als het kabbelen van een vaart met een roeiboot. Boeken en boekjes stroomden voorbij en Sander zag zichzelf door de vloed waden. Hij leek op Dorus Rijkers met zijn zuidwester en hij droeg een roeispaan als een geweer op de schouder. Af en toe bukte hij om een handschrift of een incuna-
bel te redden eer ze in de grote stroom verdronken. Dan schreed hij weer verder en zijn lichaam golfde op en neer alsof de grond ritmisch bewoog. En in de maat van de golven zongen mannenstemmen, soms dichtbij, soms in de verte, begeleid door het stampen van marcherende kolommen, iets op de wijs van ‘Amaryllis, ai, waer draelt gij?’ - Sander wist ineens hoe hij de muziek moest lezen en hij zocht een potlood. Maar het potlood dook steeds weer onder in de deining, het was hem een golf voor, en omdat hij zich niet anders kon bewegen dan volgens het op-enneergaan van de stroom, bleef het potlood onbereikbaar. Hij stak zijn arm uit, maar die ging net zo op en neer alsof hij los op de vloed dreef. Aan de horizon kwamen donkere stippen op die groeiden tot een vloot van roeiboten en de roeiers riepen ‘Ave Caesar, morituri te salutant’, maar degene die aldus begroet werd was de bibliothecaris, die door de golven stapte en de buik van een der galeien met een sleutel in de vorm van een anker ontsloot. Daar kropen incunabelen uit met getijgerde perkamenten banden, halfontrolde bullen, die als rupsen kropen en hun zegels achter zich aan zeulden, ganzepennen vlogen op en giechelden, en Pieter Burmannus stak er twee achter zijn oren - achter elk oor een - en ze verdwenen haast in zijn pruik; een nam hij er in zijn mond om op te kauwen.
Sander staat op. Hij wankelt weg, staat zoekend bij de rekken, tuimelt naar de leeszaal. Af en toe blijft hij staan, veegt met de rug van zijn hand over zijn voorhoofd en ogen, kijkt terug naar het laatste rek, maar gaat toch hoofdschuddend verder.
‘Wat ziet u eruit,’ zegt de bibliothecaris.
‘Ik heb nog niets gegeten,’ zegt Sander. Hij laat zich op zijn stoel zakken, morrelt aan het slot van zijn tas en begint zijn boterhammen uit te pakken. Het klopt trouwens niet.
‘U werkt te veel,’ diagnosticeert de bibliothecaris, maar Sander, die op zijn brood zit te kauwen, vindt van niet. Hij heeft nog nooit zo weinig gewerkt als nu - bedoelt hij.
‘Dat is het hem niet,’ beweert de bibliothecaris, ‘u moet in de buitenlucht.’
‘Meneer, ik ben elke dag op zijn minst anderhalf uur in de buitenlucht, drie kwartier heen en drie kwartier terug, samen ander-half uur. Ik mag toch niet trammen!’
Dergelijke argumenten overtuigen de bibliothecaris. Gewoonten die uit de Duitse bezetting voortvloeien, zijn als het ware metafysisch verankerd. Bovendien kan je op zo'n argument altijd antwoorden: ‘Als we ze maar vast kwijt waren.’ Zodoende wordt van de slechte gelaatskleur van de heer Sander Begaas de brug geslagen naar de wereldgeschiedenis.
Sander is niet in staat zijn plaats te verlaten. Als hij druk bezig is, gebeurt dat anders ook wel eens, maar daarvan kan nu geen sprake zijn. Zijn hersens zijn een homogene massa in een nauwkeurig begrensde hoek, een aangespoelde kwal die op geen prikkel meer reageert. Hij prikt met zijn nagels in zijn hoofdhuid. Die is nog niet gevoelloos, maar je hersenen breng je met zulke methoden niet weer aan de gang. Hij probeert zich de kaart van Europa voor te stellen; dat doet hij soms 's ochtends in bed als hij niet goed wakker kan worden. Ten slotte blijft hij maar suffen, in boeken bladeren, zijn kaartsysteem nazien, op zijn nagels bijten, die het licht dof weerkaatsen, en weer suffen. Het duurt ongeveer een uur. Dan begint hij te werken. Veel is het niet. Hij heeft ook niet de boeken op zijn plaats die hij eigenlijk moet hebben, maar hij kan niet opstaan. Hij zou al lang naar huis zijn gegaan, als hij dan niet de uitzending van 12 uur zou missen. Het zou de eerste keer zijn. Hij is gek op nieuwsberichten en bovendien is hij een slaaf van zijn gewoonten en hij haat het te moeten zeggen: ‘Het zou de eerste keer zijn, dat...’ Dan nog liever zitten suffen. Maar na het luisteruurtje gaat hij naar huis - dat heeft hij zich vast voorgenomen.
De berichten waren niet veel zaaks die middag. Discussie was er niet, want Sander was niet in de stemming. Dus kon hij best naar huis gaan. Maar voordat hij ging, schoot hem te binnen dat hij het boekenrek waar hij die ochtend mee bezig was geweest, nog moest opruimen. Er had nog niemand aangezeten en de boeken lagen er nog net zo bij als hij ze eruit had gesmeten. Petrus Burmannus jr. keek er minachtend op neer, maar hij had geen ganzepennen in zijn pruik. Wat ben je te benijden - dacht Sander, maar hij wist niet precies waar hij Petrus Burmannus om benijdde. Zijn hersenen waren er op het ogenblik niet op berekend om
dat vast te stellen. Maar omdat hij op de vraag waar hij Burmannus om benijdde, toch een antwoord moest hebben, zei hij tegen zichzelf: ‘Omdat hij een Ariër is.’ Sander voelde wel dat dat een banaal antwoord was, maar dat kon hem op het ogenblik niets schelen. Alleen het grijze hout van de open kastdeur achter het rek deed hem ergens aan denken. Hij tikte er eventjes tegen aan en de deur schommelde. Hij scheen niet precies te weten wat het betekende, en hij zette de boeken weer in het rek, hier één en daar één, zonder op de nummers te letten. Hij zette het kistje met de sleutels achter de boeken, want hij had geen zin om het nog naar de leeszaal terug te brengen - hij had immers al zijn overjas aan en zijn hoed op. Hij slenterde naar de uitgang, maar bij Catullus bleef hij staan. Vanmiddag bij een kopje thee zou hij er zo aardig in kunnen lezen. Hij mocht niets meer uit het Huis met de Beelden lenen - besluit van het Bestuur, het speet de bibliothecaris heel erg, hij was zo verlegen geweest als iemand die van een ander geld wil lenen en zoiets nog nooit eerder heeft geprobeerd - affijn, als hij niet officieel mocht lenen, deed