|
|
|
| |
| | | |
Het Constminnende Genootschap onder de Zinspreuk ‘Beidt
Uw Tijdt’.
| |
1
Een opgeschoten jongen kwam fluitend en met losse handen zijn bakkerskar
besturend de brug affietsen. Een voddenkoopman, die van de andere kant kwam,
stapte van zijn bakfiets af om een oude krant op te rapen. Hij las eventjes
de kop ‘Chamberlain voor het Lagerhuis’. Dus een hele
oude. Met op enkele meters afstand de brug vond hij het niet meer nodig op
te stappen. De bakfiets versperde de smalle straat. Een voetganger met
jodenster kwam in de blokkade terecht. ‘Hé
Chamberlain,’ riep de voddenkoopman de voetganger toe, die opkeek
of hij net wakker werd gemaakt, ‘waar is je paraplu?’
De voetganger lachte of hij het de natuurlijkste zaak van de wereld vond dat
een voddenraper hem met Chamberlain vergeleek, maar ondertussen staarde hij
in de grote etalageruiten aan de overkant om vast te stellen wat er van
klopte. Een fietser, die de brug af kwam racen, miste hem maar net. Toen hij
voorbij was, draaide hij zich om en beet de voetganger toe:
‘Sufferd!’
Het was een antiekwinkel waar hij voor bleef staan toen hij de overkant
bereikte, een grote winkel met hoge brede spiegelruiten. Hij had net zo goed
voor een blinde muur kunnen blijven staan, alsof hij de klinkers wilde
tellen, maar dat zou een raar gezicht zijn geweest, een aanleiding voor
passanten om zich om te draaien of hem iets na te roepen. Hij bleef dus naar
het mahonie-houten penanttafeltje tussen de twee grote barokkasten van
gebarsten donker eikehout kijken. Want er zijn bepaalde dingen - als je
erover nadenkt, moet je het staand doen. Of zittend - dat zijn weer andere
dingen. Of liggend, op je linkerzij, op je rechter-, of door de kamer
benend; of de trap op lopend, of met een | | | | potlood spelend, of
lui in je leunstoel liggend met je handen in je haar, of zoemend, of uit het
raam kijkend. Bij elke geestelijke bezigheid hoort een bepaalde bezigheid
van je lichaam waar je rekening mee moet houden of het lukt je niet. Zijn
grootvader bij voorbeeld - daar dacht hij net aan - hij zou nu
negenentachtig zijn als hij hier was gebleven, want hij was nogal kras
geweest, al liep hij zo krom als een boog. In Westerbork begon hij te
sukkelen - ziekenhuis enzovoort - terwijl hij vroeger nooit ziek was
geweest, en dat transport naar Polen is hij zeker niet te boven, gekomen.
Uit het verkeersgeluid in zijn rug klonk een schrille fietsbel. Die stoorde
hem in zijn overpeinzingen en hij kon de draad ervan niet weer oppakken. Als
je je gedachten zo maar met je mee kon tronen! Maar er is niets dat even
onbetrouwbaar is als dat wat je meent altijd bij je te hebben. Als je dat
penanttafeltje wilt zien, hoef je enkel maar hier voor de etalage te staan
en je ogen open te doen. Maar je gedachten... Op het penanttafeltje lagen
als bij toeval vier boeken en op een van die boeken stond een kandelaar van
gesmeed ijzer. De andere boeken waren eender gebonden, misschien delen van
een meerdelig werk. Een achttiende-eeuwse band, octavo, lichtbruin
varkensleer, met op de rug gouden versierselen en gouden letters op groene
ondergrond. Het groen en het goud waren verbleekt en de man met de jodenster
trachtte vergeefs de titel de ontcijferen. Hij meende zoiets als
‘Plinius’ te lezen, maar hij kon zich niet voorstellen
welke Plinius-editie dit kon zijn, octavo in drie delen van zoveel
bladzijden. Als het tussen drie en vijf uur was geweest, zou hij de winkel
binnengestapt zijn, maar met zijn jodenster en zijn joods uiterlijk wilde
hij het nu liever niet riskeren. Het vierde boek was de Charactères van Labruyère - daar zou een
Plinius goed bij passen - in elk geval iets heel geschikts om door een
achttiende-eeuwer op bed gelezen te worden, als voorbereiding op de volgende
dag, bij het schijnsel van een kaars die neergezet werd op het boek als de
lezer het dicht had gedaan om te slapen.
In zijn jongensjaren had hij ook op bed gelezen - alles wat hij te pakken
kreeg van Old Shatterhand tot en met de Untergang des Abendlandes, maar langzaamaan was lezen iets anders
voor hem | | | | geworden: werken, excerperen, naslaan, opzoeken,
uitzoeken, bladeren - iets dat je deed aan je bureau, dat doorboog onder de
last boeken, of naast reeksen boekenrekken, waar tussen honderd boeken die
je koud lieten er één stond dat je aanging, een enkel
boek waar op bladzijde 97 de derde regel van de voetnoot iets bevatte dat
elders geciteerd was - fout geciteerd natuurlijk, en om te weten hoe dat
precies in elkaar zat, moest je dit boek en deze bladzijde 97 en die regel 3
van de voetnoot hebben.
Een landkaart in een lijst hing boven het penanttafeltje. Precies uit
‘Wagenaar’ gestolen - hij zou met zijn ogen dicht de
bladzijde kunnen aanwijzen. Hij hield van die ouderwetse landkaarten met de
dikke, onhandig gekleurde grenslijnen, schepen, burchten, dieren en
tafereeltjes, maar hij haatte ze evenzeer, want hoeveel boeken zijn er niet
geplunderd vanwege landkaarten en prenten! Een fatsoenlijk antiquair doet
dit niet, maar je hebt van die gewiekste handelaars die hun publiek kennen
en voor een titelprent meer durven vragen dan voor het hele boek en het
krijgen ook. Toch zou hij graag een mooie kaart in zijn studeerkamer willen
ophangen en herhaaldelijk was hij al een winkel binnengestapt waar in de
etalage van dat mooie spul hing. Maar voor hij er een vijf à tien
gulden voor kon neerleggen, zag hij daar ergens uit een donkere hoek een
fleurig boekje naar hem toe glimmen en wanneer hij er naderbij kwam, bleek
hem dat dit nu net iets was dat hij kon gebruiken en was die kaart al
vergeten die hem naar binnen had gelokt.
‘Hé Sander,’ zei iemand met een jodenster en
gele molières en tikte de man die door de ruiten keek met zijn
wandelstok op zijn linkerschouder.
Die keek om, trok een zo verblijd mogelijk gezicht en begroette zijn collega,
die hij vóór de oorlog dagelijks had gezien, maar nu
hoogstens toevallig op straat tegenkwam. ‘Daag Sjaak,’
zei hij, greep de uitgestoken hand en schudde die iets te hevig.
‘Wil je zo'n harnas kopen?’ vroeg Sjaak hem, en Sander
keek om, want dat er ook harnassen in de etalage stonden, was hem nog niet
opgevallen.
‘Nee, dan liever een mitrailleur,’ zei hij, een beetje
trots op zijn slagvaardigheid die hij anders alleen bezat als hij op het
geduldig | | | | wachtende papier aan een geschreven een te schrijven
volzin moest knopen.
Een Duitse soldaat met een gevulde aktentas ging voorbij en het leek of ze in
een gesprek over mitrailleurs waren verwikkeld en met het vervolg liever
wachtten tot de lucht weer gezuiverd was. Ondertussen kwamen er van de
andere kant twee met driehoeksspeldjes en Sjaak Vellemans vond het gepast
zijn vriend Sander Begaas te beduiden dat het beter was het gesprek in de
zijstraat te vervolgen.
Het gesprek ging er natuurlijk over wie ze de laatste dagen hadden
weggehaald. Mr Sjaak Vellemans was er als lid van de Joodse Raad goed van op
de hoogte en lichtte zijn vriend dr Sander Begaas in, met alle interessante
bijzonderheden (die was boven de negentig, die was ziek, die is onderweg
overleden, die is uit de transportauto gesprongen en ondergedoken, die is de
volgende dag vrijgelaten - stempel met een nummer boven de 110000). Sander
Begaas was gemengd gehuwd, drie kinderen, en het volgende onderwerp van
gesprek waren dus de kansen van de gemengd gehuwden gespaard te blijven van
Westerbork, Polen, enzovoort.
Na deze en al die andere oppervlakkigheden nam het gesprek een wending naar
het serieuze toen Sjaak informeerde waar zijn vriend vandaan kwam.
‘Van het Huis met de Beelden,’ zei hij en wees met
zijn duim over zijn schouder naar een Renaissance-herenhuis met twee
stoepen.
‘Wat doe je daar?’ wilde Sjaak weten.
‘Ik werk daar geregeld in de bibliotheek.’
‘Bibliotheek?’ vroeg Sjaak hem verbaasd, ‘ik
dacht dat het een museum was.’
‘Er zijn er meer die dat denken,’ zei Sander,
‘maar ze hebben daar een mooie bibliotheek. Een beetje ouderwetse
bibliotheek, maar dat is precies wat ik nodig heb.’
De ander keek hem ongelovig aan. ‘Het is geen openbare
bibliotheek, mijn ster hindert dus niet.’
‘Hèhè, geen openbare bibliotheek - als ik
dat had geweten.’
‘Nou, ik denk niet dat er wat van jouw gading in is. Maar doe me
een plezier en praat er niet over. Er komen al te veel joden | | | |
die erachter zijn gekomen dat het geen openbare bibliotheek is. Als
toevallig een nsb-er aan de overkant woont en merkt dat
daar geregeld joden binnenlopen, hebben ze in minder dan geen tijd de ss aan de deur en die zal de bibliothecaris wel leren wat
een openbare bibliotheek is, desnoods in Vught.’
‘Zijn die mensen daar allemaal goed?’ begon Sjaak
opnieuw.
‘Het personeel is prima. Behalve op de redactiekamer. Daar hebben
ze een nsb-er moeten aanstellen, maar die vent is zelfs
te dom voor potloden slijpen. Wanneer de radioberichten worden doorgegeven,
sturen ze hem altijd met een dwaze opdracht de kamer uit. Hij heeft tot nu
toe niets gemerkt.’
‘En het publiek?’
‘Publiek is er enkel in de bibliotheek en in zo'n oude bibliotheek
komen geen nsb-ers.’
‘Ik zal je hier eens komen bezoeken,’ beloofde Sjaak,
‘fietsvergunning heb ik niet, anders was ik al lang bij je thuis
aan komen lopen, maar zonder fiets is het me te ver. Als je hier te bereiken
bent, is het heel iets anders. Wanneer kom je hier altijd?’
‘Haast dagelijks.’
‘En dan zit je in de bibliotheek?’
‘Ja, maar niet altijd in de leeszaal. Soms dwaal ik ergens tussen
de boekenrekken en dan is het een hele klus om me te vinden, in dat
labyrint.’
‘Zit er geen Minotauros in?’ vroeg Sjaak en hij lachte
zelf over die grap.
‘Nee, maar zo'n bibliotheek is zelf een Minotauros. Die eet je op.
Die verslindt je als je er niet op verdacht bent. Gelukkig is er een
verschil of je van bibliotheken houdt of van boeken. In het laatste geval
word je bibliothecaris en in het eerste word je... ja, dan kun je van alles
worden want boekenliefhebberij past overal bij. Of omgekeerd:
boekenliefhebber word je alleen maar als je nog voor iets anders
belangstelling hebt.’
‘Je bedoelt...’
‘Ik bedoel, als je ook belangstelling hebt voor iets dat
ín de boeken staat.’ Hij sprak met grote
overtuigingskracht. ‘Anders word je bibliothecaris.’
‘Lezen bibliothecarissen boeken?’
| | | |
‘Ja, zoals er bakkers zijn die ook brood eten en koekebakkers die
snoepen. Je kunt bibliothecaris én boekenliefhebber zijn, maar
die twee hebben dan niet veel met elkaar te maken.’
‘Ik denk dat je met merkwaardige bibliothecarissen te maken
hebt.’
‘En met merkwaardige bibliotheken,’ vulde Sander aan.
‘Ik ben eigenlijk met de neus in de boter gevallen. Vroeger heb
ik die bibliotheek wel incidenteel gebruikt, alleen als ze iets hadden dat
ik elders niet kon bemachtigen. Toen die verordening afkwam, in 1941 - of
wanneer was het precies? - dat we geen openbare bibliotheken meer mochten
gebruiken, had ik net een stel boeken uit het Huis met de Beelden bij me en
veiligheidshalve bracht ik die als de weerga terug, maar de bibliothecaris
vertelde me doodleuk dat de bibliotheek van het Genootschap geen openbare
bibliotheek was, dus... Ik ben dus wat ik nodig heb blijven lenen en dat was
een uitkomst want de openbare bibliotheken mocht je met je ster niet binnen.
De bibliothecaris is een buitengewoon geschikte vent. Ik haal zelf uit de
rekken wat ik nodig heb en hij vindt het best, want dan hoeft hij het niet
te doen en het is voor hem ook geen plezier om aldoor maar door vier
verdiepingen onderweg te zijn om de boeken die je nodig hebt bij elkaar te
scharrelen.’
Sander haalde eventjes adem en ging toen door: ‘Verleden maand -
ik had echt medelijden met de bibliothecaris, hij was verlegen als een jong
meisje, toen hij mij moest zeggen - verleden maand, toen ik in de leeszaal
iets zat te excerperen wat ik om zijn omvang niet wilde meenemen, kwam de
bibliothecaris bij me en zei me, half fluisterend, want er zat nog iemand
bij te werken - hij zei me dat het Bestuur van het Genootschap besloten had,
geen boeken meer aan joden uit te lenen, met het oog op het gevaar dat die
joden ondertussen opgehaald zouden worden en de boeken niet meer terecht
zouden komen, bij voorbeeld als de “Pulsers” zich om
de stempels van het Genootschap niet zouden bekommeren en de boeken mee
zouden nemen, net als de meubels en de tafellakens.
Hij had echt de smoor in die maatregel, maar hij kon er natuurlijk ook niets
aan doen - besluit van het Bestuur. Hij stelde | | | | me nog voor dat
ik de boeken die ik moest hebben, op naam van mijn vrouw zou lenen - je ziet
wel, hij is een geschikte vent - maar ik moet je zeggen, het kan me weinig
schelen. Ik gebruik de boeken nu ter plaatse, daar heeft het Bestuur niets
op aan te merken en voor mij is het in zekere zin ook makkelijker als ik de
boeken niet naar huis hoef te slepen. Ik gebruik veel tijdschriften en die
paar bladzijden die je van zo'n tijdschrift nodig hebt, kan je evengoed ter
plaatse bestuderen. Je zit daar heel prettig, in het Huis met de Beelden, en
als je een twintigtal boeken uit de rekken bij elkaar hebt gezocht en voor
je neer hebt gezet en gelegd op de tafel, het ene opengeslagen op bladzijde
100 en dan wordt wat geciteerd, en dan sla je het andere open op bladzijde
150 en dan heb je weer het eerste nodig op bladzijde 70 en dan leg je het
tweede boek, geopend zoals het is, om zo te zeggen als bladwijzer op het
eerste bij bladzijde 100, want die bladzijde 100 zou je straks nog nodig
kunnen hebben, en dan blader je naar bladzijde 70 en dan komt het derde boek
daar weer op, en dan moet je weer naar de zolderverdieping bij de Verzamelde
Werken en daar blijf je een uur hangen, omdat je in het deel dat je nodig
hebt bij het openslaan juist iets bijzonder aardigs ontdekt dat van het
grootste belang is voor een kwestie waar je binnenkort aan moet beginnen. En
als je de hele dag op de zolder zou blijven hangen, zou het ook niet
hinderen. De conciërge zou je wel komen waarschuwen wanneer het
tijd zou zijn naar huis te gaan en als je de volgende ochtend de leeszaal
weer binnenkomt, liggen de boeken daar nog net zo op de tafel als je ze
gisteren hebt achtergelaten - een boek opengeslagen op bladzijde 70, met een
boek dat op bladzijde 150 geopend is als bladwijzer op bladzijde 100, en een
derde boek daar bovenop, en je grijpt naar het vierde en dat schuif je naar
links, en het vijfde, dat schuif je helemaal opzij, dat is niets van je
gading, en in het zesde ligt nog een gesloten enveloppe met een brief erin,
gedateerd januari 1867, waarin de afzender - zekere Everardus Johannes
Potgieter - de bibliothecaris verzocht hem niet kwalijk te nemen
(“Potgieter?” vroeg Sjaak tussendoor - “Ja
Potgieter,” zei Sander) dat hij het boek zo lang heeft gehouden,
en met die brief tijg je naar de tegenwoordige bibliothecaris, die zich als
het ware gevleid voelt, | | | | dat E.J. Potgieter hem uit het
hiernamaals een brief schrijft...’
‘Wat hebben jullie met die brief gedaan?’ wilde Sjaak
weten.
‘Ik mocht hem zelf op de afdeling Handschriften afgeven, en op die
manier ben ik ook daar binnengedrongen. Want de bibliothecaris gaat daar
niet over.’
‘Voer je daar nu eigenlijk ook iets uit?’ vroeg Sjaak
hem verder.
‘Ja, je zult het niet geloven, maar het is echt zo. Ik schiet heel
bevredigend op met mijn werk.’
‘Bij welk hoofdstuk ben je dan?’
‘Niet bij één bepaald hoofdstuk, maar bij
alle tegelijk. Het opschrijven, in nette hoofdstukken verdeeld, is alleen
maar de afsluitende taak. Ik zal het, als de oorlog voorbij is, meteen in de
machine dicteren. Voorlopig bestaat het hele werk nog uit een
kaartsysteem.’
En dat zal het ook blijven, dacht Sjaak want hij vertrouwde zijn vriend met
die merkwaardige geestdrift voor boeken en bibliotheken niet. Hij had zich
tot nu toe niet met de geestesgesteldheid van boekenliefhebbers
beziggehouden, maar de woordenstroom van zijn vriend was net genoeg geweest
om hem daar iets van te doen beseffen. Het is zonde - dacht hij - dat een
mens als hij zich in bibliotheken begraaft. Maar iedereen heeft tegenwoordig
zijn methode om de kwellende werkelijkheid te ontvluchten. De een noemt de
schijnwerkelijkheid die hij voor zichzelf opbouwt Joodse Raad, en de ander
stapelt boeken op elkaar en maakt er excerpten en kaartsystemen van. Maar
hij verbeeldt zich dat uit zijn schijnwerkelijkheid na de oorlog een boek
zal kiemen, terwijl ik weet dat ik na de oorlog weer met beide voeten op de
vaste grond zal staan. Misschien wordt het werkelijk een boek - dan zal hij
dus zijn leven in de schijnwereld voortzetten als hij weer toegang tot de
echte heeft.
Sander ging met dezelfde geestdrift door zijn leven in de bibliotheek te
beschrijven. Om negen uur 's ochtends begon hij daar; de bibliothecaris kwam
meestal pas om half tien, maar de conciërge liet hem binnen om
naar de bibliotheek door te lopen. Hij had zijn boterhammen bij zich en
bleef doorwerken terwijl de bibliotheek voor het twaalfuurtje gesloten was;
ze hadden | | | | meestal ook nog een kopje koffie voor hem. Ook na
het officiële sluitingsuur bleef hij daar nog, meestal tot vijf
uur.
Van negen tot vijf in de bibliotheek zitten, dacht Sjaak, jongen, jongen, zou
je dat vroeger hebben gedaan?
Er waren er nog meer die geregeld daar kwamen werken, maar geen zat daar zo
lang als hij - vertelde Sander - bij voorbeeld een erratoloog (zo noemde
Sander hem voor de grap), dat wil zeggen iemand die drukfouten en dergelijke
verzamelde als bouwstenen voor een diepgaande en wijdvertakte psychologie
van zetters en stenotypisten. Hij hoefde een boek maar even open te doen of
hij ontdekte meteen een drukfout - Nederlandse of Spaanse of wat dan ook;
het deed er niet toe - en verklaarde de drukfout volgens een schema dat tot
nu toe nooit gefaald heeft. Sinds een maand of drie had die erratoloog het
Huis met de Beelden tot werkterrein gekozen en daar werkte hij alle boeken
en tijdschriften door die hij niet reeds elders onder handen had gehad.
‘Op de afdeling redactie zijn ze verguld met hem, want hij neemt
hun hele correctiewerk waar. Kort geleden heeft hij, toen hij een stuk in
handen kreeg dat net naar de zetter moest, de drukfouten voorspeld (onder de
voorwaarde dat één bepaalde zetter het stuk moest
zetten, en die zetter kreeg dan ook de opdracht). Zijn voorspellingen zijn
vrij aardig uitgekomen.
Je moet er niet om grinniken,’ ging Sander verder, ‘die
erratoloog verdient het absoluut dat men hem van de serieuze kant bekijkt.
Maar ik geef toe dat je bij ons (ons dacht Sjaak) ook met
minder serieuze gevallen te maken krijgt. Daar komt bij voorbeeld geregeld
iemand die aan de unificatie van alle christelijke kerken werkt. Hij
gebruikt de bibliotheek eigenlijk meer als zit- en werkplaats, want boeken
raadpleegt hij haast niet. Kort geleden heeft hij mij zijn laatste
omzendbrief voorgelezen die hij aan de paus en de hoogste instanties van de
andere christelijke kerken heeft gestuurd, alsmede aan lagere
functionarissen; hij houdt er een hele lijst op na. Het stuk leek me vrij
onnozel, maar hij kon me toch een paar mappen antwoordschrijvens laten zien
- ook van de paus moet hij er een hebben gehad, maar wat hij me liet zien,
was een kopie, die trouwens echt leek, want er stond niets van betekenis in.
| | | |
Dan komt er onder het mom van bibliotheekbezoeker elke week een vent die het
een of ander te koop heeft - zo terloops maakt hij zijn offertes, altijd
zonder succes, maar hij laat zich toch niet ontmoedigen. Kort geleden kwam
er een boekenkoopman van het Amstelveld, die evenmin als jij wist dat er in
het Huis met de Beelden een bibliotheek was en die bij zijn pogingen om op
goed geluk aan de deur oude boeken te kopen in de leeszaal verzeild raakte.
Onze boeken bevielen hem niet. Hij bood een kwartje per kilo, werd brutaal
toen de bibliothecaris er niet op inging, maakte een hels lawaai - ze kwamen
zelfs uit het museum aanlopen om te kijken wat er aan de hand was. We zijn
de man ten slotte kwijtgeraakt, geholpen door een ploeg luchtbeschermers,
die net passeerde. Je ziet wel dat het een gezellige boel bij ons
is.’
Het ‘bij ons’ amuseerde Sjaak vooral. Als je nagaat dat
die Sander, met wie je vroeger als collega midden in de maatschappij stond,
nu van een droge bibliothecaris en zichzelf als ‘ons’
sprak! Als het maar een echte bibliotheek was geweest, waar mensen in en
uitlopen, waar oude mannen en kleine kinderen wijsheid en kennis opdoen,
waar je de mensen moet adviseren wat mooie boeken zijn, of tenminste een
wetenschappelijke bibliotheek waar je de polsslag van het geestelijk leven
voelt! Maar zo'n dooie boel - de bibliothecaris had echt gelijk toen hij
stelde dat het geen openbare bibliotheek was, al heeft Seiss-Inquart toen
hij de joden de toegang tot de openbare bibliotheken, parken,
badinrichtingen, groentewinkels, trams en ik weet niet wat allemaal
ontzegde, er niet aan gedacht. Wat een dooie boel - dacht Sjaak - een
erratoloog, een godsdienstig fantast, een bibliothecaris, een stelletje
joden dat zich verveelt sinds ze niet meer in bibliotheken, cafés
en bioscopen mogen komen.
‘Wat hebben jullie daar voor boeken?’ vroeg hij.
‘Van alles,’ wilde Sander zeggen, maar dat was niet
precies juist. De bibliotheek was van het Constminnende Genootschap onder de
zinspreuk Beidt uw Tijdt, was door dit Genootschap gesticht en was niet veel
jonger dan het Genootschap, dus uit de tweede helft van de zeventiende eeuw.
Er zaten dus al die boeken in die zulk een constminnend genootschap in de
zeventiende | | | | eeuw hoorde te bezitten (voor zover ze niet zoek
waren geraakt zoals de tweede helft van de atlas van Blaeuw), dat wil zeggen
de Griekse en Latijnse oudheid in geannoteerde en niet-geannoteerde edities
en historische en filosofische werken, zoals Bor en Descartes. Dat was de
grondslag van de bibliotheek, en de opeenvolgende bibliothecarissen hadden
ieder erbij gekocht en verzameld wat hun generatie kenmerkte, al was de
bibliotheek in de laatste eeuw hoe langer hoe meer de persoonlijke
belangstellingssfeer van de verschillende bibliothecarissen gaan
weerspiegelen. In onze eeuw was het Genootschap zich gaan beperken tot het
verwerven van de publikaties van andere geleerde genootschappen in binnen-
en buitenland in ruil voor zijn eigen publikaties. Alleen voor het
aanschaffen van encyclopedieën, wetenschappelijke woordenboeken
en grote verzamelwerken was er nog een fonds en af en toe werden door het
bestuur boeken aangeschaft die verband hielden met de geschiedenis van het
Genootschap of met de architectuur van zijn gebouw, het Huis met de Beelden.
Zodoende was de bibliothecaris gedegradeerd tot een administrateur, die niet
meer - zoals zijn voorgangers - bij de uitbreiding van de boekenschat zijn
eigen smaak kon doen gelden. Vooral in het midden van de vorige eeuw waren
er bibliothecarissen geweest die aan de bibliotheek van een Genootschap een
eigen cachet konden geven en een hunner had de unieke verzameling
bijeengebracht waarvan Sander Begaas bij zijn cultuurhistorische
onderzoekingen profiteerde.
Negentiende, achttiende, zeventiende eeuw, dacht Sjaak. ‘Heb je
misschien ook nog wat met onze eeuw te maken?’ Met nieuwere
publikaties op dit gebied kon Sander niets beginnen. Hij moest terug naar de
bronnen en het speet hem niet dat de recente literatuur voor hem niet
toegankelijk was. Hij zou wensen dat hij er nooit zijn tijd mee had
verknoeid. Hij kon desnoods alles wat hij uit andere bibliotheken moest
hebben door de bibliotheek van het Genootschap laten opvragen, maar hij
maakte er nagenoeg geen gebruik van.
‘Ik wens je veel succes,’ waren Sjaak Vellemans laatste
woorden, eer hij zijn weg, over de brug, vervolgde, en Sander bleef nog
eventjes op de hoek aarzelen welke kant hij op zou gaan. | | | | Toen
keek hij in de etalage van de antiekwinkel naar de boeken op het
penanttafeltje. Het groen van de rug schitterde in de stralen van de zon die
door een raam aan de overkant weerkaatst werden. Toen zei Sander bij
zichzelf: ‘Verdomme, dat is een negentiende-eeuwse Plinius in een
achttiende-eeuwse band.’
Hij ging langzaam verder, wentelde zich van de ene botsing naar de volgende
voort, want hij liep aan de verkeerde kant van de straat en bleef een
tiental huizen verderop staan bij een winkel van nouveautés,
ansichtkaarten, papier, kerstboomversiering, scheerspiegels en dergelijke.
Hij keek een poos naar het verschoten en stoffige schrijfpapier dat in de
etalage lag, trok zijn horloge uit zijn zak, wachtte nog enkele minuten,
want het was nog iets vóór vijf. In de winkel kenden
ze hem al. Hij kwam daar meer op dat uur en hij kocht altijd papier van een
zending die daar al tien jaar lag en waar nog geen andere klant dan hij naar
had gevraagd. Sander kon geen papier in een etalage zien liggen of hij moest
er wat van kopen. Voor zijn boek - zei hij tegen zichzelf, maar hij had
thuis voorraden liggen voor de manuscripten van tientallen boeken en was aan
zijn eerste nog niet begonnen.
| |
2
Toen de grote oude iepen door de ziekte waren aangetast werden ze gekapt en
sindsdien kwam de brede Renaissance-gevel van het Huis met de Beelden tot
zijn recht. Mensen die hier dagelijks waren gepasseerd, vroegen zich af waar
dat herenhuis ineens vandaan kwam en wat het herbergde. Er was een museum in
gevestigd - maandag en donderdag van 2 tot 4 uur geopend - dat was op een
koperen plaat bij de ingangen vermeld - het museum van het Constminnende
Genootschap onder de zinspreuk Beidt uw Tijdt, maar behalve vreemdelingen
die alle in hun gids vermelde bezienswaardigheden afwerkten, waren er niet
veel nieuwsgierigen die er prijs op stelden te weten wat er in dat museum
tentoongesteld werd. De metselaars die daar op houten steigers bezig waren,
zagen als ze door de ramen keken niets dan boeken en alleen op de
zolderverdieping vonden ze iets dat op de inhoud | | | | van een
museum leek - meubels, karpetten, stoven, haarden, ladders, bedden, maar ze
hadden het mis, want dat was de rommelzolder van de conciërge en
het museum lag aan de achterzijde op de begane grond en keek uit op een niet
bepaald verwaarloosde maar ook niet fraai verzorgde grote tuin, die een paar
kleine bomen, een fontein met een gebarsten bekken, enkele stenen beelden en
een verveloos paviljoen rijk was. De naam ‘Huis met de
Beelden’ kreeg het gebouw al in de zeventiende eeuw en wel
vanwege de, naar ik meen, mythologische figuren op de kroonlijst. Elke keer
als ik in de buurt kom, neem ik me voor de beelden nader te bekijken, maar
even vaak loop ik er gedachteloos langs, ofschoon de figuren vrij opvallend
geplaatst zijn - het dak van een hoog gebouw is trouwens geen geschikte
plaats om iets neer te zetten dat de aandacht van de voorbijgangers
verdient. Anderen vergaat het eender. In geen van de kunsthistorische
verhandelingen over het Huis met de Beelden komen de beelden tot hun recht.
Haast anderhalf jaar ging de voorgevel van het gebouw achter een steiger
schuil, maar slechts heel zelden heb ik iemand op de steiger zien werken en
ik zou niet kunnen zeggen wat hij daar uitvoerde. Er lag ook een boot met
stenen en specie in de gracht voor het Huis met de Beelden, en af en toe heb
ik iemand iets naar de steiger zien kruien, maar wat ermee gebeurde, zou ik
niet kunnen zeggen. Ik ken weliswaar de conciërge, maar die is
hardhorend en ik heb nergens zo het land aan als aan gesprekken met
hardhorenden.
Telkens als de conciërge opendeed, haalde Sander de grap uit dat
hij tegen hem een toespraak hield die enkel uit mondbewegingen bestond,
zonder klanken. Elke keer antwoordde de conciërge met een lang
verhaal - meestal de geallieerde legerberichten van drie weken geleden, die
wat tijd nodig hadden om tot de hardhorende door te dringen. Meer actuele
berichten werden om 12 uur ontvangen wanneer de bibliothecaris zich met een
stel ingewijden, waaronder ook Sander, op de rommelzolder terugtrok waar ze
naar de uitzendingen luisterden. Men bleef boven zolang napraten - de een op
een kapotte stoel, de ander op een sofa waar | | | | de stalen veren
uitpuilden, weer een ander op een wankele tafel, een vierde op een
omgevallen Friese klok - tot de bel de bibliothecaris waarschuwde dat zijn
aanwezigheid in de bibliotheek gewenst was. De anderen bleven dan vaak nog
nadiscussiëren voor ook zij vertrokken, naar hun werk in het
gebouw of, wanneer ze alleen voor het luisteren waren gekomen, naar huis.
Een keer werden ze daar verrast door een metselaar die op de steiger werkte
en brutaal door de ruiten spiedde. Sindsdien zaten ze daarboven achter een
gordijn en het schemerdonker verhoogde de geheimzinnigheid van die illegale
bijeenkomsten, en als ze dan niet zo hard gediscussieerd hadden over de
krijgskansen, zouden ze vaker geschrokken zijn van het ritselen van een muis
of van de kalk die soms in de holle scheidingswanden afbrokkelde. Niemand
van het gezelschap durfde alleen de kamer binnen en ook met z'n
tweeën voelden ze zich ‘unheimisch’. Liefst
zaten ze daar met z'n vieren of vijven; dan hadden ze geen last van de
vreemde geluiden en verdachte bewegingen in het behang en al die
levenstekenen die zo'n dode rommelzolder voort kan brengen.
Ten behoeve van de samenzweerders was een van de boeken van de bibliotheek
naar de rommelzolder verhuisd, een grote atlas die een uitstekende kaart van
het oostelijk front bevatte. Die atlas lag daar voorgoed, tot op zekere dag,
toen de bibliothecaris wegens ziekte afwezig was, toevallig een bestuurslid
dat anders heel zelden in het Huis met de Beelden kwam, expres voor die
atlas aan was komen lopen. Hij vond hem niet op zijn plaats in de rekken,
was verontwaardigd dat zoiets uitgeleend werd, maar Sander redde de situatie
door het gewenste boek van de zolder te halen. De atlas had de gewoonte
aangenomen dat hij, wanneer men hem op goed geluk opendeed, altijd de kaart
van Rusland vertoonde. Het bestuurslid merkte dat meteen, want om die kaart
had hij juist de atlas willen raadplegen, en hij knipoogde tegen Sander en
vond het best in orde dat daar iemand in afwezigheid van de bibliothecaris
in de bibliotheek zat te werken. Enkele weken lang bleef de atlas nu op zijn
plaats in het rek, om pas ná de conferenties op de rommelzolder
geraadpleegd te worden. Maar toen niemand meer aan de visite van het
bestuurslid dacht, | | | | werd de atlas weer meegenomen en bleef daar
liggen, op de Friese klok of op een stapel negentiende-eeuwse historische
romans - Schimmel, Bosboom-Toussaint, Van Lennep - die niet van de
bibliotheek waren, maar van de conciërge.
Het radiotoestel was eigendom van de zwager van de bibliothecaris, die
meestal meeluisterde - ‘eigendom’ is wat bot gezegd,
want hij had zich dat toestel toegeëigend toen hij als
postbeambte mee moest doen bij het in ontvangst nemen van in te leveren
toestellen. Onder een stapel boeken die hij eerst uit het Huis met de
Beelden had meegenomen, had hij het op een bakfiets vervoerd en in een mand,
ook weer onder boeken, het gebouw binnengebracht. Dat het daarboven stond
wisten behalve zij die er geregeld kwamen, alleen de hardhorende
conciërge en zijn vrouw, die de sleutel van hun rommelzolder aan
de bibliothecaris hadden afgestaan. Oorspronkelijk hoorden tot de kring van
luisteraars behalve de bibliothecaris en zijn zwager alleen twee ambtenaren
van de redactie. Later was de ‘erratoloog’ erbij
gekomen en nog later Sander. Voor Sander in het clubje was opgenomen, bleef
hij gewoon in de leeszaal werken, terwijl de bibliothecaris zich terugtrok.
Sander dacht toen dat de bibliothecaris ondertussen zijn boterham at, want
als hij later met de nieuwste berichten binnenviel, stond hij bij de deur
meestal nog met de redactieambtenaren te praten en wekte de indruk alsof hij
via iemand van de redactie aan zijn nieuws was gekomen. Het viel Sander
alleen op dat hij soms met zijn ogen deed of hij uit een donkere kamer
plotseling in het daglicht kwam, maar hij meende dat de bibliothecaris op
een verholen plaats een uiltje had geknapt.
De nieuwsberichten drongen tot iedereen in het gebouw door, behalve tot de
hardhorende conciërge en de nsb-er, maar op
een dag werd Sander waardig gekeurd mee te luisteren - iemand met een
jodenster kon je vertrouwen al waren er ook van die jodenverraders, maar die
waren toch gesignaleerd en wie zijn ogen en oren openhield, hoefde daar niet
in te lopen. Sinds de dag dat hij in het clubje was opgenomen, had Sander
haast geen zitting verzuimd. Wanneer de bibliothecaris niet aanwezig was -
door ziekte of omdat hij door een bestuurslid voor het een of ander werd | | | | geraadpleegd - haalde hij de sleutel van de rommelzolder
achter de dikke Bibliografische Catalogus vandaan en leidde de stoet naar de
zolderkamer. Daar nam hij de plaats van de bibliothecaris bij het
radiotoestel in, zocht de golf en deed wat voor een goede ontvangst vereist
was. Een redactielid schreef mee, in een geheimschrift dat echter volgens
een bibliotheekbezoeker - een wiskundige, voor de aardigheid dechiffreerder
- een prul was, en het andere redactielid was tijdens het luisteren al die
onuitspreekbare Russische plaatsnamen aan het opzoeken. Na de uitzending
werd er druk over gepraat wat de Russen nu zouden doen en waarom ze dit of
dat nog niet gedaan hadden. De een bracht de indrukken over die een lid van
de Oostcompagnie bij het Peipusmeer of in Wit-Rusland had opgedaan, de ander
was door een verlofganger op de hoogte van de gevolgen van het laatste
bombardement op Stettin of een andere keer van de stemming onder de
arbeiders in het Ruhrgebied. Een had een vriend, van wie een broer in
IJmuiden woonde, en kon op die manier het clubje af en toe inlichten over
wat de Duitsers aan de kust aan het doen waren en dat een van de bezetters
gezegd had dat ze zich ‘totsiegten’. In de tijd dat in
Rusland het front steeds verder achteruitschoof, was dat nu geen diepzinnige
of treffend geformuleerde uitspraak meer. Was het gespreksthema uit het
Verre en Nabije Oosten naar Nederland afgedreven, dan was het Sanders beurt
om over de nieuwe etappes in de jodenvervolging te berichten en na de
stereotiepe vraag of we die mensen weer terug zouden zien, werd de toekomst,
ná de oorlog, besproken, de wraak op de verraders, het lot van
partijen en kerken, de vormen van wederopbouw en politiek leven, en soms
werden daar tussen de stoffige meubels achter de donkere gordijnen ook
sociologische theorieën ontwikkeld en bestreden, er werd
gefilosofeerd zoals mensen die verder kijken dan hun neus lang is al sinds
eeuwen doen, en het belangrijke gebeuren van de dag was ingeschrompeld tot
een onwezenlijk onderdeel van het eeuwig ogenblik, dat van het ontstaan van
de wereld reikte tot zijn ondergang in de ijle verstrooiing van het heelal.
De erratoloog deed daar niet aan mee. Voeten warm en hoofd koel houden - was
zijn leefregel. Hij stond op en liep rond zodra | | | | men aan de
sociologische theorieën begon, schoof af en toe een gordijn opzij
en keek op straat alsof hij daarvandaan hulp verwachtte, draaide zich ineens
om, om de spreker met een sarcastische opmerking in de rede te vallen. Toch
personifieerde hij niet de spreekwoordelijke Hollandse nuchterheid. Met zijn
dikke wenkbrauwen boven de borende ogen in het brede martiale gezicht was
hij in het geheel geen Hollands type, zelfs wanneer hij het - heel zelden -
klaarspeelde zijn pokdalig lijkende wangen en scherpe mondhoeken tot een
goedige lach te plooien. Alleen als hij drukfouten opspoorde, verdwaalde in
zijn sarcastische opmerkingen een goedige klank, en soms misschien nog
wanneer hij mensen ontmaskerde wier goed en kwaad even onbenullig waren als
het leven van een letter die zijn doel bereikt heeft als hij op de goede
plaats staat en het grootste kwaad dat hij kan doen, als drukfout
realiseert. Maar met de mensen speelde hij het niet klaar en in zijn leuze
‘voeten warm en hoofd koel’ wonnen de voeten het van
het hoofd; wanneer hij een van zijn afgebeten opmerkingen plaatste, leek het
of hij de aangevallene venijnig schopte.
Toch hielden ze in het clubje van hem, want zolang ze bij de actuele kwesties
bleven, was de geschopte altijd de gemeenschappelijke tegenstander, die al
lang bezweken zou zijn als je onder kwinkslagen bezwijkt - zo goed mikte hij
met zijn scherp geslepen wapen. Maar zodra iemand in toekomstdromen ijlde,
naar de zin van de geschiedenis en de bestemming van de mens vroeg, draaide
hij zich om, keek door de spleet van het gordijn en keerde zich ineens tegen
de spreker met een opmerking en een gelaatsuitdrukking die de toehoorders
aanvaard zouden hebben wanneer ze tenminste nog naar de objectiviteit van
het cynisme zou hebben gezweemd, maar hij gedroeg zich dan niet eens als een
cynicus, hij zag er enkel nijdig en gemelijk uit, en nijdig en gemelijk was
de klank van zijn woorden.
Het bij uitstek Hollandse element in dit gezelschap werd vertegenwoordigd
door een redactiemedewerker, een bezonnen volgeling van Calvijn. Hij sprak
zelden en als hij het deed langzaam maar zonder te aarzelen, en droog maar
zonder te vervelen. Hij kon, wanneer de jood geagiteerd, soms zelfs
geestdriftig, een van | | | | de facetten van zijn levensbeschouwing
schitterend belichtte, droogjes van een adempauze profiteren om zoiets op te
merken als ‘dat is strijdig met Gods woord’ of
‘het zou de consequentie van uw woorden zijn, Jezus Christus als
uw verlosser te aanvaarden’. Een dergelijke interruptie had op de
jood de uitwerking alsof iemand op de knop van een ratelende wekker drukt om
hem af te zetten, maar de knop te gauw weer loslaat zodat de wekker direct
weer doorgaat met zijn lawaai. De jood wendde zich tot de aanvaller die de
interruptie had aangedurfd, legde nog eens uit wat hij net had geponeerd,
met nog meer ijver en overtuigingskracht, en wanneer hij klaar was en
vriendschappelijk uitdagend zweeg, bleef de calvinist even beleefd zwijgen
of bepaalde zich tot een opmerking als ‘dat kan ik als Christen
niet aanvaarden’ of ‘ik begrijp u niet’.
Zweeg hij, dan begon de jood opnieuw maar hij slaagde er nooit in een
werkelijke discussie uit te lokken.
Geheel anders reageerde de andere redactiemedewerker, een katholiek uit het
zuiden. Hij liet zich geen twee keer uitdagen en deed voor Sander weinig
onder in uitingen van warm temperament, en wat hij aan intelligente
schalksheid miste, verving hij door een boers gespeelde leutigheid, die
echter net nog binnen de grenzen bleef van wat een noordelijke stedeling
toelaatbaar vindt. Zijn discussies met de jood waren van dat merkwaardige
genre dat bij alle diepzinnigheid nooit tot de diepte doordringt; bij alle
geagiteerdheid kwam het nooit tot werkelijke strijd. Bewust en onbewust
beheersten beiden zich te goed om iets te zeggen dat de ander gevoelig kon
treffen en om aan een onvoorzichtige uiting van de ander overmatig aandacht
te besteden. Dat betekende niet dat ze nimmer tot de principiële
verschillen van overtuiging doordrongen, maar ze plaatsten beginselen alleen
dan tegenover elkaar als ze wisten dat het beginselen waren die elkaar
konden verdragen, of - beter gezegd - beginselen die niet meer ruimte
opeisten dan de hersenen van hen die ze formuleerden. De discussies leken
meer op bekentenissen van de een die van de andere kant door bekentenissen
werden beantwoord, maar ieder lette erop met zijn bekentenissen net zover te
gaan dat ze niet meer dan bekentenissen van de ander uitlokten. De
koelbloedige calvinist heeft zich vermoedelijk in stilte af en toe | | | | geërgerd over de houding van de twee. Hij zag deze
discussies zonder strijd van twee mensen die in verschillende werelden
leefden voor spiegelgevechten aan, en zijn afkeer van wat hem onoprechtheid
leek groeide naarmate die twee met nog groter gemak nog diepere problemen
oplosten door hun oplossingen naast in plaats van tegenover elkaar te
plaatsen. Al was hij bereid elke dwaling te dulden die de waarheid naast
zich wilde dulden, en al eiste hij van anderen verdraagzaamheid, toch kon
hij niet begrijpen hoe iemand het bestaan van twee waarheden naast elkaar
mogelijk kon achten. ‘Twee waarheden naast elkaar zijn twee
dwalingen,’ zei hij eens toen niemand er op verdacht was. Beide
tegenstanders zwegen toen alsof iemand ze betrapt had bij iets dat niet
mocht, en de calvinist voelde zich, toen het zwijgen te lang duurde,
verplicht het gesprek weer op gang te brengen. Misschien heeft hij toen iets
beseft van de geestelijke aanleg die nodig is als men vriendschappelijk wil
doordringen tot waar de beginselen wortelen en hij zou van dit moment
misschien nog meer geleerd hebben als de tegenstanders, die zijn
verlegenheid doorzagen, hem de taak het gesprek weer op gang te brengen,
niet zo gemakkelijk gemaakt zouden hebben. Zo was hij spoedig vergeten dat
hijzelf eens tegenstanders, die hij verslagen had, een hand had toegestoken,
en het viel hem gemakkelijk gedragingen af te keuren waarvan hij de
psychologische wortels en de maatschappelijke betekenis bij zichzelf even
goed als bij anderen had kunnen bestuderen wanneer hij gewend was geweest
zichzelf te observeren.
Een dag later, toen de berispten vierentwintig uur over de scherpe
interruptie hadden kunnen nadenken, spitste hun gesprek zich steeds weer toe
op een uitdaging van de zwijgende calvinist, die niet scheen te merken dat
ze hem bedoelden wanneer ze elkander aankeken, dat de twee kemphanen hem
berechtten en wezenlijk een oordeel over hem velden. Hij verzette zich niet,
luisterde zelfs misschien niet eens, evenmin als de onwetende gedaagde
luistert wanneer officier en advocaat elkaar met juridische argumenten
bestoken. Voor hem vocht echter geen advocaat. Het leek eerder of twee
aanklagers het niet eens waren over de straf die ze moesten eisen.
| | | |
In deze merkwaardige debatteerclub bezetten de bibliothecaris en zijn zwager
een minder opvallende maar niet minder belangrijke plaats. Ze vormden zoiets
als het publiek of - liever - de openbare mening. Hun taak was het de
sprekers bij te vallen of te interrumperen - niet met banale parlementaire
tussenwerpsels, maar soms met hele volzinnen of speeches. Maar ook als zij
het tot een hele speech brachten, waren ze niet meer dan publiek, openbare
mening, reactie van het moment, reactie op voorgedragen meningen, en zij
reageerden zoals een kiezerscorps reageert op de successen en wansuccessen
van de regering en de propagandaveldtocht van de partijen. Net zoals het
kiezerscorps op verschillende tijdstippen verschillend mag reageren, evenzo
mochten de bibliothecaris en zijn zwager van mening veranderen, en van dit
recht maakten ze ruimschoots gebruik. Nauwelijks had de spreker met wie ze
het roerend eens waren geweest, zijn speech beëindigd of ze
vielen zijn tegenstander bij. Niemand deed moeite ze op het tegenstrijdige
in hun gedragingen te wijzen, en als iemand die moeite zou hebben genomen,
zouden ze er vermoedelijk niets van hebben begrepen. Ze aanvaardden alles:
één waarheid, twee waarheden naast elkaar, een heelal
van waarheden, inclusief de waarheid dat twee waarheden naast elkaar twee
dwalingen zijn - zoals de fijnproever evenmin van ‘alle dagen
kaviaar’ houdt als van ‘alle dagen bruine
bonen’. En zoals de grondwetten van alle democratische landen de
kiezers toestaan kaviaar en bruine bonen af te wisselen, nam in het
luisterclubje niemand aanstoot aan de wankelmoedigheid van de bibliothecaris
en zijn zwager.
‘Wat zijn we toch een leuk stel,’ merkte Sander Begaas
op zekere dag op. ‘Het zou zonde zijn als er met het eind van de
oorlog aan onze bijeenkomsten een eind zou komen.’
‘Hoe bedoelt u dat?’ vroeg de bibliothecaris hem
verbaasd, want hij had zich nog niet gerealiseerd dat, zodra er weer
betrouwbare berichten van alle kanten zouden komen, niemand meer om dit
aanbeden radiotoestel zou malen. Het luisteruur op de rommelzolder was
vergroeid met zijn ambtelijke werkzaamheden in het Huis met de Beelden. Toch
is de bibliothecaris in de winter van 1944-45, toen koude en honger het hele
wezen op- | | | | eisten, de eerste geweest die de rommelzolder ontrouw
werd, en het langste heeft Sander het volgehouden die met het Huis met de
Beelden hoegenaamd niets te maken had. Alleen al voor het luisteren kwam hij
nog dagelijks zijn bezoek brengen, tot de bibliotheek gesloten werd, en pas
toen hij merkte dat de hardhorende conciërge geen zin meer had om
van zijn kamer over de stenen vloer naar de deur te sloffen, gaf hij het op.
Maar over die winter zullen we het niet hebben.
Voordat Sander in het luisterclubje geïntroduceerd werd, was hij
nooit op de zolderverdieping geweest. Hij was toen nog een gewone
bibliotheekklant. Hij zat in de leeszaal. De bibliothecaris bracht hem zoals
ieder ander de boeken die hij wenste, en dat waren er vrij veel. Alleen
stond de bibliothecaris hem soms toe tijdens de middagsluiting te blijven
doorwerken, maar Sander maakte er geen regel van: als het hem niet
uitdrukkelijk werd gepermitteerd, ging hij om 12 uur weg. Er waren er
trouwens meer die vaak 's middags doorwerkten en die zich in de bibliotheek
als het ware hadden gevestigd, een vaste zitplaats er op nahielden en de
boeken die ze vaker moesten raadplegen op die plaats lieten liggen. De
bibliothecaris was allesbehalve een bureaucraat, hij praatte graag met de
bezoekers en, wanneer er niet te veel aanwezig waren, ook wel eens over
politiek. Wanneer ze van de rommelzolder kwamen, was Sander altijd present
om het belangrijkste nieuws te horen. Op een dag nodigden ze Sander uit mee
te gaan wanneer ze zouden luisteren. Het geschiedde naar aanleiding van de
volgende scène: Ze waren toen met z'n allen de bibliotheek
binnengevallen om eventjes de atlas te raadplegen. Ze zochten het stadje
Marioepol, maar ze zochten in een verkeerde hoek. Toen wees Sander als met
gesloten ogen op de plaats. Het maakte een geweldige indruk op ze. Zo kwam
de uitnodiging tot stand.
Sander klom de volgende dag mee naar de zolder. Hij trilde, zijn
knieën schenen het te begeven toen hij naar de bibliothecaris
stond te kijken die aan de knoppen draaide, en hij schrok danig toen de
eerste krak uit het toestel kwam. Wat er omgeroepen werd, hoorde hij
nauwelijks - dat merkte hij pas later toen hij de berichten aan zijn vrouw
wilde vertellen. De spanning van het | | | | naar de radio luisteren
had al het andere verdrongen. Het was als een opwindende rit op een
draaimolen. In en om hem bleef het draaien toen het toestel al weer zweeg.
Als afwezig zat hij daar, half dromend zag hij mensen die hij kende, hoorde
hun vertrouwde stemmen en volgde hen blindelings toen ze opstonden. Maar
toen hij naar huis ging, brak er iets door in hem, trots, blijde gevoelens,
zoals van een jongeling die zijn eerste liefde beantwoord weet en die iemand
zoekt om het aan te vertellen - een boom, een vogel, als hij geen mens
vindt. Hij rende naar huis, hij vloog zoals je soms in je droom vliegend
springt en hij hoefde zijn vrouw niet te vertellen dat er iets bijzonders
gebeurd was. Hij stoeide met de kinderen tot zijn vrouw het welletjes vond
en merkte niet eens dat zijn vrouw niet meedeed, niet meegesleurd was, zoals
anders, in zijn roes.
Hij vertelde haar wat er gebeurd was en zij deed ook of ze het
‘reuze’ vond, maar stilletjes glimlachte ze, toen ze
over haar bord gebogen het vlees voor de kleinste aan stukjes sneed, over
die grote jongen die, wanneer hij het liefste was, op een klein kind leek.
Maar zij deed voor hem in kinderlijkheid niet onder: telkens wanneer hij 's
middags thuiskwam van het Huis met de Beelden, rende ze hem tegemoet en eer
de straatdeur in het slot viel, moest hij al de eerste woorden van het
nieuws vertellen of haar op zijn minst toevoegen: het gaat goed. Dan, onder
het eten, kwam het uitvoerige relaas, tot de discussies in het luisterclubje
toe: ‘Toen zei ik...’ ‘Toen zei
hij...’ ‘Vind je ook niet...’
‘Hoe kun je nou...’ En ineens zichzelf interrumperend:
‘En wat ik nog vergeten heb,’ gevolgd door een aardig
detail uit de radioberichten.
De kinderlijke geestdrift maakte plaats voor iets anders dat minder fel
brandde maar dieper verwarmde. Zou Sjaak Vellemans, die geamuseerd
glimlachte wanneer Sander ergens voor warm liep, ook geamuseerd glimlachen,
wanneer hij zijn vriend op de rommelzolder zou zien als as van de discussies
over God, wereld en maatschappij? Wanneer je op de hoek bij de antiquair
staat en door de muren van het Huis met de Beelden meent te kijken op
massa's boeken onder eeuwige lagen stof, dan heb je het niet zo erg mis.
Maar elk ding heeft twee zijden. En soms wel drie.
| |
| | | |
3
Elk ding heeft twee zijden. Bij voorbeeld de boekenrekken als ze niet tegen
een muur leunen. Of de boeken. Maar die hebben ook een rug waar de titel op
staat. En drie sneden. De ene is stoffig grijs en de twee andere zijn wit,
bruin, groen, blauw. Of gedrenkt in een overvloed van goud en dan plakken de
bladen nog aan elkaar - eeuwen nadat de kwast erover heen ging, als
ondertussen niemand het boek heeft opengedaan. Maar dan zijn er ook van die
dunne boekjes, die nauwelijks een rug hebben, die voor negen tiende uit een
perkamenten banddeksel bestaan en voor één tiende of
minder uit slechts een paar gescheurde en geplakte dunne bedrukte bladen met
onbeholpen houtsneden en koeien van letters. Daar helemaal bovenin rek 246
staan van die boekjes en er is er een bij dat maar uit een enkel blad
bestaat, een Onze Vader, gedrukt in het jaar dat Columbus Amerika ontdekte.
Het hoort daar eigenlijk niet, het staat daar tussen wulpse liedjes, van
Venus als Vlaamse herderin verkleed en Adonis sprekend als een Vlaamse boer
die zijn taal heeft laten polijsten in de Rederijkerskamer van Brugge. Te
zingen op de wijs van ‘Amaryllis, ai, waer draelt
gij?’ Dat schijnt een populaire wijs geweest te zijn in het
Vlaanderen van de oude Karel v. Sander komt al het vierde liedje tegen dat
je op die wijs moet zingen. Hoe zou die wijs zijn? ‘Ta, ta,
ta,’ probeert Sander... ‘De sponde waar 'k op
nederzeeg en Vrouwe Venus zweeg.’ Wat een refrein! De sponde waer
'k op nederzeeg en Vrouwe Venus zweeg - drie keer, vier keer... acht
coupletten en bij het negende: Het graf waerin ik nederzeeg en Vrouwe Venus
zweeg.
‘Cupido, ik wil gaeren met Dana spelevaeren’ op de wijs
van ‘Een ridder kloek en moedig’. Sander zoemt en
bladert in de dunne boekjes. Hij staat op een ladder en woelt op de hoogste
plank van een rek. Voordat hij een boekje op de plank terugzet, trekt hij er
het volgende uit, want de boeken staan daar op elkaar geperst. Dan blaast
hij het stof van de snee, opent het boekje op goed geluk, leest, en als het
hem bevalt, bladert hij terug naar de titel. Antwerpen 1583. En een vignet:
twee Vlaamse engeltjes met bolle koontjes die elkaar wat toeblazen op hun
trom- | | | | bones en daartussen wappert een lint met een korte
zinspreuk.
Wat staan daar voor boekjes, op de volgende plank? Drie keer zo breed en
hoog. Dat zijn de ware liederenboekjes met de ouderwetse vierkante noten
zonder balken. Ta, ta, ta... nee dat deugt niet. ‘Met madelieve'
en eeglantier’... Ta, ta, ta... O, daar hebben we hem:
‘Amaryllis, ai, waer draelt gij?
Niet en baet het. Helder luyt
bonst uw hartgen. Helder praelt gij
als in zwaentgens pluymenhuyt.’
Sander kijkt aandachtig naar de muziek en probeert te fluiten. Hij schudt het
hoofd, van muziek heeft hij geen verstand. Hij laat het boek voorzichtig
vallen zodat het de grond plat raakt.
Twee of drie boekjes trekt hij van de bovenste plank en die gaan dezelfde
weg. En dan zoekt hij weer op de tweede plank van boven. Met nog twee
boekjes in zijn rechterhand daalt hij de ladder af. Hij raapt de deeltjes
van de grond op, loopt ermee naar de middengang, aarzelt een ogenblik bij
een monumentale Ovidius-editie, buigt zich over een stapel boeken die hij
elders heeft uitgezocht en in de middengang gedeponeerd en sjouwt zijn
schatten naar de leeszaal. Daar ligt al een stapel boeken op zijn plaats en
deze nieuwe moet er nog bij. De dunne liederenboekjes legt hij apart en hij
doet een grote negentiende-eeuwse atlas van klederdrachten open. Hij schijnt
een grote plaat te bestuderen, maar als men met zijn ogen zou kijken, zou
men de plaat als een homogeen waas zien, want hij heeft zijn ogen op de
verte ingesteld. Dat doet hij soms als hij niet wil zien maar toch zijn ogen
niet wil sluiten. Op den duur krijgt hij er hoofdpijn van. Dus pakt hij een
van de kleine deeltjes van de aparte stapel, gaat ermee bij het raam staan
en doet binnensmonds ‘ta, ta, ta’, waarbij hij zijn
rechterhand op en neer beweegt alsof hij dirigeert. Het lukt maar niet. Hij
leest de noten verkeerd.
Sander gaat naar het rek waar de encyclopedieën staan. Hij zoekt
onder ‘muzieksleutel’. Maar het artikel bevat geen
historische gegevens. Hij wordt er niet wijzer van. Hij zal vanmiddag | | | | bij Ab Cohen aanlopen. Die heeft verstand van muziek, ook van
zestiende-eeuwse. Sander gaat weer zitten, trekt op een vel papier lijnen
waarbij hij de drachtenatlas als lineaal gebruikt, en schrijft de muziek
over. Hij doet het erg zorgvuldig, juist omdat hij de wijs niet begrijpt. Op
het papier tekenen en noten kopiëren is een aardig werk. Hij
tekent nog een tweede wijs over en een derde. Hij bekijkt de muziek met een
zekere trots. Hij heeft immers geen verstand van muziek en met zijn
eigenlijke werk heeft dat niets te maken. Hoe zal Ab niet opkijken als hij
met een blad muziek komt aandragen? Sander houdt het vel muziek tegen het
licht. Hij gebruikt dit papier nu al jaren en voor het eerst valt het
watermerk hem op. Een lier! Merkwaardig, als voorbestemd voor muziek.
‘Doet u ineens aan muziek?’ vroeg de erratoloog die
achter hem de deur opendeed.
‘Als het toeval het wil, doe ik ook aan muziek,’ zei
Sander en keek nog steeds door het papier. ‘Hebt u er verstand
van?’ voegde hij eraan toe.
‘Laat eens kijken?’ vroeg de ander en hij pakte zonder
het antwoord af te wachten het liedboekje. ‘Middeleeuwen, nee
hoor. Op jazz heb ik het niet zo, maar het moeten ook geen middeleeuwen
zijn.’
Ze begonnen een gesprek over de middeleeuwen. Een vrij triviaal gesprek,
tenminste van de kant van de ander. ‘Vooruitgang, Beschaving.
Heksenprocessen. Bijgeloof... Ja, van de tegenwoordige tijd deugt ook niet
veel, maar vroeger... nee...’ Sander verdedigde de middeleeuwen.
De ander was een tegenstander van alle historie.
‘Alleen om te leren hoe dom ze vroeger geweest zijn...
nee.’
De bibliothecaris luisterde mee. ‘Uitstekend,’
interrumpeerde hij.
Sander deed alsof hij verbaasd was: ‘U als bibliothecaris? Geen
vijf procent van deze boeken zijn van deze eeuw.’
De bibliothecaris retireerde onmiddellijk: ‘Ja natuurlijk in de
wetenschap. Je begrijpt eigenlijk niet hoe er altijd nog iets bij kan komen
in de wetenschap.’
| | | |
Een fraaie bibliothecaris, dacht Sander. Hij moest zijn bibliotheek dan maar
dicht doen.
Het gesprek verliep. Sander keek in de atlas, maar hij had geen rust. De
kleine perkamenten bandjes kregen de overhand. Hij las gedichtjes,
zestiende, zeventiende, achttiende eeuw. Iemand zou eens een bloemlezing
moeten maken van gedichten van onbekende auteurs en auteurs die in geen
literatuurgeschiedenis vermeld zijn. Weer een nieuw plan van Sander Begaas.
Hij trok uit zijn kaartsysteem een kaart waarop nieuwe plannen werden
genoteerd. ‘Een geschiedenis van academies en andere geleerde
genootschappen’ stond daar. ‘Wernicke - of de
ondergang van het epigram.’ ‘Thales - of de ondergang
van de wijsbegeerte.’ ‘Wie heeft de schroeven
uitgevonden?’ enzovoort.
Het waren allemaal onderwerpen die weinig of niets uit te staan hadden met
Sanders toekomstige boek. En die liederenboekjes had hij heel toevallig
ontdekt. Hij was eigenlijk van plan geweest een moderne editie van Rabelais
uit het rek aan de overkant te halen. Een spinneweb tussen de rekken had hem
afgeleid en zijn blik was daarboven blijven steken op een perkamenten bandje
met een rugtitel in Oostindische inkt, die hij niet kon lezen. Toen had hij
de ladder erbij gehaald. Het was niet bij dat ene deeltje gebleven, want de
andere waren net zo aardig. Een uur had hij daarboven op de ladder gestaan,
al striemden de smalle sporten zijn voeten door de zolen van zijn schoenen
heen. Honderd van die dunne deeltjes stonden daar naast elkaar en om in
honderd van die deeltjes ook maar een vluchtige blik te werpen, heb je meer
dan een uur nodig. Het wegblazen van het stof vereist al bij elkaar zeker
tien minuten. Toch waren zijn handen er vuil van geworden.
Tegenwoordig hoef je je handen niet meer na de 12-uur-boterham te wassen.
Zonder boter bestaat vetvlekkengevaar niet meer. Maar als je van die
stoffige boeken naar de boterham overstapt, is het niet overbodig. De
bibliothecaris is wat blij dat hij voor mij niet meer de vuile rommel uit de
rekken hoeft te halen, dacht Sander.
Tot aan zijn eerste luisteruurtje had Sander van de bibliotheek alleen de
leeszaal gezien. Maar de week daarna gebeurde het dat | | | | hij een
deel van de Werken van het Utrechtsch Historisch
Genootschap moest raadplegen. Welk deel wist hij niet. En het werk
bestaat uit heel veel delen. Wat hij zocht stond op een linkerpagina
helemaal bovenaan en op de rechter begon de afdruk van een zeventiende-eeuws
journaal. De bibliothecaris nam Sander mee naar de rekken met de Werken van het Utrechtsch Historisch Genootschap, bleef
een poos toekijken en liep weg terwijl Sander nog aan het zoeken was. Sander
vond de plaats, excerpeerde vlug en keek nog even rond in de omringende
rekken, trok een deel publikaties van een geleerd genootschap uit het kanton
Vaud uit een rek en vond daar toevallig iets van zijn gading en hij zag ook
van al die andere delen de registers door, maar daar vond hij niets
bijzonders in. Het ene deel nam hij mee en liet het aan de bibliothecaris
zien, maar die gaf er niet veel om te weten wat Sander uit de bibliotheek
naar de leeszaal had meegenomen. Een half uur later moest Sander een ander
deel van het Utrechtsch Historisch Genootschap raadplegen. ‘Ik
zal het maar zelf halen,’ zei hij tegen de bibliothecaris, en die
was blij dat hij een keer minder voor boodschappenjongen hoefde te spelen.
Die Sander Begaas was een aardige vent, maar hij verslond als het ware
boeken. Alleen voor hem kon je al de hele dag aan de gang blijven.
‘Ik breng dat deel zelf wel terug,’ waarschuwde Sander
de bibliothecaris voordat hij naar huis ging. De bibliothecaris vond het
best. De andere boeken bleven op Sanders plaats staan of liggen. Ook zijn
kaartsysteem, of althans het grootste deel ervan.
Sander kwam die dag weer als met vleugels aan zijn voeten thuis. Om het
radioluisteren - dacht zijn vrouw die hem bij de straatdeur opwachtte. Ja,
dat klopte wel, maar dat hij voor het eerst zelf wat uit het magazijn had
mogen halen, was ook niet te verwaarlozen. Hij vertelde het echter niet
meteen. Pas enkele dagen later liet hij zich in het gesprek terloops
ontglippen dat hij zelf de boeken bij elkaar zocht. ‘O, wist je
dat niet,’ zei hij nonchalant. ‘De bibliothecaris zou
er feestelijk voor bedanken. Op sommige dagen heb ik honderd boeken nodig.
Ik doorzoek bij voorbeeld alle delen van zo'n tijdschrift systematisch. Of
ik loop tussen de rekken door en haal er het eerste het beste boek uit. Zo
doe ik mijn aardigste ontdekkingen. Zo ontdekte ik bij voor- | | | | beeld een buitengewoon charmant gedichtenbundeltje, verschenen te
Amsterdam in 1783. Ik heb het enkele jaren geleden in de Koninklijke
Bibliotheek doorgebladerd. Auteur onbekend. Het boekje was helemaal uit mijn
geheugen verdwenen. Toevallig zie ik het vandaag in het Huis met de Beelden
en ziedaar, naast het titelblad heeft toch een van de bezitters of een
vroegere bibliothecaris de naam van de auteur geschreven. In de catalogus
van de bibliotheek stond het boek dan ook onder die naam. Het is een vrij
bekende achttiende-eeuwer, zijn naam staat ook in ‘Van der
Aa’, maar die bundel wordt door Van der Aa niet vermeld. Ik ga
die zaak nog uitzoeken.’ Over zulke ontdekkingen praatte hij
vaak, maar zijn vrouw vond op dat moment de radioberichten belangrijker.
‘Hoe loopt het met de frontlijn?’ vroeg ze en de
achttiende eeuw is vergeten.
De dag nadat Sander voor het eerst tussen de rekken heeft gestaan, haalt hij
weer een deel van het Utrechtsch Historisch Genootschap; hij vraagt niet
eens meer of het mag. Iets later moet hij iets hebben van de Academie van
St. Petersburg. ‘Waar staat dat?’ vraagt hij de
bibliothecaris. Die heeft het druk. ‘Kijk maar zelf in de
catalogus!’ ‘Rek 113?’ De bibliothecaris
legt hem uit waar dat is en Sander daalt de trap af en haalt zelf het deel
op. Van nu af aan zoekt hij zelf in de catalogus de standplaatsen van boeken
en tijdschriften op. Ach wat, catalogus! Hij maakt echte wandelingen door
het gebouw, pikt hier wat op, neemt daar wat mee. Een mooie band, een rare
titel, een buitengewoon formaat, een felle kleur, een vetvlek trekken zijn
aandacht naar een bepaald boek en naast dit boek staat weer een boek en als
je er al twee van de plank hebt genomen, zit er schot in en dan is er geen
reden meer waarom je niet de hele plank zou bekijken en misschien zelfs het
hele rek, al kijk je alleen maar naar titel en vignet.
Daar bij voorbeeld, die kleine leuke Horatius - je bezit er zelf een
exemplaar van, maar dat is juist een reden te meer waarom hij daar zo
schalks tussen de lijvige Plutarchus en de nog lijviger Ovidius staat te
gluren als een dwerg tussen twee reuzen - het is juist een reden te meer om
hem als vriend te herkennen en te begroeten, van de plank te halen, hem open
te doen - en kijk eens, de moeite wordt beloond: je hebt daar toevallig het
handexem- | | | | plaar van Petrus Burmannus te pakken gekregen, en
als je de handtekening niet wilt geloven, hoef je hem alleen maar te
vergelijken met bekende handschriften van de vermaarde achttiende-eeuwse
Utrechtse hoogleraar, of je moet zijn schriftelijke annotaties - door de
gedrukte tekst heen - vergelijken met de gedrukte annotaties bij zijn
beroemde uitgave van de klassieken.
Sander neemt het exemplaar mee naar de leeszaal en laat het de bibliothecaris
zien. ‘Met annotaties van de hand van Petrus Burmannus
jr.’ moet deze op Sander Begaas' gezag aantekenen op de kaart in
de catalogus.
‘Petrus Burmannus?’
‘Ja,’ bevestigt Sander, ‘dat is die vent die
bij het rek met de Werken van het Utrechtsch Historisch
Genootschap staat.’
‘O ja’ - de bibliothecaris was op de hoogte -
‘die met de krullen.’
| |
4
Overal in de bibliotheek stonden levensgrote marmeren borstbeelden, meestal
tegen de smalle kanten van de rekken aan in de middengangen, waar het zo
donker was dat iemand die er geen erg in had er tegenaan kon lopen. Op die
manier was bij voorbeeld Socrates al eens van zijn voetstuk gegooid en een
deel van zijn toch al onbetekenende neus kwijtgeraakt. Enkele van die
beelden waren beter geplaatst en die straalden een smetteloos wit uit, want
ze werden door de schoonmaaksters goed onderhouden. De beelden waren in de
negentiende eeuw op bestelling vervaardigd. Voor een schatrijke parvenu, die
lid van het Genootschap was en ze aan het Genootschap had vermaakt. Over het
al dan niet aanvaarden van de collectie was indertijd nogal wat discussie
geweest in het bestuur en men had besloten tot aanvaarding - hoofdzakelijk
omdat de collectie gekoppeld was aan een niet onaanzienlijk fonds in
contanten. De conservator van het Genootschapsmuseum verzette zich er toen
met succes tegen dat de beelden bij hem geplaatst werden - hij had er geen
plaats voor. Zodoende kwamen ze in de bibliotheek terecht. Het waren er een
stuk of vijftig, van Thales tot en met Cuvier, geleerden | | | | van
elke slag. De namen stonden op de voetstukken. Aan het verband tussen naam
en beeld scheen nogal wat te haperen - het was bij voorbeeld duidelijk dat
Aristoteles en Linnaeus verwisseld waren. Andere beelden had men gerust met
elkaar kunnen verwisselen zonder dat het opgevallen zou zijn, want de
kunstenaar had zijn schepselen niet als uitgesproken individuen uitgebeeld.
Behalve dan Petrus Burmannus. Hij zag er zo belachelijk uit dat ieder die
een keer het beeld had gezien, onthield dat het Petrus Burmannus was. Op
Sanders projectenkaart stond aangetekend: ‘Een blijspel: P.
Burmannus dient aanklacht wegens smaad in tegen negentiende-eeuwse
kunstenaar.’
‘Hij lijkt op Petrus Burmannus’, was een populair
gezegde in het Huis met de Beelden. Men kon zich er trouwens gemakkelijk van
overtuigen dat Petrus Burmannus totaal niet op ‘Petrus
Burmannus’ leek, al werd door het tergende realisme van het
beruchte beeld gesuggereerd dat dit wel het geval zou zijn geweest. Met twee
diepliggende kleine ogen onder een rechthoekig voorhoofd staarde Pieter
Burmannus je bestraffend aan. Tussen de scherpe kaken zonder kin zat een
aardappelachtige neus en daaronder een mond met opgestulpte lippen - het
leek of Burmannus blies of sputterde. Dit was schrikwekkend realistisch
uitgebeeld, maar de lachwekkende indruk ontstond door de zachte golven van
een statiepruik die dit infernale gezicht omhulden - een tegenstelling die
de lachspieren van tot nu toe elke beschouwer had geprikkeld (behalve die
van een politieagent die toevallig in het Huis met de Beelden verzeild was
geraakt, een poosje voor Burmannus was blijven staan en met een meewarig
hoofdschudden en een ‘Asjemenou’ aarzelend afscheid
nam).
‘Petrus Burmannus,’ zei de bibliothecaris dus, maar hij
vulde de kaart niet zo aan als Sander Begaas hem gezegd had. Er waren vaker
van die gevallen geweest. Een Duitse Petrarca - een dikke foliant in
varkensleer uit 1564 met mooie houtsneden was onder de naam van de
houtsnijder geregistreerd, en de eerste uitgave van het Mirakel
van Amsterdam was in de natuurhistorische afdeling te vinden tussen
de Geschichte einer Frau, die in ihrem Unterleib ein
verhärtetes Kind 22 Jahren getragen hat en een
determineerboekje van vlinders en motten.
| | | |
‘Eigenlijk hoort dit boekje in het museum,’ zei Sander.
Maar dat deden ze toch niet. Ze plaatsten het in een glazen sleutelkastje,
tussen vijftiende-eeuwse drukken en andere rariteiten, dat, sinds Sander
Begaas in de bibliotheek aan het snuffelen was, gepromoveerd was tot een
soort kleine schatkist, waarvan de sleutel bewaard werd op een plaats die
alleen Sander, de ambtenaar van de handschriftenafdeling en de
bibliothecaris kenden. Het opnemen van een boek in deze verzameling ging
altijd gepaard met een zekere plechtigheid en een ritueel dat allengs vaste
vormen aannam. Over het inlijven van een rariteit in deze keurcollectie
ontstond soms meningsverschil tussen Sander Begaas en de ambtenaar van de
handschriftenafdeling, die minder geestdriftig was dan Sander en soms
ontdekte dat er in het onderhavige exemplaar een bladzij ontbrak of die een
boek dat Sander in verrukking bracht, in bedekte termen een prul noemde. De
bibliothecaris echter besliste als Sander voet bij stuk hield steeds ten
gunste van Sander, en de ambtenaar van de handschriften was geen spelbreker
en deed aan de plechtigheden mee, ook als hij zijn zin niet had gekregen. Er
werd dan een bord ‘gesloten’ aan de deur van de
leeszaal naar de kamer van de bibliothecaris gehangen en wanneer de
erratoloog toevallig bij een dergelijke gelegenheid de leeszaal binnenviel
en het bord zag, zei hij schamper: ‘Ze zijn weer aan het
bidden.’ Een wrok die hij niet verborg, dreef hem heen en weer
door de zaal en wanneer hij bij de kamer kwam, trommelde hij op de
vensterbank. Wanneer de deur ten slotte openging, behandelde hij het
driemanschap als kinderen die een dode kikker of vogel plechtig hebben
begraven en die op de vraag waar ze vandaan komen, de ogen neerslaan en
blozen omdat ze niet zeker weten of wat ze gedaan hebben verboden is. Sander
had de erratoloog wijsgemaakt of geprobeerd wijs te maken dat ze naast de
sleutel van het glazen kastje een oude kruik Bols verborgen hadden en dat de
inlijving van een boek in de heilige collectie bezegeld werd met een glaasje
uit die fles. Deze fles werd een soort symbool voor ieder lid van de
luisterclub en het hele Huis met de Beelden. Net als de erratoloog wisten ze
niet wat er van waar was. Maar de anderen kon het niets schelen. De
erratoloog was een agnost. Hij geloofde nergens in, ook niet | | | |
in die fles. Maar die fles was juist het struikelblok van zijn ongeloof. De
fles was voor hem wat voor een godloochenaar God en het paradijs zijn. Je
zou iets kunnen verspelen door niet te geloven in hun bestaan. De fles was
voor de erratoloog God en het paradijs. ‘Als de fles nu toch zou
bestaan, als Sander nu eens niet loog en de plechtigheid achter de deur met
een neutje voor elke deelnemer besloten werd.’
‘Geloof is tot alles in staat,’ zei eens een van de
redactie-ambtenaren in het luisterclubje.
‘Hartstochtelijk geloven,’ zei Sander, ‘je
moet in een Bols geloven of je hebt hem.’
Hij had tot de redactie-ambtenaar gesproken alsof hij hem voor de mal wilde
houden. Maar allen keken knipperend naar de erratoloog, die tussen de
gordijnen door uit het raam keek. Iedereen in het Huis met de Beelden kende
het probleem waarmee de erratoloog worstelde, maar niemand liet het hem
merken. De één spiegelde zich aan de ander en oefende
zich aan zijn voorbeeld in de tactiek van schampere opmerkingen die de
erratoloog op zijn gevoeligste plek moesten raken - alle opmerkingen zo
gestileerd dat ze niets met de erratoloog te maken schenen te hebben en
juist daarom raak waren. Alleen de dove conciërge was niet in de
samenzwering betrokken. Geheel argeloos maakte hij eens, toen hij voor de
erratoloog opendeed een opmerking van ‘Na de oorlog is het weer
pimpelen’, en bij al zijn doofheid merkte hij dat hij de wind van
voren kreeg, alleen wist hij niet wat hij misdaan had. Bij het eerstvolgende
opendoen trachtte hij zich te excuseren maar daarmee joeg hij de erratoloog
nog meer tegen zich in het harnas. Sindsdien was er vijandschap tussen die
twee. ‘De dove,’ zei de erratoloog.
‘De...’ zei de conciërge en deed met zijn
vuist bij zijn mond en het hoofd achterover of hij een glaasje ledigde.
| |
5
Voor het glazen kastje tot schatkamer voor incunabelen en andere
kostbaarheden werd gewijd, was het een bergplaats geweest voor een stel
sleutels die aan spijkers hingen. Boven elke spijker | | | | stond een
nummer, en hetzelfde nummer hing geponst aan de sleutel. De bibliothecaris
wist maar van één sleutel waar hij op paste. Het was
de sleutel van een vertrek dat in de vorige en in het begin van onze eeuw
nog als bestekamer dienst had gedaan. De pleestoel stond daar nog en het
rook er nog naar turfmolm - aan het einde van de bezetting toen de riolering
niet meer functioneerde, is dit ouderwetse meubel trouwens nog gebruikt. Van
de andere sleutels wist de bibliothecaris niets en ook geen van de andere
ambtenaren wist er iets van, ook niet die van de handschriften die in de
bibliotheek de voorganger van de tegenwoordige bibliothecaris was geweest.
Een sleutel is een voorwerp dat je onverschillig laat, ook als hij er zo
geraffineerd uitziet als die ouderwetse exemplaren met de kruisvormige
sneden in de baard. Een sleutel verraadt nooit op welk slot hij past.
‘Ik heb er wel vijftig thuis en ik gooi ze niet weg, in de hoop
dat de sloten waar ze bij horen zich op zekere dag als het ware vanzelf
presenteren,’ zei Sander, ‘maar soms geloof ik in
plaaggeesten die sleutels aanmaken, enkel sleutels, zonder slot, en ze door
de schoorsteen of ik weet niet op welke manier in je huis
strooien.’
De erratoloog was een en al wantrouwen zodra Sander begon te praten. Er zou
een geheime symbolische betekenis schuil kunnen gaan achter de woorden
‘slot’ en ‘sleutel’ en achter
die paradoxale opmerking. ‘Sloten en sleutels,’ zei
hij, ‘zijn een uitvinding van theologen’ en hij deed
de anderen die zijn woorden niet begrepen, versteld staan.
‘Nee, een uitvinding van de slotenmakers,’ was het
antwoord van de gereformeerde redactie-ambtenaar, de enige die de
onuitgesproken redenering van de erratoloog had meegedacht. Hij oogstte een
lachsucces. Zoiets lukte hem niet vaak en hij moest meelachen, iets dat hij
ook niet vaak deed.
Daarmee was het gesprek over de sleutels afgelopen en Sander Begaas borg ze
op in het sigarenkistje waarop ‘50 Medinos’ stond en
een plaatje met een ridder op een strijdbaar ros was geplakt.
| |
| | | |
6
Een tijdje na zijn introductie in het luisterclubje deed Sander Begaas zijn
eerste nog schuchtere stappen tussen de rekken in het Huis met de Beelden.
Als hij iets nodig had, bladerde hij in het kaartsysteem van de catalogus,
hij haalde de boeken zelf en bracht ze zelf terug naar de rekken. Moest hij
veel delen van een tijdschrift of verzamelwerk raadplegen, dan deed hij het
bij de rekken. Zijn verblijf bij de rekken duurde met de dag langer en in de
tijd dat ons verhaal begint, bracht hij er soms uren door, uren van
kruistochten door de boekenwereld. Hij sleepte nog steeds boeken naar de
leeszaal, maar tien keer zoveel bladerde hij ter plaatse door. En de boeken
die hij niet opendeed, die hij alleen maar streelde met zijn handen of ogen,
waren hem even dierbaar en vertrouwd als die hij met de pen in zijn hand en
zijn kaartsysteem naast zich excerpeerde. De grote perkamenten band met de
onleesbare inkttitel op de brede rug bij voorbeeld - hij keek elke keer
verliefd maar toch berustend naar die band. Hij kende nu elke deuk en elke
vlek in het perkament, hij kende de inkttekens zo goed dat hij ze na had
kunnen tekenen wanneer hij aan de tafel in de leeszaal zat, maar hij deed
geen moeite meer ze te ontcijferen en hij nam het boek ook niet van zijn
plaats.
Meestal kon hij zich niet beheersen wanneer hij een merkwaardige band zag, of
wanneer de plank waar hij mee bezig was, nog afgewerkt moest worden - steeds
weer een boek pakken en dan nog een - en wanneer hij de rekken verliet, werd
hij toch door het een of ander, rechts of links van zijn weg, vastgehouden
en gevangen. Bij de dikke perkamenten band beheerste hij zich. Die naderde
hij niet met zijn hand, want hij hield van hem, en een stem in hem, die hij
vertrouwde, riep hem toe dat hij zó van hem moest blijven houden.
De band was als de boom der kennis die de diepste wetenschap beloofde en die
tevens dreigde met de verbijsterende ontgoocheling te weten dat je naakt
was.
Sander haalde, zonder een ogenblik te aarzelen, deel 13 van een tijdschrift
uit een rek - ook op een vrijdag de dertiende - hij ging onder de
boekenladders door en liep rustig verder als hij ergens struikelde, wat
nogal vaak gebeurde. Waarschuwingen van | | | | buiten erkende hij
niet, maar hij geloofde in inwendige stemmen, vooral als ze niet bevalen
maar verboden, want hij helde altijd over naar lijdzaamheid als hij tussen
doen en niet-doen moest kiezen. Behalve bij de boekenrekken. Daar aarzelde
hij heel zelden. Hele rekken werkte hij af. Het kwam niet meer in hem op
bepaalde literatuur te zoeken. Hij zat zo lang in de magazijnzalen bij de
boeken dat hij geen tijd meer had om de boeken die hij van zijn tochten
meebracht naar de leeszaal door te nemen. Ten slotte kwam hij meestal zonder
boeken terug in de leeszaal - hij kwam er enkel om van daaruit naar de
rommelzolder of naar huis te gaan. Wanneer hij aankwam, deponeerde hij er
zijn tas, groette de bibliothecaris, als die er al was, en vervoegde zich
bij de boeken om met zijn snuffeltocht door te gaan waar hij de dag tevoren
opgehouden was. Soms schatte hij de weken of maanden die hij nog nodig had
om de hele bibliotheek te leren kennen, maar zodra hij weer wat boeken
ingekeken had, begreep hij dat hij - als hij er dan eindelijk mee klaar was
- opnieuw zou moeten beginnen, elke keer dieper doordringend, steeds minder
oppervlakkig. Wat wist hij nog van Karel van Mander en Anthonis de Roovere?
Van Houwaerts Lusthof der Maeghden wist hij alleen dat
Plantijn het werk in 1583 had gedrukt in vier delen, met merkwaardige
lettertypen die op geschreven schrift leken; van Anna Bijns wist hij dat
haar werk fraai gebonden was in geurend leer, met het wapen van Antwerpen in
goud op het voorplat en de Vlaamse Leeuw op het achterplat. Met volle teugen
genoot hij op de heen- en terugweg van het toekomstige plezier de gedichten
van Catullus eens na te lezen in de bekoorlijke 12o
editie - vroeger had hij er heel wat van uit zijn hoofd kunnen reciteren,
maar het lukte niet meer, enkel het ritme was er nog, als muziek zonder
woorden. Thuis zou hij wel eens nakijken welk woord in die lacune hoorde -
dacht hij, maar hij deed het niet. Hij moest immers die Catullus in 12o lezen en daarvoor had hij op het ogenblik geen tijd.
Want Catullus in 12o stond in het Huis met de Beelden en
wanneer Sander daar van 9 tot 5 was, had hij de tijd niet om Catullus of wat
dan ook te lezen. Van 9 tot 5 snuffelde hij, ruimde hij rekken uit en in,
deed hij ontdekkingen (en luisterde hij naar de verboden nieuwsberichten).
| | | |
Met de eerste zaal van de tweede verdieping was hij nu haast klaar. Alleen
het rek bij de tussenmuur moest nog, schuin tegenover Petrus Burmannus
junior. Toen Sander daar de eerste boeken uit het rek had gehaald, viel hem
de lambrizering achter het rek op. Hij keek om, maar overal was de muur
onbekleed, alleen hier achter het rek zat hout. Hij onderzocht de muur
vanuit de doorgang naar de andere kamer. Ook daar was de muur onbekleed.
Maar de muur leek dik, veel te dik voor een tussenmuur. En ineens was het
hem duidelijk: er was geen lambrizering achter de boeken, maar een
ingebouwde kast. Hij smeet een massa boeken uit het rek, ontdekte het
sleutelgat, rende naar de kamer van de bibliothecaris (die kwam pas om tien
uur), kwam terug met het sigarenkistje en probeerde de sleutels. Zowat de
tiende paste, het slot knarste, de kastdeur ging open. Ongeveer een
centimeter, toen stuitte de deur op het rek.
Sander liet zich op een stapel boeken zakken. Hij hijgde. Het zweet gutste
van zijn voorhoofd. Hij was misselijk, hij zag rode en groene spookbeelden
voor zijn ogen. Zijn hoofd suisde. De boekenrekken draaiden om hem heen en
in hem draaide iets als een pierement en klopte tegen de wanden van zijn
schedel. Uit een oneindige verte zag hij boeken op zich afkomen die dreigend
uitdijden en voor hem ontploften. Loeiend vlogen ze op hem af en met de
regelmaat van zijn polsslag ontploften ze, en daartussen hoorde hij de stem
van de erratoloog die hem als een knockout geslagen bokser tussen de touwen
uittelde. Bij elke tel sloeg hij hem met de stopwatch voor zijn hoofd. Hij
telde en er kwam geen eind aan. Opengeslagen boeken kwamen aanvliegen en ze
klapwiekten of ze bruine vogels waren. Ze vlogen in de rondte om hem heen,
eerst onstuimig en allengs majestueus als reigers, haast zonder de vleugels
te bewegen. Toen was het hem of hij in een weiland lag en grote witte
vogels, reusachtige vellen papier neerstreken om hem toe te dekken. Zacht
tikte de stopwatch van de erratoloog als het kabbelen van een vaart met een
roeiboot. Boeken en boekjes stroomden voorbij en Sander zag zichzelf door de
vloed waden. Hij leek op Dorus Rijkers met zijn zuidwester en hij droeg een
roeispaan als een geweer op de schouder. Af en toe bukte hij om een
handschrift of een incuna- | | | | bel te redden eer ze in de grote
stroom verdronken. Dan schreed hij weer verder en zijn lichaam golfde op en
neer alsof de grond ritmisch bewoog. En in de maat van de golven zongen
mannenstemmen, soms dichtbij, soms in de verte, begeleid door het stampen
van marcherende kolommen, iets op de wijs van ‘Amaryllis, ai,
waer draelt gij?’ - Sander wist ineens hoe hij de muziek moest
lezen en hij zocht een potlood. Maar het potlood dook steeds weer onder in
de deining, het was hem een golf voor, en omdat hij zich niet anders kon
bewegen dan volgens het op-enneergaan van de stroom, bleef het potlood
onbereikbaar. Hij stak zijn arm uit, maar die ging net zo op en neer alsof
hij los op de vloed dreef. Aan de horizon kwamen donkere stippen op die
groeiden tot een vloot van roeiboten en de roeiers riepen ‘Ave
Caesar, morituri te salutant’, maar degene die aldus begroet werd
was de bibliothecaris, die door de golven stapte en de buik van een der
galeien met een sleutel in de vorm van een anker ontsloot. Daar kropen
incunabelen uit met getijgerde perkamenten banden, halfontrolde bullen, die
als rupsen kropen en hun zegels achter zich aan zeulden, ganzepennen vlogen
op en giechelden, en Pieter Burmannus stak er twee achter zijn oren - achter
elk oor een - en ze verdwenen haast in zijn pruik; een nam hij er in zijn
mond om op te kauwen.
Sander staat op. Hij wankelt weg, staat zoekend bij de rekken, tuimelt naar
de leeszaal. Af en toe blijft hij staan, veegt met de rug van zijn hand over
zijn voorhoofd en ogen, kijkt terug naar het laatste rek, maar gaat toch
hoofdschuddend verder.
‘Wat ziet u eruit,’ zegt de bibliothecaris.
‘Ik heb nog niets gegeten,’ zegt Sander. Hij laat zich
op zijn stoel zakken, morrelt aan het slot van zijn tas en begint zijn
boterhammen uit te pakken. Het klopt trouwens niet.
‘U werkt te veel,’ diagnosticeert de bibliothecaris,
maar Sander, die op zijn brood zit te kauwen, vindt van niet. Hij heeft nog
nooit zo weinig gewerkt als nu - bedoelt hij.
‘Dat is het hem niet,’ beweert de bibliothecaris,
‘u moet in de buitenlucht.’
‘Meneer, ik ben elke dag op zijn minst anderhalf uur in de
buitenlucht, drie kwartier heen en drie kwartier terug, samen ander-half
uur. Ik mag toch niet trammen!’
| | | |
Dergelijke argumenten overtuigen de bibliothecaris. Gewoonten die uit de
Duitse bezetting voortvloeien, zijn als het ware metafysisch verankerd.
Bovendien kan je op zo'n argument altijd antwoorden: ‘Als we ze
maar vast kwijt waren.’ Zodoende wordt van de slechte
gelaatskleur van de heer Sander Begaas de brug geslagen naar de
wereldgeschiedenis.
Sander is niet in staat zijn plaats te verlaten. Als hij druk bezig is,
gebeurt dat anders ook wel eens, maar daarvan kan nu geen sprake zijn. Zijn
hersens zijn een homogene massa in een nauwkeurig begrensde hoek, een
aangespoelde kwal die op geen prikkel meer reageert. Hij prikt met zijn
nagels in zijn hoofdhuid. Die is nog niet gevoelloos, maar je hersenen breng
je met zulke methoden niet weer aan de gang. Hij probeert zich de kaart van
Europa voor te stellen; dat doet hij soms 's ochtends in bed als hij niet
goed wakker kan worden. Ten slotte blijft hij maar suffen, in boeken
bladeren, zijn kaartsysteem nazien, op zijn nagels bijten, die het licht dof
weerkaatsen, en weer suffen. Het duurt ongeveer een uur. Dan begint hij te
werken. Veel is het niet. Hij heeft ook niet de boeken op zijn plaats die
hij eigenlijk moet hebben, maar hij kan niet opstaan. Hij zou al lang naar
huis zijn gegaan, als hij dan niet de uitzending van 12 uur zou missen. Het
zou de eerste keer zijn. Hij is gek op nieuwsberichten en bovendien is hij
een slaaf van zijn gewoonten en hij haat het te moeten zeggen:
‘Het zou de eerste keer zijn, dat...’ Dan nog liever
zitten suffen. Maar na het luisteruurtje gaat hij naar huis - dat heeft hij
zich vast voorgenomen.
De berichten waren niet veel zaaks die middag. Discussie was er niet, want
Sander was niet in de stemming. Dus kon hij best naar huis gaan. Maar
voordat hij ging, schoot hem te binnen dat hij het boekenrek waar hij die
ochtend mee bezig was geweest, nog moest opruimen. Er had nog niemand
aangezeten en de boeken lagen er nog net zo bij als hij ze eruit had
gesmeten. Petrus Burmannus jr. keek er minachtend op neer, maar hij had geen
ganzepennen in zijn pruik. Wat ben je te benijden - dacht Sander, maar hij
wist niet precies waar hij Petrus Burmannus om benijdde. Zijn hersenen waren
er op het ogenblik niet op berekend om | | | | dat vast te stellen.
Maar omdat hij op de vraag waar hij Burmannus om benijdde, toch een antwoord
moest hebben, zei hij tegen zichzelf: ‘Omdat hij een
Ariër is.’ Sander voelde wel dat dat een banaal
antwoord was, maar dat kon hem op het ogenblik niets schelen. Alleen het
grijze hout van de open kastdeur achter het rek deed hem ergens aan denken.
Hij tikte er eventjes tegen aan en de deur schommelde. Hij scheen niet
precies te weten wat het betekende, en hij zette de boeken weer in het rek,
hier één en daar één, zonder op
de nummers te letten. Hij zette het kistje met de sleutels achter de boeken,
want hij had geen zin om het nog naar de leeszaal terug te brengen - hij had
immers al zijn overjas aan en zijn hoed op. Hij slenterde naar de uitgang,
maar bij Catullus bleef hij staan. Vanmiddag bij een kopje thee zou hij er
zo aardig in kunnen lezen. Hij mocht niets meer uit het Huis met de Beelden
lenen - besluit van het Bestuur, het speet de bibliothecaris heel erg, hij
was zo verlegen geweest als iemand die van een ander geld wil lenen en
zoiets nog nooit eerder heeft geprobeerd - affijn, als hij niet officieel
mocht lenen, deed hij het maar clandestien. De bibliothecaris zou het vast
goedkeuren. Sander stak de aardige 12o-Catullus in zijn
borstzak - morgen breng ik hem terug - en vertrok.
Hij kwam doodop thuis en ging meteen naar bed. Catullus zat in zijn borstzak
en bleef daar enkele dagen tot mevrouw Begaas hem eruit haalde en tussen
Sanders boeken plaatste. Want toen Sander zich de volgende dag volgens de
gewoonte naar het Huis met de Beelden begaf, had hij toevallig een ander pak
aan.
| |
7
Sanders boekenkoorts was een beetje aan het bedaren. Hij haalde uit de
magazijnen precies wat hij nodig had en bewerkte dat in de leeszaal met het
kaartsysteem waar zijn boek uit moest groeien. Boeken groeien - zei hij soms
- net als mensen, dieren, bomen. Je maakt plannen, evenals ouders die hun
eerste kind verwachten, maar het helpt niets. Vanaf de eerste conceptie
luistert een boek naar zijn eigen wetten. Aan een boom kun je meer | | | | snoeien dan aan een boek. En hoe verder het boek zich
ontwikkeld heeft, des te meer verzet het zich tegen beïnvloeding.
‘U wilt zeker beweren dat een boek ook een ziel heeft’
- dat zei toevallig niet de erratoloog, maar de gereformeerde. Sander had de
erratoloog gemakkelijk van repliek kunnen dienen. De strenge toon waarop het
verwijt gemaakt werd, verwarde hem. Mocht hij, die steeds zo hoog van de
toren blies als over mens en mensheid werd gesproken, dode boeken met
levende mensen vergelijken? Zo was het verwijt bedoeld.
‘Ik heb niet gesproken over het dode boek,’ excuseerde
hij zich - ‘niet over boeken die geschreven, gedrukt, gebonden,
gecatalogiseerd zijn - die zijn immers alleen nog de mummies van zichzelf,
die hebben enkel nog een verleden, maar geen toekomst; behalve dat ze nog
wat vlekkiger en geler zullen worden. Ik had het over de boeken die
ontstaan.’ Maar voordat hij de zin af had, zocht hij naar nieuwe
excuses, want het verwijt had hem onzeker gemaakt; hij overzag zo snel niet
of het misschien niet gerechtvaardigd was, maar hij voelde wel dat hij iets
misdaan had, al was het dan niet precies dat wat de ambtenaar van de
redactie hem verweet. Want soms kunnen ook ongerechtvaardigde verwijten je
schuldbewustzijn aanwakkeren.
Op de weg naar huis bleef hij vaak staan en verborg dan zijn peinzen achter
het staren in een onbelangrijke etalage; maar van het verbergen kwam
verdrijven. De etalages hielden hem bezig en wanneer zijn belangstelling in
een staar-voorwerp geweken was, wist hij niet meer welke overpeinzingen hem
genoodzaakt hadden bij die winkel te blijven stilstaan. Twee keer gebeurde
het dat een fietser hem ‘sufferd’ nariep en thuis kwam
hij nog dromeriger dan anders aan en pas het navertellen van het
oorlogs-nieuws bracht hem weer op gang.
Enkele dagen bleef Sander nog in het Huis met de Beelden bezig met zijn
gewone werkzaamheden die bij het boek in wording hoorden. Hij zat achter
zijn kaartsysteem en liep slechts af en toe naar de rekken waar hij iets van
nodig had. Maar op een maandagochtend stevende hij, toen hij de trap opkwam,
op de zaal af waar Petrus Burmannus stond en op het rek waar hij toen de
boeken had uitgesmeten. Hij haalde het rek leeg, alle planken, | | | |
maar iets ordelijker dan toen. Hij trok het lege rek centimeter voor
centimeter van de muur, tot de kastdeur zover openging, dat hij door het rek
heen de kast in kon kruipen. De kast was leeg op wat gele vellen papier na
die achttiende-eeuws leken.
Sander had gemerkt dat de kast niet diep genoeg was voor de hele dikte van de
tussenmuur. Nadat hij weer uit de kast was gekropen, het rek op zijn
oorspronkelijke plaats had teruggeschoven en de boeken er behoorlijk in had
geplaatst, onderzocht hij de andere kant van de tussenmuur - in de volgende
zaal bij de Aristoteles die op Linnaeus leek. Daar stond weer een rek en
achter het rek zat een kastdeur. Het sleutelgat zat precies achter een
plank. Sander moest dus eerst het rek leeghalen - allemaal werken van de
Petersburgse Academie uit de achttiende eeuw. Het opzijschuiven van het rek
ging vrij vlug - hij kreeg er al ervaring in. De eerste de beste sleutel
scheen op het slot te passen toen hij hem erin stak, maar het lukte hem niet
de sleutel om te draaien. Na veel passen en meten bleek de kast niet op slot
te zijn. De deur klemde, hij rukte hem open en toen zakten een stuk of vier
lijvige banden in folio uit de kast. Hij trok ze door het rek en andere
delen zakten er achteraan. Het was nogal lastig al die boeken uit de kast te
halen, want ze zaten elkaar als het ware dwars. Toen de situatie
overzichtelijker was geworden, kroop Sander zelf in de kast en haalde de
laatste delen te voorschijn.
De buit bestond uit een stuk of dertig boeken, leren foliobanden. Sander
poetste ze met zijn zakdoek op, het rode marokijn, het gemarmerde kalfsleer,
het bleke varkensleer, het zwarte, het donkerbuine, het groene, de zilveren
hoeken en randen en de kunstig geciseleerde klampen van zilver en goud, de
platen en het ingelegde metaal op de deksels en de ruggen. Af en toe stond
hij op, hield een band in het daglicht om hem te keuren, wreef nog eens over
een doffe plek tot alles weerkaatste en tintelde. Hij zette de banden op een
rij naast elkaar, om de ruggen in hun schitterende verscheidenheid als een
eenheid te zien, en hij beschouwde ze weer afzonderlijk, elke band en vooral
die dikke band die geheel uit zilver scheen te bestaan, een overweldigende
dwaaltuin van kronkellijnen en zwierige bogen waartussen het donkere leer
alleen nog als bescheiden achtergrond geduld werd.
| | | |
Wat er in die boeken stond - Sander scheen er niet benieuwd naar te zijn. Die
boeken waren immers alleen maar banden, schitterende banden met een inhoud
die, bescheidener gebonden, even waardevol of nog waardevoller kon zijn.
Het waren vooral bijbels. Statenbijbels, Franse bijbels, Lutherbijbels, King
James bijbels. Bijbels die eerbied moesten wekken door hun formaat en die
door hun grote letters leesbaar moesten zijn bij elke verlichting. Geen
bijbels die je in je zak bij je draagt. Hij deed ze toch open - het waren
niet allemaal bijbels en ook de bijbels waren van binnen iets meer dan
bijbels. Er stonden hele verhalen in: van twee mensen die gingen trouwen,
van hun kinderen - wanneer ze geboren werden en wanneer gedoopt -, van een
schip dat iemand uitrustte en dat God moest beschermen en beschermde, van
een huis dat hij kocht, van een epidemie waarvoor hij gespaard bleef, van
een brand die de halve stad vernielde, van een plundering waaraan het huis
ontsnapte, van grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen, van ziekten en
sterfgevallen. Een geslacht dat uitsterft, nieuwe namen, op een veiling
gekocht, weer een veiling, en dan breekt de reeks aantekeningen af. Sinds
vijftig of honderd jaar lag het boek hier in de kast en Sander was de eerste
die de klampen losmaakte en er in bladerde.
Het zijn niet allemaal bijbels. Het mooie vlinder- en rupsenboek van Merian
is er, Wagenaar is er, een Frans geschiedeniswerk over de Hugenoten; maar
toch zijn het allemaal banden die schitteren van het zilver en goud, de
pronkstukken van de boekenliefhebbers en de grote nummers van de
boekenveilingen - gespannen kijkt het publiek naar de twee kemphanen die
tegen elkaar opbieden, telkens 50 gulden meer en ten slotte gaat er een
derde mee strijken die er in koelen bloede duizendjes voor neerlegt. Maar
Sander houdt niet van de opgedirkte parvenu's onder de boeken, al heeft hij
net nog het zilver en goud gepoetst, hij houdt niet van die grote formaten,
van die boeken die je niet op je gemak kunt lezen, en van al dat goed
waarvan je je geen ogenblik kunt verbeelden dat je er zelf de eigenaar van
was. Hij ruimt weer op, hij sluit de kast, maar de boeken zet hij er niet
in. Hij schuift het rek aan. Hij vult het rek. En dan schiet hem te binnen
dat hij de bibliothecaris moet waarschuwen. De biblio- | | | | thecaris
is er niet. De glazen kast zou trouwens te klein zijn voor die overvloed aan
mooie boeken. Men zou een nieuwe schatkamer moeten stichten om die boeken
onder te brengen. Sander bergt de boeken voorlopig in de rekken op, niet op
onbezette plaatsen, want die zijn er nauwelijks, maar liggend achter de
boeken die in de rekken staan. Hij zal de bibliothecaris aanstonds met de
oude nieuwe aanwinsten verrassen. Hij zal elk boek afzonderlijk onder zijn
ogen brengen - dat is veel indrukwekkender. Of hij zal eerst nog de andere
tussenmuren inspecteren, misschien zijn daar ook kasten, misschien bevatten
die kasten ook boeken, misschien even waardevolle als deze kast, en dan zal
hij de bibliothecaris de hele buit ineens overhandigen, uit alle kasten
samen. Dat zou nog meer indruk wekken. Als de bibliothecaris hem maar niet
verrast wanneer hij hier het terrein doorvorst. Maar de bibliothecaris komt
hier haast nooit en wanneer hij werkelijk komt, dan valt het hem toch niet
op dat het nieuw ontdekte schatten zijn waarmee hij, Sander, net bezig is.
Hij moet alleen maar gewoon doen, niet opgewonden zijn, dan zal de
bibliothecaris nergens op verdacht zijn. Maar wees eens niet opgewonden als
je banden ontdekt die schitteren van goud en zilver of misschien nog
schatten waarvan de inhoud het uiterlijk overtreft.
Sander onderzoekt de tussenmuren. Overal op deze verdieping zijn er kasten
achter de rekken. Straks zal hij nog op de andere verdiepingen kijken. Zal
er in de andere kasten ook nog iets zitten? Vermoedelijk. Sander is
benieuwd, maar kalm. Hij zal bij elke deur kalmer worden, zoals een jager in
Afrika of India na zijn eerste leeuwen of tijgers die hij geschoten heeft.
Wie op groot wild jaagt, moet kalm zijn of het wild jaagt op hem. Sander
jaagt op boeken, maar hij zal de boeken nooit toestaan dat hij
hún buit wordt. Boeken hebben geen ziel als je hun geen ziel
toekent - de gereformeerde heeft gelijk.
Eventjes moet Sander weer een van de bijbels voor de dag halen. Daarin staat
een heel verhaal opgetekend door een van de eigenaren van het boek: Het
geschiedde in het jaer, het 1675e na de Geboorte van Onsen Verlosser, dat te
Amsterdam het Water stong totter Waag op de Dam, de Ydijck zijnde bezweken,
op | | | | de Derde Dag dat de Noordwesterstormen - onleesbaar - Alsoo
tusschen Naerdingc ende Muyden veel Land is overstroomd ende veel Menschen
gedoodt ende daer was luttel Hulpe - onleesbaar - ende tusschen Wieringen en
Zijpe...
Sander zet het boek weer weg. Het is radiotijd. De bibliothecaris is niet
gekomen. Hij zal wel ziek zijn. Wie naar de bibliotheek wil, wordt bij de
deur weggestuurd; alleen bevoorrechten zoals Sander Begaas en de erratoloog
worden steeds doorgelaten. Maar ook de erratoloog is niet aanwezig. Alleen
Sanders tas ligt in de leeszaal. Hij haalt er zijn boterhammen uit om ze mee
te nemen naar de rommelzolder. De uitzending is niet bijzonder interessant,
maar omdat het de eerste van de maand is, sommen ze op hoeveel dorpen de
Russen gedurende de vorige maand bevrijd hebben, hoeveel tanks vernield
zijn, hoeveel ton bommen de raf en de Amerikanen boven
Duitsland hebben gegooid. Dat is de zogenaamde routine-oorlog. Je kunt
erover discussiëren of het het ware is, maar dat wordt een
routine-discussie. En daarbij het routine-weer - je voelt het door de
gordijnen - miezerig, nat maar noch voor een echte regen noch voor een
dichte nevel genoeg nattigheid en miezerigheid. En straks begint weer het
routine-werk: boeken doorbladeren, kaarten invullen. Sinds hij weer met die
bezigheid is begonnen, is het één en al sleur geweest
en ook geen aanduiding van nieuwe gezichtspunten.
Zo is het hele gedoe tegenwoordig - zanikt hij aan zijn eigen hoofd, zodra
het radionieuws minder opwindend is. Zo doen ze allemaal, maar alleen wie
een ander plagen wil, laat het naar buiten blijken. Echt wat voor de
erratoloog. Maar als die hier was, zouden de anderen zich tenminste opwinden
over zo'n défaitist. De erratoloog is er niet en wat de ene
halfslachtig optimistisch beweert, kan de ander even halfslachtig
optimistisch beamen. De oude meubelen begeleiden de doffe geluiden met een
zuchtende muziek, de vloer steunt aarzelend en verlegen, de miezerigheid
lijkt door alle reten de rommelzolder binnengedrongen. Alleen het
radiotoestel blinkt in zijn mahonie-politoer als een schitterende victorie.
Zo glimt de Tauler in marokijn - denkt Sander en hij denkt aan die
spiegelglad gepoetste en gepolijste weelde beneden.
| | | |
‘Waar denkt u aan, mijnheer Begaas?’ vraagt de
Brabander hem en hij stoot Sander met zijn elleboog aan. Sander meent dat de
andere redactie-ambtenaar hem scherp monstert.
Ben ik er verantwoordelijk voor dat we hier zo miezerig bij elkaar zitten,
denkt Sander.
Ja natuurlijk u, denkt de calvinist terug - meent Sander. Ben ik voor het
leven in de brouwerij verantwoordelijk? Ja, u.
‘Waar zitten we hier eigenlijk voor?’ vraagt Sander
hardop, maar met een stembuiging alsof het hem al spijt het gezegd te
hebben.
‘Weet u dat niet?’ zegt de nuchtere Hollander.
‘Ik zou er eens over nadenken,’ gaat hij door. Hij
staat op en je kunt zien dat hij blij is zijn ledematen te kunnen strekken.
Het is voor de anderen het teken om eveneens op te staan.
‘Daar zal de afloop van de oorlog inderdaad niet van afhangen of
wij hier bij elkaar zitten te redekavelen,’ zegt de katholiek.
‘Inderdaad,’ zegt zijn collega.
| |
8
Sander denkt erover na. De hele middag loopt hij met zijn gepeins door de
leeszaal. Hij kijkt nog even in de catalogus of de in de kast opgesloten
schatten daar aangetekend zijn. Natuurlijk niet. Ze hadden trouwens ook geen
stempels. Maar er zijn veel boeken in het Huis met de Beelden, waaraan je
niet kunt zien dat ze daar thuishoren. Sander bladert in de catalogus, maar
zonder belangstelling. De banden glimmen niet meer. Wat in de boeken staat,
is belangrijker dan de schone schijn. Sander houdt niet van schone boeken.
Hij denkt aan boeken uit zijn kindertijd, de sidoerim en machsoriem en de
foliodelen van de Amsterdamse talmoed bij oom Leizer. In de talmoed staat:
‘Waar drie in Gods naam vergaderd zijn, is God in hun
midden.’ Soms zijn we in Gods naam vergaderd. En soms vervelen we
ons.
Sander denkt daar een hele week over na en op de rommelzolder wordt er
dagelijks over geredetwist. Redetwisten waar allen het met elkaar eens zijn.
Ook de gereformeerde, die zwijgt. Ook | | | | de erratoloog, die
venijnig tegensputtert. En de Roomse, die er gretig op ingaat. Waar drie in
de naam van vaderland en vrijheid vergaderen, zijn vaderland en vrijheid in
hun midden. Het is niet nodig dat ze een plan beramen om de banden van
Wehrmachtauto's door te prikken, het is niet eens nodig dat ze naar de
verboden radio zitten te luisteren. De melkboer die je bij de deur zegt
‘het gaat goed’ als het goed gaat, en je het knarsen
van zijn tanden laat horen als het niet goed gaat, doet even belangrijk
illegaal werk. Het bovengrondse vaderland is breder en belangrijker dan het
ondergrondse.
De rommelzolder hoort bij het bovengrondse, vier hoog. Daar wordt elke middag
in verwoede discussies het vaderland gered. Tot de uitslag van de oorlog
kunnen ze geen bijdrage leveren, maar wel willen ze er het hunne aan doen
dat tot de goederen die gered worden, vaderland en vrijheid horen.
‘Daarvoor komen we bij elkaar,’ beweert Sander,
‘want waar drie bijeenkomen in de naam van vaderland en vrijheid,
zijn vaderland en vrijheid in hun midden.’
De erratoloog lacht zich dood: ‘Jullie kunnen er een kerk van
maken, maar zonder mij.’
‘Het riekt naar transsubstantiatie, hè?’
zegt Sander en de erratoloog wordt rood, want hij denkt aan brood en wijn en
de fles Bols achter het bord ‘Verboden Toegang’. Ze
verkneukelen zich, ze werpen elkaar veelzeggende blikken toe.
Sander werkte een hele week gewoon. Routinewerk, soms opgefleurd door een
aardige ontdekking. Maar op een woensdag - een eigenaardige zoelte hing
tussen de huizen en in de bomen en Sander liep er dromerig onderdoor -
vergat hij een of andere grap met de conciërge uit te halen; op
die woensdagochtend stevende hij recht op de boeken af. De deur van de
bibliotheekzaal op de tweede verdieping stond open. Hij stapte binnen. Nee,
hij stapte niet binnen, want hij schrok zo hevig dat zijn knieën
trilden en hij geen stap zetten kon.
Hij was gauw van de schrik bekomen en trachtte te analyseren waar hij van
geschrokken was. Daar stond Petrus Burmannus op zijn voetstuk en keek hem
aan, doorboorde hem met zijn ogen, | | | | blies tegen hem uit zijn
opgestulpte mond, dreigde hem, deed hem schrikken. Had Petrus Burmannus net
een goede beurt gehad, was hij blanker dan anders, was de zaal donkerder? De
stilte tussen de rekken was om te snijden; schreeuwde daarom het witte
marmer schriller dan anders?
Sander deed een paar stappen achteruit, tot hij het beeld niet meer kon zien,
prentte zichzelf in dat hij helemaal kalm was, ging weer net als eerder op
de drempel af en schrok weer. Dat was het - hij was er nu achter - Petrus
Burmannus keek naar de ingang, naar de deur. Dat had hij vroeger niet
gedaan. Hij stond nu schuin. Vroeger had hij ook schuin gestaan, hij had
altijd schuin gestaan, maar niet zó schuin. Het scheelde
misschien maar enkele graden, maar enkele graden kunnen veel betekenen als
het op de indruk aankomt. Sander moest proberen het beeld eventjes te
draaien, een haartje zou voldoende zijn. Zo'n beeld is zwaar, maar het lukt.
Nu de proef op de som. Sander trekt zich weer terug, keert terug en schrikt
weer, maar lang niet zo hevig. Het scheelt dus iets, maar het was nog niet
voldoende geweest. Nog een haartje en weer de proef op de som. Het is
gelukt. Sander schrikt niet meer. In elk geval mag het geen naam meer
hebben.
Met een blik van ‘ik ben je toch te slim af’ loopt hij
voorbij Burmannus naar de tweede zaal, naar de tussenmuur, haalt de boeken
uit het rek, past sleutels, opent de kast, trekt er de inhoud uit: mappen
met kaarten, ouderwetse kaarten, zoals Sander al vaak heeft willen kopen.
Haarlemmermeer, Watergraafsmeer, Naardermeer - een map met kaarten van meren
en polders. Een map met kaarten van de Zeven Provinciën, van de
zeventien provinciën, van Indië, een map met kaarten
van Nederlandse steden. Daar ligt het Huis met de Beelden, de ontwerper
heeft het waardig gekeurd om speciaal aangeduid te worden. Daar is een plaat
van het gebouw, maar zonder de beelden. Die kaart hebben ze zeker niet in
het museum. Alle bekende platen tonen het gebouw met zijn
essentiële versiering. Er zijn trouwens ook nog geen schuiframen
op die plaat. Zouden die beelden dus oorspronkelijk ontbroken hebben? De
geschiedenis van het gebouw is goed bekend en onderzocht. Zou daar nog geen
onderzoeker | | | | achter zijn gekomen? Of is deze plaat een ontwerp?
Er zijn nog meer afwijkingen. De hardstenen stoepen hebben er een trede
meer. Sander weet precies dat het drie treden zijn en geen vier. Ook met de
deuren klopt iets niet, maar Sander kan niet zeggen wat. Hij zou de plaat
straks mee moeten nemen en aan de werkelijkheid toetsen.
Sander legt de plaat apart. Een kaart van de polder waar zijn huurhuis staat
en een plaat van een buiten in dezelfde polder gaan dezelfde weg. Ze blijven
daar liggen terwijl Sander de mappen opruimt en achter de rekken wegstopt.
Sander zet de boeken weer op hun plaats en bergt de drie platen in zijn tas
op.
En dan begint de aanval op de vierde kast. Er komen Dantes uit, Dante-edities
die tot dan toe verschenen waren. Dante in folio en in octavo, met gotische
letters en simpel antiqua met prachtige initialen, door een geduldige lezer
stuk voor stuk geverfd, met weelderige prenten - Sander ligt met zijn buik
op de grond om een helse marteling in alle finesses te bestuderen. Maar
Dante is ook niet alles. De Italiaanse Dante niet omdat Sander niet genoeg
Italiaans kent om hem te waarderen en de vertaalde evenmin omdat vertalingen
niet deugen. Sander ruimt ook de Dantes op.
De vijfde kast is leeg. Sander geeft het op. Het is trouwens gauw weer
radiotijd. Sander heeft van alles ontdekt, maar bij nader inzien lijkt het
ontgoochelend. Kaarten, Dante, banden. Het zijn schatten die op een veiling
tonnen opbrengen, maar het is toch niet je van het, niet wat Sander gezocht
heeft. Wat heeft hij dan wel gezocht? Hij kan zijn wensen niet formuleren.
Kaarten zijn aardig om te bekijken, Dantes ook, tenminste Dantes met platen,
leren banden voelen bovendien zacht en warm of koud en glad aan en ze
blinken in de zon van het zilver en goud, maar hij zou er niet naar
omgekeken hebben als ze niet uit geheime kasten waren gekomen. Hier bij
voorbeeld, die simpele Antonides van der Goes in perkament - wat een platen,
die godenbruiloft van Romeyn de Hooghe. Dat woelt en bruist en steigert in
elke vierkante centimeter als een stel rivieren die elkaar ontmoeten, tegen
elkaar ingaan, elkaar stuwen, overstromen, overweldigen en daarbij zichzelve
blijven. Daar dreunt al die beweging in, | | | | die Antonides' saaie
alexandrijnen missen. Drieduizend, vierduizend saaie alexandrijnen. Om het
lofgedicht van Vondel vooraan en Romeyn de Hooghe's prenten ertussenin
zullen we ze hem vergeven.
Zoiets zoekt Sander. Of zoiets als ‘Amaryllis, ai, waer draelt
gij’. Sander fluit de wijs. Hij is zijn ontgoocheling te boven
gekomen. Hij fluit en kijkt vrolijk naar de bomen in de tuin die in de harde
westenwind golven als de riviergoden van Romeyn en als de wijs van
Amaryllis, en de zonnekringen in het grasperk en op de plas van de fontein
golven mee. De windvlagen, gevangen in de hof tussen het hoofdgebouw en de
vleugels jagen bladeren en strohalmen omhoog langs de mosgroene regenpijp.
De mussen zijn de andere hoek in gevlucht; daar maken ze een hels lawaai,
maar de bomen zijn hun de baas met hun ruisen en briesen. Ineens gaat de
wind liggen. De bomen golven na. De mussen verstrooien zich en pikken naar
strohalmen en bladeren die tot rust zijn gekomen. De bomen golven langzamer,
maar uit hun laatste vertraagde maten springt als een fontein de fluittoon
van een merel.
Onwillekeurig bladert Sander in het boek, naar de voorrede, naar de
lofgedichten, naar Vondels cursief gedrukte vaerzen en
laat zich
Opschaffen eenen vollen horen
Van ooft, en wiltbraet, vleesch en visch,
En nektar, op de Muiderbergen
Gewassen om Parijs te tergen.
De storm loeit op, verdrijft de ‘kruitgeur der
Molukken’ en het gezang van de merel, doet bladeren en stro
opvliegen, zonnekringen elkaar opjagen en de bomen golven als Romeyn de
Hooghe's riviergoden. Het bruist daar buiten weer en Sander verbeeldt zich
dat hij als een boom, uit de aarde zijn kracht zuigend, met brede schouders
en een naakte borst de wind trotseert, niet hier in de tuin achter de
ruiten, maar ergens op een dijk, hoog boven de lage polder, wedijverend met
de witte zeilen op het kanaal. Ver buiten! Want hier kunnen zelfs Romeyn de
Hooghe's goden niets anders doen opvliegen dan boekenstof.
| | | |
Sander heeft nooit van de muffe stadslucht gehouden. Pas sinds ze hem binnen
de perken van de bebouwde kom hebben opgesloten, is hij eraan verslaafd
geraakt. Met een ruk wendt hij zich af van het raam. Hij stopt Antonides van
der Goes in zijn tas, om thuis zijn vrouw Vondels verzen voor te lezen en
Romeyns prenten te laten zien. Hij doet een paar fikse stappen alsof de
storm achter hem aanzit en ineens staat hij stil, alleen zijn
knieën bewegen - maar die vibreren - hij is bleek en zijn handen
grijpen naar iets in de ruimte dat er niet is, en die vergeefse beweging
doet hem wankelen. Daar troont weer, als op een rechterstoel, de blanke
buste van Burmannus en blaast tegen hem, niet als daarstraks de westerstorm
die de bomen doet golven, maar als een venijnig waterspuwende duivel van een
middeleeuwse kathedraal.
Sander hoeft niet lang te denken om te weten wat hem te doen staat. Hij heeft
daarstraks Petrus Burmannus naar deze kant gedraaid. Petrus Burmannus kijkt
dus nu meer naar deze kant dan hij anders deed en met die blikrichting heeft
hij hem aan het schrikken gemaakt. De zaak is heel eenvoudig. Hij moet het
beeld een beetje terugdraaien. Niet veel. Net genoeg om niet meer te
schrikken als hij van deze kant komt, maar evenmin wanneer hij de
bibliotheek weer van de trap komend binnengaat.
| |
9
Het is vrij eenvoudig, maar zonder passen en meten lukt het niet. Hij speelt
het natuurlijk klaar, maar van de uitzending heeft hij het begin gemist als
hij op de rommelzolder komt. Het is een bijzonder goede uitzending en Sander
is het witte spook uit de bibliotheek gauw vergeten. Discussie is er niet,
maar Sander houdt zoiets als een speech. Hij spreekt haast onafgebroken.
Niemand durft hem te interrumperen, zelfs de erratoloog zwicht voor Sanders
geestdrift, al weet hij niet precies waar de spreker het over heeft. De
erratoloog zwijgt en de anderen zwijgen eveneens. Naarmate hun karakter het
toelaat zijn ze meegesleept. Het meest uiteraard de spreker en hij zal er
zelf over verbaasd zijn als | | | | hij er straks mee klaar is. Want
over de woorden die zijn mond voortbrengt, heeft hij niet nagedacht, en toch
staan ze allemaal gereed; als de schakels van een keten trekt het
één het ander achter zich aan met zo'n
vanzelfsprekendheid dat Sander zich na het laatste woord zal voelen als een
sprekende ledenpop die zijn taak vervuld heeft.
Toch is het geen ijdele woordenstroom wat daar uit Sanders mond golft. Hij
voelt dat het verantwoord is wat hij zegt en de anderen voelen het mee en
zijn ervan onder de indruk. Je moet ze daar zien zitten, telkens als Sander
zwijgt: de keel schrapend, in de handen wrijvend, de haren gladstrijkend.
Elk met een beweging die verbergen moet dat ze het een of ander moeten
zeggen, maar het niet kunnen uitspreken, hetzij dat het te veel is wat om
het woord vraagt, hetzij dat het te onstuimig, te wanordelijk aanklopt,
hetzij dat ze de juiste formule niet kunnen vinden om het zo nuchter in te
kleden als zij het gewend zijn. Zo gaan ze uit elkaar, ieder naar zijn werk
in het gebouw, de zwager van de bibliothecaris uitgezonderd, die zich op weg
begeeft naar ander illegaal werk en op straat onder de verse indruk van
Sanders redevoering nieuwe plannen zal beramen.
Sander gaat samen met de bibliothecaris naar de leeszaal. Voor de deur neemt
de zwager van de bibliothecaris afscheid, maar midden op de trap draait hij
zich om en roept Sander toe: ‘Ik zou dat eens
opschrijven.’ Sander denkt na. Het is een taak en hij zoekt
taken. Een taak prikkelt hem tot werkzaamheid. Hij schrijft het op: precies
zoals hij het gezegd heeft. Zonder een zweem van aarzeling. Maar de bezielde
kracht stroomt nu door een pen en een pen verwoordt gedachten anders dan een
mond. Het is hetzelfde betoog, al lijken de gesproken en de geschreven
zinnen niet op elkaar.
Sander leest het over. ‘Het is nu een stuk om te drukken, niet om
uit te spreken,’ zegt hij tegen de bibliothecaris,
‘waar bergen we het op?’
‘Ik neem het straks mee naar mijn zwager.’ Sander wil
het nog eens doorlezen. Het zal immers voor de laatste keer zijn. Het is
geen stuk om thuis te bewaren, zeker niet als jood. Sander leest het nog
eens en dan nog een keer voor het laatst. Hij is er verliefd | | | |
op. Nee - hij is er net zo van onder de indruk als de anderen. De
bibliothecaris mag het straks meenemen.
Enkele dagen lang doet Sander geen ander werk dan dergelijke stukken
schrijven. Hij geeft ze aan de bibliothecaris en die geeft ze door aan zijn
zwager. Die vertelt niet wat hij ermee uitvoert en ze vragen hem er niet
naar. Vanaf het ogenblik dat Sander de leeszaal binnenkomt, schrijft hij van
die stukken tot het ogenblik dat hij naar huis gaat. Een enkele keer staat
hij op om onrustig rond te lopen en een uur of wat is aan het luisteren
gewijd. Hij schrijft als een bezetene, een hele week lang, maar zo
plotseling als de roes begonnen is, is hij voorbij. De golvende riviergoden
van Romeyn de Hooghe en de stroomgolven in de iepenkronen kabbelen niet eens
meer. Het is of ze er nooit geweest zijn.
| |
10
Op een ochtend denkt Sander weer aan Burmannus. Hij weet al dat hij weer zal
schrikken, hij het beeld nog vaker heen en weer zal moeten schuiven en het
toch niets zal helpen. Het is een schrikwekkend beeld, ook als je niet in
duivels gelooft. Schrikken de anderen ook van Burmannus of heeft iedereen
zijn eigen duivel? Sander zal de kwestie onderzoeken. Toch moet er iets van
waar zijn. Misschien is het een kwestie van al dan niet gehard zijn. Op den
duur wen je aan elke duivel. Als kind ben je bang voor honden of voor
bepaalde lelijke mensen, je gilt, net als je voor Burmannus siddert. Je
groeit boven de honden uit en je moet ook boven Burmannus uitgroeien.
Geestelijk. Vroeger geloofden de mensen aan spoken. Burmannus is een echt
spook. Hoe kun je dagspoken verdrijven? Tegen nachtspoken helpt licht. Gas
en elektra hebben de nachtspoken de das omgedaan. De
‘verlichting’. Wat doe je tegen dagspoken?
Terwijl Sander zo peinst, komt hij bij de deur van de bibliotheek. Weer
schrikt hij, en ondanks de peinzende voorbereiding niet minder dan vroeger.
Misschien zou ik er zelfs van schrikken als ik hem helemaal omdraaide -
denkt Sander, want hij heeft de hoop al opgegeven. Hij heeft trouwens niets
op deze verdieping | | | | te zoeken en op de eerste en derde
verdieping staat geen Burmannus om hem te plagen. Op de derde verdieping
zijn immers helemaal geen beelden. Hij moet daar verschillende delen van de
werken van Justus Lipsius doorbladeren.
Dat is niet zo eenvoudig. Onder het bladeren vindt hij passages die veel meer
zijn aandacht trekken dan die hij gezocht heeft. Maar Lipsius' Latijn is
soms niet gemakkelijk te begrijpen. Het zit boordevol toespelingen, en om
die te doorzien moet je de Latijnse en de Griekse letterkunde op je duimpje
kennen of je moet een ongebruikelijk woord in je lexicon opzoeken en
erachter komen aan welke plaats bij welke antieke schrijver de auteur
gedacht heeft. Het is een schandaal - ze hebben in het Huis met de Beelden
noch een Latijns noch een Grieks woordenboek van naam. Vroeger zou Sander in
een dergelijk geval al die plaatsen waar het over ging hebben
geëxcerpeerd en thuis bewerkt of hij zou veeleer zijn lexica
hebben meegenomen naar het Huis met de Beelden dan dat hij een Lipsius-deel
in zijn tas naar huis had meegenomen. Een gewoonte kan gewoonterecht worden.
Nee, zover is Sander nog niet dat hij zou opkijken als iemand aan zijn recht
twijfelde om over de boeken in het Huis met de Beelden te beschikken als
over zijn eigendom. Hij is er zich bewust van dat hij iets doet wat niet
mag, al excuseert hij zich bij zichzelf met het argument dat de
bibliothecaris hem oogluikend zijn gang zou laten gaan wanneer hij iets
wist. De bibliothecaris was het indertijd niet eens met het verbod van
uitlenen aan sterdragers.
Mag hij de boeken niet officieel lenen dan moet hij het maar clandestien doen
- dat spreekt vanzelf. Het is clandestien, maar niemand lijdt er schade
door, het Genootschap niet, de bibliothecaris niet en het publiek evenmin,
want dat hele oude gedeelte van de bibliotheek is zo slecht bijgewerkt, zo'n
rudimentaire hutspot van willekeurige en toevallige liefhebberijen die
bestuursleden en bibliothecarissen van eeuwen terug er op na hielden en van
efemere modegrillen van ‘constminnaers’. Niemand die
zich geregeld bezighoudt met vroeger eeuwen, zou hier ter stede een
dergelijke bibliotheek raadplegen, vooral wanneer een grote, goed
bijgewerkte bibliotheek in alle behoeften kan voorzien. | | | | Voor
Sander, die geen openbare bibliotheek binnen mag en aangewezen is op de
zogenaamd niet openbare van het Genootschap, is het oude gedeelte van de
Genootschapsbibliotheek een ware uitkomst, maar hij is dan ook de enige die
daar het stof doet opdwarrelen, want sinds hijzelf de boeken uit de rekken
mag halen, komt ook de bibliothecaris daar niet meer. Of het een of ander
van die boeken in het rek staat waar het hoort, of thuis bij Sander Begaas -
het doet er echt niet toe.
Nee, omgekeerd. Bij Sander Begaas thuis worden de boeken tenminste gebruikt,
ook al is wel eens een van de meegenomen boeken bij hem thuis in de
vergetelheid geraakt. Je hoeft maar eventjes een blik te slaan in zijn
studeerkamer, waar toestanden heersen die elke degelijke huismoeder zouden
doen ijzen: boeken in de rekken, overeind en dwars, boeken op de
schoorsteenmantel, op een kist, op de vensterbank, op de tafels, onder de
tafels, op de stoelen, op de grond - een bende. Maar er ligt geen pluisje
stof op de boeken en paperassen. Je zou een nijdas zijn als je Sander Begaas
het plezier misgunde dat hij boeken uit het Huis met de Beelden tussen zijn
muren doorbladert. ‘Het plezier’ is niet de goede
uitdrukking. Laten we zeggen: ‘het gerief’. Justus
Lipsius in het Huis met de Beelden te bestuderen, dat is niet te doen - elke
deskundige zal dat grif beamen. Wie zal het dan Sander Begaas kwalijk nemen
dat hij één deel van de werken van Justus Lipsius
afstoft en in zijn tas doet?
Tien of twaalf delen Lipsius staan daar. Nee, twaalf zijn het er, of
eigenlijk elf. Van 1 tot 12 genummerd, maar deel 11 ontbreekt. Ze stellen
het hele werk van Lipsius voor, op de brieven na. In elk deel zitten een
stuk of drie van zijn verhandelingen - de eerste drukken. Een van die
verhandelingen - in deel 2 - moet Sander lezen. Hij neemt dus deel 2 mee.
Een dag later deel 4, en dan deel 7, en dan weer een deel, en dan eens twee
delen, en na een week staat de hele Lipsius, twaalf delen eender gebonden,
genummerd, bij Sander Begaas op de schoorsteenmantel en Sander Begaas leest
er elke avond in.
Alleen deel 11 ontbreekt, maar dat ontbrak al toen Lipsius nog op de eerste
verdieping van het Huis met de Beelden stond en het ontbrak al sinds een
eeuw. De oudste catalogus van de biblio- | | | | theek, die Sander eens
opgescharreld heeft, bewijst dat. Toch is het een mooie Lipsiuseditie. Geen
editie zoals we tegenwoordig bedoelen, wanneer we de werken van een groot
auteur bij elkaar zouden zoeken en in een aantal gelijksoortige delen bij
één uitgever en met één
lettertype laten herdrukken. Het is zo'n ouderwetse editie die een
liefhebber heeft samengeraapt en samengebonden uit al die eerste drukken van
al die verhandelingen van Lipsius.
Alleen deel 11 ontbreekt. Sinds lang. En dan gebeurt er iets merkwaardigs. Op
maandagmiddag is er - mogelijk al sinds eeuwen - op een zeker plein de
beroemde boekenmarkt. Sander komt er nooit meer sinds marktbezoek voor joden
verboden is. Veel is er trouwens op de markten niet meer te koop. Toevallig
is hij er die maandag in de buurt. Hij loopt langs de markt - dat mag - niet
tussen de tenten door. Het is een hard gelag voor een boekenliefhebber
buitenom te moeten lopen. Op een kar te snuffelen, de boeken door elkaar te
gooien en weer uit te zoeken - dat kan nog avontuurlijker, nog opwindender
zijn dan genummerde boeken uit een rek te halen. Ook als men enkel maar
snuffelt, zonder een bepaald doel of de opzet iets te kopen.
Sander slaagt er niet in de markt voorbij te lopen. Ineens, bij de koopman
die een keer in het Huis met de Beelden verzeild raakte en de rommel per
kilo wilde opkopen - bij die kar maakt Sander Begaas een wending, een
kwartslag naar rechts. Instinctief duwt hij zijn aktentas omhoog, voor zijn
borst, voor de jodenster. Het is een beetje lastig met een aktentas voor
zijn borst geklemd in een massa boeken te grabbelen, maar het duurt gelukkig
niet lang. Een van de eerste boeken die Sander Begaas te pakken krijgt, is
deel 11 van Lipsius, een deeltje precies zo gebonden als de delen 1 tot en
met 10 en 12 die op Sanders schoorsteenmantel staan.
Deel 11 - denkt de boekenkoopman, wanneer Sander hem het boek laat zien. Twee
kwartjes - zegt hij en Sander vergeet te pingelen. Voor twee kwartjes is de
Lipsius compleet. Want het lijdt geen twijfel: dát elfde deel is
precies het elfde deel dat thuis ontbreekt. Een eeuw of nog langer geleden
is deel 11 van de Lipsius | | | | uit het Huis met de Beelden
verdwenen en vermoedelijk na een lange reis hier op de kar terechtgekomen.
Voor twee kwartjes herenigt Sander Begaas het met zijn broertjes. Daar staat
een complete Lipsius op de schoorsteenmantel en het is een genoegen Lipsius'
Latijn in zulk een editie te bestuderen. Zulk een editie. Na een week of wat
beheerst men het ook zonder woordenboek alsof men nooit iets anders had
gedaan dan Lipsius lezen. Wat zal de bibliothecaris verbaasd zijn als Sander
hem zal vertellen hoe hij erin geslaagd is Lipsius te completeren.
Sander zal deel 11 natuurlijk aan het Genootschap cadeau doen, maar dat is
niet het punt, want zulk een ontbrekend deel heeft, als je het weer voor de
dag kunt halen, de waarde van een hele editie. Op het ogenblik kan Sander
het natuurlijk nog niet aan de bibliothecaris vertellen. Zijn Lipsius-studie
is nog niet af en als die af is, moet hij eerst de delen 1 tot en met 10 en
12 op hun plaats terugbrengen eer hij deel 11 aan de bibliothecaris kan
aanbieden. Het is vervelend van zulk een mooie editie afscheid te moeten
nemen, vooral als die editie aan jezelf als het ware haar bestaan te danken
heeft, want zonder deel 11 was het maar een zielige torso geweest. Het doet
je pijn als je denkt aan het afscheid moeten nemen, en je stelt het liever
maar uit. Eeuwig uitstellen kan natuurlijk niet. Over een week of wat kun je
klaar zijn met Lipsius en dan zul je hem nog een week voor wat kleinigheden
thuishouden en dan - affijn, er is geen haast bij. Niemand die in het Huis
met de Beelden komt, maalt om een Lipsius van wiens bestaan hij niets
afweet. Hij had evengoed in de geheime kast kunnen liggen bij de
foliobijbels en de andere prachtbanden, al zou hij daar in zijn perkament
geen fraaie beurt hebben gemaakt.
Niemand mist hem, evenmin als de platen en kaarten die Sander mee heeft
genomen. Steeds weer vergeet hij de gevel van het Huis met de Beelden met de
afbeelding te vergelijken, hoewel hij de plaat elke ochtend van thuis
meeneemt. Een week lang tenminste, want op een dag haalt Sander de aktentas
helemaal leeg om er de fijne was in naar de bleker te brengen. De kaarten en
platen zwerven op de tafel, verhuizen met een stapel kranten bovenop naar
het boekenrek en bij een opruiming van het boeken- | | | | rek naar een
kist in de gangkast. Toevallig dezelfde kist waar Catullus uiteindelijk in
terecht is gekomen.
Lipsius troont nog lang op de schoorsteenmantel, maar niet meer overeind met
de ruggen in één rij tot de beschouwer gewend.
Wanordelijk liggen de delen op de zijkant. Lipsius heeft zijn plaats moeten
afstaan aan Taine, Guizot, Louis Blanc en nog wat negentiende-eeuwse
geschiedschrijvers. Sander Begaas weet eigenlijk niet meer dat die twaalf
delen nog bij hem thuis staan. Als hij in het Huis met de Beelden toevallig
eens langs het rek met de lacune Lipsius zou lopen, zou het hem misschien te
binnen schieten, maar de laatste tijd komt hij nooit meer in het deel van de
bibliotheek op de tweede verdieping waar Burmannus de wacht heeft betrokken.
Zijn belangstelling gaat nu uit naar heel andere werken, naar
geschiedkundige, en die staan een verdieping hoger. Een keer had hij daar
een deel van de vermaarde Geschiedenis der Pausen van
Pastor gehaald, maar hij had het al twee dagen later teruggebracht toen hij
had gehoord hoe een bestuurslid telefonisch informeerde of dat werk in de
bibliotheek te raadplegen was. Maar een Franse verzameling politieke
brochures van omstreeks 1848 was op dat ogenblik voor Sander belangrijker
dan de hele kerkgeschiedenis - hij had daar een overweldigende hoeveelheid
materiaal voor zijn boek in gevonden. Er was geen denken aan om dat allemaal
te verwerken in die paar enkele uurtjes dat het Huis met de Beelden
toegankelijk was. Hij nam de brochures mee.
Niet allemaal tegelijk natuurlijk, maar elke keer net zoveel als hij in zijn
tas kon bergen. Hij completeerde de verzameling nog met aankopen op de
boekenmarkt - hij kwam daar nu elke maandag met zijn tas tegen zijn borst
geklemd, en elke keer kocht hij het een of ander. Bij de twee à
driehonderd deeltjes van de verzameling politieke brochures kocht hij er een
twintig à dertig deeltjes bij die dezelfde historische waarde
vertegenwoordigden als de andere bij elkaar. Hij hield natuurlijk beide
verzamelingen strikt gescheiden. Dit was niet overbodig, want die van de
bibliotheek waren maar voor een klein deel voorzien van een stempel of ander
onderscheidend kenteken en wat zijn eigen boeken betrof, had Sander niet de
gewoonte er zijn naam in te zet- | | | | ten. Op den duur was de strenge
scheiding natuurlijk onbetrouwbaar, maar dat hinderde ook niet, want Sander
Begaas wist precies waar hij de deeltjes vandaan had. In het begin
tenminste, want toen Sanders geheugen met de dag zwaarder werd belast,
bleven ook op dit punt de haperingen niet uit.
| |
11
Sander Begaas was veranderd - daar waren de leden van het luisterclubje het
over eens. Zijn belangstelling voor radionieuws was niet verminderd, maar de
grote problemen van na de oorlog, van over honderd jaar of duizend jaar
schenen hem niet meer zo te interesseren. Hij sprak te veel over boeken. Dat
kon ook wel aardig zijn, maar daar kwamen ze niet voor bij elkaar. De boeken
lieten ze achter zich zodra ze de deur van de rommelzolder dicht deden.
Daar lagen weliswaar ook boeken, geen van het Genootschap, maar Schimmel,
Bosboom-Toussaint, Van Lennep, negentiende-eeuwse romans, die de schoonvader
van de conciërge als jongeman gekocht en gelezen had. Zullen ze
over vijftig jaren ónze letterkunde even onbenullig vinden -
vroeg Sander zichzelf af als hij die boeken zag, en dat was dan het enige
probleem van over vijftig jaar dat Sander aanraakte, maar het was een vraag
die geen van de anderen begreep. Want met Nederlandse letterkunde die
vijftig jaar zou kunnen trotseren, hadden ze geen ervaringen opgedaan. Een
huis ja, een schilderij ja, een boek nee. Een boek was goud als de gouden
eeuw of pasmunt zoals Schimmel.
Maar Sander Begaas voorspelde iets anders. Na de oorlog - zei Begaas - krijgt
Nederland een letterkunde. Nederland zal het laatste Europese volk zijn dat
beseft dat niet zijn schilderkunst, zijn bouwkunst, zijn muziek, zijn
godsdienst, maar zijn taal de hoeksteen en de toetssteen van zijn
onafhankelijkheid is.
Hij begint al weer over de letterkunde - dachten ze dan. Vroeger sprak hij
over vrijheid en samenwerking en socialisme en godsdienst - allemaal grote
problemen. Hij zakt af. Misschien zal hij zich ook nog druk maken over de
bioscoop. Want na de oor- | | | | log komen er immers ook weer films.
(Ze weten niet dat Sander op zijn projectenlijst ook diverse films heeft.)
Hij is onberekenbaar - dacht de gereformeerde, en soms zei hij het ook en de
anderen stemden ermee in. Op een keer las hij een gedicht voor uit een Brugs
liedboek. ‘Wie heeft dat geschreven?’ vroeg hij ze.
‘Waarom staat dat in geen anthologie van de Nederlandse
poëzie? De auteur steekt Vondel naar de kroon, maar hij is
moderner dan Vondel.’ Sander toonde dat aan, met elk woord, elk
beeld, elke formulering van een gedachte. Ze namen er kennis van en ze
vonden het na het voorlezen van het gedicht tenminste een opluchting. Want
zo lang als hij daar een zeventiende-eeuws minnelied zat te declameren,
hadden ze bedremmeld op hun vingers gekeken en zich geschaamd dat zoiets
mogelijk was, dat iemand op de door radio en diepe problemen geheiligde
rommelzolder dwaas begon te doen en een vers begon voor te lezen waar vier
keer ‘minne’, drie keer ‘kussen’
en twee keer ‘sterven’ in voorkwam. Als hij nou een
moderne schlager had gefloten! Die hoefde niemand au sérieux te
nemen.
De dag na de declamatie van het Nederlandse gedicht leek het of hij zelf
voelde dat hij raar had gedaan. Hij had het ineens over Franse letterkunde.
Daarin was de katholiek hem de baas. Die kon Racine en Baudelaire opzeggen
alsof het Hollandse graven waren. De anderen luisterden met ontzag, want
‘j'aime’ klinkt nooit zo tergend druk en aanstellerig
als ‘ik bemin’. Ze luisterden niet lang, want het was
Frans en dat vermoeit. Maar ze revancheerden zich door zelf in het Engels,
Spaans of Italiaans te declameren, wat door anderen dan de declamator
meestal niet verstaan werd. Ze vonden dat trouwens heel gewoon. Maar enkele
dagen later schaamden ze zich toch een beetje, de een voor de ander. Ze
konden zich gelukkig troosten met de overweging dat Sander Begaas zich het
meest moest schamen. Hij was trouwens met de Franse letterkunde begonnen,
meenden ze, omdat hij met zijn zeventiende-eeuws gedicht een slechte beurt
had gemaakt en die slechte indruk wilde wegnemen. Dat meenden ze, maar ze
vergisten zich. De zaak zat zo:
Op een dag had Sander Begaas weer de deur op de tweede verdieping opengedaan.
Hij was weer van Petrus Burmannus ge- | | | | schrokken, hoewel hij
voorbereid, met het schrikbeeld voor zijn ogen, binnenkwam. Het schrikbeeld
had hem binnengelokt. Hij was benieuwd of hij nog steeds zou schrikken, maar
toen hij geschrokken was, liep hij door, zaal 1 door, zaal 2 door en recht
op de eerste nog onverkende geheime kast af, alsof hij voor niets anders
kwam dan deze kast. Hij ging te werk zoals hij het met de geheime kasten
gewend was en vond er een hele achttiende-eeuwse Nederlandse
toneelbibliotheek, geschreven toneelstukken en rollen. Stomvervelend. Dus
weer een ontgoocheling.
Maar de volgende kast was des te belangrijker: een handschriftencollectie,
afkomstig uit een Belgisch Dominicanenklooster. Franse vertalingen van
Latijnse schrijvers, misschien ook Franse originelen. Sander kent niet
voldoende oud-Frans om ieder stuk op zijn waarde te kunnen schatten. Ergens
komt hij de naam van Karel de Grote tegen en begint daar te lezen. Het is
lastig. Ook met een oud-Frans woordenboek dat hij van de eerste verdieping
haalt, lukt het niet best. Maar iets begrijpt hij: het is een van de
novellen of romans rond Karel de Grote. Een engel beveelt de keizer in de
droom van zijn bed op te staan en te gaan stelen en Karel de Grote
gehoorzaamt. Sander Begaas denkt na of hij het verhaal niet kent, maar het
is al te lang geleden dat hij zich met het Roelandslied en dergelijke heeft
beziggehouden. Hij leest verder tot hij weer een naam tegenkomt en dan weet
hij dat het het verhaal van Karel ende Elegast is. Karel ende Elegast in het
Frans. Van de derde verdieping haalt Sander een uitgave van de Nederlandse
versie van de Karel-novelle en samen met het handschrift doet hij die in
zijn tas. Ook het woordenboek neemt hij natuurlijk mee en wat literatuur
over Karolingische verhalen.
Boeken uit het Huis met de Beelden meenemen is voor Sander de gewoonste zaak
van de wereld, en één keer per week op de boekenmarkt
snuffelen ook. Het bezoek aan de boekenmarkt is het gevaarlijkste van die
twee, want als ze hem daar betrappen, gaat hij via Westerbork rechtstreeks
naar Polen als zogenaamd strafgeval. Als ze hem met boeken van het
Genootschap betrappen en hem kwalijk nemen dat hij op eigen houtje boeken
leent? Alleen de ss. Maar voor de ss
is de genootschapsbibliotheek misschien openbaar en dan mag hij het Huis met
de Beelden niet | | | | eens binnen. Van het Genootschap heeft Sander
veeleer een lofprijzing verdiend. Behalve deel 11 van Lipsius en de Franse
brochures heeft Sander tot drie keer toe op de markt boeken gekocht die
bepaalde deelcollecties van het Genootschap prachtig completeren en laatst
heeft hij zelfs een bedrag van twintig gulden uitgegeven aan enkele
bladzijden uit het insektenboek van Merian die zonder twijfel gescheurd
waren uit het genootschaps-exemplaar dat hij in de tweede geheime kast had
gevonden. Deze lacune had hij pas ontdekt toen hij de uitgescheurde
bladzijden op de markt zag - om het geheel te onderzoeken had hij de Merian
toen meegenomen naar huis. Hij had dit gedaan hoewel het boek zelf hem
eigenlijk niet interesseerde en voor zijn tas te groot was, maar met wat
pakpapier en een touw had hij er een omvangrijk maar toch onopvallend pakket
van gemaakt.
Thuis had hij de losse bladen ingeplakt, maar na de ervaringen bij het
heentransport had hij het terugtransport van het ongemakkelijke boekdeel
uitgesteld tot na de oorlog, wanneer hij weer op de tram zou mogen. De
Merian kwam, na enige dagen op het bureau, spoedig op de folio's in de
kamerhoek terecht, die geregeld dienst deden om het tafellinnen en het
beddegoed voor het strijken te persen, en toen mevrouw Begaas er prijs op
stelde, bracht Sander bij de eerste de beste gelegenheid weer zo'n dik en
zwaar boekdeel uit het Huis met de Beelden mee naar huis, ook weer met
pakpapier en touw als pakket gecamoufleerd - het was een waardeloos maar
fraai gebonden stichtelijk werk.
Dat was een exceptioneel geval. Sander zocht anders de boeken uitsluitend
volgens zijn belangstelling uit en het kwam haast niet voor dat hij een
meegebracht boek niet al dezelfde avond onder handen nam om het te bewerken.
Maar daar dit werk meestal niet in één avond kon
worden gedaan en de volgende avond andere boeken aan de beurt kwamen, bleven
de nog niet afgewerkte boeken lang, meestal onbeperkt bij hem liggen. Niet
noodzakelijk in de studeerkamer. Langzamerhand was hij genoodzaakt kasten
elders in de woning en zelfs kisten in de schuur met boeken te vullen,
waarop mevrouw Begaas niet bepaald gesteld was.
In die tijd was Sander Begaas ook afgeraakt van de gewoonte | | | | met
zijn aktentas naar de stad te gaan. Hij deed het nu met een kleine koffer,
waarin hij meer dan dubbel zo veel als in de tas kon bergen. Nog wat later
vond hij het geschikter naar het Huis met de Beelden te gaan met een koffer
die alleen een lege aktentas bevatte en terug te komen met de gevulde koffer
in de ene en de gevulde aktentas in de andere hand. Alleen op maandag
beperkte hij zich tot de aktentas, want de inspannende procedure op de markt
om met de aktentas de jodenster toe te dekken, liet niet toe dat hij er nog
een koffer bij had. Op den duur kon hij het gevoel niet van zich afzetten
dat hij de maandag om zo te zeggen verspilde of in elk geval voordeliger kon
besteden. Hij sprak met de marktkooplieden af wanneer hij ze thuis kon
opzoeken; 's ochtends en 's middags wanneer hij anders in het Huis met de
Beelden had zitten te werken of te snuffelen, liep hij nu vaak bij de
kooplieden thuis aan, vooral wanneer ze hem gewaarschuwd hadden dat ze iets
van zijn gading op de kop getikt hadden.
Op die manier kwam de maandag vrij voor boekentransporten zoals die van
dinsdag tot en met zaterdag. Op sommige dagen deed Sander thans zelfs twee
keer de tocht van zijn huis naar het Huis met de Beelden en terug. Hij was
als bezeten door de drang naar boeken. De wens alle boeken die hij ooit
nodig zou hebben bij zich thuis te weten, beheerste hem. Mijn werk moet voor
het einde van de oorlog gereed komen - dacht hij. Als de oorlog afgelopen
is, zal ik het zo druk hebben met de strijd om mijn maatschappelijke positie
dat er niet veel tijd meer zal overschieten voor het boek dan misschien
dagelijks één uur dicteren in de schrijfmachine. In
dat tempo zou het werk een half jaar na de oorlog gereed kunnen zijn voor de
drukker - dat is dan ook precies de aangewezen tijd om zo'n boek te doen
verschijnen. In elk geval moeten de laatste bronnen in het kaartsysteem
verzameld zijn voordat in Europa vrede heerst. Nú die bronnen
door te werken, dat zou lijken op de krekel die de hele zomer zong terwijl
de mier voorraden opsloeg. De voorraden die hij - Sander - thans moest
vergaren, dat waren de boeken. Wie weet hoe lang het nog zou duren dat hij
onbevreesd de dagelijkse tocht naar de Genootschapsbibliotheek kon
ondernemen. De sterilisatie-actie van de moffen deed het ergste vrezen. Als
de gedwon- | | | | gen sterilisatie er kwam, zou Sander moeten
onderduiken, als ‘arbeidsinzet’ de gemengd gehuwde
joden bereikte, eveneens, en in elk geval was er weer veel kans op razzia's,
en zodra Sjaak Vellemans het sein gaf, moest hij thuisblijven om de
‘Grünen’ niet in de handen te vallen.
Wanneer hij morgen of overmorgen zijn wandelingen naar het Huis met de
Beelden moest staken, bleef het werk aan zijn boek liggen, dagen, weken of
misschien de hele verdere oorlog, tenzij hij het hele materiaal voor het
boek in huis had.
Sander werkte koortsachtig - onder ‘werken’ dan te
verstaan het ‘lenen’ van boeken en het wegslepen uit
de bibliotheek naar huis. Doorwerken of zelfs maar inkijken van de boeken
zou tijdverspilling zijn geweest, tenminste wanneer hij er kostbare minuten
aan zou hebben besteed die hij voor het weghalen niet kon missen. Thuis bij
hem stapelden de boeken zich op. Huiselijke scènes waren niet
meer van de lucht, maar stuitten de boekeninvasie niet. In alle kamers, op
de wc, in de schuur, onder de bedden lagen de boeken, en als Sander
werkelijk eens iets moest zoeken, moest hij het hele huis ondersteboven
halen. Kwam er toevallig visite aan zijn deur, dan kon hij niets anders doen
dan de bezoeker wegsturen, want er was geen stoel meer vrij en ook op de
grond was er geen plek meer waar iemand had kunnen staan.
De bezoekers die vroeger geregeld bij Sander Begaas over de drempel waren
gekomen, bleven weg, en zodoende kon hij nog meer tijd aan zijn boeken
besteden en dat kwam hem goed van pas. Alleen het luisteren op de
rommelzolder bracht hem nog met mensen in aanraking, maar de genoegens van
het verboden luisteren misten de oorspronkelijke prikkels. Mevrouw Begaas
keek niet meer bij de huisdeur naar hem uit om liefst nog op de drempel het
nieuws te vernemen. Stap voor stap veroverden de westelijke legers Afrika en
Italië en als een wals rolde het Sovjetleger de Duitsers
achteruit. Toch scheen er geen eind aan de oorlog te komen. Ook het
overwinningsnieuws werd eentonig en mét dat nieuws het commentaar
erop. De plannen voor de wereld na de oorlog hadden al zulke vaste vormen
aangenomen dat er nog nauwelijks iets te bediscussiëren viel. Af
en toe flikkerde er weer iets op in hem op de rommelzolder, maar meestal
had- | | | | den ze de indruk dat hij geen tijd meer voor ze had,
dat hij na de uitzending zo snel mogelijk weer aan zijn werk wilde, dat wat
hij vroeger het belangrijkste van allemaal had geacht, hem nu niets meer kon
schelen. Maar ze begrepen zijn houding wel. Sinds er op alle fronten
continue vooruitgang was, waren ook zij onverschilliger geworden en namen
elkaar de onverschilligheid niet meer zo kwalijk. Met de overwinning voor
ogen was het niet zo belangrijk meer als vroeger elkaar moreel te steunen.
Het binnenlandse front hield thans door zijn eigen zwaarte stand, de
enkeling was niet onmisbaar. De tijd dat ze konden menen een vaderlandse
plicht te vervullen door op de rommelzolder te discussiëren - die
tijd was voorbij. Iedereen behoorde thans vanzelf tot meer dan
één kring waar op dezelfde manier geredetwist werd
(zij het dan meestal op een lager peil) als in het Huis met de Beelden, en
de denkbeelden die op de rommelzolder en op tal van andere rommelzolders
gekiemd hadden, waren overgeplant naar het openbare leven, op straten en in
plantsoenen.
| |
12
Sander Begaas liep nog even verstrooid als vroeger door de stad. Hij bleef
nog steeds voor etalages staan om onopvallend te peinzen, maar hij peinsde
niet veel meer. Met een last boeken aan je linkerhand en een last onder je
rechterarm is het niet makkelijk peinzen. Er was ook geen stof meer, want
het nadenken ten behoeve van het boek dat hij moest schrijven beperkte zich
thans tot het uitzoeken van de boeken die hij nodig zou kunnen hebben, zodra
de weg naar het Huis met de Beelden om de een of andere reden versperd zou
raken. En de nieuwbouw van de wereld in de eerstkomende jaren en eeuwen was
ongeveer klaar en eiste zijn belangstelling niet meer op.
Sander Begaas' belangstelling was bij de boeken. Eigenlijk niet bij die van
het Constminnende Genootschap, want die stonden daar te kust en te keur en
wat hij toevallig nodig zou hebben, hoefde hij maar te pakken en mee te
nemen. Meer aandacht moest hij besteden aan de boeken van de kooplieden,
want die | | | | kostten geld. Toch viel het mee. Hij slaagde erin
zijn uitgaven strikt te beperken en toch zijn voordeel te doen - of
eigenlijk ook het voordeel van het Constminnend Genootschap. Hij ruilde
veel, soms met bijbetaling van een klein bedrag. Voor een vlekkige
Ruysbroeck van 1624 kreeg hij een schone met bijbetaling van maar een riks.
Een Roemer Visscher zonder titelblad ruilde hij voor een met titelblad. Voor
een doublette J. Bapt. Houwaert wist hij een Historie van Jan Faustus op de
kop te tikken en zodoende deed hij met zijn eigen boeken en die van het
Genootschap uiterst voordelige zaken.
In het begin tekende hij alles nauwkeurig aan om later rekenschap te kunnen
afleggen, maar op den duur groeide het hem boven zijn hoofd. De transacties
werden hoe langer hoe ingewikkelder. Hij ruilde niet zo maar door aan
koopman A iets af te geven en daarvan iets anders van hem te ontvangen
(eventueel met bijbetaling), maar er werden in één
transactie drie of meer kooplieden betrokken. Hij zag bij voorbeeld bij
koopman A een verzameling Franse politieke brochures, die veel uitgebreider
was dan de - door hem al aangevulde - collectie van het Genootschap. De
koopman vroeg er driehonderd gulden voor. Sander Begaas bood toen zijn eigen
collectie (d.w.z. die uit het Huis met de Beelden) aan koopman B, die er net
een klant voor had, voor vierhonderd gulden aan. Sander verkocht dus de ene
en kocht de andere collectie - dus een bate van honderd gulden die hij in
liederenboeken omzette en een meer uitgebreide collectie Franse pamfletten
in plaats van de oude.
Het was Sander Begaas wel toevertrouwd voordelige zaken te doen. Maar hij was
zich ervan bewust dat hij die niet deed voor zichzelf, maar voor de
bibliotheek. Het was om zo te zeggen de dank die hij aan het Genootschap
verschuldigd was voor het gebruik van de bibliotheek sinds hij van alle
andere bibliothecaire hulp verstoken was. Door de genootschapsbibliotheek
handig te verrijken, kweet hij zich van een schuld. De boekenprijzen bewogen
zich, als alles, in een stijgende lijn en Sander Begaas die goed uitkeek,
wist het feit dat ze niet bij alle kooplieden in alle boekensoorten even
vlug stegen uit te buiten met transacties die men op de beurs arbitrage
noemt. Dergelijke transacties waren | | | | natuurlijk niet mogelijk
wanneer Sander alleen over die boeken kon beschikken die bij hem thuis
lagen. Hij nam vaak, naar gelang het hem nodig leek, het een of ander soort
boeken uit het Huis met de Beelden mee naar de kooplieden en hij keerde met
meestal waardevoller boeken terug. Een keer gebeurde het toen dat onder de
ogen van de conciërge die hem opendeed de koffer barstte. De
stoep van het Huis met de Beelden was als het ware bezaaid met boeken die
Sander bij een antiquair geruild had of had willen ruilen, boeken die in de
rekken van het Genootschap hoorden te staan en boeken waarmee Sander, als
zijn werk voltooid zou zijn, de Genootschapsbibliotheek zou verrijken. Hij
had de koffer eventjes in de gang van het gebouw neer willen zetten om
ondertussen wat boeken in de leeszaal te raadplegen. Het was niet de taak
van de conciërge om verdenkingen te koesteren tegen iemand die
met een koffer vol boeken het gebouw binnenkwam, maar wanneer Sander bij het
verlaten van het huis dusdanig met boeken zou hebben gestrooid, zou de
conciërge niet anders hebben gereageerd.
Sander begroette de doveman zoals gebruikelijk met een tirade van
scherpgescandeerde Latijnse versregels. ‘In nova fert animus
mutatas dicere formas corpora’ declameerde hij, terwijl hij op de
puinhoop van boeken wees, en de conciërge reageerde erop met
zoiets als ‘ja, daar kan de sterkste koffer niet
tegen’ en haastte zich, voor zover het met zijn slome aard van
bewegen strookte, de boeken op te rapen en achter de deur in veiligheid te
brengen. Uit een Latijnse bijbel die op de grond lag, las Sander voor
‘Ex abundantia cordis loquitur os’ en hij vertolkte
dat aan de conciërge in zoveel talen als hem vertalingen te
binnen schoten; hij varieerde het vers in de geest van ‘uit de
overvloed van boeken spreekt de koffer’, wat de
conciërge hoofdknikkend beaamde. Het laatste boekje dat Sander
opraapte was een editie van de Tristiae van Ovidius, en
Sander ging ermee in de gang zitten, met zijn voeten op een trede van de
stoep, en las eruit voor, aanvankelijk om op zijn gewone manier de
conciërge voor de gek te houden, maar langzamerhand geheel
verdiept in die melancholieke poëzie.
Bij de woorden ‘vivere me dices salvum tamen esse
negabis’ | | | | (zeg dat ik leef maar niet welvaar) staat
hij zuchtend op, gaat door de gang naar de stenen trap en klimt langzaam als
een bejaarde naar de eerste verdieping; zijn hand glijdt over de gladde
eikenhouten leuning. Hij heeft de koffer met de boeken aan de zorg van de
conciërge overgelaten, alleen de Ovidius hangt als het ware in
zijn slappe hand.
Op de tweede verdieping loopt hij de magazijnzaal binnen, zo onverschillig en
indolent dat hij niet eens de gevreesde Burmannus opmerkt. Bij een der ramen
blijft hij staan, kijkt naar buiten en vage visioenen van een sterke man met
naakte borst en brede schouders, in de grond wortelende, trekken voorbij
zijn oog. Lang staart hij naar een vlieg op het kozijn die nauwgezet zijn
zes zwarte pootjes één voor één
poetst, en pas het opvliegen van het insekt is voor Sander het sein om uit
zijn overpeinzingen te ontwaken en opnieuw het boek, dat hij losjes in zijn
hand houdt, open te doen. Hij herleest de tekst, maar komt niet verder dan
de eerst versregel ‘Parve (nec invideo) sine me liber, ibis in
urbem’ (Boekje - ik ben niet jaloers - ga naar Rome zonder mij)
want het wordt hem te machtig. Het heeft hem gepakt, dit profetische
zinnetje, als een orakelspreuk van Delphi, die alleen tot de fijngevoeligen
doordringt en tot hen die zwanger zijn van de dingen die gaan komen. Als met
een diamant in een spiegelruit gegrift ziet hij zijn levenslot in
één duistere versregel omschreven en hij ziet zichzelf
als een dichter die, bij zijn eigen lijkkist staande, peinst over een moeilijk epigram dat zijn grafsteen moet sieren. Het is alsof hij in zijn
eigen lijkstoet meeloopt, diep ontroerd over de lotsbeschikking die het
einde van zijn leven heeft bepaald. Hij weet nu stellig dat hij zijn werk
zal voltooien, dat hij niet weggeroepen zal worden voordat hij de laatste
regel voltooid heeft - het is de voorspelling waarvan elke iota vervuld zal
worden. Maar ook aan het andere valt niet te twijfelen: ‘Parve
(nec invideo) sine me liber ibis in urbem.’ Haha, nec invideo.
Hij lacht wreed en de muren met de boekenrekken durven het niet te
weerkaatsen. Nec invideo - ik benijd je niet. Nee, dat gaat te ver. O ja, ik
zal je niet meer kunnen benijden, mijn boek, wanneer je op zekere dag,
zonder mij, de wereld in zult gaan. Ik zal je niet begeleiden, ik zal zelfs
niet - als de dichter in Tomi in bal- | | | | lingschap aan de Zwarte
Zee - weemoedig je weg - naar Rome overzee - kunnen volgen. Het is niet voor
me weggelegd; zelfs de weemoedige blik de verte in, waar mijn boek zijn weg
zoekt, is me niet vergund. De blik in de toekomst, over maanden oorlog heen,
is het schamel loon voor het werk dat ik ondernomen heb en ten einde moet
brengen.
Sander speelt met het potlood waarmee hij de verzen op het kozijn heeft
gescandeerd. ‘Parve, nec invideo, sine me, liber, ibis in
urbem.’ Hij draait zich om en laat zijn blik over de rekken
glijden. Hij schrikt niet meer van Burmannus. Die stenen duivel zal hem uit
zijn hiernamaals niet beletten aan het werk te gaan dat hij af moet maken.
Sander heeft lang de zalen van de tweede verdieping gemeden. Dat moet nu
afgelopen zijn. Hij kan het niet langer voor zichzelf verantwoorden. Hij
heeft de boeken op de tweede verdieping even hard nodig als al die andere.
Zijn werk mag geen schade ondervinden van belachelijke vooroordelen. Sanders
geweten eist dat hij niets nalaat dat zijn werk ten goede kan komen. Zijn
persoonlijke wensen en genoegens ten spijt moet hij zich ten volle aan de
taak wijden die hem opgedragen is.
‘Pereat Burmannus,’ roept hij dreigend uit; hij verlaat
de zaal, daalt de trap af - vlugger dan hij er daarstraks is opgeklommen -
gaat het gebouw uit en loopt binnen bij de eerste de beste kruier, in een
zijstraat. De man is net op zijn bakfiets thuisgekomen. Sander heeft zo'n
haast dat hij hem niet eens wil toestaan eventjes af te stappen. Ongeduldig
wacht Sander in het portiek, terwijl de kruier een bakje koffie drinkt, en
haastig loopt hij midden op de weg naast hem om hem de weg naar het Huis met
de Beelden te wijzen. Hij neemt de man mee naar de tweede verdieping en de
eerste opdracht die hij hem geeft is de buste van Petrus Burmannus van het
voetstuk te tillen, naar beneden te brengen en op de bakfiets te laden.
De kruier sputtert tegen. Als hij, de kruier, zich er een ongeluk aan tilt,
zou hij, Sander, het niet kunnen betalen, maar met goede woorden en de
belofte van een flinke beloning haalt hij de kruier over de opdracht uit te
voeren. Het transport van het beeld naar de bakfiets toe verloopt zonder
incidenten, en na Burmannus | | | | gaat een grote stapel boeken die
Sander uitgezocht heeft, dezelfde weg. Sander wil er nog meer opladen, maar
de kruier protesteert met succes, en Sander moet genoegen nemen met wat de
kruier als maximum toelaat. Boeken zijn immers zwaar en de banden van een
bakfiets zijn in het vierde oorlogsjaar niet veel zaaks meer.
Sander loopt naast de kruier, die op zijn gemak over het vochtige asfalt
fietst. Hij laat hem een grote omweg maken, naar een stortplaats aan de rand
van de stad, waar hij hem het blanke beeld van Petrus Burmannus laat
deponeren. Met de rest van de lading, de boeken, laat hij hem naar zijn,
Sanders, woning fietsen, en nadat de boeken naar binnen zijn gesleept,
betaalt hij hem en engageert hem voor de volgende dag. Drie dagen achter
elkaar is de kruier voor hem bezig, maar dan heeft Sander ook alle voorraad
binnen die onmisbaar is, wil zijn boek voltooid worden. De mier heeft zijn
voedsel vergaard. De winter kan beginnen.
| |
13
Dolle dinsdag kwam, de slag bij Arnhem en daarna nog enkele weken gespannen
verwachting. De zwager van de bibliothecaris had al in augustus het
luisterclubje in de steek gelaten - illegaal werk elders in het land eiste
hem op. In oktober werd de bibliothecaris ziek en langzaam brokkelde het
clubje af. Een week lang in oktober draaide alleen Sander nog op de
rommelzolder aan de knoppen van het toestel en bladerde na de uitzending
verveeld in de boeken van Schimmel en Bosboom-Toussaint, die tussen de oude
pluche meubels slingerden. Toen raakte iets defect aan het toestel en daar
de eigenaar onbereikbaar was kon het niet gerepareerd worden.
Sander nam zonder treuren afscheid van de zolder, waar hij dag aan dag
(behalve 's zondags) een uur of meer had gesleten. Verstrooid stopte hij de
negentiende-eeuwse romans in zijn tas, wierp een laatste blik door de
stoffige ruiten, kwam toen hij al de halve trap afgedaald was op zijn
schreden terug, keek door een spleet in de zolderkamer alsof hij het een of
ander vergeten | | | | was, ging nog eens naar binnen om de gordijnen
dicht te trekken en sloot toen voor het laatst de deur van de kamer, die hij
niet weer binnen zou gaan.
Enkele maanden later deed hij nog eens een poging om het Huis met de Beelden
binnen te dringen, maar niemand deed hem open. Bezoekers kwamen er toen niet
meer, evenmin als de ambtenaren. Het Genootschap distribueerde wel
levensmiddelen aan de employés, maar dat geschiedde ten kantore
van een der bestuursleden, zodat de begunstigden hiervoor niet naar het Huis
met de Beelden hoefden te komen.
Sinds het begin van de invasie had Sander niet meer de voor zijn werk
vereiste rust gevonden. Na zijn laatste bezoek aan het Huis met de Beelden
had hij nog enkele dagen werkeloos en dus humeurig en prikkelbaar
rondgehangen, maar op zekere middag was hij plots achter zijn bureau gaan
zitten, had wat schone vellen voor zich neergelegd en was aan zijn boek
beginnen te schrijven. Tot laat in de nacht was hij in een koortsachtig
tempo blijven werken. Toen hij het de volgende ochtend herlas was hij onder
de indruk van het grootscheepse in opzet en visie die dit inleidende
hoofdstuk van zijn boek uitstraalde.
Hij las het stuk aan zijn vrouw voor terwijl hij achter haar aanliep door de
hele woning, waar zij haar gewone werk deed, en onder de koffiemaaltijd.
Zijn vrouw deed haar best de indruk te wekken dat zij naar hem luisterde en
het lukte haar ook enigszins. Maar onder de maaltijd moest zij herhaaldelijk
de kinderen terechtwijzen en dat hinderde hem. Hij onderbrak zijn lezing,
trok zich in zijn studeerkamer terug en trachtte opnieuw aan zijn werk te
beginnen. Aanvankelijk lukte het hem niet zo goed als de dag tevoren, maar
plotseling stroomden de woorden zo overvloedig dat hij zich moest beperken
tot losse zinnen en brokstukken ervan die hij haastig neerschreef. Zo bleef
hij een week werken: vellen papier volschrijven, in stroken knippen, de
stroken op andere vellen overplakken, vellen sorteren, mappen aanleggen,
opstapelen, uitzoeken, opbergen en tussendoor boeken en kaartsystemen
raadplegen.
Hij werkte als een galeislaaf en haalde adem als iemand die in het water
gevallen en het verdrinken nabij is. Op een dag wierp | | | | hij de
pen neer, nam het inleidende hoofdstuk weer onder handen en zette het voort
op het punt waar hij het afgebroken had. Niet schriftelijk achter zijn
bureau zittend, maar door de kamer benend en luid declamerend of achter een
lessenaar staand met een imaginair gehoor discussiërend.
Dát is de methode. Hij is er nu achter. Zó zal hij het
werk voltooien, hoofdstuk na hoofdstuk. Het gesprek is de vroedvrouw der
ideeën, en pen en inkt zijn het die de schrikbarende
zuigelingensterfte in dat rijk veroorzaken. Op en neer wandelend op de
tuinpaden der Academie hebben Plato en zijn discipelen de waarheid benaderd.
Zó wandelt Sander Begaas door zijn studeerkamer en schept zijn
boek, hoofdstuk na hoofdstuk, in een gesprek waarvan de vier muren zwijgend
aantekening houden. Soms dwaalt hij af van een vervelend naar een boeiend
onderdeel, soms ook naar de slotapotheose, die hij al herhaaldelijk
geformuleerd heeft en waaraan hij elke dag opnieuw loopt te vijlen.
Het is het donkere jaargetijde. Sander kan de verlichtende vetpotten missen.
Voor het werk dat hij nu verricht is alleen dát licht vereist dat
God in de mens ontstoken heeft om hem te onderscheiden van de dieren. Ook
boeken en kaartsystemen kan hij missen. Hij lijkt nu de evenknie van de oude
wijsgeren die onbezwaard door eeuwen wetenschap en lagen boekenstof het
wezen der dingen doorgrondden. Sander Begaas doet dat in de lange herfst- en
winternachten, die om vier uur in de middag beginnen en om acht uur 's
morgens eindigen. Hij ijsbeert niet meer door koude kamers, maar gaat vroeg
naar bed en staat laat op. Hij werkt nu in zijn bed liggend en overdag hakt
hij hout, staat in de rij bij de centrale keukens en de bakkerijen.
‘Ik schiet goed op,’ herhaalt hij elke ochtend bij het
opstaan, want elke nacht gaat hij zijn hele boek opnieuw door, van de
inleiding tot het laatste hoofdstuk, en bepaalt dan zijn aandacht tot de een
of andere bijzonderheid. Het kost hem uren, maar hij heeft ze te geef. Hij
weet geen betere manier om ze nuttig te besteden. De winter is nog pas
begonnen, misschien zal het nog gaan vriezen, en geen mens gelooft meer dat
we vóór de lente bevrijd zullen worden. Dus blijft het
wachtwoord: werken, doorwerken.
Dan komen de kerstdagen en het Duitse offensief in de Arden- | | | | nen.
Het is de eerste nacht dat Sander niet werkt. Hij ligt wakker en ineens
merkt hij dat hij honger heeft - hij en zijn hele gezin. Vier weken ligt hij
elke dag na te denken waar hij eten vandaan moet halen.
Op een dag gaat hij naar de boekenmarkt. Hij kan de verleiding niet weerstaan
en koopt drie sardines voor een rijksdaalder. De boekenkooplieden staan niet
meer op de markt. Hij zoekt ze thuis op, maar ze zijn voor hem niet te
spreken. Op één na. Die wil wel eens bij hem thuis
komen om te kijken wat de rommel waard is. Het is een blijde mare waarmee
hij thuis kan komen. Op de terugweg loopt hij nog eens over de boekenmarkt
en koopt weer drie sardines. Ze zullen vanavond zes sardines op hun brood
hebben.
De boekenkoopman houdt zijn woord. Ze wachten een hele dinsdag op hem, maar
woensdagochtend is hij present. De zaak is gauw bekeken. De koopman is een
filantroop. Hij biedt een mud aardappelen voor het zootje. Straks zal hij
het laten ophalen. Sander is in de wolken.
Twee dagen rijdt de knecht van de boekenkoopman met zijn handkar af en aan
tot er geen boek meer in de hele woning te bekennen is. De boekenkoopman is
een geschikte vent. Behalve de aardappelen stuurt hij nog wat suikerbieten,
de eerste die bij Sander Begaas op tafel komen.
Het zijn voorlopers. Een maand later is Sander er weer bovenop. Een toonbeeld
van activiteit, een expert op het gebied van suikerbieten. Vooral wat het
inmaken in zuur aangaat. Een vriend heeft hem uit de openbare bibliotheek
alle literatuur over suikerbieten verschaft. Sander Begaas heeft die
doorgewerkt en geëxcerpeerd, ondanks de scheikundige formules,
die hij haat, en hij heeft een kaartsysteem aangelegd dat de basis moet
vormen voor een boek over suikerbieten en suiker.
| |
| | | |
14
Tot de tienduizenden die de dag der bevrijding vierden door hongerig en blij
door de lentewarme straten te kuieren, behoorde ook de dove
conciërge van het Huis met de Beelden. Hij was al jaren niet meer
de deur uit geweest en scheen geen raad te weten met zijn ogen, die hij
opensperde wanneer de verbazing hem overmeesterde, maar meestal dichtkneep
omdat het overvloedige licht hem verblindde. Zijn vrouw en zijn zuster aan
zijn linkeren rechterarm moesten hem meetronen, als hij in een bijna lege
etalage staarde alsof daar de ontzaglijkste wonderen tentoongesteld waren of
wanneer hij met open mond een verheerlijkt groepje jongelui nakeek. Maar de
gewoonste dingen verbaasden hem het meest en hij was niet weg te slaan van
een tweedehandsboekwinkel op een van de grachten waar achter een smalle ruit
negentiende-eeuwse romans van Schimmel, Bosboom-Toussaint en andere
schrijvers tentoon waren gesteld. De oude vlekkerige boeken deden hem denken
aan boeken die hijzelf jaren geleden gelezen had en die ergens op de zolder
van het Huis met de Beelden moesten slingeren.
Zijn eerste gang toen hij thuiskwam was dan ook naar de bovenste verdieping
van het gebouw, en wie beschrijft zijn verbazing toen hij daarboven ook niet
één van die boeken vond. De verwijten aan het adres
van zijn vrouw waren niet van de lucht en de dag van de bevrijding eindigde
in de conciërgewoning minder feestelijk dan hij begonnen was.
Sander Begaas keerde enkele dagen na de bevrijding in zijn oude functie
terug. Dagelijks kwam hij langs het Huis met de Beelden en dan steeg het
bloed hem naar de kaken. Zijn hart klopte en hij hijgde naar lucht. Ten
slotte nam hij een kloek besluit. Hij moest een arrangement treffen met de
antiquair die de boeken tegen een mud aardappelen had overgenomen. Sander
liep herhaaldelijk bij die zaak aan, maar de winkel was steeds dicht.
Mevrouw Begaas begreep er niets van. ‘Het is me een mooie
bevrijding,’ zei ze en schudde het hoofd, wanneer hij
thuisgekomen zich in zijn kamer opsloot, gesticulerend rondliep, hardop
droomde en schrikwekkende kreten uitstootte.
| | | |
Er was nog iemand die elke dag bij die koopman aan de bel stond te trekken:
de conciërge van het Huis met de Beelden. Toen de zwager van de
bibliothecaris zijn radiotoestel ophaalde, vertelde hij de
conciërge dat hij de boeken daar nog in augustus had zien liggen.
Ook de bibliothecaris kon dat bevestigen.
Met de dag raakte de conciërge er sterker van overtuigd dat het
zijn eigendom was dat daar in de etalage lag te prijken en van elke tocht
naar die gracht keerde hij met heviger wraakgevoelens thuis. ‘Een
mooie bevrijding,’ zei de vrouw van de conciërge dan.
Het kon niet anders of die twee moesten elkaar daar ontmoeten. De
conciërge hoefde geen mensenkenner te zijn om uit de gedragingen
van Sander Begaas de enig juiste conclusie te trekken. Hij liep rechtstreeks
naar de politie.
Sander Begaas ging naar huis, tuimelde in zijn bed, maar tussen twee
koortsaanvallen in ontfutselde zijn vrouw hem zijn geheim. Zij waarschuwde
mr Sjaak Vellemans, die, ofschoon hij het druk had met de
repatriëring van joden uit Duitsland en Polen, onverwijld zijn
vriend op kwam zoeken. Mr Vellemans doorzag de situatie in een oogwenk en
begaf zich van Sander Begaas' bed naar een der bestuursleden van het
Constminnende Genootschap onder de zinspreuk ‘Beidt uw
Tijdt’. Met de welsprekendheid, die een der voornaamste deugden
van een goed rechtskundige is, maakte hij de bestuurder duidelijk dat het er
vooral op aankwam een openbaar schandaal te voorkomen, omdat dat het oude
genootschap alleen maar schade kon berokkenen. Hoe gretig zouden de
dagbladen niet zulk een zaak, als er ruchtbaarheid aan werd gegeven,
oppakken, hoe zouden ze niet opgeven over het wanbeheer in het Huis met de
Beelden, hoe krampachtig zou het bestuur zich niet moeten verdedigen tegen
aanvallen in de eerstvolgende ledenvergadering, hoevelen die zich gedupeerd
voelden zouden niet voor het lidmaatschap bedanken, hoeveel begunstigers van
het genootschap zouden niet hun steun opzeggen en hoe zwaar zou het
culturele leven in de stad niet door zo'n affaire getroffen worden. Hoeveel
voordeliger zou het niet voor beide partijen zijn als alles in der minne
geschikt en zonder tussenkomst van de justitie geregeld kon worden. Zijn
mandant | | | | zou wis en zeker zijn best doen om de schade te
herstellen. Men mocht niet uit het oog verliezen dat de eerste stap in deze
van zíjn kant was gezet en er kon geen twijfel over bestaan dat
hij uit eigen beweging en - één en al medewerking -
alle volgende stappen zou doen die nodig mochten blijken.
Het bestuurslid gaf zich spoedig gewonnen en wist al zijn collega-bestuurders
over te halen tot een akkoord dat enkele maanden na de bevrijding zijn
beslag kreeg. Ondertussen moest mr Vellemans met de boekenkoopman
onderhandelen. Deze bleek kort na de bevrijding overleden te zijn en mr
Vellemans kreeg te maken met een stel erfgenamen, die niet allemaal even
gemakkelijk waren. Mr Vellemans' positie was echter vrij sterk, want stapels
boeken met het stempel van het genootschap waren niet bepaald een geschikt
argument om te bewijzen dat de erflater de boeken bona fide had verkregen.
Zonder een zekere, betrekkelijk kleine, schadeloosstelling kwam Sander niet
vrij, maar ten slotte moesten de boeken in het Huis met de Beelden
terugkeren. Er ontbrak vrijwel niets; alleen enkele handschriften die Sander
Begaas in de geheime kasten had gevonden, konden niet achterhaald worden.
Met de overige schatten uit de bergplaatsen achter de boekenrekken kon er
zelfs sprake zijn van belangrijke aanwinsten, en zodoende viel het de
bestuursleden niet moeilijk met mr Vellemans tot overeenstemming te komen om
van elke gerechtelijke vervolging van Sander Begaas af te zien.
De eerste maanden na de bevrijding had de politie het te druk met het
arresteren van nsb-ers en andere oorlogsmisdadigers om
zich met de klachten van de conciërge over enkele zoekgeraakte
boeken te bemoeien. Maar Themis is onverbiddelijk, en een man die wrokt
tegen een slang die hij aan zijn boezem heeft gekoesterd is de beste
pleitbezorger der gerechtigheid, die elke toenadering en elke belofte tot
schadeloosstelling verontwaardigd afwijst als een onkreukbare die voor geen
omkoper zwicht. Het ging immers niet om de romans van Schimmel en
Bosboom-Toussaint, die hij al lang terug had kunnen hebben, maar die nu
onmisbaar waren als corpora delicti op het groene laken. Het was een vrij
eenvoudige zaak die toen aan de orde was, en geen sterveling, zelfs niet de
conciërge, kon de steen tegenhouden toen hij | | | |
eenmaal rolde. Mr Vellemans pleitte alsof hij een moordenaar voor de strop
moest behoeden en vergat geen van de verzachtende omstandigheden. Zoveel
drukte om een paar oude romans - dacht een journalist die toevallig in de
rechtzaal verzeild was geraakt. Een week voorwaardelijk - luidde twee weken
later het vonnis.
‘We hadden ons de bevrijding anders voorgesteld,’
mompelde de conciërge ontgoocheld tegen een dame die tegelijk met
hem de zaal verliet. Het was toevallig mevrouw Begaas en zij knikte van
ja.
|
|
|