terug  begin  verderprepost
[p. 308]

Letteren

Wat ik tussen mijn dertiende en zeventiende jaar las, is vermoedelijk in mijn Dagboek behoorlijk aangetekend. Dat wil zeggen: er ontbreekt (of wordt slechts tussen de regels aangeduid) wat ik op school moest lezen en in directe aansluiting erop las. En nog belangrijker: er ontbreekt de krant, het Berliner Tageblatt. Aan deze krant en al die kranten die ik later las, in Berlijn, Parijs, Amsterdam, heb ik te danken wat men - in mijn geval - beschaving mag noemen. Uiteraard karakteriseert dit niet wat beschaving als zodanig is (indien er dan zoiets los van de individuele beschaafde bestaat). Het karakteriseert mij, zoals ik me helemaal in het begin heb gekarakteriseerd. Het is de beschaving van een journalist, dagjesschrijver en dagjesdenker. De aartsvijand die me H.F. noemde, verweet me oppervlakkigheid. Een hard verwijt. Maar oppervlakkigheid en beschaving, zijn ze niet hetzelfde? Schaven doe je aan de oppervlakte. ‘Vindicat atque polit’ is zo'n leus. Het staal dat wreekt en polijst. Klieven of krabben. Je doet waar je de kracht voor hebt.

Uit kranten heb ik ontzaglijk veel geleerd, want in kranten staat alles door elkaar. Ik vond die van vroeger leuker. Maar dat ligt aan mezelf. Ars longa, vita brevis. De emmer raakt eens vol. Er komt niets meer bij omdat er niets meer bij kan. Ondanks opruimen.

Bij een chaotisch werk zoals dit moet je erop verdacht zijn dat je je niet herhaalt. Ik vrees dat dit niet zal lukken. Maar ik wil toch niet zo voor schut staan als Ortega y Gasset of Menno ter Braak met soms pagina's woordelijke herhalingen. Als er iets herhaald wordt, moet het expres geschieden. Bij voorbeeld zoiets als de auteur van H.F. over me schreef.

Als mijn Dagboek begint, ben ik - dertien jaar oud - met de

[p. 309]

hele Lessing bezig. Ik moet Schiller en Goethe grotendeels al eerder hebben gelezen. Wat Goethe betreft ben ik er zeker van. Met mijn Barmitswa, de meerderjarigheidsviering, in september 1918, kreeg ik, dertien jaar oud, tussen al die andere boeken de Goethe-editie die ik nog bezit cadeau. Ik herinner me voordien al heel wat Goethe in die van mijn vader te hebben gelezen - de plaatjes uit zijn editie zie ik nu ook nog duidelijk voor me, bij voorbeeld bij de Zauberlehrling, Mignon, Der Gott und die Bajadere, bij talloze scènes uit Faust. Ook van Jean Paul moet ik, zoals uit het Dagboek zelf blijkt, al iets in die voor-dagboek-periode gelezen hebben. Van ‘kinder- en jeugdboeken’ herinner ik me weinig. Robinson, Ole-luk-oie, Kapitein Maryat of zo, veel mythologie, Jules Verne, een Karl May die me verveelde, de hond van Baskerville...

Op het moment dat mijn Dagboek begint, houd ik me echt met letterkunde bezig, met de Duitse uiteraard en dan in de ruimste zin, ook letterkundige kritiek, kunstgeschiedenis, filosofie, enzovoort. Wat ik er als dertienjarige van begrepen heb? Dat komt op me over als een hoogmoedig neerbuigende vraag. Als ik mij welbekende literatuur nu (1982) als zevenenzeventigjarige herlees, voel ik soms dat ik zo'n stuk nu pas goed begrijp. De manier van begrijpen is aan leeftijd gekoppeld, en die van een dertienjarige kan even diep geweest zijn als die van de zevenenzeventigjarige. Even diep, alleen anders.

In elk geval begreep ik de taal van wat ik las, ‘klinkend metaal en luidende schel’ (1 Cor. 13:1). En het andere, waarvan hij die dit zei zo zeker was, mocht zijn, dat hij het bezat - hoe was het daarmee gesteld? Ik reflecteer, en wie veel reflecteert, schrijve geen belijdenissen.

De taal boeide me dermate - en niet alleen de taal uiteraard - dat ik hem leerde reciteren en schrijven, in proza en poëzie. Bij alle verscheidenheid was mijn stijl een epigonenstijl. Niet cliché. Was het maar cliché geweest, maar het zat al dieper. Epigonenstijl. Is het niet te veel gevraagd van een vijftien- of zestienjarige dat hij zijn eigen stijl schept? Van iemand die zoveel las, was het misschien te veel gevraagd. En daarbij had ik bepaald nog niet ‘alles’ gelezen. Weinig eigentijdse Duitse en wereldliteratuur. Of

[p. 310]

kon je Ibsen, Strindberg, Dostojewski, Hauptmann, Wassermann, Clara Viebig, Ricardta Huch, Thomas Mann, Dehmel - ga zo maar door - echt eigentijds noemen? Hoe het anders kon, had ik kunnen leren bij Rilke, Morgenstern, Altenberg. Dat ik met hen kennis maakte (en met Arnold Zweig, Tucholski, Arno Holz, Robert Neumann, enzovoort) had ik te danken aan Ilse en Schnitzler pas - hoe is het mogelijk? - aan Suus. Wie bracht me op Kafka? Mogelijk de krant - dat wil zeggen: Max Brod. De krant die, jammer voor mij, Rilke in de hoek van Stefan George had geplaatst. En ik peins me suf van wie toch dit vers zou kunnen zijn:

 
Drei Hasen tanzten im Mondenschein,
 
Im Wiesenwinkel am See,
 
der eine war Löwe,
 
der andre war Möwe,
 
der dritte war ein Reh.
 
Wer fragt, der ist gerichtet,
 
hier wird nicht kommentiert,
 
hier wird an sich gedichtet.
 
Doch fühlst du dich verpflichtet,
 
erheb sie ins Geviert
 
und füg dazu den Purzel
 
von einem Purzelbaum,
 
zieh aus dem Ganzen die Wurzel,
 
und träume den Rest als Traum.
 
Dann wirst du die Hasen sehen
 
im Wiesenwinkel am See,
 
wie sie auf silbernen Zehen
 
im Mond sich wunderlich drehen
 
als Löwe, Möwe und Reh.

Hoe chaotisch zo'n plotselinge vraag aan de lezer: van wie kan dat zijn? Bij Morgenstern kon ik het niet vinden, dit mooiste stuk Duitse romantiek. Ik heb het uit de krant - omstreeks 1926 - ik zie me nog in de krantenleeszaal van de universiteit zitten.

Er schiet me iets te binnen: een verhaal in de stijl van Altenberg, dat ik misschien nog eens opschrijf, bestemd voor wie Ril-

[p. 311]

kes gedicht ‘Das Karussell’ kennen. Ik heb hem nog eens een keer gezien, die draaimolen, een halve eeuw later, één keer op een middag in de Jardin du Luxembourg - ik zou zelfs de dag nog nader kunnen bepalen. De bonte paarden, de rode leeuw, het hert, ‘und dann und wann ein weisser Elefant’. Het kon niet missen, hij was schitterend gerestaureerd, dezelfde draaimolen die Rilke toen had gezien - alleen Rilkes beeld van de ronddraaiende kinderen klopte niet met de realiteit van een halve eeuw later. Ik heb de historie van die draaimolen toen nog willen uitpluizen, maar de baas, een Algerijn, negeerde mij - misschien bang dat ik van de belasting was. Ik ben daarna nog naar de Jardin des Plantes gegaan, hoewel ik al wist dat panters niet zo oud worden als draaimolens. Maar waar is die draaimolen ondertussen gebleven? Mais où sont les neiges d'antan?

Hoe ver ben ik weer afgedwaald - iemand achter me zei ‘Schrijf dat op, Hans’ en dat heb ik gedaan.

Ik denk ondanks alles dat ik het overgrote deel van mijn Duitse letterkunde toch pas na mijn eindexamen heb gelezen. Tot 1933 toe. Of preciezer tot 1935. Want toen onze oudste was geboren, zijn we thuis Nederlands gaan spreken en van het spreken kwam het lezen. Ik heb sinds 1935 nauwelijks meer enige Duitse literatuur gelezen, behalve dan herlezen van wat ik al kende. Ik ken absoluut geen moderne Duitse literatuur. Ik schrijf en spreek nog wel Duits, maar het schijnt vreemd over te komen, een beetje als Bühnendeutsch. Misschien heb ik dat van Suus overgenomen, met haar wonderbaarlijk mooie Duitse uitspraak waarop ik toen verliefd ben geworden. Niet ‘op de eerste blik’, maar ‘op de eerste klank’.

Laat ik maar van het Duits afstappen. Mijn eerste vreemde taal was het Hebreeuws, taal van het gebed. Na de Duitse was de Hebreeuwse mijn tweede ‘fibel’. Mijn vader was een behoorlijk hebraïcus. Door hem voorbereid heb ik - op eerste Nieuwjaarsdag - als Barmitswa de hele tora-lezing van het feest gedaan die anders mijn vader deed - beginnend met de geboorte van Jitschak (toevallig mijn eigen Hebreeuwse naam).

Met mijn vader heb ik later nogal wat profeten en geschriften gelezen: Job, Prediker, de rol Ester. Vreemd - we hebben nooit

[p. 312]

een woord Hebreeuws met elkaar gesproken. Het was laschon hakodesch, de heilige taal, en dat gold zelfs nog voor het Aramees, de taal van de talmoed. Dat sprak je niet in het dagelijks leven. Voor de joden in de Oosteuropese getto's was het Jiddisch de profane taal.

Uiteraard was mijn vader niet zo bekrompen. Ik denk dat hij machinaal, zonder het zich te realiseren, een traditie volgde. Trouwens, ook in de Hochschule für Wissenschaft des Judentums, waar ik lessen volgde, sprak je Duits als je de middeleeuwse joodse filosofen of de brieven van Paulus las. Mijn eerste colleges in een vreemde taal waren wiskundecolleges in Parijs en colleges Russische geschiedenis bij Bekker in Amsterdam.

Maar terug naar het Hebreeuws en Aramees. Mijn vader was geen talmoedgeleerde. Ik denk niet dat hij veel Aramees kende buiten de enkele gebeden in die taal. Ik heb wat talmoed geleerd bij een oostjoodse winkelier in onze gemeente, een veelzijdige, goed onderlegde man. Wat talmoed - één traktaat, Baba m'tsia, of niet eens, en dan zonder het middeleeuwse commentaar, waarvan ik het afwijkende schrift zelfs niet goed onder de knie heb. Er is niet veel van blijven hangen - zoiets moet je bijhouden. Ik heb als tegenprestatie zijn zoon wiskundelessen gegeven. Ik vertel dit omdat ik met zijn vader wel Hebreeuws heb gesproken. Waarom? Achteraf kan ik het reconstrueren. Hij sprak beter Jiddisch dan Duits en zijn Duits was ook min of meer Jiddisch. Het Hebreeuws als voertaal was een noodsprong om uit die verlegenheid te geraken. In elk geval heb ik het niet bijgehouden en van het Nieuwhebreeuws weet ik bitter weinig.

Mijn tweede vreemde taal was het Frans, in het vierde leerjaar; daar kwam Latijn bij in het zevende en Engels in het tiende. Wat me het meest spijt, is dat ik op school geen Grieks kon leren; de tijd zou ik ervoor gehad hebben. Ik deed er op de universiteit iets aan, maar daar werd je door zoveel andere zaken overspoeld. In het Grieks heb ik wiskunde, wat Plato en Aristoteles en commentaren gelezen, ook een stukje van het Nieuwe Testament, maar geen Homerus of andere letterkundige werken.

Enkele jaren heb ik bij de onvergetelijke Bekker, leermeester van tal van slavisten, college Russisch gelopen, maar ik heb me

[p. 313]

nooit echt in originele Russische literatuur verdiept. Na de oorlog leerde ik nog Akkadisch (spijkerschrift), maar veel is er niet van blijven hangen. Slavische talen en andere Romaanse talen dan het Frans kan ik een beetje lezen, en vrij behoorlijk Deens, Noors en Zweeds.

Maar het zou over de letteren gaan. Uit het Dagboek heb ik opgemaakt dat ik buiten de school om nogal wat Frans heb gelezen, vooral Molière. De eerste Franse ‘literatuur’ die we op school lazen was Erckmann-Chatrian's Histoire d'un conscrit. Ons Franse onderwijs eindigde bij Victor Hugo. Ik heb later veel Frans proza gelezen, maar heb nooit een relatie kunnen opbouwen met Franse poëzie. Ik ben er vermoedelijk te laat mee begonnen, tussen mijn vijfentwintigste en dertigste levensjaar. Ik heb er veel moeite voor gedaan, bij voorbeeld voor Verlaine en Baudelaire. Het lukte niet. Moeite voor gedaan - dat betekent hardop lezen, declameren - ‘klinkend metaal en luidende schel’. Ik heb nauwelijks Franse poëzie horen declameren - misschien had ik les moeten nemen in Frans declameren. De enige Franse poëzie die ik hardop kan lezen is die van François Villon en Rilke, en het beetje Franse poëzie dat ik zelf geschreven heb, is in hun stijl.

Latijn leerde ik eigenlijk pas goed lezen toen ik van school af was - ik bedoel lezen zoals je een levende taal leest. Mijn leerschool is Tacitus geweest en daar lijkt mijn Latijnse stijl ook op. Met een beetje oefening zou ik er een gesprek in kunnen voeren. In Latijnse poëzie en drama heb ik me pas tussen mijn vijfentwintigste en dertigste jaar goed verdiept, ook in het middeleeuws Latijn. Ik hoef er nauwelijks aan toe te voegen dat mijn eigen poëziepogingen beïnvloed waren door Alanus de Insulis.

Engels was op school, wat literatuur betrof, nog een stuk beroerder dan Frans. Na Christmas Carols heb ik geen woord Dickens meer gelezen, maar ik denk dat dit niet eens het dieptepunt was. Thuis declameerde ik ‘Friends, Romans, Countrymen’, ‘To be or not to be’, enzovoort, maar daar had je op school mee moeten komen! Aan dichten in het Engels heb ik me nooit gewaagd. Ook mijn Engels proza is erbarmelijk. Engels schrijven is geen kunst, maar goed schrijven, de zeggingskracht van een

[p. 314]

taal tot de bodem uitdiepen, is in die taal moeilijker dan in de andere talen die ik ken. Engelse auteurs kan ik alleen met de grootste afgunst lezen. Ik zou het ze willen nadoen, maar ik kan er zelfs niets van onthouden. Ik ben met intensief Engels lezen vermoedelijk te laat begonnen - ik zou zeggen pas met mijn verblijf in de Verenigde Staten in 1960/61. Ik heb inmiddels nogal wat Engelse klassieken opgehaald, maar mijn hoofdkost zijn toch de moderne Amerikaanse schrijvers. Ik houd van de Amerikaanse literatuur, maar het is een ambivalente liefde. Het is Amerika: een strakblauwe hemel, of een wolkbreuk, of een sneeuwstorm.

Dan het Nederlands. Ik kon het enigszins lezen voor ik in Nederland kwam, als Duitser leerde je het in enkele weken spreken, maar als je er op je vijfentwintigste mee begint, raak je het accent niet meer kwijt, ondanks fonetische lessen. Als ik ergens in Nederland op straat naar de weg vraag, krijg ik antwoord in het Duits. Mijn Duits en Nederlands hebben elkaar bedorven, zoals mijn Frans en Engels.

Voor de oorlog heb ik onnoemelijk veel Nederlandse literatuur gelezen, maar met echt Nederlands schrijven ben ik pas in de oorlog begonnen. Mijn Nederlandse produktie is gedeeltelijk gedateerd (ik bedoel niet: dated), zeker voor zover nog in handschrift aanwezig. Om van het getypte en gedrukte de datum van ontstaan te achterhalen, heb ik mijn dagboeken uit de jaren 1939-1946 moeten raadplegen. Dagboeken is een te weidse term voor beknopte aantekeningen met soms nog wat cryptische afkortingen - ik zou er eens een commentaar aan moeten toevoegen. Maar alleen al het doorbladeren van deze notities heeft tot gevolg gehad dat ik - later in een conferentie-oord - twee nachten achter elkaar door oorlogsangstdromen werd gekweld - iets waar ik misschien twintig jaar geleden voor het laatst last van heb gehad.

Ik heb me mijn hele leven veel met geschiedenis beziggehouden en in het najaar van 1940 ben ik me - ik weet niet waarom - in die van de wiskunde gaan verdiepen. Mijn eerste literaire uitingen in het Nederlands waren ‘Mathematische Novellen’, een werk dat ik na een of twee pogingen bij uitgevers nooit meer heb trachten te publiceren. Het zijn historische en filosofische novellen, wiskundig van inhoud en literair van vorm. Het begon in

[p. 315]

december 1940 met een verhaal, ‘Complexistan’, en werd in de eerste maanden van 1941 (en later in 1942) vervolgd met een verhaal, ‘Mobanië’ (een roman op een Möbiuslint), met Maupertuis, De Bernoullis, Newton 1692, Leibniz, Chasles, Chr. Huygens, Legendre-Abel-Jacobi, ‘1848’, Cauchy.

Ondertussen was ik met een novelle, ‘Instituut De Ethica’, begonnen, waarvan ik nu een fragment met gemengde gevoelens heb herlezen. Dit werk werd afgebroken toen ik de aankondiging van een prijsvraag van de Stichting Rotterdam 1939 zag: een toneelstuk naar een onderwerp uit de rijmkroniek van Melis Stoke. Ik was als jood inmiddels door de bezetter ontslagen, met wachtgeld en veel vrije tijd. Ik kon - dacht ik - als literator iets bijverdienen. Niet onder mijn eigen naam - dat zal duidelijk zijn.

Ik besloot mee te dingen. Het onderwerp werd Floris v. Het anagram van deze titel ‘V. Sirolf’ heb ik later als pseudoniem gekozen. Een drama - in 2700 meestal rijmende - verzen. Ik had me, toen ik met dit verslag begon, voorgenomen niets van het oude te herlezen - bang voor wrede ontgoochelingen. Ik heb ‘Floris v’ niet herlezen. Ik wist toch al dat het geen drama was. Maar het kon niet anders of ik moest er hier en daar een blik in slaan. Het beetje dat ik herlas, heeft me getroffen. Door de taalbeheersing, door de stijl die zich aankondigt. Het was, denk ik, mijn eerste Nederlandse poëzie - klinkend metaal en luidende schel. ‘Floris v’ heeft me - tussen allerlei wiskundig werk door - zowat anderhalve maand gekost. Daarna was het typen geblazen en een stroman vinden. Na talloze pogingen lukte het in oktober 1941. Van Dalsum, wiens vrouw Do een jeugdvriendin van Suus was, wilde zijn naam er wel opzetten. Die staat dus in de - nog steeds - verzegelde envelop die aan de buitenkant het motto Tisiphernes draagt. In maart 1942 kwam het manuscript terug; geen enkele inzending was bekroond.

Inmiddels was ik al bezig met andere pogingen: een libretto, ‘Odysseus’, dat L. me gevraagd had - misschien nog vóór ‘Floris v’ begonnen en jaren later hervat, maar niet voltooid. Ik ben trouwens voor L. nog aan twee andere libretto's begonnen; een ervan is voltooid en - veel later - mét de muziek uitgevoerd.

[p. 316]

Ook ongeveer in die tijd had ik in de krant iets gelezen over een ‘Muiderkringprijsvraag’ van de Uitgeversmij. abc. Een roman-prijsvraag, 100000 woorden. Ik had er geen zin in. Roman - dacht ik - is niets voor mij. Suus gaf me op 2 juli 1941 het ‘Stichwort’ en op 10 augustus 1941 was de roman klaar. De titel was Laxdölasaga. Ik had inmiddels van het romanschrijven de smaak te pakken gekregen. Op 23 augustus 1941 begon ik met De Schuldenaar, direct in de schrijfmachine. Op 23 september 1941 was ik ermee klaar. Beide romans werden onder motto ingezonden - ik weet niet meer met wie als stroman.

De Laxdölasaga bleef bij de jury in nadere overweging, de Schuldenaar kwam terug. In april 1943 stortte een brandend vliegtuig neer op het Carltonhotel, waar het bureau gevestigd was. Na de bevrijding herinnerde ik abc aan mijn roman, zond hun op hun verzoek een kopie, ontving eind 1945 nieuwjaarswensen, en dat was het einde van de correspondentie volgens mijn archief. Ik heb Laxdölasaga niet herlezen - ik ben er bang voor. Voor de roman. Niet voor de kwaliteit.

En dan het lot van De Schuldenaar. De roman werd onder motto ingezonden op een prijsvraag van de Haarlemse uitgever Gottmer. Volgens een kranteknipsel moet dat voor 15 april 1943 zijn gebeurd, maar in mijn dagboek kan ik geen aantekening daaromtrent vinden. Mijn stroman was Wim Bloemendal, leerling van me (en ondertussen al oud-collega, in Delft). Hij kreeg hiervoor de eerste prijs, 5000 gulden. Van de uitreiking van die prijs staat het - komieke - verhaal in de ‘Brief aan Lotte’. Ik zat toen in Havelte. Telkens als we elkaar ontmoeten, is dat weer ‘het’ onderwerp van gesprek. Het geld kwam ons in de hongerwinter goed van pas. De roman is ná de oorlog verschenen. Ik heb hem kortgeleden herlezen. Geboeid - maar dat is geen kunst bij werk dat je zelf hebt geschreven. Of wel? Ik heb later bij Gottmer nog een romanprijsvraag gewonnen, maar dat komt nog ter sprake. Dus weer terug naar 1941. In september 1941 schreef ik een ‘romantisch blijspel’: ‘In Holland staat een huis’. Ook weer in verzen, grotendeels gerijmd. Ik heb het niet herlezen. Ik ben er bang voor. Niet voor ‘klinkend metaal en luidende schel’, maar voor het andere dat daar wordt vertolkt.

[p. 317]

Ergens in december 1941 zat ik aan een Nederlandse spraakkunst te werken, bij stukjes en beetjes, voor eigen gebruik.

Dan komt het eerste van wat genoemd wordt ‘grote gedichten’, die ik met de term ‘Leven en Dood’ zou kunnen karakteriseren. Het eerste in januari 1942: sonnet van sonetten: acht jambische en zes trocheïsche sonnetten. Ik hoef het niet te herlezen. Ik ken bijna al mijn poëzie van buiten. Het tweede heet ‘Tot haar, die jij wordt genoemd’, en tussen haakjes staat er ‘Fragment’ bij - ruim 60 strofen van 5 regels waar tussenin enkele ontbreken. Ik heb er al enkele uit geciteerd (blz. 229-230). Met het derde, ‘Silvia’, ben ik in het kamp in Havelte begonnen, en thuis heb ik het voltooid. Het staat met vele andere gedichten uit die tijd in mijn dagboek, in al zijn fasen van ontstaan, invulling en correcties. Het bestaat uit vijftien groepen van vier strofen van elk zes versregels. Op enkele kom ik later nog terug. Het ‘zien’ ontstaan van mijn poëzie is een vreemde gewaarwording.

Aan het vierde gedicht van dit genre ‘Aphrogeneia (fragment)’ ben ik op 13 november 1944 begonnen. Van het eerste deel heb ik het negende en het eerste sonnet eerder in het hoofdstuk ‘Kiekjes’ geciteerd; van het tweede deel staan brokstukken in mijn Dagboek; het derde deel bestaat uit één sonnet:

 
Ik ben niet meer 't geen je wind belaagt,
 
die askruimen bruine wol
 
nachtelijks (en de maan staat vol)
 
over de asheide jaagt.
 
Aleer ik bevrijd in mijn hol
 
versterf ben ik vervaagd
 
en alles wat mij, jong weer, behaagt,
 
woelt in zijn gangen de mol.
 
 
 
In kraters is het vuur gesmoord,
 
zwalkende her en der
 
over ruïnes. Verbrande poort
 
open ik in versper.
 
Door wind en wereld zwijgt een woord,
 
stiller dan stad en ster.
[p. 318]

Het vijfde van dit genre - misschien met 1946 te dateren, is eveneens een fragment, maar dan een dat ik misschien nog afmaak. Titel en eerste versregel is:

Gij die mij leidt op wegen zonder doel

- een dubbele bodem, naar gelang of de klemtoon op ‘leidt’ dan wel op ‘zonder doel’ valt. De eerste zeven strofen van zes versregels zijn neergeschreven en de laatste (zeg dertigste) is in mijn geheugen geprent.

Om deze ‘grote’ gedichten op een rij te zetten heb ik de chronologie geweld aangedaan. Ik kan die nagaan, want het meeste staat zoals het ontstaan is op een blocnote of in mijn Dagboek 1942-46, en wel in het tijdvak van eind 1943 tot mei 1945. Het is van zeer uiteenlopende aard. Een groot deel van de gedichten draagt als titel een Latijnse plantenaam, naar een plant die er toevallig in voorkomt of waarop gezinspeeld wordt. Ze hadden samen met Silva gebundeld moeten worden onder de titel ‘Flora’. Er is ook een bundel puntige sonnetten, waarvan ik er één, ‘La Malmaison’, eerder heb geciteerd (blz. 83); en dan is er nog een lang gedicht in terzinen. Ten slotte is er nog een bundel, in 1946/47 ontstaan, ‘Sirene’. Een bundel uit al deze gedichten is onder het motto Tubalkain (tevens de titel van een der gedichten) ingezonden op de Poëzieprijsvraag van de Gemeente Amsterdam 1945 en heeft (in 1946) een eervolle vermelding behaald, die mij meer heeft gestreeld dan de literaire prijzen die ik heb gewonnen.

Bij dezelfde gelegenheid had ik ook meegedongen om de toneelprijs met een expres voor die prijs geschreven verzetsdrama ‘1942’, dat niet werd bekroond. Jammer. Ik heb het nu herlezen en heb er geen spijt van gehad. Het zou nu nog uitgevoerd kunnen worden.

Voor de toneelprijsvraag 1946 van de gemeente Amsterdam heb ik een drama ‘De aanslag op de zogenaamde Graaf van Saerdan’ ingezonden, in augustus 1943 geschreven, voor het grootste deel in blanke verzen. Het behaalde in 1947 een met M. van Loggum en Luisa Treves (Margreet Roselaar) gedeelde prijs. Ik heb het na lange aarzeling herlezen, was soms licht geërgerd maar er over het algemeen evenzeer van onder de indruk als van ‘1942’.

In september 1942 schreef ik een prozadrama ‘Willem iii’. Ik

[p. 319]

verbeeld me dat het mijn beste is. Ik heb het niet herlezen. Ik werkte ook aan een ‘Willem i’ en aan een ‘Maurits en Oldenbarnevelt’, die niet van de grond kwamen. Na de oorlog schreef ik nog een klucht, ‘Examens’, die op de professorenkrans werd uitgevoerd, en een andere, die ik niet meer kan vinden.

Voor een tweede Gottmerprijsvraag schreef ik in mei 1946 een verzetsroman, ‘De pastor’, die wederom de eerste prijs behaalde, deze keer 7500 gulden. Ik weet niet meer hoe het in elkaar zat, maar toen het bericht van de prijs kwam, liet ik opgewonden mijn schrijfmachine op de grond vallen; die moest daarna gelast worden. De prijs werd me op zaterdag 20 december 1947 uitgereikt. Ik ben toen op maandag nog eens naar Haarlem gegaan om de cheque persoonlijk bij de bank te verzilveren en de opbrengst meteen te verstoppen. Niet voor de belastingen maar voor het ‘Beheersinstituut’, dat op mijn bezit, als zijnde ‘vijandelijk eigendom’, aasde. ‘Beheersinstituut’, ook zo'n chapiter. De bekroonde roman is onder de titel Viersprong der grote wegen verschenen. Ik heb hem niet herlezen.

Op 16 mei 1944 noteerde ik in mijn Dagboek: ‘Het was in de lente toen op de Drentse heide de pinksterbloemen, de boterbloemen en de madeliefjes groeiden. Zo zal misschien een boek verhalen beginnen. O, zullen ze roepen, allemaal verzonnen verhalen! Och, net zo waar of onwaar als deze opmerking, want die bloemen bloeiden in die lente werkelijk op de Drentse heide. Natuurlijk in de graszoden die uit een lage polder overgeplant waren naar het vliegveld Havelte. Het volgend jaar zullen er niet veel meer van terugkomen. Over enkele jaren zullen ze allemaal verdrevenen zijn. Zal het mijn verhalen net zo vergaan? Zo is het met alle waarheden gesteld.’

Het boek ‘Pinksterbloemen op de Drentse heide’ is nooit verschenen. De verhalen zijn zelfs niet eens uitgetypt. Ze zijn kort voor, in en kort na Havelte ontstaan. Ik heb ze herlezen. Het heeft me niet gespeten. ‘Freek’, een gaaf kinderverhaal; ‘Vis’, het verhaal van een man die een zeemeermin op het strand vindt, sober verteld, ‘De monnik van Heisterbach’, een jood die uit het diepst van Rusland in de verdwenen jodenbuurt van Amsterdam terugkomt; ‘De hond’ (van een gezin dat naar Westerbork is

[p. 320]

weggevoerd); ‘Wilma’, een sleutelverhaal; ‘Neboe’ (die naar de sterren keek); ‘De Caterpillar’; ‘Het Bos’ (dat ineens verdwenen was); ‘Het Constminnend Genootschap “Beidt uw Tijdt”’ - maar dat heb ik al verteld.

En nu iets dat niet in deze rubriek thuishoort, maar dat wel gedrukt is, te weten in het feestboek voor mijn zeventigste verjaardag, het - door Thijs voltooide - verhaal dat ik in 1943 mijn kinderen vertelde: ‘Foliantje’.

Waarom som ik dit allemaal op? Om prat te gaan op een weelderige produktie, tussen wiskundige, historische, filosofische studies en wandelingen met de kinderen door, geplaagd door beslommeringen van bezettingsleven, gevangenis, kamp en astma? Suus heeft in die tijd nog harder gewerkt.

Ik heb in die tijd mezelf gevonden en door mezelf de wereld, in de monoloog de dialoog. Onder het schrijven heb ik leren spreken. Ik heb me uit de kluisters van het Duits bevrijd en in het Nederlands mijn eigen stijl gevormd, veroverd. Mijn stijl - meer dan klinkend metaal en luidende schel - en mijn kijk op de wereld, zoals die er met Nederland in het midden uitzag. Op 13 oktober 1944 zuchtte ik:

 
Het gaat zo langzaam. Zo ging 't hier altijd,
 
Zo gutst het water, vult de regentonnen,
 
Zo groeit de stroom, ontwassen aan zijn bronnen,
 
Zo wijken voor de wand'laar horizonnen
 
en 't ochtendgrijs dat in het daglicht slijt.
 
 
 
Zo was 't hier altijd, grenzeloos en vlak,
 
en ging 't soms snel, dan was 't een dijk die brak
 
met vloed en noodweer zó ter plaatse
 
en water om een enkel dak
 
van de overstroomde dorpen te weerkaatsen.
 
 
 
Het gaat zo langzaam. Zo ging 't hier altijd,
 
in tachtig jaren werd het land bevrijd,
 
in duizend amper uit de zee gewonnen.
 
In honderdduizend is wat langzaam slijt,
 
nog aan geen weg door land en volk begonnen.
[p. 321]

Dit vers schoot me net te binnen, maar het is hier misplaatst. Want wat ik heb willen betogen en betuigen is hoe ik mét het Nederlands mijn stijl verwierf, het middel om mijzelf te zijn. Het eerste deel van Silva is hier beter op zijn plaats:

 
Ik vraag niet meer, wanneer de klokken luiden
 
naar 't bos van torens, naar de wind en naar
 
wanneer het woorden zijn wat zij beduiden.
 
Ik hoor het klinken, voel het licht en zwaar
 
van tong tot oren door mijn spieren trillen
 
als door 'n gespannen snaar en zich verstillen.
 
 
 
Ik ben de zee van klokken, en het dreunen
 
van klok tot klok, waar 't één het ander raakt
 
met klanken, die elkander vallend steunen,
 
is taal, die in het middaguur ontwaakt,
 
uitdroomt haar verzen, die zich zonder wikken
 
en wegen in de maat der strofen schikken
 
 
 
Maar, niet in oevers. Niet om te besproeien
 
wat harder zij dan zon en regenboog,
 
steigert de stroom over gewaande boeien.
 
En niets is star en klankeloos en droog
 
of 't is - nog ongetroffen door het spel der golven -
 
herschapen stroom en heeft de stroom bedolven.
 
 
 
Soms keert de vloed. In korte tussenpozen
 
klinkt de eerste klok weer, eenzaam en als bron,
 
en roept en duwt weer door het rimpelloze,
 
zoals zij riep en duwde eer 't begon.
 
Het is jouw stem. Jij bent het tedere uur,
 
mijn ruisend bos, mijn goede avontuur.
[p. 322]

Of nog beter het derde deel:

 
Ik stamel niet - ik ben 't al lang vergeten
 
Mijn kindsheid was een tedere oogwenk kort.
 
Ik groeide in woorden, was door 't woord bezeten,
 
en in mijn woorden is mijn tong verdord.
 
Want eer ik 't wist, was met mijn laatste vonken
 
mijn woord in 't marmer van de taal geklonken.
 
 
 
Vergeefs omsloot ik nog de zonnestralen
 
en wat ik niet bevatte met mijn vuist,
 
vergeefs mijn stamelen met marm'ren talen:
 
ik stond verstomd verdoofd in 't bos dat ruist
 
wanneer zijn bla'ren voor de wind bewegen:
 
ik was een kind en zó heb ik gezwegen.
 
 
 
De wereld is er. Over 't diepste slapen
 
wordt nachtelijks een steile brug gebouwd.
 
We zijn voorgoed en voor elkaar geschapen
 
en - aarzel niet - het is ons toevertrouwd,
 
als wortelen, die steen en klei doen leven
 
in woorden zo gesproken als geschreven.
 
 
 
Aan 't sluimerwaken mag het woord ontspruiten,
 
dat nooit verstilt, en 't is niet ijdel storm
 
der klokkenzee en gonzend orentuiten.
 
Het haam'rend hart klopt zijn gedreven vorm
 
in blank metaal. Uit woorden groeit de zin:
 
Ik hoop, ik vrees, ik haat en ik bemin.

Ik kan niet schatten hoevelen er zijn die als zelfbevrediging knutselen, beeldhouwen, schilderen, dichten. Ze worden ook wel ‘amateurs’ genoemd. ‘Amateur’: betekent dit dat ze er geen beroep van maken, geen kostwinning? In die banale zin zijn er nogal wat kunstenaars, maar vooral wetenschappers, amateur geweest. Of is ‘amateur’ eenvoudig een minachtende kwalificatie?

Een kleine fractie van wat ik toen geschreven heb, is gepubli-

[p. 323]

ceerd. En als ik door was gegaan... frappez, frappez toujours? Nee, de grote vraag die ik me verplicht voel te beantwoorden, is: waarom ben ik niet doorgegaan? Verplicht aan mezelf en aan de wereld. Het antwoord, in de diepte, heb ik in zekere zin in mijn Dagboek als vijftien-, zestienjarige gegeven. Maar dat bedoel ik niet. Zo diep wil ik hier niet graven.

Ik heb enkele pogingen gedaan wat gepubliceerd te krijgen. Afgezien van de prijsvragen - maar dat kon niet anders - heb ik bot gevangen. Ik ben geen doorzetter. Met wat betreft het werk waarvan ik vermoed dat het mijn beste is, heb ik het niet eens geprobeerd. Met ongevraagd wetenschappelijk werk van groter formaat heb ik trouwens ook helaas dergelijke ervaringen opgedaan - van de ene naar de andere uitgever - en een deel ervan zou nimmer gepubliceerd zijn als anderen het niet voor mij hadden opgenomen - werk dat achteraf een bestseller bleek te zijn.

Ik ben geen doorzetter, al zullen anderen zeggen van wel. In elk geval geen doordrammer. Maar het niet doorzetten werd me ook gemakkelijk gemaakt door al het werk dat er na de bevrijding vóór me lag en dat ik op me nam. Werk in het onderwijs volgens ideeën die ik in de tijd van ‘lediggang’ had ontwikkeld, werk aan de universiteit, in de faculteit, in commissies en comités, in verenigingen en besturen, maatschappelijk werk - om van het wetenschappelijke maar geheel te zwijgen. Ik had bergen en bergen te verzetten - althans dat kon ik me verbeelden.

Maar ik denk niet dat dit alleen de reden was. Op den duur zou mijn literaire drift zijn tol hebben opgeëist als er geen uitlaatklep was geweest. Die uitlaatklep was De Groene Amsterdammer.

Mijn eerste stuk in De Groene Amsterdammer verscheen op 16 maart 1946 - ‘Rekenmachines winnen de oorlog’ -, het tweede op 1 september 1946 - ‘Mene mene tekel ufarsin’ -, en na mijn zevende stuk gebeurde het dat de redactie mij een bijdrage vroeg voor het kerstnummer van 1947. In 1955 was ik zo ongeveer aan mijn honderdste bijdrage toe; in totaal werden het 170 à 180 korte of lange stukken, gevraagde en ongevraagde, getekende en niet getekende, tot in de ‘Kleine Krant’ toe (waarin ik een tijd lang de prijsvragenrubriek verzorgde). (De lijst in mijn jubileumboek vertoont lacunes. Enkele stukken zijn gebundeld in het

[p. 324]

boek Van sterren tot inlegzolen.) Mijn laatste grote bijdrage was gedateerd 26 juni 1969, geschreven in Amerika ‘In 't snijpunt der diagonalen’. Ik ben ermee gestopt toen mijn stijl niet meer bij die van De Groene paste. Want, al waren de onderwerpen meestal wetenschap en onderwijs - de stijl was literair. Jarenlang heb ik vele redactie-donderdagmiddagen op De Groene gesleten, in gezelschap van - laat ik ze maar niet opsommen, want ik zou er een kunnen overslaan. Trouwens, ze zijn toch al vergeten en spoedig zal ik de laatste zijn van de oude garde.

Ik schreef niet alleen in De Groene. Door dat blad werd ik als schrijver en spreker in den lande bekend. Hoe vaak ik niet ‘de boer op’ ben geweest om voor volksuniversiteiten, ‘kringen’, verenigingen enzovoort lezingen te houden... Al die stukken in andere kranten en tijdschriften dan De Groene vullen bij elkaar drie ordners. Ik schreef in Wetenschap en Samenleving, in Sol Justitiae, waarbij ik een tijd in de redactie heb gezeten, in andere universiteits- en studentenbladen. Ik schreef de kroniek in Delta. Het mooiste stuk - lijkt me - dat ik ooit heb geschreven, was in een tijdschrift dat al lang onder het stof der bibliotheken bedolven is, in deel 10 van de Kroniek van Kunst en Kultuur, van het Goethejaar 1949. Het was me gevraagd; de titel was ‘Een vreemde gast in Weimar’, en die vreemde gast was de Belg Adolphe Quetelet, de grondlegger van de moderne statistiek. Ik heb geaarzeld of ik het niet in het Goethejaar 1982 weer voor de dag zou halen om het voor de eeuwigheid te redden. Geaarzeld en te lang geaarzeld.

Met het stukjes schrijven is het nog niet afgelopen. Op het ogenblik heb ik een donderdagrubriek in nrc Handelsblad, naast uiteraard mijn vaste medewerkerschap aan onderwijskundige maand- en kwartaalbladen, en tot mijn beetje wiskunde toe, waar ik nog iets aan doe, kun je je bij dit alles afvragen: is het niet eigenlijk literatuur? Bladvulling. Dagbladvulling. Dagvulling. Levensvulling. Levensvervulling.

Het avondblad. Je levensavondblad.

Tja, ook dit is literatuur. Want je kunt het niet laten.

Hoeveel maanden geleden heb ik niet deze laatste regels geschreven? Het is jammer dat ik niet - als in een dagboek - elke

[p. 325]

nieuwe aanzet met de datum van die dag ben begonnen. Inmiddels is het midden januari 1983, anderhalf jaar na de eerste aanzet.

In die maanden er tussenin - of was het een half jaar? - kwam weer zoveel werk op me af, het dagelijks werk en alles wat zijn neerslag vond in het archief, brieven, adviezen, artikelen - trouwens ook een stukje ziekte. En de dood van een schoondochter, Jannekes dood. Janneke, Janneke. Daar maak ik geen gedicht over. Ze was zelf een gedicht. Misschien heb ik haar in Aphrogeneia voorvoeld. De eeuwige controverse, waar de dood de enige oplossing voor is. Vandaag is Mirjam voor twee weken naar Bordeaux vertrokken, om de moeder te vervangen.

Dat was weer een intermezzo - midden in een hoofdstuk. Maar was dit eigenlijk niet al af? Het heet ‘Letteren’ - een relaas over mijn passieve en actieve bemoeienissen in dit veld, waar ik zaaide, oogstte, schuren vulde, terwijl ze dicht bleven. En daaraan was ik net toe: te verklaren waarom ze dicht bleven en waarom ik stopte. Ik had een uitlaat gevonden, een gemakkelijke uitlaat - dat was mijn laatste verklaring en wellicht de meest overtuigende. (Voor de allerlaatste is de tijd nog niet gekomen.) Voor een Hercules was ik niet geschapen. Bij driesprongen heb ik niet gekozen. Ik heb veel gereflecteerd, maar nooit geworsteld.

Of toch, met een enkel woord, met een notatie, met een volzin, met lak en vernis. Of met een cryptogram.

prepostterug  begin  verder