|
|
|
| |
| | | |
18 juli 1984: De kwalen van de ouderdom
Ouderdomskwaal - ik heb die alleen in het enkelvoud en het euvel zal wel in dit
enkelvoud in kort bestek recht kunnen geschieden. Het onderwerp schoot me op een
nacht te binnen en die obsessie heeft me uren slaap gekost.
Ouderdomskwalen - ik bedoel geen lichamelijke kwalen. Wel is na een halve eeuw
zware astma en een kwart eeuw zonder astma in het begin van 1983 de oude kwaal
teruggekeerd, mogelijk als gevolg van een antibioticakuur. De oude kwaal - nee.
Geen aanvallen, maar lichte benauwdheden. Na verschillende middelen die soelaas
brachten maar niet meer dan dat, ontdekte ik het juiste: ventolin-inhalaties uit
rotacaps. Ik heb er maar korte tijd gebruik van gemaakt en was daarna maanden
vrij van benauwdheid. Sinds enkele weken heb ik weer af en toe zeer lichte
benauwdheden, maar het middel helpt meteen. Zou ik er ook, als het toen al had
bestaan, in die halve eeuw van zware astma baat bij hebben gevonden?
Ik bedoel met ouderdomskwaal dus ook niet de spierpijn in mijn linkerbeen waarmee
ik op een ochtend in maart wakker werd - mogelijk als het gevolg van spierkramp.
Ik kon enkele weken alleen met de grootste pijn lopen en kon het voor anderen
niet verbergen. De dokter trok een bedenkelijk gezicht: mogelijk trombose - en
beval me rust aan. Ik reisde desondanks volgens plan naar Hannover voor de
vergadering van ‘Mathematiklehren’ en bedreef op de
terugreis een soort voetgymnastiek. Die hielp. Na twee weken was de pijn
verdwenen, om enkele weken later heel licht terug te komen. Op het ogenblik voel
ik er niets van. Wel af en toe in bed lichte kramp in mijn rechterbeen, die
meteen overgaat als ik tegen het voeteneind trap. Ook dit is geen
ouderdomskwaal. Ik had zo'n twintig jaar geleden geregeld | | | |
beenkrampen - één keer met een dergelijk gevolg als nu. Na
het middel dat de dokter toen voorschreef heb ik er tot kort geleden geen last
meer van gehad. Trouwens, de dokter heeft op de kaart geschreven, naar ik later
heb geconstateerd: ‘geen aanwijzing van trombose’.
Ik bedoel er ook de liesbreuk niet mee, waarvoor ik - al voor de derde keer - ben
geopereerd. De laatste keer lag ik in augustus 1985 negen dagen in het
ziekenhuis. Ook doel ik niet op de zware aanrijding in november 1985, die me
wonder boven wonder alleen een nieuwe bril kostte. Integendeel, met de jaren ben
ik bij het oversteken steeds voorzichtiger geworden.
Een lange inleiding die bovendien overbodig is, want ik bedoel helemaal niet de
lichamelijke klachten. Wat bedoel ik dan wel? In 1985 word ik tachtig. Vanaf 1
januari 1984 zei ik desgevraagd altijd: ‘Volgend jaar word ik
tachtig.’ Twintig, dertig jaar geleden zei ik, als ik mensen van die
leeftijd nog aan het werk zag: ‘Dit zal mij niet
gebeuren.’ Na mijn zestigste begon ik de ene verplichting na de
andere af te stoten om na mijn aftreden van alles bevrijd te zijn. Het is anders
gelopen: er zijn andere, naar verhouding zwaardere verplichtingen voor in de
plaats gekomen. Laatst nog op het eind van de besloten conferentie van de cieaem (een internationale groep van
wiskunde-onderwijs-‘vernieuwers’ die later nog in beeld
komt). Die conferentie werd gehouden in Frascati en alles liep er mis. Na
vergeefse pogingen de zaak te redden deed men een beroep op mij het
presidentschap op me te nemen, en ik kon alleen zeggen ‘Wat moet je
doen als een drenkeling help! roept’ en aanvaardde de taak. Te gek.
Een club waarmee ik me toch niet eens zo verbonden voel. Ik ben er wel membre
fondateur van (maar dat kwam ik pas in Lausanne te weten toen ik Servais moest
huldigen), het oudste lid nu Piaget overleden is; nooit actief geweest tot (na
Gattegno en Papy) ten slotte Krygowska president werd - in Krakau deed ik voor
het eerst mee. En daar werd ik president van op achtenzeventigjarige leeftijd.
Ik heb altijd een aversie gehad tegen het voorzitten van vergaderingen, al lukt
het me vrij aardig.
Ja, dan spring je als oude man in het water om een drenkeling te redden. Is het
een excuus voor die ouderdomskwaal altijd nog | | | | een rol te willen
spelen? Of wordt de rol me opgedrongen? Het lijkt er wel op - of is het een
uitvlucht? Ik heb nooit nee kunnen zeggen, maar moet dit door blijven gaan?
Bij mijn afscheid als hoogleraar in 1976 pakten de onweerswolken zich boven het
Instituut Ontwikkeling Wiskunde Onderwijs (iowo) steeds
donkerder samen. Was dat de reden dat ik aanbleef? De verantwoordelijkheid voor
de iowo-medewerkers en hun werk? Op 1 mei 1977 werden de cml's opgeheven en de Advies Commissies Leerplan ontwikkeling
(aclo) ingesteld. De cml-voorziteers
werd gevraagd de werkzaamheden voort te zetten tot de aclo's
zouden zijn bemand, hetgeen - door de obstructie van de bonden - nooit is
geschied. Dus moest ik het voorzitterschap aanhouden, anders was er geen
Commissie Modernisering Leerplan Wiskunde (cmlw) i.a. - aclo i.o. meer geweest.
Tot de instelling, maart 1986, van de Valo-wiskunde (Valo: veldadvies
leerplanontwikkeling), waarmee ik van het gezeur af was. Als de aclo wiskunde toen was bemand, had ik meteen ontslag genomen als
voorzitter. Of niet? Is mijn onmisbaarheid mede een voorwendsel om mijn
ouderdomskwaal goed te praten?
Toen ze me vanuit Enschede vroegen de werkvergaderingen van sectie iii bij te wonen, heb ik er gevolg aan gegeven. Waarom? Ik begeleid
nog steeds het project Kwantiwijzer. Ik ben me met het project Interne
Differentiatie gaan bemoeien. Waarom? Ik kom haast dagelijks op het ow & oc - in de vakantie de helft van die tijd.
Waarom? Ik houd - haast - elke lezing waarvoor men mij vraagt, werk overal aan
mee. Waarom? Stel je voor wat ik een kwart eeuw geleden over zo'n gerontocraat
zou hebben gezegd! Nee, geen gerontocraat - ik ben wel ambitieus maar nooit
heerszuchtig geweest. Haantje de voorste, maar dan een die even gauw op de
vlucht sloeg. Vooral voor gerontocraten.
Waarom accepteer ik dit allemaal: het mede-uitgeven van Mathematiklehren, met redactievergaderingen in Hannover, het binnen
één jaar zitting nemen in de jury's van vier Parijse
promoties, het lezingen houden, het samenstellen van een bloemlezing uit mijn
werk, het mezelf verplichten tot een maandelijkse onder- | | | | wijscolumn
- met ernaast het portret van de ‘grand old man’?
Waarom? Is het omdat je ook kunt vragen ‘waarvoor?’ Je doet
nuttig werk. Althans: je verbeeldt het je. Of is dat ook een ouderdomskwaal?
Zeker doe je nuttig werk als je artikelen en lezingen van ow
& oc-medewerkers in vreemde talen vertaalt. Als je bij hun
verslagen en rapporten kruisjes plaatst om straks daarover te brainstormen. Als
je hun werk op lezingen en conferenties uitdraagt. Als je bijdraagt tot
discussies. Als je iets schrijft waarvan deze of gene zegt dat hij het met
instemming of met plezier heeft gelezen of dat het hem aan het denken heeft
gezet. Ik meng me nergens meer in beleidszaken; in dit opzicht ben ik dus geen
gerontocraat.
Laat ik geen bescheidenheid veinzen. Ik doe nog nuttig werk. Ik kan het nog aan
en doe het redelijk goed. Het lijkt veel, maar het is toch meer herhalen van
eerder gezegde, eerder gedane zaken. Stokpaardjes berijden? Ik pak ook nieuwe
ideeën op. Ideeën van anderen, wel te verstaan, om er
ruchtbaarheid aan te geven. De anderen - daar ga je uiteraard selectief te werk:
je vult je eigen weten en kunnen aan met wat erbij past en je ziet scherper wat
er strijdig mee is. Standvastig en toch flexibel zijn is - althans in de goede
verhouding - geen ouderdomskwaal, maar niet te erkennen dat er niettemin aan
deze activiteit eens een eind moet komen, zou het wel kunnen zijn.
Nee, ik sta niemand in de weg. Niet de werkers op het ow &
oc, niet de werkers in het veld met wie ik in discussie treed. Maar sta
ik misschien iets in de weg, belet ik niet een doorbraak? Als ik me zou willen
wegcijferen, zou ik het dan metterdaad kunnen? Je wordt geciteerd, terecht en
ten onrechte. Je blijft getuigen, al zwijg je. Of overschat je jezelf?
Ik heb meermalen de vraag gesteld - straks krijgt die weer een beurt - of ik niet
door eerder en harder mijn stem in het internationale veld te verheffen veel
onheil - New Math - had kunnen voorkomen. Zelfoverschatting? Overschat ik niet
net zo mijn gezag als ‘grand old man’? Wat doet het ertoe
of ik een column in nrc Handelsblad
schrijf? De journalistieke eendagsvlieg.
Dit was het ‘waarvoor?’ En het
‘waarom?’ Had ik als oude man niet met een hobby als
tijdvulling kunnen volstaan? Het is | | | | de oorzaak van mijn kwaal dat
ik nooit een hobby heb gehad. Het was allemaal werk. Nee, het wandelen niet. Het
stukjes schrijven, bij voorbeeld in De Groene? Maar als ik een
column schrijf, draag ik iets uit, een opinie, een overtuiging. Moet dit nog als
je rond de tachtig bent? Mag het? Hoe ernstig is je ouderdomskwaal?
De Gouden Ganzeveer van de knub - waarom accepteer je zo'n
onderscheiding? Ik heb gehuild toen het bericht kwam. Van blijdschap? T.S.
Elliot - meen ik - noemde zoiets: ‘A ticket to one's own
funeral’. Gelukkig, Van der Blij deed de laudatio. Hij heeft me
stellig niet ‘begraven’ - ik wist het van tevoren. Wat was
De Gouden Ganzeveer dan wel? Een feest. Een geweldig feest. Een feest, met een
stel anderen om van te genieten.
Door Sjoerd Dwarshuis' interview in nrc
Handelsblad kwam Netty Rosenfeld op het spoor van mijn Dagboek ten
behoeve van een serie die zij plande. Op 10 januari 1985 las ik haar het
hoofdstuk Dagboek uit het onderhavige voor. We werden het eens. We zouden twee
dagen lang de dagboeken doornemen. Dat deden we op 23 en 24 januari. Soms werd
het me te machtig. Op 12 en 13 februari werd er opgenomen, bij elkaar misschien
vijftien uur voor een uitzending van vijfentwintig minuten. Met angst en beven
zag ik de montage tegemoet. Op 12 april kreeg ik hem in Hilversum te zien. Het
was geweldig. Ik was ondersteboven en viel Netty om de hals. Op 7 juli werd
‘Dagboek’ vertoond. Ik was bang voor wat Suus zou zeggen.
Haast drie maanden folterende spanning. Het werd een dikke zoen. Eigenlijk had
Netty Rosenfeld hem verdiend.
Hoe kom je bij zoiets over? Gewoon, schijnen anderen die je kennen te vinden. En
bij jezelf? Ik zou zeggen: als een acteur. Nee, ik bedoel: als een goed acteur.
Zoals een goed acteur hoort te spelen. Dat komt uiteraard omdat Netty Rosenfeld
zo'n groot regisseur is. Want ik heb alleen maar mezelf gespeeld.
Waarom doe je dat, tv-acteur van bij de tachtig? Ouderdomskwaal? Ik heb de
indruk, al kan ik het moeilijk verifiëren, dat er nogal wat mensen
van hebben genoten. Feest.
Tachtig worden is een ouderdomsverschijnsel, geen ouderdomskwaal. Het laten
vieren ervan kan wel een symptoom van | | | | een kwaal zijn. Het
‘hoe’ hing gelukkig niet van mij af. Gelukkig zijn er
mensen die weten hoe je feest viert: geen plichtplegingen, maar plezier voor
allen die meedoen en meegenieten. Een van de cadeaus was een colloquium met
aansluitend feest, het ander een portret dat inmiddels in het Mathematisch
Instituut hangt. Ook een ouderdomskwaal? Het poseren was in elk geval geen
kwaal. Integendeel, het was zoiets als een blijde ontspanning door Erica Visser
te worden geschilderd. Feest, en de onthulling ook feest.
Datgene waarvan je vreest dat het een ouderdomskwaal is, is een feest. Of
verbeeld je je het maar, verzin je het als excuus? Je ouderdomskwaal mag je voor
jezelf hebben als je je feesten met de anderen viert.
|
|
|