Schrijf dat op, Hans. Knipsels uit een leven


auteur: Hans Freudenthal


bron: Hans Freudenthal, Schrijf dat op, Hans. Knipsels uit een leven. Meulenhoff Informatief, Amsterdam 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 327]

18 juli 1984: De kwalen van de ouderdom

Ouderdomskwaal - ik heb die alleen in het enkelvoud en het euvel zal wel in dit enkelvoud in kort bestek recht kunnen geschieden. Het onderwerp schoot me op een nacht te binnen en die obsessie heeft me uren slaap gekost.

Ouderdomskwalen - ik bedoel geen lichamelijke kwalen. Wel is na een halve eeuw zware astma en een kwart eeuw zonder astma in het begin van 1983 de oude kwaal teruggekeerd, mogelijk als gevolg van een antibioticakuur. De oude kwaal - nee. Geen aanvallen, maar lichte benauwdheden. Na verschillende middelen die soelaas brachten maar niet meer dan dat, ontdekte ik het juiste: ventolin-inhalaties uit rotacaps. Ik heb er maar korte tijd gebruik van gemaakt en was daarna maanden vrij van benauwdheid. Sinds enkele weken heb ik weer af en toe zeer lichte benauwdheden, maar het middel helpt meteen. Zou ik er ook, als het toen al had bestaan, in die halve eeuw van zware astma baat bij hebben gevonden?

Ik bedoel met ouderdomskwaal dus ook niet de spierpijn in mijn linkerbeen waarmee ik op een ochtend in maart wakker werd - mogelijk als het gevolg van spierkramp. Ik kon enkele weken alleen met de grootste pijn lopen en kon het voor anderen niet verbergen. De dokter trok een bedenkelijk gezicht: mogelijk trombose - en beval me rust aan. Ik reisde desondanks volgens plan naar Hannover voor de vergadering van ‘Mathematiklehren’ en bedreef op de terugreis een soort voetgymnastiek. Die hielp. Na twee weken was de pijn verdwenen, om enkele weken later heel licht terug te komen. Op het ogenblik voel ik er niets van. Wel af en toe in bed lichte kramp in mijn rechterbeen, die meteen overgaat als ik tegen het voeteneind trap. Ook dit is geen ouderdomskwaal. Ik had zo'n twintig jaar geleden geregeld

[p. 328]

beenkrampen - één keer met een dergelijk gevolg als nu. Na het middel dat de dokter toen voorschreef heb ik er tot kort geleden geen last meer van gehad. Trouwens, de dokter heeft op de kaart geschreven, naar ik later heb geconstateerd: ‘geen aanwijzing van trombose’.

Ik bedoel er ook de liesbreuk niet mee, waarvoor ik - al voor de derde keer - ben geopereerd. De laatste keer lag ik in augustus 1985 negen dagen in het ziekenhuis. Ook doel ik niet op de zware aanrijding in november 1985, die me wonder boven wonder alleen een nieuwe bril kostte. Integendeel, met de jaren ben ik bij het oversteken steeds voorzichtiger geworden.

Een lange inleiding die bovendien overbodig is, want ik bedoel helemaal niet de lichamelijke klachten. Wat bedoel ik dan wel? In 1985 word ik tachtig. Vanaf 1 januari 1984 zei ik desgevraagd altijd: ‘Volgend jaar word ik tachtig.’ Twintig, dertig jaar geleden zei ik, als ik mensen van die leeftijd nog aan het werk zag: ‘Dit zal mij niet gebeuren.’ Na mijn zestigste begon ik de ene verplichting na de andere af te stoten om na mijn aftreden van alles bevrijd te zijn. Het is anders gelopen: er zijn andere, naar verhouding zwaardere verplichtingen voor in de plaats gekomen. Laatst nog op het eind van de besloten conferentie van de cieaem (een internationale groep van wiskunde-onderwijs-‘vernieuwers’ die later nog in beeld komt). Die conferentie werd gehouden in Frascati en alles liep er mis. Na vergeefse pogingen de zaak te redden deed men een beroep op mij het presidentschap op me te nemen, en ik kon alleen zeggen ‘Wat moet je doen als een drenkeling help! roept’ en aanvaardde de taak. Te gek. Een club waarmee ik me toch niet eens zo verbonden voel. Ik ben er wel membre fondateur van (maar dat kwam ik pas in Lausanne te weten toen ik Servais moest huldigen), het oudste lid nu Piaget overleden is; nooit actief geweest tot (na Gattegno en Papy) ten slotte Krygowska president werd - in Krakau deed ik voor het eerst mee. En daar werd ik president van op achtenzeventigjarige leeftijd. Ik heb altijd een aversie gehad tegen het voorzitten van vergaderingen, al lukt het me vrij aardig.

Ja, dan spring je als oude man in het water om een drenkeling te redden. Is het een excuus voor die ouderdomskwaal altijd nog

[p. 329]

een rol te willen spelen? Of wordt de rol me opgedrongen? Het lijkt er wel op - of is het een uitvlucht? Ik heb nooit nee kunnen zeggen, maar moet dit door blijven gaan?

Bij mijn afscheid als hoogleraar in 1976 pakten de onweerswolken zich boven het Instituut Ontwikkeling Wiskunde Onderwijs (iowo) steeds donkerder samen. Was dat de reden dat ik aanbleef? De verantwoordelijkheid voor de iowo-medewerkers en hun werk? Op 1 mei 1977 werden de cml's opgeheven en de Advies Commissies Leerplan ontwikkeling (aclo) ingesteld. De cml-voorziteers werd gevraagd de werkzaamheden voort te zetten tot de aclo's zouden zijn bemand, hetgeen - door de obstructie van de bonden - nooit is geschied. Dus moest ik het voorzitterschap aanhouden, anders was er geen Commissie Modernisering Leerplan Wiskunde (cmlw) i.a. - aclo i.o. meer geweest.

Tot de instelling, maart 1986, van de Valo-wiskunde (Valo: veldadvies leerplanontwikkeling), waarmee ik van het gezeur af was. Als de aclo wiskunde toen was bemand, had ik meteen ontslag genomen als voorzitter. Of niet? Is mijn onmisbaarheid mede een voorwendsel om mijn ouderdomskwaal goed te praten?

Toen ze me vanuit Enschede vroegen de werkvergaderingen van sectie iii bij te wonen, heb ik er gevolg aan gegeven. Waarom? Ik begeleid nog steeds het project Kwantiwijzer. Ik ben me met het project Interne Differentiatie gaan bemoeien. Waarom? Ik kom haast dagelijks op het ow & oc - in de vakantie de helft van die tijd. Waarom? Ik houd - haast - elke lezing waarvoor men mij vraagt, werk overal aan mee. Waarom? Stel je voor wat ik een kwart eeuw geleden over zo'n gerontocraat zou hebben gezegd! Nee, geen gerontocraat - ik ben wel ambitieus maar nooit heerszuchtig geweest. Haantje de voorste, maar dan een die even gauw op de vlucht sloeg. Vooral voor gerontocraten.

Waarom accepteer ik dit allemaal: het mede-uitgeven van Mathematiklehren, met redactievergaderingen in Hannover, het binnen één jaar zitting nemen in de jury's van vier Parijse promoties, het lezingen houden, het samenstellen van een bloemlezing uit mijn werk, het mezelf verplichten tot een maandelijkse onder-

[p. 330]

wijscolumn - met ernaast het portret van de ‘grand old man’?

Waarom? Is het omdat je ook kunt vragen ‘waarvoor?’ Je doet nuttig werk. Althans: je verbeeldt het je. Of is dat ook een ouderdomskwaal? Zeker doe je nuttig werk als je artikelen en lezingen van ow & oc-medewerkers in vreemde talen vertaalt. Als je bij hun verslagen en rapporten kruisjes plaatst om straks daarover te brainstormen. Als je hun werk op lezingen en conferenties uitdraagt. Als je bijdraagt tot discussies. Als je iets schrijft waarvan deze of gene zegt dat hij het met instemming of met plezier heeft gelezen of dat het hem aan het denken heeft gezet. Ik meng me nergens meer in beleidszaken; in dit opzicht ben ik dus geen gerontocraat.

Laat ik geen bescheidenheid veinzen. Ik doe nog nuttig werk. Ik kan het nog aan en doe het redelijk goed. Het lijkt veel, maar het is toch meer herhalen van eerder gezegde, eerder gedane zaken. Stokpaardjes berijden? Ik pak ook nieuwe ideeën op. Ideeën van anderen, wel te verstaan, om er ruchtbaarheid aan te geven. De anderen - daar ga je uiteraard selectief te werk: je vult je eigen weten en kunnen aan met wat erbij past en je ziet scherper wat er strijdig mee is. Standvastig en toch flexibel zijn is - althans in de goede verhouding - geen ouderdomskwaal, maar niet te erkennen dat er niettemin aan deze activiteit eens een eind moet komen, zou het wel kunnen zijn.

Nee, ik sta niemand in de weg. Niet de werkers op het ow & oc, niet de werkers in het veld met wie ik in discussie treed. Maar sta ik misschien iets in de weg, belet ik niet een doorbraak? Als ik me zou willen wegcijferen, zou ik het dan metterdaad kunnen? Je wordt geciteerd, terecht en ten onrechte. Je blijft getuigen, al zwijg je. Of overschat je jezelf?

Ik heb meermalen de vraag gesteld - straks krijgt die weer een beurt - of ik niet door eerder en harder mijn stem in het internationale veld te verheffen veel onheil - New Math - had kunnen voorkomen. Zelfoverschatting? Overschat ik niet net zo mijn gezag als ‘grand old man’? Wat doet het ertoe of ik een column in nrc Handelsblad schrijf? De journalistieke eendagsvlieg.

Dit was het ‘waarvoor?’ En het ‘waarom?’ Had ik als oude man niet met een hobby als tijdvulling kunnen volstaan? Het is

[p. 331]

de oorzaak van mijn kwaal dat ik nooit een hobby heb gehad. Het was allemaal werk. Nee, het wandelen niet. Het stukjes schrijven, bij voorbeeld in De Groene? Maar als ik een column schrijf, draag ik iets uit, een opinie, een overtuiging. Moet dit nog als je rond de tachtig bent? Mag het? Hoe ernstig is je ouderdomskwaal?

De Gouden Ganzeveer van de knub - waarom accepteer je zo'n onderscheiding? Ik heb gehuild toen het bericht kwam. Van blijdschap? T.S. Elliot - meen ik - noemde zoiets: ‘A ticket to one's own funeral’. Gelukkig, Van der Blij deed de laudatio. Hij heeft me stellig niet ‘begraven’ - ik wist het van tevoren. Wat was De Gouden Ganzeveer dan wel? Een feest. Een geweldig feest. Een feest, met een stel anderen om van te genieten.

Door Sjoerd Dwarshuis' interview in nrc Handelsblad kwam Netty Rosenfeld op het spoor van mijn Dagboek ten behoeve van een serie die zij plande. Op 10 januari 1985 las ik haar het hoofdstuk Dagboek uit het onderhavige voor. We werden het eens. We zouden twee dagen lang de dagboeken doornemen. Dat deden we op 23 en 24 januari. Soms werd het me te machtig. Op 12 en 13 februari werd er opgenomen, bij elkaar misschien vijftien uur voor een uitzending van vijfentwintig minuten. Met angst en beven zag ik de montage tegemoet. Op 12 april kreeg ik hem in Hilversum te zien. Het was geweldig. Ik was ondersteboven en viel Netty om de hals. Op 7 juli werd ‘Dagboek’ vertoond. Ik was bang voor wat Suus zou zeggen. Haast drie maanden folterende spanning. Het werd een dikke zoen. Eigenlijk had Netty Rosenfeld hem verdiend.

Hoe kom je bij zoiets over? Gewoon, schijnen anderen die je kennen te vinden. En bij jezelf? Ik zou zeggen: als een acteur. Nee, ik bedoel: als een goed acteur. Zoals een goed acteur hoort te spelen. Dat komt uiteraard omdat Netty Rosenfeld zo'n groot regisseur is. Want ik heb alleen maar mezelf gespeeld.

Waarom doe je dat, tv-acteur van bij de tachtig? Ouderdomskwaal? Ik heb de indruk, al kan ik het moeilijk verifiëren, dat er nogal wat mensen van hebben genoten. Feest.

Tachtig worden is een ouderdomsverschijnsel, geen ouderdomskwaal. Het laten vieren ervan kan wel een symptoom van

[p. 332]

een kwaal zijn. Het ‘hoe’ hing gelukkig niet van mij af. Gelukkig zijn er mensen die weten hoe je feest viert: geen plichtplegingen, maar plezier voor allen die meedoen en meegenieten. Een van de cadeaus was een colloquium met aansluitend feest, het ander een portret dat inmiddels in het Mathematisch Instituut hangt. Ook een ouderdomskwaal? Het poseren was in elk geval geen kwaal. Integendeel, het was zoiets als een blijde ontspanning door Erica Visser te worden geschilderd. Feest, en de onthulling ook feest.

Datgene waarvan je vreest dat het een ouderdomskwaal is, is een feest. Of verbeeld je je het maar, verzin je het als excuus? Je ouderdomskwaal mag je voor jezelf hebben als je je feesten met de anderen viert.