Mijn verbeeldingskracht schiet te kort om me een leven,
lijkende op dat met jou, zonder jou voor te stellen: die brede scala van
menselijke gevoelens en driften en nimmer sleur.
We hebben zware stormen samen getrotseerd en in de zwaarste ben jij het geweest
die het voortouw hebt genomen. Het sterkste was je als je alleen voor iets
stond: toen ik op de Weteringsschans, toen ik in het kamp in Havelte zat. Je
bent in de oorlog, met name in de hongerwinter, de straat en de boer op
getrokken om voedsel en brandstof te bemachtigen. Voor je gezin, maar ook voor
familie en vrienden van me in de kampen. Nog jaren na de oorlog was ploeteren de
leuze. De jouwe, terwijl ik al weer werk mocht verrichten waarvoor ik in de wieg
was gelegd.
Een halve eeuw of langer zijn we met elkaar opgetrokken, bergen en bossen in, met
onze kinderen en zonder, weer of geen weer, de wereld van kunst en wetenschap
door, elk met zijn eigen voor- en afkeur, langs wegen die elkaar telkens weer
kruisten en waar ondertussen de een de ander in het oog bleef houden. En de
wijde wereld van de gevoelens die ons dan vlijmscherp scheidden en dan innig
verenigden.
Wat ben jij altijd flink geweest! Flink als voorbeeld voor mij en om me uit de
put te helpen.
Ik weet dat dat je laatste zorg is geweest: hoe zal Hans het zonder mij
klaarspelen? Wees gerust, meisje, je hebt me geleerd je flinke jongen te zijn.
Ik heb me nooit kunnen voorstellen dat ik jou zou overleven. Nee, niet overleven.
Je blijft voortleven tot de laatste snik van mijn gedachten en gevoelens. En als
ik nu ‘tot straks’ zeg, bedoel ik het ogenblik dat ik weer
je onvergetelijke stem in me hoor zeggen: wees flink, Hans.