terug  begin  verderprepost
[p. 19]

Deel I Analyse

[p. 20]

2 Emotioneel gedrag

2.1 Expressief gedrag en de verklaring ervoor

Er bestaat gedrag waarop de voorlopige definitie van emotie uit het vorige hoofdstuk bij uitstek van toepassing is, namelijk het gedrag dat gewoonlijk ‘expressief’ wordt genoemd. Het doet zich meestal voor naar aanleiding van gebeurtenissen die door een waarnemer of door het subject als afschrikwekkend, wenselijk of spannend worden ervaren. In tegenstelling tot instrumenteel gedrag of doelgedrag (dat wil zeggen het gedrag waarmee de bevrediging van een handeling wordt bereikt, bijvoorbeeld eten, copuleren) dient het niet duidelijk een doel. De term ‘expressief’ wordt gebruikt omdat het gedrag maakt dat een toeschouwer aan de persoon of het dier in kwestie een emotionele gesteldheid toeschrijft, zelfs wanneer er geen directe aanleiding voor het gedrag te bespeuren valt: het maakt dat een moeder gaat zoeken naar de losgeschoten veiligheidsspeld in de luier van haar baby, dat een kind bang wordt voor de hond waar een ander bang voor is.

Dit alles maakt expressief gedrag tot een geschikt uitgangspunt voor het onderzoek naar emotie. Waarom bestaat zulk gedrag? Hierbij zijn diverse onderling samenhangende vragen in het geding. Ten eerste: waarom gaan de verschillende emoties vergezeld van expressief gedrag? Oftewel, waarom treedt dit gedrag op bij gebeurtenissen die ‘verbazingwekkend’, ‘vermakelijk’ of ‘angstwekkend’ worden genoemd, en waarom gaat het gepaard met de subjectieve beleving die men met ‘verbazing’, ‘vermaak’ of ‘angst’ aanduidt? Ten tweede: waarom zijn de verschillende vormen van expressief gedrag zoals ze zijn? Waarom neemt bijvoorbeeld de reactie op droevige gebeurtenissen of de reactie op gevoelens van verdriet de vorm aan van huilen, tranen, gesnik, neergetrokken mondhoeken enzovoort? Ten derde: wat is de aard van expressief gedrag? Heeft het een functie, of is het iets dat zich toevallig voordoet?

Darwin en anderen

Darwin (1872) verklaarde de expressie op grond van drie principes die nog steeds hun invloed doen gelden op de theorievorming op dit gebied. Met name het eerste principe, dat van de ‘nuttige, geassocieerde gewoonten’, heeft grote opgang gemaakt. Dit heeft dan ook het grootste verklarende vermogen:

‘Bepaalde complexe handelingen hebben bij bepaalde gemoedstoestanden een direct of indirect nut voor het verlichten of bevredigen van bepaalde gevoelens of verlangens enzovoort. Wanneer nu dezelfde gemoedstoe-

[p. 21]

stand wordt opgewekt, hoe zwak ook, is men geneigd, uit gewoonte en door associatie, dezelfde handelingen te verrichten, al hebben deze dan niet het minste nut.’ (1872 [1965, blz. 28]).*

Dit principe wordt meestal gebruikt om aan te tonen dat Darwin expressies beschouwde als niets anders dan erfelijke overblijfselen. We moeten hierbij echter enkele kanttekeningen plaatsen. Ten eerste zijn volgens dit principe expressies handelingen die tenminste onder bepaalde omstandigheden van nut zijn. Ten tweede wordt hun aanwezigheid onder omstandigheden waarin zij niet van nut zijn toegeschreven aan gewoonte en associatie, die dan erfelijk zouden zijn geworden. Vanaf het moment dat dreiging bij een hulpeloze baby behalve angstgevoelens ook een nuttige reactie veroorzaakt, namelijk huilen, zal angst onder alle omstandigheden gepaard gaan met huilen, en dit verband wordt vastgelegd in de evolutie. Interessant in dit opzicht is dat Darwin vooral een beroep deed op deze ontwikkelingsprincipes ter verklaring van reflexmatig, onwillekeurig gedrag waarvan hij aannam dat het zijn oorsprong had in willekeurig gedrag bij baby's. Slechts enkele vormen beschouwde hij als afkomstig van filogenetische voorouders, bijvoorbeeld pruilen of het ontbloten van de tanden als uiting van woede.

De Lamarckiaanse uitschieter - gewoonten die erfelijk worden - is een overbodige kant aan de verklaring en doet er hier ook verder niet toe. Wat wel van belang is, is dat veel expressies bij mensen een functionele betekenis hebben, zelfs volgens Darwin, al is het maar onder bepaalde omstandigheden of alleen bij baby's. Zelfs voor Darwin zijn het niet slechts ‘overblijfselen van communicatieve handelingen’, zoals ze dat bijvoorbeeld volgens Mandler zijn (Mandler 1975, blz. 146).

Darwin riep verschillende soorten functionele betekenis te hulp die hij voor een deel aan anderen ontleende. Net als Bell (1844) benadrukte hij de ademhalingsactiviteit en de consequenties daarvan voor de gelaatsexpressie: ademhalingsactiviteit is onmisbaar voor het slaken van nuttige kreten. Hij nam de ideeën over van Engel (1785) en Gratiolet (1865) omtrent het zintuiglijk functioneren of niet-functioneren - open staan of zich afsluiten voor indrukken, bevorderen van ongehinderde waarneming en dergelijke - en omtrent de voorbereiding van lichamelijke inspanning.

De actuele functionele aspecten van expressie zijn door andere onderzoekers verder uitgewerkt. Piderit (1867) legde de nadruk vooral op het zintuiglijk functioneren en de zintuiglijke paraatheid; zijn ideeën zijn kort geleden weer opgenomen door Peiper (1963). Het duidelijkste voorbeeld is de uitdrukking van walging: deze zorgt voor reductie van zintuiglijk contact met onsmakelijke stoffen in de mondholte en zo mogelijk voor uitstoting

[p. 22]

van deze stoffen. Bühler (1934) wees er in zijn ‘actietheorie van expressie’ op dat veel expressies kunnen worden opgevat als voorbereidingen op of beginstadia van doelmatige actie. De uitdrukking van vastberadenheid bestaat uit het mobiliseren van spierkracht, hetzij voor mogelijke actie in de toekomst hetzij om zich schrap te zetten tegen een aanval of tegen verzet van de tegenpartij. Uitdrukkingen van geestdrift, verlangen en aarzeling kunnen worden gezien als aanzetten tot toenadering respectievelijk terugtrekking.

Veel van wat wij expressie noemen kan dus worden verklaard vanuit de actuele functionele strekking van het betreffende gedrag. De vraag is of hiermee alles van wat wij expressie noemen verklaard kan worden. Volgens Darwin is dit niet het geval. In de eerste plaats omdat er sprake is van generalisatie naar niet-functionele situaties, door Darwin toegeschreven aan gewoonte en associatie en door anderen aan verbeelding (Piderit), of overeenkomst tussen zintuiglijke gewaarwordingen en emotionele kwaliteiten (Wundt 1903; Chiva 1985). En verder zijn er expressies waarvoor zelfs dergelijke interpretaties niet opgaan. Darwin had drie principes nodig om de expressies te kunnen verklaren; het tweede en derde komen later aan de orde (par. 2.3 en 2.4). Wij concentreren ons voorlopig op expressies die een actueel doel lijken te dienen.

Expressie als gedrag

Sommige expressies hebben een actuele functionele strekking. Dat wil zeggen, het zijn ‘expressieve’ handelingen of bewegingen die actuele effecten bewerkstelligen in de interactie met de omgeving doordat ze helpen beschermen, ontwaren en dergelijke. Of anders helpen ze in ieder geval subjectief doordat ze bijvoorbeeld de opname van informatie of de paraatheid voor verdere actie belemmeren of bevorderen. Dit betekent dat expressies niet domweg bewegingen zijn, maar vormen van gedrag, vormen van interactie met de omgeving. Veel gelaatsexpressies zijn een onderdeel van globale actiepatronen, en daarvan is het gedragsaspect duidelijker. De schrikreactie (‘startle pattern’), de reflexmatige respons op plotselinge hevige prikkels zoals een pistoolschot, is hier een goed voorbeeld van. Hierbij worden de ogen stijf dicht geknepen, de wenkbrauwen samengetrokken tot een frons en de lippen op elkaar geperst. Het hoofd buigt naar voren en de schouders en knieën worden opgetrokken (Landis & Hunt 1939). Van iets dergelijks is sprake bij andere expressies. Een gespannen, boze gelaatsuitdrukking gaat meestal gepaard met algemene spanning in het lichaam, een onwrikbare houding en gebalde vuisten, allemaal tekenen van voorbereiding op heftige activiteit. Een angstige gelaatsuitdrukking gaat vaak samen met opgetrokken schouders en een ineen gekrompen houding van het hele lichaam, onderdelen van een globale beschermingsrespons. Het spontaan verbaasde gezicht maakt deel uit van de globale oriëntatiereactie, die zich

[p. 23]

verder uit in gedragsonderbreking en veranderingen in bloedsomloop, ademhaling en eeg-patroon. Ook lachen en huilen zijn gegeneraliseerde reactiepatronen: iemand die lacht of huilt dóet iets, al is het dan onwillekeurig, en sluit daarmee dikwijls andere activiteiten uit.

Er loopt slechts een dunne scheidslijn tussen expressie en de grotendeels aangeboren werkelijk emotionele handelingen, zoals vluchten, verstarren of aanvallen, of zoals omhelzen, knuffelen en koesteren. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen expressies en wat Lewin (1927) veldhandelingen noemde, welke er ook als expressief gedrag uitzien. Dit zijn door emotie gemotiveerde handelingen waarvan de eigenschappen voornamelijk door die van de concrete situatie worden bepaald. Voorbeelden hiervan zijn zich verstoppen onder de tafel, zich aan moeder vastklampen, in een hoek wegkruipen, de handen voor de ogen slaan; stuk voor stuk uitingen van beschermingsgedrag dat zowel bij menselijke baby's als bij apenbaby's voorkomt (Suomi & Harlow 1976). Het gedragsmatige en functionele karakter van de expressief genoemde bewegingen blijkt vooral uit de varianten van de blik. De dynamiek van kijken, wegkijken en niet kijken, de directheid of terughoudendheid van de blik, het tijdsaspect: de heen en weer dwalende of strakke blik, zijn allemaal modulaties van contact of contactbereidheid. Deze blikvarianten zijn in hoge mate expressief, maar ze drukken geen vormen van contact uit. Het zíjn vormen van contact.

Het feit dat expressieve beweging kan worden opgevat als gedrag met een functionele betekenis in de interactie van het subject met zijn omgeving is van centraal belang voor het verhelderen van de relatie tussen expressie en emotie; of misschien zelfs voor het verhelderen van wat er met emotie bedoeld wordt. Expressie suggereert dat een emotie een tendens is tot een bepaalde interactievorm. Indien dit het geval is dan is expressie de belichaming van een dergelijke tendens, de manier (of een manier) waarop de tendens wordt gerealiseerd. Deze twee punten vormen samen de voornaamste stelling van dit hoofdstuk, en de reden om expressief gedrag aan een gedetailleerde beschouwing te onderwerpen. Wil de stelling houdbaar zijn dan zal alle expressie op overtuigende wijze moeten kunnen worden teruggevoerd op functionele principes, en die terugvoering moet plausibel zijn gegeven de omstandigheden waaronder iedere expressieve uiting zich voordoet.

Expressie als relationeel gedrag

De ‘nuttige gewoonten’ van Darwins eerste principe hebben betrekking op stemgebruik met een communicatief doel en handelingen dienend voor observatie, bescherming of aanval. Piderit voegde hier aan toe dat bepaalde expressieve uitingen dienen voor de regulatie van sensorische invoer in het algemeen. Bühler blies, met zijn benadrukking van actievoorbereiding als onderdeel van expressie, het ‘actieprincipe van expressie’ van Engel (1785)

[p. 24]

nieuw leven in, hetwelk stelt dat verlangen de neiging heeft zijn object te benaderen en afkeer tracht te ontwijken. Uit dit alles kan een principe worden afgeleid dat de verschillende functies lijkt te dekken: het principe van de relationele activiteit. Met relationele activiteit wordt bedoeld activiteit die een relatie tot stand brengt dan wel verandert tussen het subject en een object of de omgeving in zijn geheel. De term verwijst naar activiteit die een dergelijke relatie tot stand brengt of verandert door niet de omgeving, maar de relatie te veranderen. Dit is het meest algemene kenmerk van expressief gedrag, en tevens hetgene waardoor het zich onderscheidt van andere vormen van gedrag zoals manipulerend gedrag of doelsgedrag. Het is de positieve tegenhanger van de negatieve karakteristiek in de werkdefinitie uit hoofdstuk 1. Expressief gedrag is gedrag dat contact met een aspect van de omgeving tot stand brengt of versterkt, respectievelijk verzwakt of afbreekt; of dat beoogt of ertoe bijdraagt. Deze uitspraak zal, in verband met andere expressieprincipes die later ter sprake komen, enigszins beperkt moeten worden, maar is zeker van toepassing op expressies die een functionele strekking hebben.

Expressief gedrag kan relaties geheel of gedeeltelijk, en in verschillende modaliteiten tot stand brengen respectievelijk veranderen: lichamelijk, door zich voort te bewegen; visueel; auditief (bij dieren, door het spitsen van de oren); en door gebruik van de zintuiglijke lichaamsoppervlakken (zoals wanneer iemand zich aan zon, wind of de blikken van anderen blootstelt).

Relationele activiteit heeft ook een algemene intensiteitsdimensie, dat wil zeggen er kan meer of minder van zijn. Onverschilligheid en apathie vormen de ondergrens van deze dimensie. We zullen hiervoor de term nultoestand van relationele activiteit gebruiken. Deze enigszins paradoxale aanduiding geeft aan dat het ontbreken van relationele activiteit zelf ook een relationele modus is, op één lijn met zich keren naar, zich afkeren van, zich keren tegen.

De zin van expressies

Relationele activiteit creëert en wijzigt betrekkingen. Dit gebeurt niet zozeer door wijzigingen in de omgeving, maar door wijzigingen in de lokatie, toegankelijkheid, en sensomotorische paraatheid van het subject. Hierbij wordt steeds een bepaald functioneel doel nagestreefd: door zich te verstoppen en zo klein mogelijk te maken wordt de kans om gezien of getroffen te worden kleiner, door te vluchten wordt de afstand tot het gevaar groter, een beweging van walging zorgt ervoor dat onsmakelijke stoffen worden uitgespuwd, enzovoort.

Er is echter nog een andere kant aan functionele betekenis. Afgezien van het al dan niet nuttige effect op lange termijn sluit men zich door het dichtknijpen van de ogen af voor visuele prikkels. Blootstelling van het lichaam

[p. 25]

betekent dat men onderhevig is aan zintuiglijke indrukken en aan de blikken van anderen, of dit nu wel of geen nuttig effect sorteert in de betrokken situatie. Door spierspanning wordt de weerstand tegen fysiek treffen verhoogd, of dit nu wel of niet ergens toe dient onder de gegeven omstandigheden. Dit noemen wij de zin van expressief gedrag; de term verwijst naar de eigenschap om vormen van contact tot stand te brengen, te bevorderen, te verbreken of te belemmeren, of om het organisme in een staat van gedragsbereidheid of onbereidheid te brengen, ongeacht het eventuele nut van het contact of de gedragsbereidheid. De zin van lichaamsblootstelling - rechtop staan, armen en handen langs het lichaam, gekeerd naar een of andere stimulatiebron - is onbeperkte ontvankelijkheid voor prikkels. De zin van zich in bed verstoppen met het hoofd onder de dekens is een passieve onttrekking aan iedere vorm van contact, ook al worden de onaangename gebeurtenissen hierdoor niet weggenomen. De zin van huilen is het onderbreken van doelmatige omgang met de omgeving en overgave aan het verdriet. Deze beschrijvingen van de zin van expressief gedrag kunnen nauwelijks worden opgevat als interpretaties van zulk gedrag. Het zijn beschrijvingen van de feitelijke stand van zaken, de feiten van ontvankelijkheid of onontvankelijkheid, van bereidheid, feiten waarvan het subject zich ook bewust kan zijn.

Dit begrip, de zin van de expressie, zal bruikbaar blijken voor het verklaren van expressies in omstandigheden waar het ‘nut’ ervan twijfelachtig is, bijvoorbeeld in het geval van relationele nultoestanden. Ondanks dat het daarbij gaat om het ontbreken van gedrag is toch de zin van de expressie, ook in deze toestand, duidelijk, en moet in positieve termen worden beschreven. Onverschilligheid ontkent een relatie - dat weet iedereen die wel eens heeft geprobeerd de aandacht te winnen van een onverschillig iemand. Maar deze ontkenning heeft haar eigen, specifieke vorm, duidelijk te onderscheiden van die van walging, bijvoorbeeld. Geloken ogen hebben een nuttige functie bij slaperigheid, namelijk om externe prikkels buiten te sluiten. Bij onverschilligheid is deze functie afwezig. De zin van deze expressie is echter in beide gevallen duidelijk en hetzelfde: niets met externe stimulatie te maken hebben.

2.2 De relationele interpretatie van expressies

In deze paragraaf wordt het expressieve gedrag besproken dat correspondeert met enkele van de belangrijkste emoties. Met name de emoties waarvan Ekman en Friesen (1975) de karakteristieke gelaatsexpressies hebben geanalyseerd zullen ter sprake komen. We zullen trachten aan te tonen dat deze vormen van expressief gedrag functioneel kunnen worden geïnterpreteerd als relationele activiteiten, en ook dat de ‘betekenis’ van deze expres-

[p. 26]

sies, hun relationele strekking, adequaat is gezien de emotionele omstandigheden waaronder de expressies zich doorgaans manifesteren.

Iedere interpretatie van expressie, functioneel of anderszins, zou moeten geschieden aan de hand van een nauwkeurige beschrijving en klassificering - van de expressiepatronen, gevolgd door een analyse van de stimuli waardoor deze patronen worden opgewekt of de ervaringen waarmee ze gepaard gaan. De beschrijving van expressiepatronen was in het verleden doorgaans gebaseerd op informele observatie, ondersteund door het onderzoek van bewegingen die door elektrische prikkeling van de aangezichtsspieren werden opgewekt (Duchenne 1876; Dumas 1933), en door het onderzoek van neuropathologisch veroorzaakte verlammingen en contracturen (Dumas 1933). Pas sinds kort zijn er technieken ontwikkeld die een systematische analyse mogelijk maken (zie Ekman 1982b), met name het Facial Action Coding System of facs voor de analyse van gelaatsexpressie (Ekman & Friesen 1978) en het Bernse systeem voor het onderzoek naar nonverbale interactie (Von Cranach & Kalbermatter 1982). In het facs-systeem worden foto's van gelaatsexpressies gecodeerd op grond van de overeenkomst tussen elk van de onderdelen van de expressie (wenkbrauwen, stand van de lippen) met een reeks standaardfoto's, onderling verschillend in de activiteit van een spier of enkele spieren. Alleen met behulp van dit soort systematische technieken is het mogelijk verder te gaan dan grove coderingen zoals ‘glimlach’ of ‘frons’ of ‘boos gezicht’, en tevens onderscheid te maken tussen sterk op elkaar gelijkende expressies, bijvoorbeeld verschillende soorten glimlach of frons (zie o.a. Blurton-Jones 1972b; Oster & Ekman 1978). De analyses waarbij gebruik werd gemaakt van deze technieken voor het beschrijven van menselijke expressie (zie par. 2.7) zijn tot nog toe gering in aantal. In de ethologie bestaan enkele zeer gedetailleerde beschrijvingen van het gedrag van sommige diersoorten. Een voorbeeld hiervan is de klassificering van de sociale gedragspatronen bij chimpansees door Van Lawick-Goodall (1968) en Van Hooff (1973).

Er is bij mensen nog maar weinig systematisch onderzoek verricht naar de omstandigheden waaronder de diverse gedragspatronen zich voordoen. Wel bestaat er een uitgebreide descriptieve literatuur, die enerzijds algemene verhandelingen bevat zoals die van Bell (1844), Darwin (1872) en Dumas (1933, 1948a), anderzijds meer gespecialiseerde studies zoals die van Strehle (1954) over gebaren, Kietz (1956) over loopwijze, Kiener (1962) over beweging in het algemeen, Schänzle (1939) over gelaatsexpressie tijdens denkactiviteit en Benesch (1960) over de expressies bij falen tijdens het oplossen van problemen. In veel van deze studies, met name de oudere, staan aardige beschrijvingen van situaties die uitdrukkingsgedrag hebben opgewekt. Zij zijn ook vaak zeer overtuigend in het aantonen dat de expressies die emoties vertegenwoordigen die ze worden geacht te verte-

[p. 27]

genwoordigen. Maar de wijze van observatie en analyse is weer informeel. Ook hier doen de ethologen het wat beter, met name dankzij het gebruik van sequentiële analysemethoden (zie Van Hooff 1982). Van Hooff (1972) observeerde een groep loslopende chimpansees en noteerde voor elk geobserveerd gedragspatroon of dit werd voorafgegaan en gevolgd door een ander gedragspatroon en zo ja, welk. Uit de analyse van de matrix van overgangsfrequenties kon een aantal verschillende gedragssystemen worden afgeleid, die vervolgens weer gebruikt konden worden voor de interpretatie van de afzonderlijke patronen. In een ander onderzoek werd een sequentiële analyse verricht van expressies geobserveerd bij de verschillende dieren die bij een gegeven interactie waren betrokken, weer met het oog op de interpretatie van ieder afzonderlijk gedragspatroon (Van Hooff 1972).

Zoals al opgemerkt bestaat er weinig materiaal van deze aard over menselijke expressies. De nu volgende analyses zijn voor het merendeel gebaseerd op informatie van de informele soort.

Vrees

In de vorige paragraaf gaven we een beschrijving van de schrikreactie: stijf dichtgeknepen ogen, gefronste wenkbrauwen, voorover gebogen hoofd, opgetrokken schouders, gebogen bovenlichaam en knieën. Bij een aantal diersoorten is een soortgelijke schrikreactie herkenbaar, waarbij tevens de oren plat tegen de kop worden gelegd. Landis en Hunt (1939) beschouwen deze reactie als een preparatie om te gaan springen, hetgeen onwaarschijnlijk is gegeven het analoge gedrag bij dieren. Waarschijnlijker is de opvatting dat het hier gaat om een beschermingsrespons (Young 1943; Andrew 1972). Een qua vorm soortelijke maar minder reflexmatige respons treedt op onder omstandigheden van actueel gevaar voor fysiek letsel.

Deze beschermingsrespons kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd: bescherming van de kwetsbare vitale organen (inclusief de ogen, Andrew 1963), vermindering van de eigen zichtbaarheid als doelwit, of een manier om externe prikkeling buiten te sluiten - dit laatste kan worden gezien als een variant op de eerstgenoemde interpretatie. Waarschijnlijk geldt de eerste interpretatie voor de schrikreactie, terwijl in de tragere gevaarrespons de andere twee functies samen een rol spelen. Hoe hij ook precies in elkaar zit, de beschermende functie verklaart de verschijningsvormen van deze respons. De strekking ervan is te vergelijken met het terugdeinzen en ineenkrimpen dat zowel bij mensen als bij chimpansees voorkomt (Van Lawick-Goodall 1968; Van Hooff 1973). De functionele interpretatie is in overeenstemming met Darwins verklaring van de schuin opgetrokken wenkbrauwen en de daaruit voortkomende verticale frons, welke onderdelen zijn van de expressie die universeel als een vreesexpressie wordt herkend (Ekman & Friesen 1975, fig. 12). Het is heel goed moge-

[p. 28]

lijk dat deze reactie voortkomt uit een impuls om de ogen ter bescherming stijf dicht te knijpen en zich tegelijkertijd te dwingen ze open te houden om het angstaanjagende object niet uit het oog te verliezen. Wat niet zo makkelijk in deze interpretatie valt in te passen is het naar achteren trekken van de mondhoeken (zie Ekman & Friesen 1975), dat vooral bij sommige dieren zeer geprononceerd kan zijn. (Andrew 1972). Dit zou deel kunnen uitmaken van een achterwaartse terugtrekbeweging. Bij mensen is het echter wellicht een echt overblijfsel van de ‘angstgrimas’ die bij resusapen uitsluitend in sociale angstsituaties voorkomt (Suomi & Harlow 1976) en waarschijnlijk een sociaal signaal is.

Afgezien van hun nut als beschermingsresponsen is de zin van bovengenoemde gedragingen dat ze het contact met externe prikkeling verminderen. Voortbeweging komt tot stilstand door schrik en verandert van richting door vrees. Het subject neemt een houding aan die omgevinggerichte handelingen en ontvangst van prikkels tegengaat. We zien dit bijvoorbeeld in de houding van iemand in een toestand van diepe ellende: hij zit met zijn knieën opgetrokken, armen om zich heen geslagen, hoofd diep gebogen, schouders opgetrokken en zo mogelijk de gordijnen dicht en niemand in de buurt. Het verschil tussen deze houding en de juist genoemde vreeshouding is duidelijk: vrees trekt zich terug en maakt zich klein; ellende sluit zich af, en doet dit op alle vlakken.

Variaties in gelaatsexpressie hangen onder andere af van de gelijktijdige visuele aandacht. Zoals gezegd worden de ogen soms dichtgeknepen, en soms blijven ze open met schuin opgetrokken wenkbrauwen. Bij een andere expressie zijn de ogen wijd open zonder opgetrokken wenkbrauwen, of met de opgetrokken wenkbrauwen die typerend zijn voor verbazing. Het zou hier kunnen gaan om een mengeling van vrees en belangstelling of vrees en verbazing, maar een waarschijnlijker veronderstelling is dat meer actieve en meer passieve vormen samen voorkomen.

Het verband tussen terugtrekking respectievelijk bescherming en vrees is duidelijk: in een vreeswekkende situatie is omgang met de omgeving niet, of niet helemaal, gewenst. Wanneer verminderde omgang met de omgeving geboden lijkt, en dat is dus zo wanneer iemand bang, opgelaten, verlegen of op zijn hoede is, dan is het te verwachten dat hij zich terugtrekt, of zich althans daarop voorbereidt. De emotiewoorden hebben deels betrekking op eigenschappen van de stimulussituatie: verlegenheid refereert bijvoorbeeld in de eerste plaats aan een reactie op andere personen. Deels hebben ze betrekking op verschillen in de intensiteit en algemeenheid van de terugtrekkingstendens en op de mate waarin toenadering en blootstaan nog verdragen worden. Er zijn eindeloze variaties en mengvormen denkbaar tussen bescherming, terugtrekking, klaar staan om zich terug te trekken, en behoedzame inperking van actie omdat actie zou kunnen leiden tot riskante contacten. Hieruit vloeit weer een eindeloze verscheidenheid aan

[p. 29]

expressies voort waarbij terugtrekking, bescherming, behoedzaamheid en het inperken van actie allemaal een rol kunnen spelen: een angstig gezicht met opgetrokken wenkbrauwen, een angstig gezicht met opengesperde ogen, een afgewend gezicht waarbij het lichaam nog wel open staat voor contact maar dit contact door de afgewende blik wordt verbroken, aarzelende en onhandige bewegingen.

De besproken expressies van vrees worden geïnterpreteerd als beschermings- of terugtrekkingsresponsen. Andere vreesreacties lijken de relationele functie, het gevaar te reduceren, op een andere manier te vervullen. Wegrennen en verstarren zijn bijvoorbeeld reacties waarbij men zich van het gevaar afwendt in plaats van de schadelijke gevolgen ervan te verminderen, terwijl de typische sociale angstgrimas lijkt te dienen om het gevaar te voorkómen. Tot slot bestaat er nog een gevaarrespons waarbij het gevaar als het ware zijn beloop wordt gelaten. Vrees uit zich soms alleen door algehele verslapping en een uitdrukkingsloze blik. Dit gebeurt wanneer verzet zinloos of onmogelijk lijkt. Extreme vrees is uitdrukkingsloos.

De neiging zich terug te trekken doet zich ook voor zonder dat er sprake is van gevaar of van de drang te vluchten of fysieke bescherming te zoeken. Een voorbeeld hiervan is diepe concentratie. Het komt dan ook voor dat expressies van diepe concentratie ten onrechte worden aangezien voor angstexpressies (Frijda 1953).

Verbazing, verrassing en verwondering

Een respons op plotselinge stimuli die zich onderscheidt van de schrikreactie is die waarbij de ogen worden opengesperd, de adem even wordt ingehouden en algemene spierverslapping optreedt. Dit laatste resulteert in het openvallen van de mond en doet het subject wankelen zodat hij soms moet gaan zitten. Deze respons is ook herkenbaar bij dieren, bijvoorbeeld katten, honden en apen (Andrew 1972). Baby's van rond de vijf maanden worden als reactie op onverwachte stimuli onbeweeglijk, met open mond en wijd opengesperde ogen (Malrieu 1960). Dumas (1933) interpreteerde deze expressie als een algemene inhibitierespons. Bij deze primitieve verbazingsrespons worden de wenkbrauwen niet opgetrokken.

Deze respons heeft een meer actieve variant waarin hij in sommige gevallen overgaat, namelijk echte verbazing of verrassing (Ekman & Friesen 1975). Hierbij worden de wenkbrauwen wél opgetrokken en wordt soms de karakteristieke ‘oh’-klank geuit, zelfs door Tahitianen toen de Beagle een paar vuurpijlen afschoot (Darwin 1872). Het optrekken van de wenkbrauwen is volgens Dumas een combinatie van gedragsinhibitie en ‘open aandacht’. Bij het optrekken van de wenkbrauwen gaat tevens het bovenste ooglid omhoog, het maken van snelle oogbewegingen wordt hierdoor waarschijnlijk vergemakkelijkt en het perifere blikveld vergroot (Darwin 1872; Dumas 1933). De zin van deze expressie is een passieve, ontvankelijke

[p. 30]

vorm van aandacht. Het passieve zit hem in het feit dat voortbeweging en instrumentele activiteit worden onderbroken, en dat de visuele aandacht niet gericht is op een vast punt maar juist is ingesteld op perifere stimuli uit alle mogelijke richtingen. In verschillende van haar variëteiten maakt deze houding een indruk van onnozelheid (Darwin 1872), onschuld en weerloze ontvankelijkheid of ontspannen sensualiteit; waarschijnlijk is dit allemaal wel terecht. Open aandacht, met de rest van het lichaam in argeloze ontspanning, is dikwijls op afbeeldingen te zien als weergave van religieuze verering of van bewondering in het algemeen. De weergave zou best met echt voorkomende uitdrukkingen overeen kunnen komen, gezien het passende van de houding onder de aangegeven omstandigheden. Wanneer er tevens sprake is van sporen van terugtrekkende beweging verandert deze expressie in een expressie van vrees of (met gesloten mond) van iemand die op zijn hoede is en klaar is voor actie (bijvoorbeeld wanneer men 's nachts in het donker zijn weg probeert te vinden of klaar staat om een aanval te pareren).

Woede

De meeste dieren kunnen een ondubbelzinnige bereidheid tot aanvallen vertonen die op ieder moment kan overgaan in openlijk aanvalsgedrag. Het lichaam gespannen, de tanden ontbloot, de snavel in de aanslag. Andere expressies, bij katten, honden, chimpansees en andere dieren (Darwin 1872; Andrew 1972; Van Hooff 1973), die dikwijls gepaard gaan met vocalisaties, kunnen beter omschreven worden met de term ‘woede’, aangezien het hier gaat om uitingen van geprikkelde opwinding en niet zozeer om aanvalsgedrag. Deze expressies zullen later worden besproken als gevallen van ‘interactieve expressie’.

Menselijke woede kent een grote verscheidenheid aan manifestaties. Het meest kenmerkend is de woeste blik, waarbij het subject strak voor zich uit kijkt met enigszins opengesperde ogen en gefronste wenkbrauwen (Darwin 1872; Ekman & Friesen 1975). Soms worden de ogen echter bijna dicht geknepen; het wijder openen van de ogen is waarschijnlijk beperkt tot situaties waar het gaat om een directe confrontatie met de tegenstander. Meestal is er sprake van verhoogde spierspanning, soms worden de vuisten gebald. Andere kenmerken zijn samengeperste lippen, opeengeklemde tanden en snelle, energieke bewegingen. De mond is vaak verwrongen, de stem luid, tot schreeuwsterkte. De gelaatstrekken lijken over het algemeen op die bij fysieke inspanning en lijken ook dezelfde betekenis te hebben: klaar staan voor krachtige bewegingen of daadwerkelijk gebruik van geweld. De wijd open ogen vormen hierop een uitzondering. Het opensperren van de ogen waarbij de wenkbrauwen niet of slechts in geringe mate worden opgetrokken is reeds ter sprake geweest in de passages over vrees. Bij woede kan dit dezelfde betekenis hebben, namelijk behoedzame in-

[p. 31]

spectie van de omgeving door iemand die klaar is voor actie. Het verschil is echter dat de actie hier voorwaarts gericht is, in tegenstelling tot de terugtrekkende beweging bij vrees. De wijd open ogen kunnen ook heel anders geïnterpreteerd worden, namelijk als een dreigende blik. Ik kom hier bij de bespreking van interactieve expressies op terug.

Het fronsen van de wenkbrauwen is een frequent maar niet onmisbaar onderdeel van woede-expressies en staat los van de krampachtige gespannenheid van de rest van het gezicht. Darwin observeerde het in talrijke situaties waar sprake is van een hindernis die overwonnen moet worden, bijvoorbeeld bij geconcentreerde aandacht. We zullen daar in de betreffende paragraaf verder op ingaan en het hier beschouwen als beperkte gedragsbereidheid, gerelateerd aan visuele aandacht of voorwaartse beweging.

Zoals opgemerkt kan de mond verschillende standen aannemen. Er wordt wel gezegd dat bij woede de tanden ontbloot worden; dit zou dan een atavistisch overblijfsel van de bijtdrang moeten voorstellen, dat wij van onze voorouders hebben geërfd (Darwin 1872; Izard 1971). Deze expressie, die niet eens in alle gevallen van woede voorkomt, is waarschijnlijk helemaal geen atavisme: sommige mensen, en met name kinderen, bijten namelijk echt wanneer ze boos zijn. Als we van een atavisme willen spreken dan heeft dat betrekking op de wens om te bijten, niet op de expressie als zodanig.

De zin van woede-expressies in al hun verschillende vormen is de manifestatie van een actieve houding, die zich kenmerkt door geactiveerde spierkracht en gerichte aandacht en die erop gericht is tegenstand te overwinnen en weerstand te bieden aan krachten van buiten. Hoewel de activatie van spierkracht dat doel soms heeft, zijn deze expressies niet in de eerste plaats aspecten van een voorbereiding voor aanvalsgedrag. Dumas (1933) maakt in dit verband een onderscheid tussen de expressie van woede als manifestatie van opstandigheid, en manifestaties van agressie, en ik denk dat hij gelijk heeft.

Variaties in de woede-expressies kunnen begrepen worden als variaties in de verschillende soorten krachtsinspanning waarvoor men klaar staat. Een expressie met wijd open ogen waarbij de wenkbrauwen omhoog én naar elkaar toe getrokken worden is beschreven in de Chinese literatuur (zie Averill 1982) en bekend in het Japanse theater (Eibl-Eibesfeldt 1974). Ook in westerse landen is deze expressie niet onbekend, denk maar aan een hevig verontwaardigde persoon die zich tot zijn volle lengte lijkt te gaan oprichten, klaar om een donderpreek af te steken. Deze expressie vertegenwoordigt, lijkt het, gereedheid voor een directe confrontatie (frontaal en rechtop). De toegeknepen ogen die we bij de meer gebruikelijke woedeexpressies zien suggereren een andere confrontatiewijze: minder frontaal, minder van boven af, meer neiging tot zelfbescherming.

[p. 32]

Andere woede-expressies vertegenwoordigen verschillende vormen van gedragsbeheersing. Iemand die boos is kan zijn mond houden, zijn lippen op elkaar klemmen, zijn ogen tot spleetjes knijpen en roerloos blijven zitten of staan om dan plotseling te exploderen of naar zijn tegenstander uit te vallen (maar hij kan zijn woede ook zonder verder misbaar laten wegebben). Deze expressie vertegenwoordigt een inhibitoire vorm van terugtrekking om te zinnen op een betere tactiek en de tegenstander op een later moment een rakere slag toe te brengen. Welke van deze talrijke expressies van woede moeten worden gezien als elementair, of als elementen van een aangeboren woedeprogramma, en welke dienen te worden gezien als afgeleide of verworven vormen, is op dit moment moeilijk te zeggen. Het feit dat de ‘karakteristieke’ expressie met de woeste blik en gefronste wenkbrauwen algemeen en universeel wordt herkend als een expressie van woede (Ekman, Friesen & Ellsworth 1972; Izard 1971) lijkt geen afdoende argument om haar als de voornaamste of enige oorspronkelijke woede-expressie te bestempelen. Woede kan op net zo natuurlijke wijze tot uitdrukking worden gebracht door elk van de bovengenoemde expressies.

Geconcentreerde aandacht

Zoals gezegd komt de horizontale frons voor bij woede en bij concentratie. Darwin herkende hem bij mentale activiteit ‘wanneer de persoon wordt geconfronteerd met een probleem of wanneer hij in zijn denken wordt onderbroken door een storende factor.’ Hij verschijnt op het gezicht van iemand die in verwarring is gebracht, en Darwin noemt in dit verband relevante waarnemingen bij volkeren zoals de ‘Australiërs’, Maleiers, Kaffers en Guaranï. Piderit (1867) merkte op dat stotteraars fronsen bij het spreken. Volgens Darwin wordt er tevens gefronst tijdens huilen en bij pijn; in deze gevallen hebben wij waarschijnlijk te maken met een ander soort frons.

De frons die voorkomt bij woede en concentratie lijkt zich ook in een andere situatie te manifesteren, namelijk bij op één punt gerichte visuele aandacht onder ongunstige omstandigheden. Iemand fronst wanneer hij op een deinend schip of in een schuddende trein kleine lettertjes probeert te lezen, of onder fel licht een detail in de verte tracht te onderscheiden. In elk van deze situaties lijkt de frons een nuttige functie te vervullen: in het eerste geval maakt hij de blik vaster, in het tweede geval schermt hij de ogen af voor het felle licht van boven. (Deze interpretaties geeft Darwin ook; hij meent voorts dat de frons bijdraagt tot het sluiten van de ogen.)

Geconcentreerde aandacht is echter niet hetzelfde als geconcentreerd enken, hoewel het woordgebruik duidt op gemeenschappelijke kenmerken. Het merkwaardige feit doet zich voor dat fronsen wanneer men bij het denken wordt gestoord, geen uiting van concentratie is maar een middel om de concentratie vast te houden. Zo ‘voelt’ het niet alleen, het blijkt ook zo

[p. 33]

te zijn. Weber (1929) constateerde dat proefpersonen zich tegen afleiding in de vorm van geluid trachten te weren door hun spieren te spannen en afwerende gebaren en bewegingen te maken zoals hoofdschudden, schouderophalen en tevens door middel van ‘nadrukkelijke concentratie op het opdrachtmateriaal’. Fronsen lijkt op dezelfde manier te helpen bij het vasthouden van de concentratie als hardop lezen bij het leren of de spierkracht verhogen bij het typen; het effect van afleidende factoren lijkt hier inderdaad door verminderd te worden (Morgan 1916; Ford 1929). Uit dit alles trok Schänzle de conclusie dat ‘het denkproces dient te worden beschouwd als doelgericht handelen, het bijbehorende expressieve gedrag als een (objectief) geschikte verwezenlijking hiervan’ (Schänzle 1939, blz. 102).

Maar waarom is dit zo? Waarschijnlijk lijkt het allemaal raadselachtiger dan het is. Aan de ene kant is de frons misschien slechts een teken dat de spieren klaar zijn voor actie in een welomschreven richting. Dat deze paraatheid tot uiting komt in de frons komt dan alleen maar voort uit de mechanica van de spieren (de opvatting van Dumas) of valt te verklaren uit het feit dat de blik in het algemeen het doel van een handeling vastlegt, zoals bij het lopen. Aan de andere kant zou het kunnen dat de horizontale frons ervoor zorgt dat de aandacht niet ergens anders heen wordt geleid, waardoor actievoorbereiding zich in de verkeerde richting zou kunnen ontwikkelen. Zo'n functie bepaalt bijvoorbeeld dat bij diep nadenken de blik omlaag en opzij wordt gericht (Day 1964; Duke 1968); het dient er daar waarschijnlijk toe om naar niets in het bijzonder te kijken en de blik niet in de primaire actierichting te laten gaan. Van een dergelijke controlefunctie lijkt ook sprake te zijn in andere gevallen waar wij deze frons aantreffen: woede, stotteren, krachtsinspanning, verwarring. De gemeenschappelijke factor is de noodzaak voor het subject om controle uit te oefenen op handeling en informatie-opname. De betrokken attitude is duidelijk tegengesteld aan de passief-ontvankelijke die werd genoemd in verband met verbazing en verwondering.

Verdriet

Er zijn veel vormen van verdriet, net zoals er veel vormen van woede zijn. Wij richten ons eerst op het stille, passieve verdriet. De uiterlijke kenmerken daarvan, zoals bijvoorbeeld de afgezakte mondhoeken, worden niet veroorzaakt door actieve spiercontractie maar door verlaagde spierspanning. Dumas (1933,1948) heeft een reeks foto's van patiënten met halfzijdige gezichtsverlamming gepresenteerd waar op de verlamde gezichtshelft een passief-verdrietige uitdrukking te zien is.

De expressie en de houding, de passiviteit, de neergeslagen ogen enzovoort, zijn het resultaat van gebrek aan activiteit en, meer in het bijzonder, gebrek aan belangstelling. De respons is evident zinvol, gegeven de omstandigheden die ertoe aanleiding geven, bijvoorbeeld het verlies van

[p. 34]

objecten van belangstelling. Het is geen functionele respons. Toch is dit niet strijdig met de hypothese dat expressies functionele responsen zouden zijn: passief verdriet is immers geen respons, het is afwezigheid van gedrag, ‘niet-gedrag’. Het is ook niet in tegenspraak met de opvatting dat expressies relationele activiteiten zijn. De zin van passief verdriet is expliciete afwezigheid van relationele activiteit. De expressie vertegenwoordigt een relationele nultoestand.

Bij andere vormen van verdriet verandert de nultoestand in terugtrekking, of niet-gedrag in gedrag. Terugtrekking betekent dat men zich afsluit voor prikkels die herinneren aan het verloren voorwerp of die tot handelen oproepen. De expressie met omlaaggetrokken wenkbrauwen, het ‘omwolkte voorhoofd’, is een onderdeel van zich in zichzelf keren en zich afsluiten van de omgeving, analoog aan het gedrag dat werd genoemd in verband met diepe ellende: naar bed, gordijnen dicht, dekens over het hoofd.

Bij expressies van verdriet is dikwijls sprake van de reeds genoemde schuine (dat wil zeggen, tegelijkertijd gefronste en opgetrokken) wenkbrauwen, door Darwin uitgelegd als de neiging om de ogen dicht te knijpen en ze tegelijkertijd proberen open te houden om te zien wat er gebeurt. Bij passief verdriet is het eerder een reactie op het hypotone omlaag zakken van wenkbrauwen en hoofd om tenminste nog enige mate van waakzaamheid te behouden. Andere kenmerken van verdriet zijn expressies van pijn. Pijnlijke gelaatsexpressies zijn op twee manieren te verklaren: enerzijds als een gevolg van gegeneraliseerde spieractivatie (Dumas 1948a) om de pijn te onderdrukken of de aandacht ervan af te leiden, anderzijds als een manifestatie van vergeefse pogingen om te ontkomen aan onontkoombare stimulatie.

Huilen komt in een latere paragraaf aan de orde.

Verdriet en depressie worden dikwijls gekenmerkt door rusteloos in plaats van apathisch gedrag. Gezien het feit dat verdriet en bedroefdheid meestal een reactie zijn op verlies, kan deze rusteloosheid worden geïnterpreteerd als een vergeefs zoeken naar het verloren object (Bowlby 1969) of als een vorm van protest, verzet, ontsnapping of confrontatie.

De blik

Zoals eerder opgemerkt blijkt het relationele karakter van expressief gedrag in belangrijke mate uit de blik. De uiteenlopende tijds- en ruimteaspecten van het kijken: de schuine blik, de strakke, starende blik, de steelse of terloopse blik, de neergeslagen blik, hebben allemaal een hoge mate van expressiviteit. Bij veel van de juist besproken expressies staat een vorm van aandachtsactiviteit, en daarmee de blik, centraal: de neergeslagen blik bij bedroefdheid of diep gepeins, de ontwijkende en tegelijk waakzame blik bij vrees, enzovoort.

Het belang van de dynamiek van het kijken is in veel onderzoek aange-

[p. 35]

toond (zie Exline & Fehr 1982). Het aankijken van iemand die jou net slecht heeft behandeld vermindert in frequentie en duur (Exline & Winters 1965); voorkeur voor een persoon (een handlanger in een experiment), zoals aangegeven na een bijeenkomst, leverde een correlatie van 0,40 op met de hoeveelheid oogcontact (Kleck e.a. 1976). Een baby die bij zijn moeder vandaan wordt gehaald kijkt, als hij daar de mogelijkheid toe heeft, bijna voortdurend in haar richting (Ainsworth 1967). De mate van oogcontact wordt bepaald door status en geslacht van de deelnemers (Mehrabian 1972): een relatief lang aangehouden blik tussen een man en een vrouw kan, afhankelijk van hun verhouding, ervaren worden als te intiem of te opdringerig. Uit het door Argyle en Dean (1965) ontwikkelde evenwichtsmodel volgt dat wanneer de intimiteitsdruk toeneemt (bijvoorbeeld doordat de ander dichterbij komt), de neiging ontstaat de blik af te wenden. Dit is ook het geval wanneer het gespreksonderwerp intiemer wordt (Exline, Gray & Schuette 1965; Schulze & Barefoot 1974); het wegkijken is dan een teken van opgelatenheid, schuchterheid of verlegenheid (Modigliani 1971). De woorden opgelatenheid, schuchterheid en verlegenheid schieten echter te kort om de subtiele evenwichtsschommelingen te beschrijven tussen contactbeperkende en contacthandhavende tendensen zoals die zich in interactiesituaties voordoen.

2.3 Varianten van relationeel gedrag

Relationele gedragsmodaliteiten

Uit het voorgaande blijkt dat veel expressief gedrag kan worden opgevat als relationeel gedrag. Dit is een interessant gegeven op zich, helemaal afgezien van de vraag of zulk gedrag moet worden gezien als ‘expressie van emotie’ en wat dat begrip eigenlijk inhoudt. Expressief gedrag heeft zijn eigen inherente betekenis, als relationele activiteit, als de wijze waarop het subject zich tegenover zijn omgeving opstelt. Bovendien is het mogelijk dat een bepaalde vorm van expressief gedrag voorkomt in verschillende emotionele contexten en in elk daarvan ongeveer dezelfde functie vervult. Huilen, bijvoorbeeld, gaat met verschillende emoties gepaard; wij hopen straks aan te tonen dat de betekenis in alle gevallen eender is. Het is een bepaalde manier om met de omgeving om te gaan (of juist niet), en dient als zodanig te worden opgevat, ongeacht de drijfveer, de innerlijke determinant.

Het begrip relationeel gedrag is van toepassing op houdinggradaties waarvoor het moeilijk is passende emotiewoorden te vinden, maar die niettemin voortdurend de sociale interactie moduleren: gradaties van aanvaarding, belangstelling, terughoudendheid, bedeesdheid enzovoorts. De eerste twee woorden verwijzen naar een bepaalde mate van toenadering en

[p. 36]

zintuiglijke receptiviteit, bij de andere twee is sprake van een gelijktijdige terugtrekkingstendens of van beperkte actiebereidheid. Ook instrumenteel gedrag en doelgedrag kunnen relationeel worden opgevat, namelijk als gedrag dat erop gericht is enige vorm van contact tot stand te brengen en enig instrumenteel of consummatoir doel te verwezenlijken. Tedere bewegingen, bijvoorbeeld, zijn gericht op zacht aanraken en zacht koesteren. Een tedere blik is een vorm van kijken die een discrete, niet-analytische en tolerante belangstelling impliceert, en bereidheid tot verdere tedere toenadering.

Relationeel gedrag is gedrag dat een relatie met de omgeving tot stand brengt, handhaaft of verbreekt door veranderingen aan te brengen in ruimtelijke betrekkingen, in zintuiglijke paraatheid en in actiebereidheid. De relationele strekking van het tot nog toe besproken gedrag is duidelijk waarneembaar. Dergelijke relationele veranderingen kunnen echter ook op een andere wijze tot stand worden gebracht, namelijk door beïnvloeding van de reacties van anderen.

Interactieve expressie

Sommige expressies zijn niet te verklaren als vormen van benaderen of vermijden of als blijk van zintuiglijke ontvankelijkheid of actiebereidheid. Voorbeelden hiervan zijn woedend stampvoeten, houdingen van schaamte en vocale expressies. Veel van deze expressies kunnen echter verklaard worden op grond van hun effect op andere mensen of dieren. We zullen ze interactieve expressies noemen: expressies die er in de eerste plaats op gericht zijn het gedrag van anderen te beïnvloeden. De reeds besproken expressies oefenen weliswaar ook in bepaalde gevallen invloed uit op anderen, maar dat lijkt niet hun voornaamste functie te zijn; bovendien kan niet op grond van die invloed verklaard worden waarom ze zich manifesteren onder de omstandigheden waarin ze zich manifesteren. We willen het nu hebben over expressies die zich louter en alleen manifesteren om anderen te beïnvloeden, en die voorkomen in situaties waar het beïnvloeden van anderen op die bepaalde wijze een duidelijke instrumentele functie lijkt te hebben.

De term interactieve expressies dient niet verkeerd te worden begrepen. Hij wordt hier gebruikt voor gedragingen die, net als de tot dusver besproken expressies, worden opgeroepen door emotionele situaties. Beide soorten expressies dienen hetzelfde algemene doel, namelijk het tot stand brengen of wijzigen van een relatie tussen het subject en zijn omgeving. Bij de relationele expressies is deze werking direct, bij de interactieve expressies indirect, namelijk door beïnvloeding van het gedrag van anderen. Het relationele doel dat al deze expressies gemeen hebben is het verwijderen van de een of andere bron van ongemak of onbehagen.

Vocale expressies leveren het duidelijkste voorbeeld van interactieve ex-

[p. 37]

pressie. Roepen kan dienen als waarschuwingssignaal of als afweermiddel (geblaf bij honden, geblaas bij katten, woedekreten). Bij de hogere diersoorten zorgen de noodkreten van de jongen ervoor dat het moederdier onmiddellijk toe komt snellen; het huilen van baby's is de menselijke pendant hiervan. Van beide expressies kan gezegd worden dat ze voor dat doel bestaan, ook al worden ze niet in alle gevallen met die opzet geuit.

Er zijn ook gelaats- en lichaamsexpressies die een sterke invloed uitoefenen op anderen en, mag men aannemen, aan dat doel hun bestaansreden ontlenen. Het gaat hier met name om expressies die vanuit een relationeel oogpunt moeilijk verklaarbaar zijn. Veel menselijke uitingen van woede zijn niet goed te begrijpen als voorbereiding van aanvals- of afweergedrag. Deze uitingen vertonen echter een opvallende gelijkenis met bluf- en dreiggedrag bij dieren. Het zijn intimiderende vormen van machtsvertoon. Stampvoeten is een ongeleerde woede-expressie die zelfs bij een dove en blinde idioot is waargenomen (Eibl-Eibesfeldt 1973). Het is nauw verwant aan een gedragspatroon bij chimpansees dat volgens sequentiële analyse deel uitmaakt van het systeem van blufgedrag (Van Hooff 1973). Ook het vernielen van levenloze objecten (borden stuksmijten) is eerder een vorm van machtsvertoon dan van ‘omgebogen agressie’. Dit gedrag is eveneens herkenbaar bij chimpansees; het gaat dan gepaard met luide kreten en schijnbare lichaamsvergroting doordat de haren overeind gaan staan. Allemaal bijzonder doeltreffende middelen om anderen te intimideren. De aanblik van een tien centimeter hoge dwergkwartel die met opgestoken veren haar kuikens verdedigt is genoeg om je achteruit te laten deinzen, en hetzelfde geldt voor het geblaas van een twee weken oud kattejong. Uiteraard kan dreig- en domineringsgedrag ook een directe relationele functie hebben. Iemand die zijn krachten verzamelt en zich zo groot mogelijk maakt doet dit om controle uit te oefenen op het gedrag van anderen. Het interactieve en het direct relationele aspect worden dus door elkaar versterkt.

Ook het opensperren van de ogen bij woede is waarschijnlijk eerder een techniek van dreiging en intimidatie dan een relationeel verklaarbare expressie. Bij dieren is staren als een vorm van twistgedrag een frequent verschijnsel (Andrew 1963) en veel dieren reageren agressief of angstig wanneer ze worden aangestaard. Exline en Yellin (1969) voerden een experiment uit waarbij resusapen door menselijke onderzoekers werden aangestaard. In 47 procent van de gevallen ging de aangestaarde aap tot de aanval over, in 29 procent vertoonden de apen dreiggedrag. Iemand streng aankijken tot hij zijn blik neerslaat is een bekend disciplineringsmiddel bij mensen. Het is derhalve waarschijnlijk dat de woedende blik van iemand die boos is in de eerste plaats een intimiderende functie heeft. Bij resusapen maken agressieve gelaatsexpressies deel uit van de ongeleerde angststimuli (Sackett 1966). Het alarmerende effect van aangestaard worden is een zeer

[p. 38]

algemeen biologisch verschijnsel. (Argyle & Cook 1976). Ook bij het interactieve wegkijkgedrag speelt de dreigende functie van het aankijken een rol. Honden die elkaar voor het eerst tegenkomen kijken elkaar niet aan, waarschijnlijk om geen agressie op te wekken bij de ander; een soortgelijk verschijnsel komt voor bij ratten, vogels (Chance 1962) en onderdanige primaten (Hall & De Vore 1965).

Onderdanig gedrag dient er in de eerste plaats toe meer dominante individuen gunstig te stemmen. De kenmerken ervan zouden dus tegengesteld moeten zijn aan die van agressief, dominant of kwaad gedrag, en dat is inderdaad het geval. Bij dieren bestaat onderdanig gedrag uit een duidelijke demonstratie van geringere macht, geringere afmetingen en geringere actiebereidheid. Een hond drukt zich plat tegen de grond of rolt op zijn rug (Darwin 1872); de onderdanige chimpansee kruipt in elkaar of komt aarzelend dichterbij (Van Hooff 1973). Kenmerken van onderdanig gedrag bij mensen zijn het ontwijken van directe blikken, algemeen onopvallend gedrag, en de conventionele buiging. De uit de literatuur bekende beschrijvingen van expressies van schaamte en van schuldgevoel (Tomkins 1962; Izard 1971) zijn beter op te vatten als voorbeelden van onderwerpingsgedrag: het hoofd gebogen, de blik omlaag gericht (of omhoog, vanuit het gebogen hoofd), de handen langs het lichaam in een positie van expliciete inactiviteit. Deze expressies zijn niet specifiek voor schaamte of schuldgevoel.

Zich onopvallend gedragen is interactief in de hier gehanteerde betekenis van het woord, aangezien het perceptuele activiteit bij anderen vooronderstelt en deze - zij het negatief - tracht te beïnvloeden. Onopvallendheid wordt niet alleen nagestreefd bij onderwerping, maar in alle situaties waar gezien worden een risico met zich mee zou kunnen brengen: bij sociale angst, schuchterheid en verlegenheid. Kleine, schuchtere bewegingen en de zachte, verlegen stem hebben dezelfde functie.

Naast gedrag om niet op te vallen bestaat er ook gedrag om wél op te vallen. Woedegedrag, bluffen en hulpeloos huilen vallen in deze categorie. Zo ook alle vormen van aandacht trekken kenmerkend voor baltsgedrag bij dieren en verliefdheid bij mensen, en vormen van uitbundig triomfvertoon. Vrolijk gedrag kan in het algemeen worden opgevat als gedrag om op te vallen. Opgemerkt worden door anderen is een steevast gevolg van uitbundigheid, en het ligt daarom voor de hand dat uitbundigheid ertoe dient om opgemerkt te worden. Gezien worden, zonder dat er sprake is van agressie, schept en versterkt banden met andere individuen en leidt tot bindingversterkend gedrag van hun kant, namelijk aandacht en deelname. Uitbundige vrolijkheid noodt bijna altijd tot deelname, of anders gezegd: door vrolijk gedrag wordt de ander in een interactie gevangen. Iemand die bij zijn thuiskomst wordt ontvangen door zijn hond die kwispelend tegen hem opspringt, wordt verleid om met hem te spelen of hem in ieder geval aan te

[p. 39]

halen; kwispelen wordt dan ook wel opgevat als om sociaal contact vragend gedrag (Panksepp 1982). Het kind dat een uitje in het vooruitzicht is gesteld betrekt zijn ouders al spelend en babbelend bij zijn verwachtingen en voorbereidingen, waardoor het voor de ouders moeilijker wordt de belofte niet na te komen.

Het interactieve effect van de meeste van de juist besproken expressies komt voort uit hun perceptuele eigenschappen, dat wil zeggen hun auditieve en visuele opvallendheid of onopvallendheid. Andere interactieve expressies vooronderstellen voor hun effect een specifieke gevoeligheid bij de ontvanger: voorbeelden hiervan zijn aankijken, aanstaren, de agressieve grimas, en misschien ook de glimlach.

Glimlachen is een teken van vriendelijkheid en non-agressie. Het zou als zodanig een conventioneel teken kunnen zijn, maar dat is niet waarschijnlijk, aangezien de ‘vriendelijkheidsfunctie’ van de glimlach universeel lijkt te zijn. Bovendien bestaat er bij chimpansees een morfologisch aanverwante expressie, het zwijgend ontbloten van de tanden, die een soortgelijke functie lijkt te hebben en deel uitmaakt van het ‘affinitief gedragssysteem’ (Van Hooff 1972). Een van de varianten hiervan (de ‘horizontale’ variant) wordt voorafgcgaan en gevolgd door onderdanig gedrag en leidt tot een vermindering van agressief gedrag bij een dominante interactiepartner. Andere varianten lokken affinitief gedrag uit. Hoe komt het dat de glimlach dit effect heeft? Misschien omdat er bij de glimlach (of het zwijgend ontbloten van de tanden) duidelijk geen sprake is van agressieve bedoelingen of van angst (de filogenetische oorsprong is, naar men aanneemt, een gevocaliseerde angstrespons). De glimlach is gedrag in een vlak loodrecht op de richting van toenadering, aanval of vlucht, en kan misschien alleen al om die reden als ‘vriendelijk’ worden opgevat.

Ook lachen heeft - misschien wel als een van zijn voornaamste functies - interactieve effecten. De homologe expressies bij chimpansees, het ‘speelgezicht’ (Van Lawick-Goodall 1968) of de met stemgeluid gepaard gaande ‘ontspannen open mond’ (Van Hooff 1972), duiden erop dat het vecht- of stoeigedrag niet serieus bedoeld is. Het schijnbaar agressieve gedrag wordt erdoor ontzenuwd. In het onderzoek van Van Hooff (1972) werd deze expressie in 88 procent van de gevallen gevolgd door speelgedrag bij de interactiepartner.

Interactieve expressies in de hier gehanteerde betekenis kunnen worden opgevat als communicatiemiddelen. Het gaat echter niet zozeer om de communicatie van gevoelens, als wel van gedragsintenties of verzoeken om actie. Interactieve expressies zijn, met andere woorden, sociale imperatieven. Tegelijkertijd worden ze gemotiveerd door dezelfde verlangens en aandriften als direct relationeel gedrag: verlangen naar de verwijdering van ongemak (huilen), naar het verdwijnen van frustrerende obstakels (boos, dreigend gedrag), naar non-agressie bij anderen, naar deelname in vrolijk-

[p. 40]

heid, enzovoort. Het zijn dus zuivere ‘emotionele expressies’, in de zin van bewegingen, handelingen die niet met opzet, dat wil zeggen louter om hun effect, worden verricht (Frijda 1982). Ze mogen dus ook niet worden verward met mimische of andere gebaren waarbij er wel van een dergelijke opzet sprake is (zie par. 2.6). Interactieve expressies kunnen wel geïmiteerd worden om een bepaalde houding aan te geven of om bewust gevoelens kenbaar te maken; dit is echter niet hun oorspronkelijke karakter.

Darwins tweede principe

Interactieve expressies vormen het object van Darwins tweede expressieprincipe, het principe van de tegenstelling:

‘Bepaalde gemoedstoestanden leiden tot bepaalde nuttige gewoontehandelingen, zoals gesteld in ons eerste principe. Wanneer nu de tegenovergestelde gemoedstoestand wordt opgewekt, ontstaat er een sterke, onwillekeurige neiging tot het verrichten van tegenovergestelde bewegingen, ook al hebben deze geen enkel nut. Deze bewegingen hebben in sommige gevallen een hoge mate van expressiviteit.’ (Darwin 1872, [1965, p.28])

Het is niet zo dat tegengestelde gevoelens leiden tot tegengesteld gedrag; tegengestelde interactieve effecten worden via de tegenovergestelde weg bereikt. Hoe duidelijker de tegengesteldheid van het resulterende gedrag, des te ondubbelzinniger de signalen en des te sterker de tegenstelling in het bereikte effect. De tegenstelling tussen onderdanig en dominant gedrag is hiervan het duidelijkste voorbeeld.

Overdrachtelijke expressies

Darwin richtte zich met zijn eerste principe op het probleem dat expressies kunnen voorkomen onder omstandigheden waarin ze geen enkel nut hebben. Bij vrees worden de ogen dichtgeknepen ook al is er niets dat de ogen bedreigt; mensen huilen en schreeuwen ook al is er niemand in de buurt om te helpen; men trekt een vies gezicht als reactie op een walgelijk verhaal. Expressies zijn dus over het algemeen een reactie op emoties en niet zo zeer op gebeurtenissen die de betreffende handelingen nodig maken; vandaar Darwins hypothese betreffende de erfelijke associatie tussen de emoties en dergelijke handelingen.

Het door Darwin geformuleerde probleem is in belangrijke mate te wijten aan een onjuiste conceptualisering van emoties. Emotie wordt door Darwin gezien als een innerlijk gevoel. Wanneer emoties echter niet beschouwd worden als alleen maar gevoelens, maar als toestanden waarbij sprake is van een neiging tot relationeel gedrag, en expressie als een vorm van zulk gedrag, wordt het probleem een stuk eenvoudiger. Walging als reactie op moreel stuitende gebeurtenissen impliceert dezelfde relationele tendens tot afwijzen als walging opgewekt door zintuiglijk weerzin-wekkende gebeurtenissen. Angst bij het zien van een spannende film impliceert

[p. 41]

dezelfde relationele tendens om zich te beschermen als angst in een situatie van fysiek gevaar.

Er behoeft dus alleen nog te worden verklaard waarom gedrag dat aan de relationele tendens beantwoordt, voorkomt onder omstandigheden waarin het niet effectief kan zijn. Er zijn twee - complementaire - antwoorden mogelijk op deze vraag. Ten eerste: er is sprake van zoiets als stimulusgeneralisatie. Volgens Piderit (1867) gaat het bij overdrachtelijke expressies om gedrag ten opzichte van ‘imaginaire objecten’. Wundt (1903) wees op een ‘gelijkenis’ tussen zintuiglijke en morele weerzinwekkendheid, of tussen een zoete smaak en aangenaamheid in het algemeen. Deze gedachten worden gesteund door observaties betreffende de ontwikkeling van expressie bij zuigelingen: expressies van affectieve waardering blijken op zeer vroege leeftijd te ontstaan uit expressies van zintuiglijke waardering (Chiva 1985).

Ten tweede: expressie is een primitief gedragssysteem dat werkt volgens het principe ‘eerst doen, dan denken’. Er wordt slechts gereageerd op een onderdeel van de totale stimulusconstellatie, namelijk het walgelijke, afschrikwekkende of aangename (enzovoort) aspect ervan, zonder dat wordt gelet op verdere bijzonderheden waaruit eventueel zou kunnen blijken dat de reactie nutteloos is. Zo'n principe is geen onredelijk principe. Emoties worden immers opgewekt door belangrijke gebeurtenissen die dringend om een reactie vragen. Het probleem is in feite niet dat expressies worden ‘overgedragen’ naar omstandigheden waarin ze van geen enkel nut zijn, maar dat er ‘overdrachtelijke emoties’ bestaan: fysiek terugwijken voor een moreel weerzinwekkende gebeurtenis is hier een voorbeeld van. Het is zelfs zo dat een walgelijk verhaal niet alleen een vies gezicht, maar letterlijk braakneigingen kan opwekken; en iemand kan door het horen van schokkend nieuws zo in paniek raken dat hij met zijn handen voor zijn gezicht wegvlucht.

Dumas (1933, 1948a) heeft aangevoerd dat het belang van overdrachtelijke expressies zowel door Darwin als door Piderit zwaar werd overschat. De meeste van deze overdrachtelijke expressies zijn helemaal geen emotionele expressies, maar ‘mimiques’, mimieken, gebaren van het gelaat. Het probleem bestaat volgens Dumas helemaal niet. ‘Bittere’ en ‘zure’ expressies als reactie op prikkels die niet met de smaak in verband staan zijn bewuste imitaties van echte emotionele - dat wil zeggen onwillekeurige - expressies; al is het wel zo dat er een gelijkenis bestaat tussen de attitudes die aanleiding geven tot deze secundaire reacties enerzijds en tot het afstoten van bittere en zure stoffen anderzijds.

De primitiviteit en flexibiliteit van expressief gedrag

Overdrachtelijke expressies suggereren dat de expressie beschouwd kan worden als onderdeel van een primitief responssysteem. Het primitieve aspect geldt het feit dat het betreffende gedrag grotendeels aangeboren en

[p. 42]

voorgeprogrammeerd is, zoals in paragraaf 2.4 zal worden toegelicht. Waar het zich echter het duidelijkst in kenmerkt is in de grove analyse van de stimulussituatie. Expressief gedrag manifesteert zich zelfs wanneer een meer nauwkeurige cognitieve analyse zou aantonen dat het gedrag objectief gezien nutteloos is. Knipperen met de ogen als reactie op onverwacht geluid, huilen in je eentje, misselijkheid bij het horen van een schokkend verhaal is hetzelfde als bukken wanneer je een kogel voorbij hoort fluiten: het is dom, maar niet bukken zou nog dommer zijn. Dit is, meen ik, het niveau waarop emotie functioneert.

Toch is expressief gedrag wel onderhevig aan enige cognitieve controle. Expressief gedrag bestaat niet uit een vast reactiepatroon dat volgens een stereotiep stramien afloopt, onafhankelijk van de aard van de stimulussituatie. Expressief gedrag wordt in tweeërlei opzicht door de stimulussituatie beïnvloed. Ten eerste worden de richting en de intensiteit van de expressieve reactiepatronen afgestemd op de kenmerken van de stimulussituatie. De expressies worden naar de plaats van de relevante objecten toegericht of ervan afgericht, en ze worden aangepast aan de vermeende kracht of weerstand van deze objecten. Deze coherentie ten opzichte van de situatie is het duidelijkst bij expressies van woede. Uit woede voortkomende handelingen zijn gewoonlijk gericht tegen de tegenstander of iets wat daarvoor in aanmerking komt. Zelfs agressief afweergedrag opgewekt door elektrische prikkeling van de hypothalamus is gericht tegen personen of dieren in de directe nabijheid, en niet tegen een blok hout of tegen het experimentele apparaat (zie hoofdstuk 7).

Ten tweede wordt het expressieve patroon aan de omstandigheden aangepast. De verschillen in gelaats- en andere expressies van woede zijn in de vorige paragraaf besproken. Deze verschillen worden bepaald door het al dan niet aanwezig zijn van het woedeobject en door het soort woedegedrag waarvoor men klaar staat; dit laatste is weer afhankelijk van de aard en het gedrag van de tegenstander.

Bij vreesexpressies bleek sprake te zijn van soortgelijke verschillen. De ogen zijn open of dicht, afhankelijk van wat onder de gegeven omstandigheden het meest zinvol lijkt. Iets dergelijks gebeurt bij dieren. De rat beschikt over een heel arsenaal van afweerreacties: onbeweeglijk blijven, vluchten, springen, vechten. Voor welke reactie wordt gekozen hangt af van de omstandigheden: in het open veld neigt hij ertoe te verstarren, in een nauw steegje vlucht hij eerder weg, en als er een andere rat in de buurt is gaat hij meestal tot de aanval over. De snelheid waarmee elk van deze reacties aan een waarschuwingssignaal geconditioneerd kan worden hangt sterk af van de omstandigheden waaronder de conditionering plaatsvindt: het is een rat gemakkelijk aan te leren om te gaan rennen in het looprad en zich onbeweeglijk te houden in het open veld (Bolles 1970).

Alles bij elkaar wordt er meer dan juist is de nadruk gelegd op vaste

[p. 43]

actiepatronen die zouden corresponderen met bepaalde emoties. Een zekere mate van flexibiliteit lijkt regel te zijn.

2.4 Gedragsintensiteit, activatie en inhibitie

Expressief gedrag varieert in intensiteit. Angstige terugtrekking kan zich duidelijk manifesteren, in de vorm van wegrennen of een van angst vertrokken gezicht, maar zich ook beperken tot een ietwat krampachtige lichaamshouding, of een lichte frons, iets toegeknepen ogen en een nauwelijks merkbare trilling om de lippen. Iets dergelijks geldt voor alle vormen van relationeel gedrag. Het intensiteitsaspect is een belangrijke dimensie in de beschrijving van emotioneel gedrag en in de beoordeling van expressies. Het kost weinig moeite om expressiefoto's te rangschikken, bijvoorbeeld van ‘slaperig’ tot ‘gespannen’ (Schlosberg 1954). In experimenten waarbij proefpersonen expressies moeten beoordelen aan de hand van een serie bipolaire schalen (‘aangenaam-onaangenaam’, ‘actief-passief’, ‘sterkzwak’ enz.), komt intensiteit steeds naar voren als een van de belangrijkste onderliggende factoren. Schalen zoals ‘actief-passief’ en ‘onbeheerst-beheerst’ vertonen de hoogste lading op die factor (Osgood 1955; Frijda 1969). Bij de beoordeling van de gelijkenis van expressiefoto's op meerdere dimensies komt intensiteit als de belangrijkste dimensie naar voren (Abelson & Sermat 1962). Er is een aanzienlijke correlatie geconstateerd tussen de scores op de intensiteitsdimensie en de mate van verandering in gelaatsuitdrukking bij de expressies (voor een onderzoek gold r = 0,71, voor een ander r = 0,52; Frijda 1969).

Intensiteit is echter geen eenvoudig begrip. Het kan betrekking hebben op veranderingen (afname of toename) in spieractiviteit ten opzichte van de normale stand of ruststand. Zo werd het begrip gehanteerd in de bovenstaande beoordelingsexperimenten: diepe, passieve bedroefdheid is een meer intense expressie dan een neutrale gezichtsuitdrukking. ‘Intensiteit’ kan echter ook verwijzen naar een aantal andere gedragsparameters: de omvang, de amplitudo van actieve bewegingen; het expressiebereik, dat wil zeggen de mate waarin het lichaam bij de expressie is betrokken (alleen de ogen, alleen het gezicht, het hele lichaam enzovoort); de duur van de respons bij een gegeven stimulusduur; de snelheid en kracht van de beweging, indien van toepassing; de mate van spierspanning.

De parameters kunnen al dan niet met elkaar gecorreleerd zijn. De kwestie van correlatie van parameters is niet geheel onbelangrijk. In de literatuur wordt gewoonlijk naar gedragsintensiteit, of naar de onderliggende dispositie, verwezen als ‘activatie.’ Iemand bevindt zich in een toestand van meerdere of mindere activatie, of vertoont een hoger of lager ‘activatieniveau.’ Indien echter de verschillende parameters van gedragsintensiteit

[p. 44]

geen sterke correlatie vertonen, of zelfs met elkaar in tegenspraak zijn, dan verliest het begrip ‘activatieniveau’ (of gedragsintensiteit) zijn waarde als concept. Enkele van de in dit verband belangrijke punten zijn de volgende.

Het is te verwachten dat bij emotionele expressie de bewegingsomvang en het expressiebereik sterk met elkaar gecorreleerd zijn, mits er geen sprake is van bewuste onderdrukking of verheviging. Bij spontaan emotioneel gedrag mag men verwachten dat de bewegingsomvang in de verschillende lichaamsdelen bepaalde regels volgt en een bepaalde harmonie vertoont. Er zijn twee soorten argumenten voor deze veronderstelling. In de eerste plaats blijkt uit onderzoek naar expressiebeoordeling dat discrepantie tussen verschillende onderdelen van een expressie de indruk wekt van kunstmatigheid of onoprechtheid. Verbazing uitgedrukt door wijd opengesperde ogen maar met een dichte mond, of door een uitgesproken gelaatsuitdrukking in combinatie met een passieve lichaamshouding waarbij de armen slap langs de romp hangen, maakt geen spontane indruk; het is het soort verbazing dat men ziet op het amateurtoneel. Op dergelijke discrepanties berust ook het verschil tussen mimiek en echte expressies. Tot de mimiek behoren bijvoorbeeld de opgetrokken wenkbrauwen en opengesperde ogen die equivalent zijn aan mondelinge uitingen van verbazing van het type ‘Dat meen je niet!’. Asymmetrie is veelal een eigenschap van mimiek en niet van expressie, zoals Ekman, Hager en Friesen (1981) hebben aangetoond met betrekking tot glimlachen. Het tweede argument is ontleend aan diergedrag, waar in principe geen sprake kan zijn van opzettelijke bewegingsmodificatie, en waar, naar wij mogen aannemen, de bewegingen van de verschillende lichaamsdelen deelnemen aan een algemene activiteit, met een gradueel verloop van kop tot staart. Vandaar de ‘natuurlijke gratie’ van dierlijke beweging. Om dezelfde redenen zou er een positieve correlatie moeten bestaan tussen omvang en tijdsverloop van een beweging, en in het bijzonder tussen omvang en vervaltijd van een expressie.

Bewegingsomvang, expressiebereik en tijdsparameters correleren waarschijnlijk met een vierde intensiteitsparameter, namelijk spierspanning, en in het bijzonder gelijktijdige spanning van agonisten en antagonisten. Een harmonieuze covariatie tussen deze vier variabelen is misschien datgene wat de indruk wekt van ‘hartstochtelijke’ of ‘gedreven’ bewegingen. Deze bewegingen zijn van theoretisch belang omdat ze corresponderen met actief, spontaan, alert, gemotiveerd gedrag - als onderscheid ten opzichte van reactief gedrag. Dit suggereert dat er twee activatiedimensies te onderscheiden zouden zijn, waarvan de eerste achter de mate van activiteit ligt en de tweede achter de mate van reactiviteit.

Men mag aannemen dat de omvang, het bereik en de duur van een expressie, of deze nu actief, reactief of hypotoon is, gerelateerd zijn aan de intensiteit van de emotie, wanneer deze laatste wordt gedefinieerd aan de hand van externe criteria, zoals verslag van subjectieve ervaring of ernst

[p. 45]

van de emotionerende omstandigheden. Het is duidelijk dat de correlatie niet volmaakt kan zijn, gezien de mogelijkheden van onderdrukking en bewuste verheviging.

Bewegingsomvang en expressiebereik vertonen noodzakelijkerwijs slechts een beperkte of zwakke correlatie met spierspanning. Er bestaan toestanden van krampachtige immobiliteit of gespannen, geremde beweging, en van ontspannen immobiliteit of ongeremde beweging. Dat deze parameters inderdaad tot op zekere hoogte onafhankelijk zijn is aangetoond, zij het niet via directe meting van de gedragsintensiteit maar op grond van zelfbeoordeling van stemmingen. Factoranalyse van een ‘activatie-deactivatie’ vragenlijst (Activation-Deactivation Adjective Checklist, Thayer 1967, 1978a, 1978b) leverde herhaaldelijk twee onafhankelijke factoren op. Deze factoren werden ook gevonden in ander onderzoek dat soortgelijke zelfbeoordelingsschalen gebruikte. De eerste van deze factoren, door Thayer Activatie A genoemd, heeft betrekking op de tegenstelling tussen gevoelens van energie en vitaliteit enerzijds en vermoeidheid en slaperigheid anderzijds. Het is waarschijnlijk dat deze gevoelens zijn gerelateerd aan de bewegingsomvang en het expressiebereik. De tweede factor, Activatie B bij Thayer, staat voor de dimensie spanning-rust. Deze dimensie hangt waarschijnlijk samen met spierspanning, aangezien de omschrijvingen gespannen, rusteloos, verkrampt een hoge lading hadden op de factor, in tegenstelling tot rustig, stil, kalm, sereen.*

We zullen voor laatstgenoemde manifestaties de term gespannenheid gebruiken. De parameters van gedragsintensiteit krijgen de algemene aanduiding activatiemanifestaties, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende varianten. De tot dusver besproken variant - omvang en bereik van relationeel of instrumenteel gedrag - noemen we een manifestatie van gebonden activatie: deze is gebonden aan het streven naar enig relationeel of ander doel.

Activatiemanifestaties; Darwins derde principe

Niet alle vormen van expressief gedrag zijn relationeel in directe of interactieve zin. Opgewonden gespring, ongerichte opgewonden of zenuwachtige bewegingen, de grimassen bij krachtsinspanning, zijn hier voorbeelden van. Dit soort bewegingen trachtte Darwin te verklaren met zijn derde principe, het principe van de ‘directe actie van het zenuwstelsel’; ook het nauw verwante principe van Spencer (1870), van de irradiatie of diffuse ontlading van zenuwenergie, berust hierop. Darwins derde principe luidt:

[p. 46]

‘Bij sterke prikkeling van het sensorium komt er overmatige zenuwenergie vrij die, afhankelijk van de verbinding tussen de zenuwcellen en gedeeltelijk door gewoonte, in bepaalde richtingen wordt geleid; de toevoer van zenuwenergie kan ook onderbroken worden. Er worden hierdoor effecten voortgebracht die wij als expressief herkennen.’ (Darwin 1872 [1965, blz. 29])

Volgens de theorie van Spencer heeft iedere emotionele toestand een algemeen en diffuus activerend effect op het motorische stelsel. Dit effect is proportioneel aan de intensiteit van de emotionele toestand en is onafhankelijk van de aangename of onaangename aard hiervan. Het manifesteert zich als algemene activiteit of algemene spierspanning. Volgens Spencer zijn ook de expressies uit Darwins eerste principe eenvoudig op te vatten als het resultaat van de lokale distributie van algemene spieractivatie. Dumas (1933, 1948) heeft Spencers principe weer opgevat, en de bruikbaarheid ervan aangetoond voor het verklaren van expressies die niet voor functionele interpretatie vatbaar zijn, vooral wanneer het wordt aangevuld met evenzeer algemene en diffuse inhibitiemechanismen.

Vreugde en opwinding

Opgewonden gedrag is gedeeltelijk relationeel. Wanneer ik mijn jas aan trek en ‘Ja’ zeg, springt mijn hond overeind en rent naar de deur, kijkt naar mij om, komt om mij heen springen, rent naar de deur terug, en dat gaat zo door tot we uiteindelijk naar buiten gaan. Er is bovendien sprake van allerlei overtollige bewegingen in andere richtingen: doelloos heen-en-weer geren, op-en-neer gespring en gekwispel; in de buurt van de deur is hij voortdurend in beweging. Deze overdaad aan beweging is alleszins vergelijkbaar met opgewonden gedrag bij mensen, denk maar aan een kind dat ongeduldig op zijn beurt wacht bij een spelletje of aan iemand die overstuur is en met snelle stappen door de kamer ijsbeert.

Opgewonden gedrag wekt de indruk van doelloze overdaad; dat komt door de grote hoeveelheid zinloze richtingveranderingen en door het feit dat de beweging vooral plaatsvindt in richtingen die loodrecht op de voortbewegingsrichting staan: springen, zijwaartse uitvallen, heen en weer lopen. In het gedragssysteem ‘opwinding’ dat Van Hooff (1972) heeft beschreven in zijn analyse van het sociale gedrag van chimpansees treffen we items aan als ‘hurkwippen’, ‘hoofdknikken’, en de ‘snelle oh-oh roep’. Dezelfde kenmerken, namelijk ongerichtheid of veelvuldige verandering van richting, zijn herkenbaar in opgewonden krabbels (denk aan de zigzaglijntjes waarmee proefpersonen opwinding weergeven; Krauss 1930, Clynes 1980), in opgewonden gebabbel, in zenuwachtig gefriemel (‘autistische gebaren’) zoals aan de neus krabben, aan het haar plukken, de das recht trekken, op de lippen kauwen (Krout 1935), en in de overslaande stem (pieken in toonhoogte) van opgewonden personen (Bezooijen 1984).

[p. 47]

Veel opgewonden gedrag kan worden begrepen als een vorm van geblokkeerde voortbeweging: relationele activiteit wordt geremd in het bereiken van het doel. De hond springt naar voren zodra de deur open gaat; het kind rent naar zijn plaats in het spel zo gauw hij aan de beurt is. Andrew (1972) interpreteert dierlijke opwinding - kwispelen, de opgerichte kattestaart, ongeduldig hoefgeschraap bij paarden - op soortgelijke wijze. De relationele oorsprong van het gedrag is vaak nog herkenbaar in het richtpunt van het gedrag (de deur, het spel) of in de aard van de overbodige beweging. Zowel Darwin als Andrew beschouwen het hoefgeschraap van een paard als het vervangende gedrag dat het dichtst bij het geblokkeerde doelgerichte gedrag staat. Dikwijls is er niet echt sprake van remming maar kan het doel niet snel genoeg bereikt worden. Amoureuze bezitname (in geestelijk of lichamelijk opzicht, dat doet er niet toe) kan niet een-twee-drie gerealiseerd worden, en dit leidt dan tot speels gedrag en rare bokkesprongen. Deze interpretatie van vrolijke opwinding is ontleend aan Sartre (1939).

Er kan ook sprake zijn van een verlangen naar of drijfveer tot relationele activiteit, terwijl onder de gegeven omstandigheden de gewenste actie niet kan worden uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is rusteloosheid bij gespannen afwachting: de gebeurtenis waarop de activiteit zich zal moeten richten heeft zich nog niet verwezenlijkt.

In sommige opzichten geldt voor opgewonden gedrag dus dezelfde verklaring als voor relationele activiteit: opgewonden gedrag komt voort uit bereidheid tot relationele activiteit. Maar er is met opgewonden gedrag nog iets anders aan de hand. Waarom blijft de persoon of het dier wiens handelen wordt geblokkeerd niet stilzitten? De prikkel tot relationele activiteit bezit blijkbaar bepaalde eigenschappen die ongestuurde activiteit produceren wanneer de relationele activiteit niet meteen verwezenlijkt kan worden. Er komt activiteit uit een bron die niet alleen die activiteit voorbereidde; en er is een bron van activiteit die werkzaam blijft, ongeacht het soort activiteit dat er precies door wordt teweeggebracht. Er is een ‘behoefte’ om iets te doen wanneer de bedoelde handeling niet kan worden uitgevoerd. Die behoefte is er ook wanneer er niet echt iets te doen is, zoals in het geval van de uitbarsting van opwinding wanneer de spanning voorbij is, bijvoorbeeld na het gemiste of behaalde doelpunt in een voetbalwedstrijd. Er bestaat dus activatie waarvan de verschijningsvorm tamelijk onspecifiek is, alhoewel die wel aan zijn oorsprong is verbonden. Op het begrip activatie komen we later terug; de bedoelde verschijningsvorm zullen we afgeleide activatiemanifestatie noemen.

Vrolijk gedrag komt in veel opzichten met opgewonden gedrag overeen; er is geen scherp onderscheid tussen beide, zoals blijkt uit het feit dat er ook vrolijke opwinding bestaat. Bij vrolijk gedrag is er eveneens een sterke gerichtheid op het object dat de vreugde veroorzaakt: de deur als de hond denkt dat hij wordt uitgelaten, het pas verworven object, de vriend of vrien-

[p. 48]

din die wordt omhelsd en geknuffeld. Vrolijk gedrag is relationeel in de zin dat het leidt tot vermeerderde omgang met het vreugde veroorzakende object: er wordt verheugd naar gekeken, het wordt steeds opnieuw benaderd, waardoor het duidelijker aanwezig lijkt en meer in het bezit van het subject. Vrolijk gedrag is interactief in de zin dat het object wordt uitgenodigd of gestimuleerd tot deelname. Maar ook hier is weer sprake van bewegingselementen die niet op relationele of interactionele gronden verklaard kunnen worden. Net als bij opgewonden gedrag vindt veel beweging plaats in een vlak loodrecht op de voortbewegingsrichting. Het ‘speelgedrag’ van chimpansees bevat elementen die ‘gymnastics’ zijn genoemd, ‘een reeks uitbundige locomotiepatronen zoals klimmen, zwaaien, slingeren aan handen of voeten, om de eigen as draaien, koprollen of salto's maken enz.’ (Van Hooff 1973, blz. 90). Wanneer deze gedragingen deel uitmaken van sociale interactie gaan ze doorgaans gepaard met het ‘ontspannen openmond-gezicht’, waar we dadelijk op terug komen. Vrolijk gedrag bij mensen is soortgelijk van aard, denk bijvoorbeeld aan de reactie van spelers en publiek in het voetbalstadion nadat er een doelpunt is gescoord, of aan het gedrag van winnaars van een televisiekwis. Het ongerichte lachen is het menselijke equivalent van het ontspannen open-mond-gezicht bij de chimpansee. Het gefluit, geschreeuw en gezang waarmee uitbundigheid dikwijls gepaard gaat benadrukt de vrolijke stemming. Darwin zei dit tenminste, en wie zou het willen tegenspreken?

Er is één belangrijk verschil tussen vrolijk gedrag en de eerder beschreven vormen van opwinding. Bij vrolijk gedrag is er namelijk geen sprake van een geblokkeerde gedragstendens (behalve misschien bij blije spanning); dat wil zeggen dat het niet overgaat in ander gedrag wanneer de omstandigheden dat toelaten. Vrolijk gedrag ontstaat vaak na afloop van een leuke gebeurtenis, en draagt dus niet bij aan de gebeurtenis: iemand loopt fluitend en huppelend naar huis na afloop van een bevredigende amoureuze ontmoeting. Vrolijk gedrag is, met andere woorden, pure overdaad, een manifestatie van vrije activatie.

Het woord vrij in de hier bedoelde betekenis heeft twee connotaties. In de eerste plaats het feit dat bij vreugde (of bij pure vitaliteit, wat op hetzelfde neerkomt) de activiteit niet gericht is op een specifiek object of op een specifiek doel; vandaar de indruk die wordt gewekt van overtolligheid, overdaad. In de tweede plaats wordt bij vrolijk gedrag het beschikbare activatiepotentieel niet, of althans niet in zijn geheel, ingezet ten behoeve van vitale belangen. Dat is het verschil met gebonden activatiemanifestaties en met de afgeleide activatiemanifestaties bij spanning en opwinding. Vrolijk gedrag impliceert een zekere mate van vrijheid ten opzichte van vitale belangen. Dit tweede aspect van het woord vrijheid kan ernaar verwijzen dat het subject zich niet, althans niet op dit moment, hoeft te bekommeren om dergelijke belangen: er is vrijheid van angst en gebrek. Het

[p. 49]

kan er ook naar verwijzen dat dergelijke belangen er wel zijn en zich ook laten voelen, maar dat het subject zich er van weet te distantiëren; deze houding stelt hem ook in staat zijn toestand te relativeren, of tijd te nemen om te spelen. De notie van vrije activatie is op beide soorten situaties toepasbaar.

Uit het voorgaande volgt dat vrolijk gedrag, in tegenstelling tot vrees- of woedegedrag, geen specifieke functie heeft. Het heeft geen doel, het is er gewoon. Zowel de relationele aspecten als de eventuele interactieve aspecten genoemd in paragraaf 2.3 spelen, mijns inziens, een secundaire rol. Natuurlijk dient er wel een verklaring gevonden te worden voor de toename van vrije activatie onder genoemde omstandigheden. Het zou kunnen dat een verhoogd drijfveer- of energieniveau onder de gegeven omstandigheden van nut is, en we zullen hier later nog op terug komen. Het gedrag op zich lijkt echter geen enkele functie te vervullen.

In het voorgaande is herhaaldelijk het woord activiteit gebruikt. Dit zou misleidend kunnen zijn. Het zou namelijk kunnen suggeren dat opgewonden of vrolijk gedrag synoniem is aan een toename van of overvloed aan beweging, en meer niet. Die suggestie zou ook gewekt kunnen worden door aanduidingen als ‘directe actie van het zenuwstelsel’ en ‘ontlading van zenuwspanning’. Wie manifestaties van afgeleide activatie bij opwinding, en van vrije activatie bij vreugde, louter als gevallen van bewegingstoename beschouwt, doet geen recht aan de verschijnselen. Er is hier sprake van een toename van gedrag in de strikte zin van het woord: een toename van activiteiten die een relatie tussen het organisme en zijn omgeving impliceren. Men zou, om het in filosofische termen uit te drukken, kunnen zeggen dat er bij vreugde sprake is van een toename van intentionaliteit, waarbij intentionaliteit niet betrekking heeft op de aanwezigheid van intenties, maar op de gerichtheid op het object of het doel van de activiteit als zodanig (Brentano 1874; Dennett 1969). Bij vreugde heeft de intentionaliteit een vrij karakter, dat wil zeggen ze is beschikbaar voor ongeacht welk object of doel dat zich voordoet, of ze heeft betrekking op de interactie met de omgeving als geheel. Wanneer de intentionaliteit zich wel richt op een specifiek object is de gerichtheid niet meer de erkenning van de aanwezigheid van het object in de zin van ‘belangeloze belangstelling’. Vrolijk gedrag is stimulatiezoekend en relationeel, en het relationele is een doel op zich.

Dit is geen woordspelletje. Wat hiermee wordt bedoeld is dat vreugdesprongen, fluiten en zingen nutteloos mogen zijn, geproduceerd zonder vooropgezet doel, het zijn nog altijd produkten, modi van gedrag. En er wordt ook mee bedoeld dat vrolijk gedrag dan misschien geen relationeel gedrag is, het heeft wel degelijk een positieve relationele zin, hoe vluchtig en vrijblijvend de omgang ook moge zijn. Vrolijke uitbundigheid geeft blijk van een uitdrukkelijke openheid voor relationele activiteit. Deze openheid heeft een perceptueel aspect (het vergaren van indrukken) en een

[p. 50]

intermenselijk aspect (omhelzen, aanraken, elkaar op de schouders slaan, vluchtige gesprekken).

Het verband tussen vreugde, activiteitstoename en intentionaliteit is bijzonder duidelijk in manische toestanden. Hier is zowel sprake van verhoogde motorische activiteit als van verhoogde belangstelling, al is deze grillig en onvoorspelbaar. De manische patiënt slaapt nauwelijks. Hij praat zonder ophouden, maar deze woordenvloed is tegelijkertijd een ideeënvlucht, een tomeloze uitbarsting van inzichten, theorieën, oordelen. Hij bedenkt de meest fantastische plannen maar voert die slechts ten dele uit. Verhoogde intentionaliteit is net zo uitgesproken als stemmingsverhoging of bewegingstoename.

Deactivatie

Het gedrag bij passieve bedroefdheid kan worden beschouwd als deactivatie. Een relationele nultoestand gaat samen met afwezigheid van intentionele gerichtheid. Zoals er bij een manische toestand sprake is van verhoogde belangstelling en wilde plannenmakerij, zo is er bij depressie een totaal gebrek aan belangstelling in enig object, doel of verhouding. ‘Hij vindt geen genot, noch in de man, noch in de vrouw.’ Depressie heeft dikwijls de vorm van pure apathie, totale onverschilligheid, emotionele leegte.* In termen van gedrag is er sprake van een gebrek aan aandacht en responsiviteit, en hierin onderscheidt de depressieve stemming zich van toestanden van rustige ontspanning, welke laatste wij ‘inactivatietoestanden’ zullen noemen.

Ook deactivatie kent verschillende gradaties, zowel in termen van gedrag als wat betreft de omstandigheden die ertoe aanleiding geven of de stimuli die de toestand kunnen verlichten. Vermoeidheid, verveling, lusteloosheid en zwaarmoedigheid zijn voorbeelden van deactivatievarianten.

Zoals reeds opgemerkt in verband met de expressie van verdriet, is er bij gedeactiveerd gedrag strikt genomen geen sprake van gedrag, maar van de afwezigheid daarvan. De verschijningsvorm behoeft dus geen nadere verklaring. Maar toch blijft het wegvallen van gedrag onder een aantal omstandigheden waarbij dat gebeurt raadselachtig. Waarom leidt persoonlijk verlies, of zelfs afwezigheid van interessante stimuli, zoals bij verveling het geval is, tot activatievermindering tot onder het normale of gemiddelde niveau? Waarom neemt bedroefdheid een hypotone vorm aan? Iets dergelijks kan men zich afvragen in verband met vrolijk gedrag. Wat heeft het voor zin op en neer te sprngen en te schreeuwen nadat er iets leuks is gebeurd? Voor beide manifestaties zijn functionele zowel als niet-functionele verklaringen naar voren gebracht; wij komen hier later op terug.

[p. 51]

Gespannenheid

Gespannenheid wordt gedefinieerd als gegeneraliseerde spierspanning die geheel of gedeeltelijk onafhankelijk is van overte beweging. Uiterlijke kentekens zijn een krampachtige lichaamshouding, hortende bewegingen, of bewegingen met een beperktere omvang dan normaal. Daarnaast kan gespannenheid zich manifesteren in de vorm van secundaire effecten zoals tremoren.

Gespannenheid wordt gemeten aan de hand van het actiepotentiaal van spiergroepen die niet bij de overte beweging betrokken zijn. Hierbij zijn de kin- en voorhoofdspieren favoriet, aangezien de activiteit daarvan een hoge lading vertoont op een algemene factor in spierspanningsonderzoek (Goldstein 1972).

Gespannenheid neemt toe onder uiteenlopende omstandigheden en om uiteenlopende redenen. Er kan sprake zijn van bereidheid tot overt handelen, zoals bij een kat voordat hij gaat springen, of een automobilist voordat hij op de rem trapt. Het kan een hulpmiddel zijn bij de beheersing van delicate bewegingen, zoals een draad in de naald steken. Geconcentreerde aandacht gaat bijna altijd gepaard met gespannenheid, waarschijnlijk om niet gestoord of afgeleid te worden door de eigen onwillekeurige bewegingen. Ook iemand die zich schrap zet voor een fysiek treffen is gespannen, de spanning dient hier ter versteviging van de lichaamshouding. In de meeste van deze gevallen is de gespannenheid het resultaat van ‘sympathetisch spannen’: spieren die voor de betreffende handeling niet functioneel zijn worden gespannen samen met anderen die dat wel zijn. Met het toenemen van de vaardigheid vermindert het sympathetisch spannen: ervaring houdt het puntje van de tong binnensmonds wanneer een draad in de naald gestoken wordt. Deze verandering onder invloed van ervaring suggereert dat algemene lichaamsspanning voortkomt uit een primitieve vorm van actievoorbereiding en -besturing, die zich onder invloed van leren differentieert maar onder emotionele omstandigheden weer naar boven komt. Gespannenheid bij aandacht en mentale concentratie kan misschien op dezelfde manier worden verklaard. Spierspanning neemt toe bij het luisteren naar een verhaal (Smith, Malmo & Shagass 1954) en tijdens probleemoplossen, afhankelijk van de moeilijkheid van het probleem (Davis 1938; Shaw & Kline 1947). Dit heeft een functie: door spierspanning neemt de reactiesnelheid toe (Malmo 1959). Gespannenheid bij woede, vrees en ongerustheid is waarschijnlijk terug te voeren op de eerder genoemde functies van aandachtbesturing, actiebereidheid en schrapzetten tegen fysieke weerstand, maar dan in de primitieve, ongedifferentieerde vorm. De spierspanning van automobilisten neemt toe wanneer ze een andere auto inhalen, bij piloten gebeurt dit tijdens lastige manoeuvres zoals opstijgen en landen (Williams, MacMillan & Jenkins 1947).

In veel gevallen is gespannenheid onder emotionele omstandigheden

[p. 52]

waarschijnlijk het gevolg van pogingen tot beheersing van ongewenste of onuitvoerbare actietendensen. De bereidheid tot handelen is er, maar de handeling zelf wordt onderdrukt. Ongewenste aanrakingen kunnen iemand doen verkrampen, doordat de impuls om zich terug te trekken of van zich af te slaan onderdrukt wordt. Soms dient spanning eenvoudig ter beheersing van zintuiglijke responsen en motorische responsen op sensorische prikkels. Spierspanning kan de pijndrempel verhogen (Bills 1927, 1937). Gespannenheid neemt toe door sensorische prikkeling, min of meer proportioneel aan de intensiteit van de prikkel (Davis 1953). Bij uitputting is de reactie op eenvoudige prikkels soms sterk verhevigd, waarschijnlijk doordat de beheersing die men gewoonlijk verkrijgt door zich te spannen is verzwakt.

Deze opsomming van verschillende bronnen van gespannenheid is gegeven om te laten zien dat gespannenheid onder emotionele omstandigheden een duidelijke functionele rol heeft. Dit impliceert dan weer dat emotie niet altijd gepaard gaat met gespannenheid. Emoties treden doorgaans op in situaties die niet zo gemakkelijk en effectief zijn op te lossen als men zou willen. Er is daardoor in zo'n situatie meer actiebereidheid dan daadwerkelijk gedrag, en dat leidt gemakkelijk tot gespannenheid. Toch zijn er wel degelijk emotionele toestanden zonder gespannenheid, bijvoorbeeld wanneer actie en impuls met elkaar in evenwicht zijn, wanneer er sprake is van deactivatie in plaats van activatie, of wanneer vrije activatie onbelemmerd tot uiting kan komen. Gespannenheid doet zich vooral voor onder emotionele omstandigheden wanneer de actie niet kan voldoen aan de actietendens.

Tijdsverloop: fasische en tonische, reactieve en actieve responsen

Er is nog maar zeer weinig onderzoek verricht naar het tijdsaspect van expressief gedrag: de snelheid waarmee expressies elkaar afwisselen, hun duur, de helling van begin en afloop, hun samenhang in tijd met de emotionerende gebeurtenissen. Toch kunnen uit de tijdsaspecten gegevens worden afgeleid die van fundamenteel theoretisch belang zijn; bijvoorbeeld kan hierdoor onderscheid worden gemaakt tussen emoties in engere zin, dat wil zeggen reactieve emotionele responsen, en andere emotionele responsen die meer spontaan of meer motivationeel van aard zijn.

Emotionele responsen zijn doorgaans fasische reponsen: ze hebben een min of meer vast begin en einde. Het begin en, in mindere mate, het einde van de respons zijn afhankelijk van het begin en het einde van de emotionerende gebeurtenis; het samentreffen in de tijd is uiteraard de reden om de gebeurtenissen als ‘emotionerend’ te beschouwen en de emoties als ‘reactief’. Een fasische respons bestaat niet noodzakelijk uit een enkele gedraging; het is niet altijd een expressie die verschijnt, zijn hoogtepunt bereikt en weer verdwijnt. Meestal is er sprake van een responscomplex dat zich

[p. 53]

ontwikkelt in samenhang met de ontwikkeling van de emotionerende gebeurtenis, respectievelijk iemands besef daarvan. Een amusant verhaal wekt gelach; dat ontwikkelt zich en duurt voort naarmate er meer grappen en grollen volgen.

Andere emotionele gedragingen zijn daarentegen meer tonisch van aard of lijken spontaan op te treden, dat wil zeggen niet te worden opgewekt door bepaalde stimuli, maar voort te komen uit een reeds bestaande bereidheid, belangstelling of drijfveer van het subject. Belangstelling (in de zin van een emotie van belangstelling), nauwlettende aandacht en concentratie zijn voorbeelden hiervan. Heel verschillend, maar eveneens tonisch van aard, is gedrag dat niet door een externe gebeurtenis wordt opgewekt, maar er als het ware door wordt losgemaakt, gedeblokkeerd. Anderen plezier zien maken en mee gaan doen, bijvoorbeeld, of niet stil kunnen blijven zitten bij het horen van vrolijke muziek. De activatie die door vrolijke muziek wordt veroorzaakt is geen reactie op die muziek in dezelfde zin als genieten van die muziek dat is. Men vindt die muziek leuk omdat hij activeert, en niet andersom. En hij activeert omdat (en wanneer) er sprake is van bereidheid tot activatie, en die bereidheid verschilt van moment tot moment, en van persoon tot persoon, en is bij jongere mensen meer uitgesproken dan bij oudere.

Weer anders zijn expressiepatronen die een onbepaalde duur hebben en geen wijzigingen vertonen met de tijd: de manier waarop iemand loopt bijvoorbeeld, of gelaatsexpressies die habitueel zijn geworden. Door de langere tijdsduur wordt dit soort expressie opgevat als uiting van stemmingen of zelfs persoonlijkheidstrekken. Op deze min of meer constante expressiepatronen kunnen fasische en tonische responsen met een kortere duur zijn gesuperponeerd. Waar het hier om gaat is dat tijdsverloop en temporele samenhang met emotionerende gebeurtenissen consequenties hebben voor de theoretische categorisering van responsen; de temporele aspecten leiden tot het maken van een onderscheid tussen emoties in engere zin, reactieve fasische responsen (zie ook par. 2.8), motivationele handelingen en stemmingen of habituele emotionele houdingen.

De aanzet, afloop en ontwikkeling van expressies kennen uiteenlopende patronen. Hierover bestaat weinig literatuur. De klassificaties en interpretaties van Strehle (1954) en Kietz (1956) zijn impressionistisch. Clynes (1977, 1980) heeft onderzoek verricht naar de temporele activatiepatronen van emoties en vond aanwijzingen dat daar verschillen tussen bestaan. Hij liet proefpersonen een bepaalde emotie in gedachte nemen en vroeg ze vervolgens op een signaal een knop in te drukken. De horizontale en vertikale druk werd continu geregistreerd. Oudere onderzoekingen rapporteren systematische overeenkomsten tussen de lijnen die proefpersonen trekken wanneer hun wordt gevraagd verschillende emoties weer te geven. Woede wordt weergegeven door krachtige, hoekige lijnen, bedroefdheid

[p. 54]

door dunne, dalende lijnen, vreugde door dikkere, stijgende lijnen, enzovoorts (Poffenberger & Barrows 1924; Krauss 1930).

In het algemeen komt een snelle aanzet van een expressieve beweging of gelaatsexpressie overeen met een reactieve of reflexmatige respons, of met een bewuste respons. Een meer geleidelijke aanzet is daarentegen kenmerkend voor wat men een emotionele impuls of echte actietendens zou willen noemen. Een langzame aanzet - de respons op de stimulus is in eerste instantie vertraagd, maar ontwikkelt zich dan snel en intensief tot een hoogtepunt-maakt een hartstochtelijke en gedreven indruk (zie Clynes 1980); alsof de impuls langzaam zijn krachten verzamelt om door beheersing of overweging heen te breken.

Ook de afloop van een expressieve beweging kan snel of geleidelijk zijn. Een snelle afloop suggereert bewust handelen of responsonderdrukking. Een spontane glimlach verdwijnt langzaam van het gezicht, terwijl een beleefde glimlach zichzelf verraadt doordat hij ineens verdwenen is. Evenals de. vertraagde aanzet is de geleidelijke afloop van theoretisch belang: er wordt door gesuggereerd dat er iets ‘achter’ het overte bewegingspatroon zit, een impuls, een toestand van innerlijke activatie die vraagt om uiting maar daar niet van afhankelijk is. Iemand die woedend is kan nog lang nadat de tegenstander zijn excuses heeft aangeboden blijven doorrazen, en iemand blijft soms lang na het staken van de achtervolging in paniek verder rennen. Ook lachen en huilen gaan soms hun eigen gang: men blijft doorlachen hoewel het grappige er al af is, en aan een huilbui komt een einde hoewel de oorzaak van het verdriet niet verdwenen is. Deze reactiepatronen lijken zichzelf in stand te houden totdat ze ‘op’ zijn.

Dit zichzelf instandhoudende karakter is bijzonder duidelijk in wat men het ‘breekpunt’ van hevige emotionele responsen zou kunnen noemen. Vrees- of woede-expressies, huilen of lachen zijn dikwijls te beheersen. Wanneer de zelfbeheersing echter even verslapt, kan de reactie dikwijls niet verder bedwongen worden. Iemand die zijn woede onderdrukt maar zich wel één bijtende opmerking veroorlooft, kan daardoor ineens veel heviger uitbarsten dan zijn bedoeling was. Na de eerste, lang opgehouden snik zijn de tranen niet meer te stuiten. Bij paniek kost ophouden met rennen meer moeite dan helemaal niet beginnen. Hetzelfde doet zich voor met lachen, met begeerte en verlangens: vaak is helemaal niet aanraken makkelijker dan een klein beetje aanraken en strelen. Al deze voorbeelden laten zien dat de voltooiing van reactiepatronen relatief onafhankelijk is van de omstandigheden waardoor ze worden opgewekt. Eenmaal uitgelokt gaan ze op eigen houtje verder. In een later stadium zal getracht worden hieruit de theoretische conclusies te trekken.

Impulsiviteit

Emotioneel gedrag vertoont dikwijls kenmerken van impulsiviteit: korte

[p. 55]

latentie, plotselinge aanzet, kracht en energie, beperkte bepaling door de stimulus. Met dit laatste wordt bedoeld dat het subject geen oog heeft voor die eigenschappen van de situatie die van belang zijn voor de uit te oefenen zelfbeheersing of het afstemmen van de responsintensiteit. Bij hevige opwinding zijn de bewegingen krachtiger en minder goed gericht dan normaal, de stem is luider dan noodzakelijk. Woest schoppen in geval van razernij is gemeen en niets ontziend, ongeacht de gevolgen voor subject of slachtoffer. Hevige woede, hevige angst en hevig verlangen zijn blind. Deze blindheid betreft ook de gebrekkige timing (te vroeg reageren) en het voortzetten van de actie wanneer het doel al is bereikt: doorgaan met rennen of je blijven verstoppen wanneer het gevaar voorbij is, het slachtoffer blijven slaan en schoppen wanneer hij al is uitgeschakeld. De handeling gaat zijn volledige weg. Deze kenmerken zijn tegengesteld aan die van weloverwogen, willekeurig gedrag. Soms krijgt het impulsieve gedrag de overhand op het willekeurige, bijvoorbeeld wanneer de woede over een halsstarrige moer het gereedschap doet breken.

Inhibitie en beheersing

Een neiging tot gedrag kan bewust worden onderdrukt - wij spreken dan van zelfbeheersing - of onbewust worden geremd; in dat geval is er sprake van inhibitie. Het begrip inhibitie impliceert een veronderstelde bereidheid tot een reactie die niet wordt geuit. Aanwijzingen om inhibitie te veronderstellen zijn krampachtig bewegen, gespannenheid, en verschillende soorten discrepantie waar wij in hoofdstuk 8 uitgebreider op terug komen.

In alle soorten gedrag kan inhibitie optreden. Bij sommige expressieve patronen is de inhibitie expliciet, bijvoorbeeld verstarde angst of het verstijven bij dieren. De schrikreactie met openvallende mond en opengesperde ogen wordt door Dumas (1933) als een inhibitierespons geïnterpreteerd.

Vanuit relationeel oogpunt zijn inhibitieresponsen zinvol omdat ze tegen de risico's waartoe actie zou kunnen leiden ingaan. Deze risico's kunnen fysiek of interactioneel van aard zijn. Opvallendheid is zo'n interactioneel risico: verstijven van angst is dan ook wel opgevat als een specifieke vorm van gedrag om niet op te vallen (in het Duits heet het ‘Totstellreflex’). Bij mensen brengt opvallen het risico mee van sociale kritiek, van sociale responsen en verzoeken om verdere interactie, waarop vervolgens weer gereageerd moet worden: de voorwaarden voor verlegenheid. Inhibitie dient tevens ter controle en bijsturing van actie die al bezig is: bij een aanval moet het juiste moment worden afgewacht, anders wordt het doel gemist; bij een vlucht moet met de bewegingen van de achtervolger en met de omgeving rekening worden gehouden. De emotionele actie moet worden afgestemd op de signalen die bij ongeremde, impulsieve actie worden gemist. En ten slotte biedt inhibitie bescherming tegen het algemene risico van emotioneel reageren, namelijk je laten gaan tot het breekpunt wordt bereikt waarna er

[p. 56]

geen weg terug is, en bewuste controle machteloos staat.

Alle bovenstaande functies van inhibitie kunnen worden samengevat onder de noemer ‘omzichtigheid’: inhibitoire respons is omzichtigheidsrespons. Dit geldt ook voor angst en aanverwante toestanden, zoals verlegenheid of schuchterheid. Men zou kunnen zeggen dat bij hevige angst - de verstarde, geblokkeerde vorm - het omzichtigheidsmechanisme overgeactiveerd is. Dit is in overeenstemming met het standpunt van Gray (1971, 1982), die angst interpreteert als een inhibitierespons. Het is ook in overeenstemming met de interpretatie dat angst een respons van incompetentie zou kunnen zijn: starre angst is een respons waarbij iedere vorm van handelen wordt geremd omdat geen enkele handeling uitvoerbaar of vrij van onaanvaardbare risico's lijkt te zijn.

Inhibitie bij angst dringt door in alle soorten responsen: denkprocessen zowel als overte beweging. Niet alleen bewegen is onmogelijk, maar ook helder denken en zich concentreren. Deze cognitieve storingen, zowel die bij hevige angst als die in gewone sociale angstsituaties, zijn inhibitiereacties. Bij inhibitie is er sprake van hetzelfde primitieve gebrek aan differentiatie als bij activatie, zoals eerder besproken.

De bovenstaande interpretatie van angst geldt naar alle waarschijnlijkheid niet voor paniekaanvallen. Een paniekaanval is een ‘catastrofale reactie’ (Goldstein 1939), en lijkt een hulpeloosheidsreactie te zijn of, meer in het bijzonder, een reactie van separatie-ontreddering (‘separation distress’; Klein 1981). De structuur van een paniekaanval in termen van activatie, inhibitie, of relationele activiteit is niet duidelijk; mogelijk is er sprake van een extreme, ongerichte en ongeorganiseerde activatietoestand (Van Dis 1986).

Niet onder alle omstandigheden leidt inhibitie tot responsonderdrukking en bewegingloosheid. Bij gewone waakzaamheid, voorzichtigheid, of reserve wordt de respons slechts getemperd of ontstaan er expressies waarbij het expressiebereik de bewegingsomvang overtreft. Een zekere mate van omzichtigheid, van inhibitie is er bij normaal emotioneel gedrag altijd (zie hoofdstuk 8). Die mate is echter geen constante. Het evenwicht tussen impuls en inhibitie (of bewuste beheersing) verschuift voortdurend. De verschuiving wordt enerzijds bepaald door de werkelijke noodzaak tot waakzaamheid en controle, anderzijds door factoren zoals durf, zelfvertrouwen, wens om zichzelf in de hand te houden, en andere, soortgelijke persoonsvariabelen. Bij emotioneel gedrag is er een voortdurend schommelend evenwicht tussen loslaten en terughouden, tussen reageren en zelf het initiatief nemen, tussen beïnvloeden en beïnvloed worden, als reactie op externe gebeurtenissen maar ook op veranderingen in de innerlijke gesteldheid van het subject. Deze evenwichtsschommelingen zijn vooral duidelijk in de weergave van emotioneel gedrag in muziek en dans. In haar beschrijvende, introspectieve studie over expressief gedrag spreekt Flach (1928) over het

[p. 57]

verloop van spanning en tegenspanning, van binden en loslaten. Kreitler en Kreitler (1972) gebruiken in hun studie over de psychologie van de kunst dezelfde termen.

Emotioneel reageren en emotionele transactie

Het voornaamste doel van de uiteenzetting tot hier toe was het beschrijven van expressief gedrag, teneinde inzicht te krijgen in de vorm en functie ervan. Hierdoor kan de indruk zijn gewekt dat zulk gedrag bestaat uit tamelijk kortstondige, afzonderlijke expressieve reacties. In werkelijkheid bestaat emotioneel reageren uit een opeenvolging van reacties die met de tijd verandert en evolueert. Emoties zijn reacties op gebeurtenissen die niet zomaar uit de lucht komen vallen: de gebeurtenis komt geleidelijk dichterbij, laat zich steeds duidelijker voelen, en het emotioneel reageren ontwikkelt zich navenant. Wanneer de gebeurtenis zich eenmaal heeft gerealiseerd kan hij vervolgens korter of langer voortduren, of voor onbepaalde tijd blijven bestaan, zoals bij vijandige overheersing of een liefdesverhouding. Bij emotioneel reageren op duurzame of blijvende gebeurtenissen volgen verschillende responsen elkaar op. Verdriet kan overgaan van verbijstering naar huilen, gevolgd door stille neerslachtigheid. De neerslachtigheid kan een stempel drukken op de dagelijkse bezigheden doch de uitvoering hiervan onbelet laten, maar ook de overhand krijgen en de persoon in kwestie reduceren tot een roerloos voor zich uit starend hoopje ellende. Gedrag vertoont op verschillende momenten verschillende gradaties van responsonderdrukking of -inhibitie, afhankelijk van de mate waarin het subject zichzelf in de hand wil, kan of moet houden.

Zelfs tamelijk incidentele gebeurtenissen, zoals een kleinerende opmerking, een fysieke bedreiging, of het zien van een begeerd object, resulteren in een opeenvolging van gedragingen. Het volgende kan zich voordoen: iemand die woedend is vertoont eerst globale gespannenheid, zet zich vervolgens schrap, en slaat of schreeuwt dan terug. Hij vertoont dan een reactiepatroon waarin verschillende vormen van agressie en bedreiging elkaar afwisselen.

Emotioneel reageren, de opeenvolging van emotionele reacties op een emotionele gebeurtenis en de nawerking daarvan, bezit vier kenmerken: opeenvolging van ‘verschillende’ emoties, opeenvolging van verschillende gedragingen die alle een uiting zijn van ‘dezelfde’ emotie, verandering van activatie, en verandering van inhibitoire afstemming.

De reden voor deze opeenvolging van responsaspecten is het feit dat iedere gebeurtenis bestaat uit een opeenvolging van deelgebeurtenissen, en het feit dat het subject het gebeuren, of gebeurde, achtereenvolgens op verschillende manieren waarneemt en ervaart; bovendien wordt de situatie zelf door de emotionele reactie beïnvloed. Terugtrekken uit vrees maakt dat de situatie als minder dreigend wordt ervaren. Woede doet de tegen-

[p. 58]

stander achteruit deinzen. Een ander, misschien nog wel belangrijker aspect, is dat de omgeving reageert op de manier waarop ze door het gedrag van het subject wordt aangesproken, waardoor een nieuwe emotionele situatie ontstaat. Mensen kunnen van iemands angst profiteren, of die angst kan hen er juist toe brengen zich milder jegens de angstige persoon op te stellen. Psychologisch, subjectief gezien gaat de ‘reactie’ van de omgeving nog verder: het lot luistert niet naar protesten en toont zich dus onwrikbaar. Lazarus en zijn medewerkers (bijv. Lazarus & Folkman 1984) noemen emotioneel reageren daarom een ‘transactie’ tussen subject en omgeving, een transactie die zich kenmerkt door voortdurende verschuiving en verandering; Lazarus gebruikt hiervoor de term ‘flux’.

2.5 Glimlachen, lachen en huilen

Er zijn drie belangrijke menselijke expressiepatronen die nog niet zijn besproken. Voor geen van deze drie is tot nog toe een bevredigende functionele verklaring gevonden. Dit is echter niet het enige dat ze gemeen hebben. Ze kunnen alle drie worden ondergebracht bij de interactieve expressies (par. 2.3). Glimlachen stemt gunstig, lachen noodt tot deelname, huilen smeekt om hulp. Het zijn evenwel niet alléén interactiesignalen, zoals blijkt uit hun activatieverloop en uit de omstandigheden waardoor ze worden opgewekt.

Glimlachen

Glimlachen is, onder anderen door Darwin (1872) en Spencer (1870), opgevat als een beginstadium of een zwakke vorm van lachen. Ofschoon dit voor sommige glimlachen inderdaad zo zal zijn, gaat het zeker niet in alle gevallen op. Een van de argumenten voor het maken van het onderscheid tussen de glimlach en de lach is dat ze tot verschillende gedragssystemen lijken te behoren; het zijn expressies die zich voordoen in verschillende contexten, zowel bij mensen als bij chimpansees. De glimlach-homoloog van de chimpansee behoort tot het affinitieve gedragssysteem; de lach-homoloog van de chimpansee en het lachen van kleine kinderen behoren tot het systeem van het speelgedrag (Van Hooff 1972; Blurton-Jones 1972b). Bij volwassenen lijkt glimlachen te corresponderen met vriendelijkheid, en lachen met vermaak, twee afzonderlijke, zij het elkaar gedeeltelijk overlappende gebieden (Van Hooff 1972).

De glimlach is op drie manieren geïnterpreteerd. Volgens de eerste, meest traditionele, interpretatie is de glimlach een uiting van een positieve stemming, van vreugde of geluk. Dat de glimlach zich laat zien in aangename situaties behoeft geen betoog; het is echter geen vast verschijnsel in iedere aangename situatie. Seksueel genot is bijvoorbeeld heel aange-

[p. 59]

naam, maar slechts weinigen zullen er bij glimlachen. Met name in toestanden van voldoening of tevredenheid blijkt dat de glimlach een zelfstandige expressie is die niet in lachen hoeft over te gaan (Dumas 1948b). Een toestand van voldoening is er een waarin voor het moment geen sprake is van enige sterke betrokkenheid. Iemand glimlacht meestal niet wanneer hij gefascineerd is, of in de ban van een spannende gebeurtenis, terwijl dat toch heel aangenaam kan zijn. Een zekere mate van distantie, van controle over de situatie lijkt een vereiste.

Volgens de tweede interpretatie is de glimlach een uitdrukking van competentie, van zich meester voelen van de situatie. Goldstein (1939) noemde de glimlach een ‘adequaatheidsreactie’. Deze interpretatie wordt gesteund door het belangrijke onderzoek van Sroufe en zijn medewerkers naar het glimlachen en lachen van kleine kinderen (Sroufe, Waters & Matas 1974; Sroufe & Waters 1976). Kleine kinderen glimlachen vooral als reactie op prikkels die hun bevattingsvermogen weliswaar op de proef stellen, maar het net niet te boven gaan (Sroufe maakte geen onderscheid tussen glimlachen en lachen). Deze interpreta