terug  begin  verderprepost
[p. 191]

4 De emotionele beleving

4.1 Theoretische stromingen

De studie van de emotionele beleving gaat over twee belangrijke problemen. In de eerste plaats: wat is de aard van de emotionele beleving? Wat is het, dat de emotionele beleving onderscheidt van andere vormen van beleving, zodat het subject haar als ‘emotioneel’ kan identificeren? In de tweede plaats: wat is de aard van de verschillende emoties? In welk opzicht onderscheidt de beleving van de ene emotie zich van een andere, oftewel, wat maakt dat de beleving van de ene emotie woede genoemd wordt, en die van een andere verdriet?

Er zijn drie soort theorieën naar voren gebracht die gepoogd hebben een antwoord op deze vragen te formuleren; zij zijn respectievelijk de centrale, de perifere en de cognitieve theorieën van de emotionele beleving.

De centrale theorie

De emotionele beleving kan als een aparte vorm van bewustzijn worden beschouwd: verschillende emoties corresponderen dan met variëteiten van dit bewustzijn. Naast dit specifiek affectieve bewustzijn kunnen ook andere (bijvoorbeeld lichamelijke) belevingen een rol spelen, maar het specifieke subjectief emotionele gevoel vormt de kern van de emotionele beleving. Dit is niet reduceerbaar tot gewaarwording en moet dus een direct resultaat van hersenprocessen zijn. De oorsprong van de beleving is, met andere woorden, ‘centraal’.

Dit was begin deze eeuw de gebruikelijke opvatting binnen de ‘bewustzijnspsychologie’ met als voornaamste proponenten Wundt (1903) en Titchener (1908). Cannon (1927) ging in feite van dezelfde opvatting uit, en veel neurofysiologen hedentendage nog steeds; de speciale kenmerken van het emotionele gevoel, de gloed en de warmte, worden volgens hen door de hersenactiviteit aan de gewone waarneming toegevoegd.

In de theorie volgen overte responsen op een door de hersenen geproduceerde ervaring: de beleving gaat dus aan de respons vooraf (zie Fehr & Stern 1970). Wundt en zijn tijdgenoten beschouwden de respons niet alleen als volgend op, maar ook als uitgelokt door de beleving, en in feite gaat de alledaagse opvatting hier nog steeds vanuit. Volgens de centrale theorie speelt de emotionele beleving dus een causale rol bij de emotionele respons: we rennen weg en beven omdat we bang zijn.

[p. 192]

De perifere theorie

Een andere opvatting stelt dat de emotionele beleving bestaat uit lichamelijke gewaarwordingen, de feedback van autonome en gedragsreacties. De oorsprong van de emotionele beleving wordt hier dus in de periferie van het lichaam en in het gedrag gezocht. We zijn bang omdat we wegrennen en beven, zoals de leus luidt die de theorieën van James (1884) en Lange (1885) in het kort samenvat. De emotionele beleving wordt met deze opvatting gedegradeerd tot een epifenomeen, want aangezien de beleving volgt op de respons kan zij deze niet hebben veroorzaakt. De respons volgt onmiddellijk op de ‘perceptie van de veelbetekenende gebeurtenis’, aldus James.

Emotionele beleving correspondeert volgens deze opvatting dus met lichamelijke gewaarwordingen, en verschillen in de beleving corresponderen met verschillen in de gewaarwordingspatronen. Het is wel zo dat James de beleving niet geheel perifeer achtte: het bewustzijn van lust of onlust beschouwde hij net als Wundt onreduceerbaar en centraal van oorsprong (Lehmann 1914). In de meeste discussies is dit punt geheel naar de achtergrond verdwenen. In meer recente versies van de perifere theorie is het hele idee van de hedonische kwaliteit trouwens vrijwel verdwenen.

De cognitieve theorie

De emotionele beleving zou ook kunnen bestaan uit cognities, dan wel cognities als essentieel ingrediënt hebben. De beleving van vrees kan worden opgevat als het bewustzijn van een vreesaanjagende of bedreigende gebeurtenis, zoals de beleving van woede zou kunnen bestaan uit het bewustzijn van een aanstootgevende gebeurtenis. Cognities zouden het verschil tussen verschillende emotionele belevingen kunnen verklaren.

Het is uiteraard onmogelijk dat de emotionele beleving alleen uit cognities zou bestaan; er moet tevens sprake zijn van andere elementen. Dat element zou de feedback van perifere reacties kunnen zijn; dit is inderdaad de opvatting van Schachter (1964) en Mandler (1975, 1984). Zij menen dat de feedback afkomstig is van autonome reacties. Ik ben bang omdat ik lichamelijke beroering voel en ik schrijf dit toe aan een of ander bangmakende gebeurtenis. Andere varianten van de cognitieve theorie beschouwen de cognities niet als betrekking hebbend op gebeurtenissen, maar op het eigen gedrag. Volgens de ‘zelfperceptietheorie’ (Bern 1972) voel ik mij bang omdat ik me opgewonden voel en mij bang blijk te gedragen.

Dit soort cognitieve theorieën van de emotionele beleving is op een vreemde manier onvolledig: in de verklaring van de emotionele beleving worden steeds onverklaarde emotiewoorden gebruikt, en daardoor geeft de theorie geen antwoord op de vraag waaruit de emotionele beleving nu eigenlijk bestaat. Wat houden ‘beangstigende gebeurtenissen’ of ‘boze gedragingen’ in? De theorieën geven in feite geen verklaring van de beleving

[p. 193]

zelf, maar van de wijze waarop wij onze eigen toestand of reactie benoemen.

Er zijn cognitieve theorieën die van de hierboven beschreven theorie afwijken. In de eerste plaats betrekken ze ‘centraal’ geproduceerde ervaringen van lust en onlust bij de analyse van de beleving; in de tweede plaats doen ze een poging te achterhalen wat de cognities tot emotionele (dat wil zeggen boosmakende, vreeswekkende enzovoort) cognities maakt. De theorieën van Lazarus (1966) en Arnold (1960), en ook de klassieke theorieën van Descartes (1647) en Spinoza (1677) zijn hiertoe te rekenen. In dit boek wordt eveneens voor deze benadering gekozen.

4.2 Het onderzoek van de emotionele beleving

Methoden van onderzoek

De enige manier om de beleving direct te benaderen is via introspectie, of meer in het algemeen, via zelfobservatie. De redenen voor dit onderscheid zullen straks blijken. Zelfobservatie is tot een systematische procedure ontwikkeld door systematische stimuluspresentatie en standaardisering van de rapportage-instructies. Voor de rapportage kunnen vragenlijsten, checklists en beoordelingsschalen worden gebruikt. Er zijn standaardvragenlijsten ontwikkeld om vast te stellen in welke mate een bepaalde emotie wordt ervaren, bijvoorbeeld angst (bijv. Spielberger, Gorsuch & Lushene 1970), woede (Spielberger e.a. 1983), depressie (Beck 1967), en tevredenheid (bijv. Andrews & Whitey 1976). Er zijn ook vragenlijsten die naar meerdere vormen of dimensies van stemmingen vragen, bijvoorbeeld de Multiple Mood Adjective Check List (Nowlis 1966), de Profile of Mood States (McNair, Lorr & Droppleman 1971), en de Multiple Adjective Checklist (Zuckerman & Lubin 1965).

Zelfobservatie kan gecombineerd worden met meer objectief onderzoek, door de informatiebronnen die de proefpersoon ter beschikking staan systematisch te manipuleren. Voorbeelden hiervan zijn onderzoeken naar veranderingen in de angstbeleving onder verschillende omstandigheden, zoals geleidelijk naderend gevaar (Epstein & Fenz 1965), of het onderzoek naar de invloed van ernstige en minder ernstige ruggemerglaesies op de emotionele beleving (Hohmann 1966).

De elementen van de emotionele beleving

Een methode om de emotionele beleving te bestuderen is de klassieke introspectie. Proefpersonen krijgen een bepaalde stimulus aangeboden-een geur, het geluid van een hamerslag op metaal, een woord of een foto van een ongeval - of er wordt hen gevraagd een emotioneel beladen herinnering op te halen (Bull 1951). Ze krijgen de instructie hun beleving analy-

[p. 194]

tisch, dat wil zeggen, in de meest elementaire termen te verwoorden, en gewaarwordingen, voorstellingen of andere bewustzijnsinhouden zorgvuldig te beschrijven, en ook hoe de beleving zich door de tijd heen ontwikkelt.

Uit deze introspectiestudies werd geconcludeerd dat de affectieve beleving drie bestanddelen heeft: elementaire ‘gevoelens’, lichamelijke gewaarwordingen (viscerale, kinesthetische en drukgewaarwordingen), en ideeën die aan de stimulus geassocieerd zijn. Het centrale kenmerk dat de affectieve van de niet-affectieve beleving onderscheidt is het elementaire ‘gevoel’: volgens onder anderen Wundt (1903) en Titchener (1908) zijn ‘gevoelens’ fundamentele en niet reduceerbare bewustzijnselementen. Zij kunnen niet herleid worden tot de andere bewustzijnselementen: de zintuiglijke gewaarwordingen en de voorstellingen (en de niet-aanschouwelijke ‘gedachten’, die door andere onderzoekers, zoals Bühler (1907), werden onderscheiden).

‘Gevoelens’ onderscheiden zich op een aantal punten van zintuiglijke gewaarwordingen, voorstellingen en gedachten. (Wanneer in het navolgende gevoelens in deze technische betekenis, dus als elementen van de beleving worden bedoeld, zal het woord tussen aanhalingstekens worden geplaatst.) ‘Gevoelens’ vooronderstellen ten eerste de aanwezigheid van gewaarwordingen, voorstellingen of gedachten, dat wil zeggen, zij veronderstellen een object waar het ‘gevoel’ betrekking op heeft. De ‘gevoelens’ hebben de eigenschap van subjectiviteit: ze worden ervaren als een onderdeel van de persoonlijke reactie van het subject, en niet als een eigenschap van het object. Ze zijn evaluatief, in de zin dat ze aanvaarding of niet-aanvaarding van de stimulus of van de beleving impliceren. ‘Gevoelens’ kunnen niet gelokaliseerd worden; noch kunnen ze geobjectiveerd, dat wil zeggen, teruggevoerd worden op eigenschappen van de stimulus. Ze zijn bovendien onafhankelijk van de zintuiglijke modaliteit van de gewaarwordingen of voorstellingen waardoor ze uitgelokt worden. Ten laatste vervluchtigen de ‘gevoelens’ wanneer de aandacht erop gericht wordt (Titchener 1908; Alechsieff 1907).

De vraag of ‘gevoelens’ een aparte categorie van belevingen vormen werd aan het begin van deze eeuw fel bediscussieerd. Wundt en Titchener beantwoordden de vraag positief, maar anderen meenden dat ‘gevoelens’ konden worden herleid tot lichamelijke gewaarwordingen. Aangenaamheid, zo beweerden de laatsten, is niets anders dan een ‘klare, heldere druk’ in de borst en onaangenaamheid staat gelijk aan een ‘doffe druk’ in de buik (Koch 1913; Nafe 1924). Deze gewaarwordingen zouden zelf weer het resultaat van musculaire preparatie op naderings- of terugtrekkingsbewegingen kunnen zijn (Beebe-Center 1932).

Lehmann (1914) voerde aan dat deze verklaring onjuist moest zijn, aangezien de reactietijd van de affectieve beleving op stimuli sneller is dan die

[p. 195]

van fysiologische of andere lichamelijke responsen. Daarbij hebben introspectieve beschrijvingen volgens Lehmann een bijklank die de puur zintuiglijke betekenis overstijgt; dat geldt zelfs voor de beschrijvingen van de lichamelijke gewaarwordingen. De begrippen die de proefpersonen gebruiken - klaar, helder tegenover dof en licht, en zacht, levend tegenover zwaar, dood, hard, beklemmend (Nafe 1924) - vallen duidelijk uiteen in positieve en negatieve, en ze werden gebruikt ter aanduiding van respectievelijk aangename en onaangename ervaringen. Na een zorgvuldige analyse van dit debat concludeert Arnold (1960) dat de de hypothese dat ‘gevoelens’ een aparte, niet herleidbare categorie van beleving zouden zijn, over het algemeen door de onderzoeksresultaten wordt ondersteund. De beleving is duidelijk verbonden met de aanvaarding of afwijzing van stimuli, hetgeen ook uit de introspectieve onderzoeken valt af te leiden. Arnold citeert enkele uitspraken (uit Young 1927). Een geblinddoekte proefpersoon, die een stuk koud metaal te voelen kreeg, zei: ‘Het werd erg onaangenaam en weerzinwekkend, en ik had graag gewild dat u het weg nam’ (Conklin & Dimmick 1925). Een andere proefpersoon: ‘Wanneer ik “aangenaam” zeg, betekent dat slechts dat ik er graag meer van zou ruiken als dat mogelijk zou zijn’.

‘Gevoelens’ vormen dus een belevingscategorie sui generis. De categorie bevat verschillende soorten ervaring en kan volgens Wundt langs drie dimensies variëren: die van lust-onlust of aangenaamheid-onaangenaamheid (‘hedonische kwaliteit’), van opgewondenheid-kalmte en van spanningontspanning.

De elementaire ‘gevoelens’ zijn volgens Wundt te combineren tot meer complexe. Emoties (‘Affekte’) zijn samengestelde bewustzijnsstructuren, bestaande uit complexe gevoelens, lichamelijke gewaarwordingen en geassocieerde ideeën. De verschillende emoties worden gekenmerkt door het specifieke tijdsverloop waarmee de elementaire ‘gevoelens’ langs de drie dimensies veranderen, door de wijze waarop ze samengesteld zijn en door de opeenvolging van de gevoelsstructuren.

Dimensionele analyse

Een geheel andere benadering om de structuur van de emotionele beleving bloot te leggen is te zoeken naar verschillen en overeenkomsten tussen emotionele toestanden of verschillen en overeenkomsten in de betekenis van emotiewoorden. Dergelijke overeenkomsten en verschillen suggeren namelijk dat er een aantal dimensies aan de beleving ten grondslag ligt.

Nowlis (1966) ontwierp een stemmingsvragenlijst (de ‘Multiple Mood Adjective Check List’, macl), bestaande uit drieëndertig woorden die uit een grote verzameling emotie- en stemmingswoorden waren geselecteerd. Bij stemmingsvragenlijsten wordt proefpersonen gevraagd aan te geven welk van de omschrijvingen van toepassing is op de stemming waarin ze op

[p. 196]

dat moment verkeren. De antwoorden worden gegeven op een vijf-puntsschaal, die bijvoorbeeld loopt van ‘helemaal niet’ tot ‘heel sterk’. In Nowlis' onderzoek werden correlaties berekend tussen de items die gelijktijdig waren aangekruist. Een factoranalyse van de correlatiematrix leverde twaalf dimensies op; deze zijn weergegeven in tabel 4.1. De dimensies zijn unipolair, wat wil zeggen dat er geen substantiële negatieve correlaties werden gevonden: ‘uitgelatenheid’ en ‘droefheid’ sluiten elkaar bijvoorbeeld niet helemaal uit, en hetzelfde geldt voor de andere tegenstellingen.

Tabel 4.1 Stemmingsdimensies: Nowlis (1966)

Agressie Sociale affectie
Angst Droefheid
Onbekommerdheid Scepticisme
Uitgelatenheid Egoïsme
Concentratie Energie
Vermoeidheid Nonchalance

Er zijn verschillende van dit soort onderzoeken verricht, met steeds enigszins verschillende items, en met verschillende aantallen dimensies als resultaat. Lorr, Daston en Smith (1967) vonden bijvoorbeeld acht dimensies. Ondanks de verschillen in items en in selectieprocedures is er toch een aanzienlijke overeenkomst te constateren in het soort dimensies dat wordt geïdentificeerd. Sonneville e.a. (1985) verzamelden alle stemmings- en emotiewoorden uit een Nederlands woordenboek en legden een vragenlijst met de 231 gevonden woorden voor aan een groep proefpersonen. Na een clusteranalyse van de resultaten bleven honderd woorden over, die werden voorgelegd aan een nieuwe groep proefpersonen. De uiteindelijke vragenlijst bevatte zestig items, en de tien daaruit resulterende dimensies zijn opgenomen in tabel 4.2 (zodanig gerangschikt dat de volgorde overeenkomt met die van tabel 4.1). De overeenkomst met de door Nowlis gevonden dimensies is vrij groot.

Tabel 4.2 Stemmingsdimensies: Sonneville e.a. (1981)

Boos -
Angstig Depressief
- Humeurig
Uitgelaten Arrogant
Gewetensvol -
Moe Onverschillig
- Schuw

De structuur kan verder gedifferentieerd worden door extra aandacht te besteden aan subdomeinen. Thayer (1978a,b) toonde aan dat ‘activatie’

[p. 197]

meerdere stemmingsdimensies heeft. Hij kon in zijn onderzoek niet alleen een groot aantal van de dimensies van Nowlis bevestigen, maar er ook enkele nader specificeren: ‘slaap’ en ‘kalmte’ in plaats van ‘vermoeidheid’, en ‘energie’ en ‘opgewondenheid’ in plaats van ‘energie’. Sjöberg e.a. (1979) kon de bevindingen van Thayer bevestigen.

Stemmingsvragenlijsten zijn tot op zekere hoogte te valideren door ze bij verschillende populaties af te nemen (bijvoorbeeld angstige en niet-angstige patiënten) en onder verschillende omstandigheden. Zo is de invloed van farmaca vergeleken (bijv. Nowlis 1970), het effect van lichamelijke inspanning en van het moment van de dag waarop de lijsten worden afgenomen (Thayer 1978b), enzovoort. Vergelijking van de scores levert op sommige dimensies verschillen op en op andere niet, en zo hoort het ook.

Stemmingen kunnen dus worden geanalyseerd aan de hand van een klein aantal basiscomponenten. We kunnen stemmingen beschouwen als bestaande uit dergelijke componenten; sommige bevatten slechts een daarvan, andere zijn mengvormen of combinaties. Hetzelfde zou van toepassing kunnen zijn op emoties. Bartlett en Izard (1972) gingen uit van een achttal ‘fundamentele emoties’, en vroegen proefpersonen met betrekking tot een aantal emotionele ervaringen aan te geven in welke mate deze ‘fundamentele emoties’ daarop van toepassing waren. Niet geheel onverwacht bleek ‘vreugde’, een van de fundamentele emoties, hoog te scoren bij vreugdevolle ervaringen; ‘angst’ bleek een mengvorm van belangstelling, onrust, ontreddering en vrees; ‘neerslachtigheid’ een combinatie van ontreddering, vrees en agressiviteit (Izard 1972). Plutchik (1980) volgde een vergelijkbare procedure. Zijn proefpersonen moesten voor elk voorgelegd emotiewoord aangeven uit welke twee of drie ‘primaire emoties’ de betreffende emotie bestond. Volgens de resultaten bestond ‘schuldgevoel’ uit droefheid en vrees, ‘liefde’ uit blijdschap plus acceptatie.

Wat tonen de onderzoeken van Bartlett en Izard en van Plutchik nu precies aan? De proefpersonen bedienen zich in beide onderzoeken netjes van de aangegeven verzameling basisemoties, maar dat bewijst niet dat ‘complexe’ emoties mengvormen van enkelvoudige emoties zijn. Wanneer een woord als enkelvoudig wordt aangeboden zal het als enkelvoudig worden behandeld; woorden die als samengesteld worden aangeboden kan men moeilijk anders dan als samengesteld behandelen.

Wat de verdiensten van deze onderzoeken naar emotiecomplexiteit verder ook mogen zijn, we moeten in elk geval constateren dat ze op een belangrijk punt in gebreke blijven: ze geven geen informatie over de inhoud van de fundamentele emotionele ervaringen. Het wordt niet duidelijk waaruit de ervaring van blijdschap, vrees, interesse enzovoort nu eigenlijk bestaat. Zijn deze ervaringen onontleedbare ‘qualia’, net zoals ‘rood’ en ‘groen’? Het lijkt erop dat Plutchik en Izard dat inderdaad vinden.

We kunnen de analyse echter nog wel een stap verder voeren. Wundt

[p. 198]

veronderstelde dat ‘gevoelens’ langs drie dimensies kunnen variëren: aangenaam-onaangenaam, opwinding-kalmte en spanning-ontspanning. Het is voorstelbaar dat elke emotie, zelfs elke eenvoudige emotie, zich op een uniek punt in deze driedimensionele ruimte bevindt, of in een ruimte met een andere dimensionaliteit. We kunnen dan veronderstellen, en dit doet een aantal onderzoekers ook, dat elke emotionele ervaring aan de hand van zo'n lokalisering valt te definiëren.

Block (1957) legde zijn proefpersonen vijftien emotiewoorden voor, die beoordeeld moesten worden op de bipolaire zeven-puntsschalen van Osgoods semantische differentiaal (‘goed-slecht’, ‘actief-passief’, ‘zwak-sterk’ enz.) Het grootste deel van de variantie van de scores werd verklaard door de twee factoren aangenaamheid-onaangenaamheid en activatie. Een secundaire analyse van de gegevens door Plutchik (1980) en Fillenbaum en Rapoport (1971) gaf te zien dat de emotiewoorden cirkelvormig konden worden gerangschikt. Waar de emoties tegenover elkaar liggen, zijn zij als tegengesteld te beschouwen, zoals vrees en woede of blijdschap en verdriet. Deze structuur lijkt erg op degene die Schlosberg (1952) vond. De twee dimensies die volgens zijn bevindingen een rol spelen bij de beoordeling van gelaatsexpressies zijn aangenaamheid-onaangenaamheid en aandacht-verwerping.

Lorr, Daston en Smith (1967) en Lorr en Shea (1979) constateerden dat hun stemmingsdimensies intercorrelaties vertoonden en een gedeeltelijk circulaire rangschikking toelieten. Russell (1980) gebruikte een aantal verschillende procedures en vond consistente resultaten die vergelijkbaar zijn met de eerder genoemde. Het door proefpersonen laten indelen van emotiewoorden in acht tevoren vastgestelde categorieën leverde een cirkelvormige rangschikking op wanneer de categorieën met de grootste overlap naast elkaar werden gezet. Wanneer de emotiewoorden direct op een cirkel werden geplaatst leverde dit eenzelfde ordening op en beoordeling van de woorden op de twee dimensies aangenaamheid-onaangenaamheid en activatie eveneens. Deze ordening werd nogmaals gevonden toen een verfijndere analyse werd uitgevoerd op de dimensies die verkregen waren door middel van een stemmingsvragenlijst van het type dat Nowlis en McNair e.a. gebruikten.

De door de verschillende stemmingsonderzoeken gevonden dimensies lijken niet geheel onafhankelijk van elkaar te zijn. Hun onderlinge samenhang zouden verklaard kunnen worden op de manier die Russell aangeeft. Overigens blijken de door middel van vragenlijsten gevonden stemmingsdimensies eerder unipolair dan bipolair te zijn, en dit stelt het onderzoek voor een belangrijk probleem (zie Lorr & Shea 1979; Russell 1979). De unipolariteit is echter voor een groot deel een artefact, voortvloeiend uit de vragenlijstprocedure. Op zich spreekt dit de bevinding dat de voornaamste dimensies bipolair zijn en een circulaire rangschikking te zien geven dus

[p. 199]

niet tegen. De circulaire ordening is mogelijk wel een wat al te simpele weergave van de werkelijkheid. Daly e.a. (1983) verkregen gegevens die meer voor een kegelvormig model pleiten. Eerder vond Schlosberg (1954) hetzelfde voor gelaatsexpressies. De verticale as in het kegelvormige model geeft de intensiteit of mate van activatie weer, net als bij Schlosberg.

Hiermee zijn we er echter nog niet. De dimensionele analyse levert geen bevredigende beschrijving van de emotionele beleving. Emoties als woede of vrees, die intuïtief toch sterk verschillend zijn, blijken in een twee- of driedimensionele grafiek dezelfde positie in te nemen. Dit soort afwijkingen kan alleen verklaard worden met behulp van geheel andere principes, namelijk cognities (Russell 1980), en daarmee zijn we praktisch terug bij het beginpunt.

Al deze analyses van de emotionele beleving, of zij nu basiscategorieën pogen te achterhalen of verder zoeken naar onderliggende dimensies, lijken om dezelfde redenen onbevredigend te zijn. Waaruit bestaat nu de specifieke ervaring van woede of vrees in de analyses van Izard en Plutchik? Wat is volgens Russell de aard van de cognities die een onderscheid aanbrengen tussen emoties die voor het overige dezelfde dimensionele eigenschappen hebben? De dimensionele benadering heeft nog een andere tekortkoming, namelijk dat de dimensiewaarden de beleving niet echt verklaren. Ontreddering bestaat toch uit meer dan een hoge mate van activatie plus onaangenaamheid, en ‘vrees’ is toch niet alleen maar onaangenaamheid met matige activatie? Kennis van de dimensionele waarden alleen lijkt niet toereikend om de emotionele beleving mee te reconstrueren. Er ontbreekt nog een essentieel bestanddeel.

Descriptieve analyse

Men kan de proefpersoon vragen introspectie op zijn gevoelens te plegen of die gevoelens te beoordelen in termen van een aantal emotiewoorden of dimensies; maar men kan hem ook eenvoudigweg vragen te beschrijven wat hij ervoer toen hij boos was, of gelukkig, enzovoort, en wat hij bedoelt als hij zijn ervaringen met die woorden aanduidt. Dit levert het soort antwoorden op dat is te vinden in romans, in autobiografische verslagen van de belevenissen van psychotische patiënten (Kaplan 1964) en in interviewstudies zoals die van Parkes (1972) met weduwen, van Rowe (1978) met depressieve mensen, of van Hite (1976) over seksuele emoties.

Men kan descriptieve informatie op systematische wijze analyseren door deze om te werken tot vragenlijsten. Een origineel en waardevol onderzoek van Davitz (1969) leverde gedetailleerde beschrijvingen op van de emotionele ervaringen van een dertigtal proefpersonen. Er werden negen emotiewoorden gegeven en elke proefpersoon werd gevraagd zich per woord een voorval te herinneren; de proefpersoon moest zijn ervaringen tijdens dat voorval zo volledig mogelijk beschrijven. Uit de 270 beschrijvingen werden

[p. 200]

556 uitspraken afgeleid, die werden omgevormd tot een vragenlijst. Vijftig nieuwe proefpersonen vulden deze vragenlijst in voor vijftig emotiewoorden. Op deze wijze werden ‘definities’ van elk van die vijftig emotiewoorden verkregen, bestaande uit de uitspraken die het meest waren aangekruist. Op ‘verdriet’ achtten de proefpersonen bijvoorbeeld de volgende uitspraken van toepassing (tussen haakjes is het percentage proefpersonen opgenomen): ‘Ik kan niet lachen of glimlachen’ (56); ‘Er is een innerlijke pijn die niet te traceren is’ (48); ‘Er is een gevoel van spijt’ (54); ‘Je voelt een soort verlangen’ (46); ‘Je voelt je onvolledig, alsof je een deel van jezelf mist’ (40); ‘Ik heb een verstikt gevoel’ (50); ‘Er is een gevoel van gemis, verlies’ (84); ‘Er is een gevoel van ongeloof’ (68) (Davitz 1969, blz. 60-61).

De uit de oorspronkelijke beschrijvingen afgeleide uitspraken zijn onder te brengen in een aantal categorieën die niet in de voorgaande onderzoeken naar voren zijn gekomen; de emotionele beleving is blijkbaar rijker en gevarieerder dan tot zover naar voren kwam. De uitspraken verwijzen naar expressieve bewegingen, naar innerlijke gevoelens, naar de houding ten opzichte van gebeurtenissen en ten opzichte van de implicaties daarvan (‘spijt’ bijvoorbeeld), naar relationele ideeën (‘onvolledigheid’, ‘deel van jezelf missen’), naar cognitieve attitudes (‘ongeloof’), en naar lichamelijke gewaarwordingen. Ook in dit onderzoek werden correlaties berekend tussen de aangekruiste uitspraken, en hierop werd een clusteranalyse uitgevoerd. Tabel 4.3 geeft een overzicht van de twaalf clusters, die overigens niet onafhankelijk bleken te zijn.

Tabel 4.3 Door Davitz gevonden clusters (1969)

Activatie Behaaglijkheid
Hypoactivatie Onbehaaglijkheid
Hyperactivatie Spanning
Erheen gaan Verheviging
Ervandaan gaan Incompetentie/Onbevredigdheid
Ertegenin gaan Ontoereikendheid

Factoranalyse leverde twee dimensies ofwel drie emotiecategorieën op. De eerste dimensie is die van aangenaamheid-onaangenaamheid, de tweede splitst de laatste pool ruwweg uit in angstige en boze emoties (ervandaan gaan versus ertegenin gaan). Inhoudsanalyse suggereerde het bestaan van vier bipolaire aspecten van emotie: activatie, hedonische kleur, betrekking (erheen gaan, ervandaan gaan, ertegenin gaan), en competentie.

Elke poging om emoties op basisdimensies te herleiden gaat gepaard met informatieverlies: het lijkt onwaarschijnlijk dat specifieke emoties alleen maar combinaties van basisemoties zouden zijn. Descriptieve analyse zou het volledige bereik van de constituenten van de emotionele beleving tevoorschijn kunnen brengen. Naast de algemene facetten die door de di-

[p. 201]

mensionele analyse zijn geïdentificeerd, kan een dergelijke beschrijving inzicht verschaffen in de aard van de cognitieve, en wellicht nog andere, componenten waaruit de emotionele beleving bestaat.

4.3 De aard van ‘beleving’: reflexief en irreflexief bewustzijn

Kritiek op het introspectionisme

De speurtocht naar de constituerende elementen van de emotionele beleving heeft twee belangrijke conclusies opgeleverd. In de eerste plaats: de beleving is samengesteld uit elementen van verschillende aard, elk onreduceerbaar en sui generis-‘gevoel’ is een van deze elementen en is kenmerkend voor de affectieve beleving. In de tweede plaats hebben ‘gevoelens’ of de bewustzijnscomplexen waarvan ze deel uitmaken de eigenschap ‘subjectief’ te zijn. De affectieve of emotionele beleving is een soort bewustzijn dat de persoon aan zichzelf toeschrijft, en dat ook in een of andere zin ‘in’ hem aanwezig is.

De speurtocht ging echter uit van een premisse, die natuurlijk de conclusies enigszins gekleurd heeft: het uitgangspunt was dat ervaringen op te vatten zijn als ‘bewustzijnsinhouden’, entiteiten die af en aan gaan op het toneel dat wij bewustzijn noemen. Deze premisse, en daarmee de speurtocht naar de belevingselementen, is bekritiseerd door Brentano (1874), en in diens voetsporen door onder anderen Köhler (1929) en Sartre (1934). Volgens Köhler zijn de beschreven bewustzijnsinhouden een produkt van de mentale instelling die de introspectieve methode vereist. Gewaarwordingen zijn, en dat geldt ook voor ‘gevoelens’, een creatie van deze houding (zie ook Gibson 1966). Bij introspectie wordt de aandacht naar binnen gericht, en is de mentale werkingsmodus analytisch. Het is om deze reden dat de introspectieve methode (de klassieke introspectie) aan het begin van dit hoofdstuk werd onderscheiden van zelfobservatie in het algemeen.

De begrippen van bewustzijnsinhouden en van beleving als een verzameling van bewuste kwaliteiten of elementen als zodanig zijn produkten van deze mentale instelling. De gevolgen van de analytische mentale instelling zijn verstrekkend. Ten eerste wordt het verband tussen de bewustzijnselementen uit het oog verloren. Nog belangrijker, het externe object van het bewustzijn gaat verloren. Bij introspectie verdwijnt het idee dat bewustzijn de handeling ‘van iets kennis nemen’ impliceert. Evenzo verdwijnt het besef dat elke vorm van bewustzijn een soort bewering over dat ‘iets’ inhoudt. Perceptueel bewustzijn houdt een bewering in over het bestaan van een object, extern aan dat bewustzijn: het beweert dat het object benaderd, opgepakt of onderzocht kan worden. Voorstellen daarentegen doet een bewering over de afwezigheid of non-existentie van het object, enzovoort. Al deze beweringen maken deel uit van het perceptuele of fantaserende

[p. 202]

bewustzijn, maar zijn er geen object van. Ze zijn impliciet in de waargenomen ‘affordances’, de geschiktheid van de waargenomen of voorgestelde objecten (Gibson 1966), en in de bereidheid of onbereidheid tot handelen.

De notie van ‘object van bewustzijn’ is zowel belangrijk als verhelderend. Introspectie is een handeling van het bewustzijn die bewustzijn zelf tot object heeft, en dus niet het object waar het om begonnen was. Introspectie impliceert met andere woorden reflexief besef, of zoals Sartre het noemde: ‘reflexief bewustzijn’. Het is belangrijk vast te stellen dat dit niet de natuurlijke gedaante van de emotionele beleving is.

Een van de gevolgen van reflexiviteit is dat het bewustzijn getransformeerd wordt en dat er ‘subjectiviteit’ wordt geschapen. Datgene wat zich bewust wordt, het ‘ik’, vormt niet meer slechts de voorwaarde voor zich bewustworden of het theoretische referentiepunt dat voorondersteld moet worden wanneer over ‘bewust-zijn’ wordt gesproken, het ‘ik’ wordt zelf onderdeel van het bewustzijn. De directe vaststelling ‘Daar is x’ wordt vervangen door ‘Ik weet dat ik x waarneem’.

Een ander gevolg van de introspectieve reflectie is al eerder genoemd: de relatie tussen subject en object gaat verloren. Het subject dat introspectie pleegt zweeft rond in zijn ervaring, geïsoleerd van een buitenwereld waarmee hij in wisselwerking zou staan. Deze constatering verheldert eveneens waarom wij zowel in de introspectieve als in de dimensionele analyse iets missen: het beschrijven van woede als onaangenaamheid plus activatie mist een verwijzing naar de wereld.

Het onderscheid tussen reflexieve en irreflexieve beleving heeft belangrijke consequenties voor het denken over beleving in het algemeen. De reflexieve beleving richt de aandacht op het beleven zelf en reduceert dat daarmee tot object: tot een inhoud of een bloot bewustzijnsfeit. Het bewustzijn lijkt te bestaan uit losse gewaarwordingen, qualia, waarnemingsbeelden en dergelijke, in plaats van uit fenomenen - dat wil zeggen, ervaringen die zinvol zijn en betekenis hebben, en die beweringen belichamen over het object dat ervaren wordt. Het irreflexieve bewustzijn moet niet aan de hand van inhouden worden beschreven, maar aan de hand van geïntendeerde objecten of bewustzijnshandelingen die intenderen, dat wil zeggen, op iets betrekking hebben.

De irreflexieve beleving: het appel van de situatie

Het karakter van de emotionele beleving kan duidelijker worden dankzij het onderscheid tussen de reflexieve en de irreflexieve beleving. De emotionele beleving is zich, in haar meer directe verschijningsvormen, niet bewust van zichzelf; ze vormt geen ‘subjectieve toestand’. De emotionele beleving is, zoals Sartre betoogt, vooral een waarneming: een gedaante waarin de situatie verschijnt, of die situatie nu werkelijk of ingebeeld is. Deze waarneming heeft een speciaal karakter, dat we later in dit hoofdstuk zullen

[p. 203]

beschrijven. Verschillende emotionele ervaringen bestaan uit verschillende soorten waarneming. De emotionele ervaring is ‘objectief’ in die zin, dat het het bestaan poneert van objecten met bepaalde eigenschappen en deze tot zich neemt. Het irreflexieve karakter van een ervaring impliceert ook dat zij ‘projectief’ is: de eigenschappen zijn ‘daarbuiten’. Deze eigenschappen bevatten de relatie van het object met het subject: emotionele beleving is de waarneming van huiveringwekkende objecten, onuitstaanbare mensen, bedrukkende gebeurtenissen. De relatie met het subject is overigens impliciet: een object is huiveringwekkend ‘voor mij’, maar deze bepaling lost op in de eigenschap zoals die wordt beleefd.

Het feit dat de beleving doortrokken is van de betekenissen die het waargenomene voor het subject heeft, wordt uitgedrukt door te zeggen dat de waarneming niet stimulusgebeurtenissen maar situaties betreft. Situaties kunnen een object of een gebeurtenis hebben waar het speciaal om gaat, zoals in de hiervoor genoemde voorbeelden, maar dit hoeft niet het geval te zijn. Men kan bijvoorbeeld een absolute leegte aantreffen, of aan alle kanten ingesloten zijn, zodat vluchten onmogelijk is; of de situatie blijkt niet mee te geven en zelfs niet voor het meest nadrukkelijke verzoek te zwichten.

Deze beschrijvingswijze van de emotionele beleving heeft op zichzelf een fenomenologische verdienste, maar belangrijker is misschien wel dat het nu mogelijk wordt emotionele beleving te veronderstellen bij heel jonge kinderen en dieren, en in toestanden waarin men zichzelf vergeet, zoals in extase. De beleving kan dan worden beschouwd als puur perceptueel bewustzijn, zonder een spoor van reflexiviteit. Zij is als het ware naadloos verweven met het object en bestaat louter uit het besef van de aard en de eigenschappen van het object. McDougall (1923) veronderstelde dat een broedende hen haar ei ziet als ‘een-object-waarop-je-niet-lang-genoeg-kunt-zitten’, en zo kan bij volwassen mensen ‘verlangen’ gezien worden als het waarnemen van een ‘een-kind-dat-je-niet-genoeg-kunt-liefkozen’ of een ‘niet-genoeg-te-zoenen-meisje’ (of jongen). Dit soort ervaringen te benoemen als ‘het hebben van de subjectieve beleving van verlangen’ zal voor menigeen als een verrassing komen, en in elk geval alleen maar als een gedachte achteraf.

In de irreflexieve beleving is er bewustzijn zonder bewustzijn van zichzelf, zonder een toeziende instantie. Dit denkbeeld is niet alleen het resultaat van overwegingen van fenomenologische aard. Vanuit een geheel verschillende richting, namelijk het onderzoek naar niveaus of modi van bewustzijn, zijn gelijksoortige denkbeelden ontwikkeld. Naar aanleiding van onderzoek naar hypnotische verschijnselen introduceerde Hilgard (1977) het begrip van veranderlijke cognitieve controle. Een gehypnotiseerde persoon kan indrukken krijgen waarvan hij tegelijkertijd wel en niet weet heeft. Na de hypnotische opdracht doof te zijn ontkent hij ook maar iets te

[p. 204]

horen en vertoont hij geen reactie in gedrag; uit de automatische schrijfopdracht blijkt echter dat hij evengoed kon horen als in normale toestand. In een toestand van verlaagde cognitieve controle vindt volgens sommige onderzoekers slechts ‘informatieverwerking’ plaats. Anderen spreken in minder neutrale termen over ‘onbewust beleven’. De irreflexieve beleving tijdens extase of bij dieren maakt het aantrekkelijk om die laatste oneigenlijke term te gebruiken. Om de discrepantie aan te duiden tussen de duidelijk aantoonbare informatieverwerking van affectieve indrukken en het gebrek aan reflexief bewustzijn van die informatie, gebruikte Zajonc (1980) inderdaad de term onbewust. Deze discrepantie zal zo dadelijk geïllustreerd worden.

De reflexieve beleving kent meerdere niveaus, die grotendeels geen echt subjectieve beleving worden. Gewoonlijk maakt een subject wel deel uit van zijn eigen beleving, maar daarbij vormt zijn ‘ik’ meer de voorwaarde van elke beleving, of dat wat handelt, dan subject van de beleving. In uitspraken als: ‘Ik heb het gevoel tegen een muur op te lopen’, ‘Niets interesseert me meer’, ‘Ik zie geen mogelijkheid meer iets aan de situatie te doen’, ‘Ik heb de zaken onder controle’, en ‘Ik ben trots op mezelf’ zijn de verwijzingen naar het zelf linguïstische formaliteiten en geen beschrijvingen van ervaring.

Sommige emoties vooronderstellen het zelf wel als bestanddeel van de beleving: trots, schaamte, schuldgevoel en, wanneer opgevat als besef van de eigen machteloosheid, angst (Sartre 1943, naar Kierkegaard). In die gevallen is het zelf object: ‘Ik bewonder Ik die dat gedaan heeft’. De beleving is dan nog steeds niet noodzakelijkerwijs subjectief. Alle zojuist gegeven voorbeelden kunnen geherformuleerd worden in perceptuele termen, en het zelf verschijnt alleen in de laatste herformulering: ‘Er is een ondoordringbare barrière’, ‘Er is niets belangwekkends meer’, ‘De situatie is hopeloos’, ‘De situatie is benaderbaar en plooibaar’ en ‘Er is een handeling die mijn waarde vergroot’.

De emotionele beleving kan worden beschreven als een gedaante waarin een situatie verschijnt, maar het omgekeerde is niet altijd het geval. Niet elke verschijningsvorm is emotioneel, al hangt het af van welke categorieën men meerekent hoe men tot een onderscheid wil komen. De beleving is te beschouwen als een verschijningsvorm die een aanspraak doet (ze heeft ‘Aufforderungscharacter’, Lewin 1937). Dit eisende karakter verwijst naar de ‘valentie’ (de term is ook van Lewin) van de situatie in zijn geheel: is deze aantrekkelijk, afstotend of slechts ‘eisend’. In de volgende paragraaf zullen we trachten deze omschrijving specifieker te maken. De betreffende verschijningsvorm van de situatie zullen we het appel van de situatie noemen.

De situatie zoals deze het subject toeschijnt, en waarop of waarvandaan zijn gedrag gericht is, noemen we het object van de emotionele beleving.

[p. 205]

Het is van het grootste belang het object van emotie niet te verwarren met de oorzaak van de emotie. Het object doelt op een gegeven van de irreflexieve beleving (of op een gegeven van gedragsobservatie). De oorzaak verwijst naar een verklaring, een reflexieve analyse dus. Deze verklaring kan al dan niet een gegeven van de beleving kan zijn. Bij door morfine opgewekte euforie is dat niet het geval, maar het object van de beleving blijft een prachtige wereld. Zelfs als een oorzaak een object van beleving is, hoeven het object en de oorzaak (de uitlokkende gebeurtenis) niet samen te vallen: als iemand boos wordt omdat hij onheus behandeld is, richt hij zijn woede op de persoon en niet op diens handelingen.

De emotionele beleving geeft vaak geen vingerwijzingen omtrent de oorzaken van die beleving; verschillende oorzaken kunnen een identiek object opleveren. Een bepaalde situatie kan als bedreigend overkomen omdat ze gevaren met zich meebrengt, maar ook omdat het het subject überhaupt aan kracht en bekwaamheid ontbreekt, zelfs ten aanzien van onschuldige gebeurtenissen. Neerslachtigheid kan het gevolg zijn van het verlies van een dierbare persoon of van het gebruik van een bepaald medicijn; beide kunnen tot de waarneming leiden dat er niets is om naar te streven. Het maakt voor de beleving geen verschil of de dorheid van de wereld terecht zo wordt gezien of niet.

Dit onderscheid tussen oorzaak en object impliceert dat het object, het appel van de situatie, onmogelijk de oorzaak van de emotionele beleving kan zijn: het is de emotionele beleving. Het heeft wel zin om iemand te vragen waarom hij denkt dat iemand anders een vreselijk mens is, maar niet waarom hij een vreselijk mens verafschuwt. De beleving van een ernstig verlies is verdriet; anders is het geen beleving van verlies, of van de ernst ervan.

De emotionele beleving blijkt evenwel de oorzaak van iets anders: ze motiveert of veroorzaakt emotioneel gedrag. In paragraaf 4.1 hebben we de kwestie van de causale relatie tussen beleving en gedrag al aangeroerd. Volgens James (1884) was het onzin om de emotionele beleving als de oorzaak van emotioneel gedrag op te vatten. We zijn bang omdat we rennen, want hoe zou rennen kunnen worden uitgelokt door zulke subjectieve gevoelens als onaangenaamheid, gespannenheid en opwinding? James meende dat rennen wordt uitgelokt door de ‘perceptie van een veelbetekenende gebeurtenis’. Het is die waarneming waarover we het hier hebben. De kwestie van de causale relatie lijkt opgelost te zijn als we het bestaan van irreflexieve perceptuele beleving onderkennen. Die beleving veroorzaakt wel degelijk gedrag: de angstaanjagende beer motiveert tot vluchten, het ernstige verlies veroorzaakt een verlies van motivatie.

Reflectie

In Sartre's studie van de emotie heeft het reflexieve bewustzijn twee com-

[p. 206]

ponenten die goed uit elkaar moeten worden gehouden. Een ervan is dat bewustzijn tot subjectieve beleving kan worden, beleving waarbij er een bewuste representatie is van het zelf als belevende instantie. De andere is dat het zelf in de beleving kan verschijnen in zijn relatie tot de bedoelde objecten. De uitspraak ‘Ik heb zin hem in zijn gezicht te slaan’ kunnen we lezen, of voelen, als ‘Ik heb de beleving zin te hebben om ...’ of als de nog niet vervulde belofte ‘Ik ben gereed voor de gewenste situatie dat hij in zijn gezicht geslagen is’. De eerste herformulering noem ik echte reflexiviteit, de tweede zelfbesef. Echte reflexiviteit wordt bereikt in introspectie, terwijl de meeste ervaringen van volwassen mensen altijd enige mate van zelfbesef impliceren.

Elke reflectie betekent evenwel dat er een inventaris wordt opgemaakt. Deze inventarisatieactiviteit is iets anders dan de activiteit die geïnventariseerd wordt. Dit geldt voor actie of voor de voorbereiding daarvan net zo goed als voor het ervaren van het appel van de situatie. Een gebeurtenis als afschuwelijk ervaren is iets anders dan het categoriseren van de eigen reactie als een van afschuw, en verschilt nog meer van weten wat het zo afschuwelijk maakt. Iemand in zijn gezicht slaan (wat als een ‘bewustzijnsactiviteit’ kan worden aangemerkt, want de handeling moet voorbereid en de ander moet geraakt worden), verschilt van opmerken dat men iemand in het gezicht slaat, en waarom, en hoe. Reflectie en het resultaat waarop men reflecteert zijn twee geheel verschillende processen.

Er is geen reden aan te voeren dat de twee processen zouden moeten corresponderen. De inventarisatie kan verkeerd zijn, zich vergissen bij het vaststellen van welke kenmerken de irreflexieve beleving vormden en daadwerkelijk tot gedrag aanzetten. De inventarisatie kan ten onrechte een verschijningsvorm ‘afschuwelijk’ noemen, of de toestand er een van ‘afschuw’. Evenzo kan ten onrechte een conclusie worden getrokken over de intentionele eigenschappen van de actie - bijvoorbeeld dat de actie erop gericht was pijn toe te brengen in plaats van te straffen. Reflecteren betekent over het algemeen categoriseren, en ook gevolgtrekkingen maken en reconstrueren: vond men die ander afschuwelijk, en zo ja, waarom? En waarop was de actiebereidheid nu precies gericht? Bij deze processen kan informatie betrokken worden die niet direct beschikbaar was. Het rechtvaardigen van de bewering dat iemand ‘afschuwelijk’ is vergt een analyse die niet werd uitgevoerd bij het tot stand komen van de bewering.

Er is een overvloed aan bewijs dat zulke processen uitmonden in discrepanties tussen de categorisatie en de oorspronkelijke input. Nisbett en Wilson (1977) geven een uitvoerig overzicht van experimenten waarin de manipulatie van stimuli, omstandigheden of instructies tot wijzigingen in de affectieve oordelen van proefpersonen leidden. De proefpersonen beseften niet wat de oorzaken van de modificaties waren, of noemden andere dan de werkelijke oorzaken. Een experiment van Zajonc (1980) geeft een illustra-

[p. 207]

tie van de lotgevallen van de reflexieve cognitie. Proefpersonen kregen een serie onzinfiguren of -woorden voorgelegd, maar sommige van die stimuli werden vaker aangeboden dan andere. Daarna moest men op een tienpuntsschaal zijn waardering aangeven voor de verschillende stimuli. Het bleek dat het oordeel daarover samenhing met de frequentie waarin de stimuli waren aangeboden. De oordelen hingen aanzienlijk minder, en onder sommige omstandigheden geheel niet, samen met de schattingen die de proefpersonen van die frequenties gaven. Dit is de discrepantie tussen de bewuste kennis en de onbewuste informatieverwerking waarnaar eerder deze passage werd verwezen.

Bij het benoemen van, praten over en rechtvaardigen van emoties zijn attributieprocessen betrokken, wat met nadruk door de cognitief georiënteerde theoretici naar voren werd gebracht (Schachter 1964; Mandler 1975; Weiner 1974; Bern 1972 o.a.). Het betekent niet dat die processen ook werkzaam zijn in de emotionele beleving zelf, noch dat zij noodzakelijkerwijs aan die beleving ten grondslag liggen. Ze hebben misschien invloed op ogenblikken dat het appel van de situatie onduidelijk en vaag is, of wanneer er druk is tot reflexieve categorisatie en rechtvaardiging. Interpretatie- en inferentieprocessen zijn vooral effectief als de stimulatie verarmd is of gerechtvaardigd moet worden (bijv. Neisser 1976). Ze hebben niet veel invloed als er voldoende informatie is.

De uitkomsten van de reflectie zijn natuurlijk zelf weer ervaringen, en het categoriseren van de eigen toestand is van invloed op het gedrag. Zeggen dat je bang bent rechtvaardigt je vermijdingsgedrag beter dan alleen het besef dat je bang bent. Dit voert naar discussies over de ervaring van de mate van realiteit van gebeurtenissen en de ambiguïteit van ervaring. Aan het eind van dit hoofdstuk zullen we daar kort aandacht aan besteden.

Vormen van emotionele beleving

Irreflexieve beleving is dus niet de enige vorm van beleving en reflexieve beleving komt niet noodzakelijkerwijs overeen met wat we subjectieve beleving hebben genoemd. Het bewustzijn kan de toestand van de persoon of zijn relatie tot de omgeving taxeren zonder hierbij op te lossen in de perceptie van het appel van de situatie, of zonder de relatie met het zelf of met de omgeving kwijt te raken. ‘Er is iets verschrikkelijks’, ‘Ik ben ontdaan door x’ noch ‘Ik wil weg van x’ hoeven te verworden tot ontheemde lichamelijke gewaarwordingen of in het bewustzijn zwevende gevoelens, zoals in de klassieke introspectie wel het geval is.

De emotionele beleving kan drie vormen aannemen: besef van het appel, besef van autonome arousal en besef van actiebereidheid. Deze modi hangen samen met de drie informatiebronnen, te weten de omgeving, de autonome respons en de combinatie van actiebereidheid met feedback van de gedragsreactie. Elke modus kent hedonische kwaliteit aan de beleving

[p. 208]

toe. Bovendien kan de beleving in elk van de modi aan diepte winnen door de ‘strekking’ van de emotie.

De belevingsvormen treden doorgaans gedrieën op, gezamenlijk met de door hen voortgebrachte strekking. De totale emotionele beleving bestaat dus uit de drie belevingsmodi, de hedonische kwaliteit en strekking. Deze bestanddelen zullen in het navolgende besproken worden.

4.4 De emotionele beleving als beleving van de situatie

De emotionele beleving wordt in de allereerste plaats gevormd door de beleving van de situatie. Een aanzienlijk deel van de spontane beschrijvingen van emoties bestaat uit de beleving van de situatie, van betekenisvolle objecten, betekenisvolle doelen en betekenisvolle leegten of afwezigen. Voor de weduwen uit het onderzoek van Parkes (1972) bestond verdriet uit achtergelaten en alleen gelaten zijn, doelloos leven in een wereld zonder objecten van werkelijk belang, en zinloze taken moeten verrichten.

Het woord situatie duidt niet alleen op de gebeurtenissen die een emotie uitlokken, dus op het verlies, de dreiging, het succes en dergelijke. Het verwijst naar alles wat het voorval met zich meebrengt: de mogelijkheden die in de situatie besloten liggen, voor zover deze de persoon in kwestie raken; wat er onvolledigheid is aan het gewin of wat er overblijft bij verlies; of de schaduw die de toekomst vooruitwerpt. Hoe een situatie beoordeeld wordt hangt evenzeer af van de eigenschappen van die situatie als van die van de persoon. De overweldigende aard van een situatie is complementair aan de machteloosheid van het subject, de pijnlijkheid aan zijn kwetsbaarheid, en de toegankelijkheid van een object is het complement van de mate waarin het subject zich in staat voelt de gelegenheid te baat te nemen. De relevantie voor gedrag en de mogelijke of actuele reacties óp het gedrag staan in de aanschouwelijke wereld gegrift als ‘hindernissen’ en ‘open ruimten’ (opnieuw Lewin). Zoals gezegd kan ook het subject zelf tot die aanschouwelijke wereld behoren: zijn waarde en competentie staan in zijn eigen ogen op hem afgedrukt bij emoties van trots, schaamte of verlies van zelfvertrouwen.

Er kunnen dus drie elementen worden onderscheiden in het appel van de situatie: cognities over wat de situatie het subject aandoet, biedt of onthoudt, of zou kunnen aandoen, bieden of onthouden; cognities over wat de situatie aan actie toestaat, waarvan zij weerhoudt of waartoe zij uitnodigt; en evaluaties over de wenselijkheid van de uitkomsten.

Cognitie en emotie

De gegeven beschouwing aangaande de beleving van de situatie is uiteraard een bespreking van het belang van cognitieve factoren met betrekking tot

[p. 209]

emotie. Dit belang werd al door Spinoza en Sartre beklemtoond, en de recente cognitieve psychologie legt er eveneens de nadruk op. Cognities zijn in twee opzichten van belang: cognitie is een determinant van de emotionele respons, door middel van ‘taxatieprocessen’ (‘appraisal’, Arnold, Lazarus), ‘interpretatie’ (Schachter), of ‘betekenisanalyse’ (Mandler); bovendien is cognitie een constituerend element van de emotionele beleving. In het volgende hoofdstuk, dat de causale rol van stimuli en cognities behandelt, zullen we het taxatieproces bespreken. We zullen hier de cognitie vanuit de tweede, de fenomenologische gezichtshoek beschouwen, namelijk als een fundamenteel onderdeel van de beleving.

De rol die hier aan de cognitie wordt toegekend, die van constituent van de beleving, verschilt radicaal van de rol die de cognitie in de opvatting van Schachter en andere attributiepsychologen heeft. De ervaring van de situatie is niet een emotionele omdat, zoals Schachter c.s. menen, deze met iets anders in verband staat, met arousal bijvoorbeeld; noch is ze emotioneel omdat het subject haar gebruikt om zijn arousal mee te verklaren. Die ervaring is emotioneel krachtens de betekenis die de situatie voor het subject heeft en het specifieke appel ervan. De situatie krijgt betekenis door het eisende karakter, de aanspraak, en door andere actierelevante kenmerken die er de kwaliteit van bijvoorbeeld obstructie of onherstelbaar verlies aan geven. Door deze kenmerken, inherent aan die cognities, zijn de cognities emotioneel en vormen zij een appel. De cognities bevatten een directe schakel met het beroep op actie en met de ervaren stuurvoorrang.

Slechts één opmerking over de vraag hoe dat mogelijk is. Het is mogelijk doordat cognities niet slechts representaties of voorstellingen zijn, maar tevens verwijzingen naar de bereidheid, noodzakelijkheid of mogelijkheid om te handelen, en naar (feitelijke of verwachte) lusten en lasten.

Emotie en het appel van de situatie

Deze analyse van de emotionele beleving veronderstelt dat verschillende emoties door een verschillend appel worden gekarakteriseerd. Dit geldt wanneer emoties aan hun naam onderscheiden worden: het appel is een van de kenmerken aan de hand waarvan het subject zijn emoties differentieert en benoemt. Het geldt ook wanneer emoties aan de vorm van actiebereidheid worden onderscheiden, aangezien het het appel is dat de actiebereidheid uitlokt of motiveert.

Elke emotie komt overeen met een aparte taxatie, ofwel een uniek appel, en wordt daardoor gekarakteriseerd. Deze hypothese is vooral naar voren gebracht door Arnold (1960) en Lazarus (1966; Lazarus e.a. 1980), en is terug te vinden in verscheidene cognitief georiënteerde klinische benaderingen, met name die van Beck (1971, 1976). Een en dezelfde gebeurtenis kan een heel scala van emoties uitlokken. Welke is afhankelijk van hoe die gebeurtenis getaxeerd wordt, welke aspecten benadrukt of veronacht-

[p. 210]

zaamd worden: het appel dus. Als een gevaarlijke situatie wordt gezien als een bedreiging die niet gepareerd kan worden, ontstaat vrees. Wordt de situatie daarentegen opgevat als een van opzettelijke hinder, dan wordt woede opgewekt; en als de situatie als een aantrekkelijke uitdaging wordt gezien leidt ze tot enthousiasme en gretigheid. De invloed van subjectief inschatten en van kleine verschillen in de context van gebeurtenissen, zijn de voornaamste redenen waarom wij het begrip appel in plaats van stimuluspatroon gebruiken om te beschrijven wat het is dat emotioneel gedrag motiveert.

De correspondentiehypothese - een bepaald appel past bij een bepaalde emotie en dus bij een bepaalde modus van actiebereidheid - stuit op een probleem: het appel van een langerdurende gebeurtenis kent zowel stabiele als variabele aspecten. De stabiele, primaire aspecten bepalen intentionele structuren die, net als het appel dat eraan ten grondslag ligt, zich uitstrekken in de tijd. Na het verlies van een dierbaar iemand kan men een tijd lang aan niets anders denken en lijkt het leven van elk belang beroofd. De variabele en incidentele aspecten bepalen de feitelijke actiebereidheid van het ogenblik. Als op een bepaald moment een verlies als iets onherstelbaars wordt gezien komen het verdriet en de tranen. Wanneer men het verlies echter ziet als iets dat niet zo hoort te zijn roept het woede en verzet op. Soms zelfs heeft men de situatie helemaal niet zo vóór in de gedachten en kan elke andere emotie worden opgeroepen, maar deze zal zich nog steeds ontwikkelen binnen de context van de wankele interesse als gevolg van die knagende leegte.

Dit samengaan van stabiele en belangrijke aspecten met variabele en incidentele veroorzaakt verwarring wanneer men de eigen emotie, of die van een ander, tracht te beschrijven. De reactie op de belangrijke en stabiele aspecten wordt ‘verdriet’ genoemd, ongeacht of de precieze reactie op het totale appel, de variabele aspecten inbegrepen, nu droefheid, woede of wanhoop is. Deze verwarring - verdriet veroorzaakt droefheid of woede - kwamen we al eerder tegen in verband met het definiëren van emoties aan de hand van hun object of aan de hand van een bepaalde actiebereidheid (par. 2.8).

De relatie tussen het appel en de verandering in actiebereidheid is dus geen strikt, maar wel een zeer hecht verband. Een bepaald soort verandering in actiebereidheid - in het geval van verdriet is dat: opgeven van elk streven, hulpeloosheid - is de ‘logische’ reactie op de belangrijke en stabiele kenmerken van de situatie. Daarom is deze verandering in actiebereidheid de meest ‘typerende’ respons op verdriet.

De correspondentiehypothese vereist dat voor elke emotie, hetzij door naam, hetzij door actiebereidheidsmodus onderscheiden, een uniek appel kan worden gespecificeerd. Het moet mogelijk zijn bij elke emotie een beschrijving te geven van de wereld zoals die er op dat moment voor het

[p. 211]

subject uitziet, en deze beschrijvingen moeten verduidelijken waarom een bepaalde emotie wordt ervaren in plaats van een andere.

Aan deze eis kan natuurlijk niet echt worden voldaan. Een reden hiervoor is dat emotiewoorden een wisselende betekenis hebben, zowel voor personen onderling als voor een en dezelfde persoon. Een andere reden is dat emoties niet stelselmatig op deze manier onderzocht zijn, hoewel sommige vroegere theoretici, met name Spinoza, een poging hebben gedaan. We kunnen echter wel proberen plausibele beschrijvingen op te stellen, daarbij gebruikmakend van informatie uit verschillende bronnen: verhandelingen over specifieke emoties (Schelers (1923) beschrijving van de liefde is een mooi voorbeeld); literaire en psychologische zelfrapportages, zoals klinische studies naar verdriet of depressie; en experimenteel en observationeel onderzoek naar omstandigheden die emoties opwekken (bijv. Hoppe (1931) over trots, Dembo (1931) over woede, Hebb (1946) over vrees, Sroufe en Waters (1976) over plezier). De uitlokkende omstandigheden zijn niet hetzelfde als het appel dat de betekenisstructuur weergeeft, maar de twee zijn wel nauw verwant.

Beschrijvingen van verschillende soorten appel hebben theoretische waarde: ze maken begrijpelijk waarom en wanneer een bepaalde emotie optreedt. Zulke beschrijvingen vormen tevens een basis om een overgang van de ene emotie naar een andere te verantwoorden of om gelijkenissen tussen emoties te verklaren. Zo'n overgang doet zich voor op het moment dat een aspect van het appel verandert. Als het besef ontstaat dat men zelf de oorzaak van een verlies is, zal verdriet in woede omslaan. Overeenkomsten tussen emoties kunnen verklaard worden uit gedeeltelijke overeenkomsten in het appel. Men kan voorspellen dat de intuïtieve overeenkomst tussen emoties correspondeert met de mate waarin het appel van beide overeenkomt.

De beschrijving van het appel heeft ook praktische implicaties. Bij neerslachtigheid, woede of vrees moeten de cognitieve structuren van die emoties aanwezig zijn. De beschrijvingen kunnen dienen als heuristieken, teneinde te achterhalen wat, in de ogen van het subject, met ieder aspect van het appel correspondeert en wat maakt dat deze aspecten worden opgewekt. In de cognitieve benadering van gedragsmodificatie (bijv. Beck 1976) en in de psychoanalytische therapie wordt vanuit deze gedachte in feite een soort appelanalyse toegepast.

Enkele voorbeelden kunnen aangeven wat voor soort beschrijvingen in deze analyse worden bedoeld.

Enkele beschrijvingen van appelstructuren

Vrees is aangeduid als het ‘besef van dreigend kwaad’ (Aristoteles, Rhetorica 11,5) en ‘een onstandvastige Droefheid, ontsproten uit een voorstelling van iets toekomstigs of verledens omtrent welks verloop wij in enig opzicht

[p. 212]

twijfelen’ (Spinoza 1677 [1979, blz.187]). De componenten die hier genoemd worden zijn dreiging en onzekerheid over de afloop of over het vermogen met de situatie om te gaan. De onzekerheid heeft twee kanten, aangezien het ook niet zeker is dat de gebeurtenis slecht afloopt.

Er bestaan veel soorten vrees, en niet alleen met betrekking tot de verwachting van schade. De slechte afloop kan puur te wijten zijn aan de krachten van de gebeurtenis, of aan het feit dat er geen snelle vlucht mogelijk is, of aan het feit dat er geen vluchtwegen zijn. De duur van de dreiging kan als onbepaald lang worden gezien, maar men kan ook inschatten dat zij ophoudt als de vlucht gelukt is, of als men een wilsbesluit neemt, de bioscoop uitgaat of met het gevaarlijke spel ophoudt. De dreiging kan uitgaan van een specifieke plaats die te vermijden is, maar het kan ook zijn dat er geen enkele veilige plek is, zoals bij rassendiscriminatie of politieke vervolging, en bij de dreiging van een atoomoorlog.

Het zijn dit soort kenmerken die het gedrag vormgeven: voorzichtigheid als de dreiging van voorbijgaande aard is, pogingen tot bescherming als er geen onmiddellijke mogelijkheid of noodzaak tot vluchten is, en vluchten wanneer dit wel mogelijk is en de dreiging niet door beschermingsgedrag kan worden afgewend. Er zijn combinaties van kenmerken die inhouden dat er geen enkel soort gedrag meer mogelijk is en waarbij dan ook geen enkel vreesgedrag of -expressie meer vertoond wordt, behalve trillen en niet kunnen slapen; de emotionele beleving bestaat dan nog slechts uit het permanente besef van het onheil dat kan toeslaan.

Angst. Er bestaan belevingen van vrees, angst en paniek die geen object hebben, geen nadere aanduiding van het mogelijke onheil toelaten, of waarbij de beduchtheid verre boven de verwachte schade uitgaat. Mensen maken dat onderscheid: ‘Voor honden ben ik bang omdat ze kunnen bijten; maar bij spinnen is het dat andere’ (Barendregt 1982). Het appel is hierbij niet dat van een gevaar, maar van ‘griezeligheid’, ‘engheid’, ‘het niets’.

Deze structuur lijkt te bestaan uit de afwezigheid van cognitieve houvast aan de situatie, gecombineerd met een gebrek aan aanknopingspunten om te bedenken hoe men met de situatie om moet gaan (McReynolds 1976; Barendregt & Frijda 1982). De wereld, of het centrale object, kan niet worden geplaatst en het is onduidelijk wat voor gevolgen men moet verwachten of wat eraan gedaan zou moeten worden. In navolging van Kierkegaard beziet Sartre (1943) angst vanuit dezelfde hoek: een ervaring van totale incompetentie, een confrontatie met het Niets. Verwachtingsvrees en angst lijken dus twee geheel verschillende soorten appel te hebben. Beter gezegd: er bestaan twee onderscheiden structuren, die als vrees en als angst kunnen worden benoemd.

Woede is volgens Aristoteles een hartstocht die wordt opgewekt als men wordt gekleineerd of gekrenkt, of denkt gekleineerd of gekrenkt te worden. Het door de hartstocht opgewekte gedrag is erop gericht de (werkelij-

[p. 213]

ke dan wel vermeende) aanvaller te straffen. Spinoza meent dat woede (‘toorn’) de begeerte is om degene die we haten kwaad te berokkenen; haat is droefheid, vergezeld van het idee dat daarvoor een externe oorzaak is. In moderne opvattingen (Dollard e.a. 1939; Rosenzweig 1944; Buss 1961) wordt de nadruk gelegd op frustratie, verlies van een dierbaar persoon en beledigingen. Al deze interpretaties hebben twee aspecten gemeen: de verwachting van kwaad, en het toeschrijven van dit kwaad aan een vrij handelend persoon. Spinoza zegt zelfs: Hoe vrijer de ander, des te groter onze haat als hij de oorzaak van onze pijn is.

Deze aspecten geven echter niet afdoende rekenschap van de structuur van een boosmakende gebeurtenis. We worden bijvoorbeeld niet boos op de tandarts als hij boort, behalve misschien als hij onzorgvuldig te werk gaat. Pastore (1952) suggereert dat er een element van ‘willekeurigheid’ zit in wat wij als boosmakend beoordelen. Anderzijds, gebrek aan aandacht of liefde kan ons razend maken, evenals dat kleine schroefje dat maar uit onze vingers blijft vallen, of een persoon die sociale normen schendt. Al dit soort voorvallen komen uitvoerig aan de orde in de rondvraag die Hall (1899) heeft gehouden over wat mensen boos maakt.

De Rivera (1977) heeft een goede beschrijving gegeven van de structuur van woede: een boosmakende gebeurtenis is een voorval waarin datgene wat ‘behoort’ te gebeuren door iets of iemand aangevochten wordt. In navolging van Heider (1958) definieert De Rivera ‘behoort’ als ‘overeenkomstig een of andere bovenpersoonlijke, objectieve ordening’. Dit klinkt wel erg overdacht om geschikt te zijn als beschrijving van woede bij zuigelingen of dieren, aangenomen dat men deze individuen belevingen van woede wil toeschrijven; het klinkt overigens ook erg gedistingeerd voor de woede die het gevolg is van met een hamer op je vingers slaan of tegen een keukenkastje oplopen. Maar toch, het keukenkastje had zich anders behoren te gedragen, en het lot was onrechtvaardig en zou moeten veranderen. Het ‘aanvechten van wat behoort te gebeuren’ impliceert dat regels worden geschonden, dat wil zeggen, schending van datgene waarop het subject rekent.

Er zijn in dit kenmerk een aantal implicaties verpakt. In de eerste plaats bevat het woord ‘aanvechten’ een expliciete verwijzing naar wat had behoren te gebeuren: de huidige gebeurtenis had niet mogen plaatsvinden, en er was een andere uitkomst mogelijk geweest. Woede houdt in dat men de huidige gebeurtenis niet als noodzakelijk of onvermijdelijk aanvaardt, en dat zij voor verbetering vatbaar is. We zullen dit aspect beheersbaarheid noemen. Een andere implicatie is dat de orde aangevochten wordt door een of andere handelende instantie. Omdat de gebeurtenis ingaat tegen dat waar wij op rekenen zijn alle kenmerken aanwezig van spontaniteit of, zoals we het zullen noemen, van intentionaliteit. Deze benaming is passender dan zij misschien schijnt: mensen vervloeken het noodlot, hoewel het

[p. 214]

zich daarvoor nog nooit gevoelig heeft getoond. In de gebeurtenissen die de meeste woede opwekken - verwaarlozing en onverschilligheid, beledigingen, ongerechtvaardigde schade, opzettelijk dwarsgezeten worden - zit overduidelijk een forse portie van zowel intentionaliteit als beheersbaarheid.

Droefenis en verdriet hebben het appel van leegte of kaalheid, dat wil zeggen, het expliciete ontbreken van iets dierbaars. Verlies is daar een van de meer duidelijke vormen van; het woord ‘hunkeren’ duidt een gerichtheid op iets expliciet afwezigs aan. ‘Ik mis hem nog altijd,’ zegt een van de door Parkes (1972) geïnterviewde weduwen. ‘Ik heb het gevoel dat de wereld gevaarlijk en onveilig is,’ zegt een andere. De afwezigheid hoeft niet alleen een persoon te betreffen, er kan ook getreurd worden om het verlies van een gekoesterd ideaal. Er kan zelfs helemaal geen sprake zijn van verdriet om verlies, maar van verdriet over een leegte die nooit gevuld is: een liefdesaffaire die niet tot bloei heeft kunnen komen, of een ongelukkige jeugd. Men zou deze gevallen natuurlijk als vormen van verlies kunnen interpreteren, verlies van verwachtingen en mogelijkheden.

Ervaren afwezigheid vormt alleen dan verdriet als ze de eigenschap heeft definitief te zijn. Zonder dit kenmerk is er ellende, ondersteboven zijn of woede. Woede lijkt inderdaad een manier te zijn om de erkenning dat het verlies definitief is uit te stellen. ‘Ik wou dat ik iets de schuld kon geven,’ aldus een van Parkes' weduwen.

Het woord afwezigheid slaat in dit verband op de afwezigheid van een intentioneel object, een object waar men belang bij heeft. De afwezigheid kan zich uitstrekken tot de wereld als geheel, en elk ernstig verlies neigt er ook naar om onze gehele wereld kleurloos te maken. Als afwezigheid niet meer op een specifiek object van toepassing is maar alomvattende leegte wordt, spreken we van depressie in plaats van verdriet. In depressie (de stemming, niet het klinische syndroom) is er geen aandachtsobject waarop het gedrag of het ‘niet-gedrag’ gericht is. Er is wel een situatie met een betekenisstructuur, maar die situatie is de wereld als geheel, en het appel is op een globale manier van die wereld doortrokken. De structuur is er een van kaalheid en alleen staan (Rowe 1978).

Vreugde. Het appel van vreugde kan omschreven worden als de structuur waarin het nagestreefde doel bereikt is, of waarin de wegen om te slagen open liggen dan wel veroverbaar zijn. Het object lijkt beschikbaar, binnen handbereik of in bezit, of het geeft toe aan de bezitsname.

Openheid en bereikbaarheid zijn de irreflexieve tegenhangers van het gevoel van competentie en van het ontbreken van externe obstakels. De aspecten openheid en bereikbaarheid lijken de kern van de vreugdebeleving te vormen. De items die in Davitz' (1969) onderzoek het meest bij ‘genieten’ werden aangekruist waren ‘Ik ben goed gestemd’, ‘Ik voel me evenwichtig en sereen’ en ‘Ik lijk direct contact met de wereld te hebben;

[p. 215]

alles is open, ontvankelijk, er is geen scheidingswand tussen mij en de wereld’.

Toestanden van vreugde verschillen onderling in de mate waarin verwantschap met en openheid van de wereld overheersen, of waarin bereiken en beschikken overheersen. Vreugde en genieten schommelen veelal tussen deze twee heen en weer als het object lijkt te ontsnappen, vraagt om vastgegrepen te worden, en vervolgens wordt verkregen tot aan versmelting toe.

Uitdaging is een appelaspect, en waarschijnlijkheid van slagen en feitelijk succes zijn dat ook. Deze drie aspecten zijn bruikbaar om zowel de subtielere als de meer nuchtere vreugde-ervaringen te typeren. Verdere variaties in het vreugde-appel betreffen de moeite en onzekerheid over het bereiken van succes en vooral ook de moeite en de onzekerheid die men overwonnen heeft. Na een angstige situatie heeft blijdschap een andere inhoud dan blijdschap waarvoor men geen risico's hoefde te overwinnen. Het appel draagt meer in zich dan wat de situatie van het moment aanbiedt.

Schuldgevoel en wroeging. Tomkins (1962) lijkt te suggereren dat schuldgevoel een niet reduceerbare mentale eenheid is. Dat is nergens voor nodig. Men kan er een bevredigende en adequate omschrijving van geven. Schuldgevoel is de pijnlijke zelfwaardering naar aanleiding van een negatief gewaardeerde handeling waarvoor de persoon zichzelf verantwoordelijk acht. Die zelfwaardering is het schuldgevoel. De cognitieve structuur is behoorlijk ingewikkeld. Ten eerste is er sprake van handelen dat moreel negatief gewaardeerd is. Ten tweede wordt dit handelen aan de eigen intentionaliteit toegeschreven: men was vrij geweest om anders te handelen. Ten derde is de negatieve waardering niet alleen op het handelen van toepassing, maar ook op de uitvoerder ervan: niet alleen is de daad verkeerd, maar ik, de dader, ben slecht. Precies deze laatste stap lijkt het onderscheid te zijn tussen schuldgevoel en het besef schuldig te zijn.

Door schuldgevoel gemotiveerd gedrag is een afspiegeling van het appel, en vormt omgekeerd een aanwijzing voor het bestaan van zo'n appel. De verschillende aspecten in de structuur geven aanleiding tot drie soorten gedrag. Een ervan is puur lijden: handenwringen, het hoofd tegen de muur slaan. Aangezien de pijn veroorzaakt wordt door een confrontatie met zichzelf valt er weinig anders te doen. Een andere gedragsvorm is boetedoening, het ongedaan maken of althans goedmaken van de oorzaken van de negatieve zelfwaardering. Een derde vorm, en een logisch uitvloeisel, is zelfmoord: als men de pijn zelf veroorzaakt heeft is het enige afdoende middel zichzelf te verwijderen.

Taal kent tamelijk subtiele aanduidingen voor verschillende betekenisstructuren en de ermee gepaard gaande handelingsmogelijkheden. Berouw legt geen nadruk op de negatieve zelfbeoordeling, maar op de negatieve daad en op de eigen verantwoordelijkheid daarvoor. Wroeging voegt daar

[p. 216]

de pijn over de gebeurtenis aan toe, en het verlangen dat het nooit gedaan was Zelfhaat is enkel pure, krachtige negatieve zelfwaardering.

Componentiele analyse van het appel van situaties

De emotietheorie zou gebaat zijn bij een systematische beschrijving van appelstructuren, en vooral bij een principe waaruit alle mogelijke betekenisstructuren, en dus emoties, zouden kunnen worden afgeleid.

Men kan tot een systematische beschrijving komen door componentiële analyse: door het appel te beschouwen als opgebouwd uit een beperkt aantal componenten. Dit lijkt een adequate methode omdat, zoals al werd opgemerkt, hiermee gelijkenissen en overgangen tussen emoties verklaard kunnen worden. Bovendien kan men zich goed voorstellen dat het waarnemingsproces waarmee gebeurtenissen worden gecodeerd coderingsprincipes gebruikt die op de componenten lijken. Componentiële analyse weerspiegelt dan het proces dat emotie genereert: het organisme ‘berekent’ het patroon van componenten en zoekt de bijbehorende actiebereidheidsmodus Men zou dus een matrix van toegestane combinaties van componenten kunnen opstellen, waarbij elke cel met een andere emotie (dat wil zeggen, emotiewoord) correspondeert, en een aantal van die cellen met een verschillende vorm van actiebereidheid. Dit levert wat men een ‘structurele theorie’ van de emotie noemt.

Het ontleden van emoties in appelcomponenten is een oude en respectabele methode, die bijvoorbeeld al door Spinoza is gehanteerd. Zijn theorie gaat uit van drie basiscomponenten - Blijheid, Droefheid en Begeerte - die elk gedefinieerd worden in termen van een bepaalde omstandigheid: toename van het vermogen tot handelen, afname van het vermogen tot handelen, en streven om in zijn bestaan (dat wil zeggen, zijn wijze van bestaan) te volharden. Dan worden aan elk van de basiscomponenten nieuwe toegevoegd: ‘onzekerheid’, ‘de afloop betwijfelend’, ‘de oorzaak begrijpend’, ‘iets in het verleden betreffend’. De ontstane combinaties krijgen weer componenten, enzovoort. De componenten zijn in de Ethica niet systematisch opgesomd, maar ze zijn wel zo te rangschikken (Dashorst 1988).

Arnold (1960) construeerde wel een systeem. Volgens haar variëren ‘appraisals’ of taxaties langs drie dimensies. Gebeurtenissen kunnen ten eerste als gunstig of als schadelijk worden gezien; ten tweede als verband houdend met de aanwezigheid dan wel afwezigheid van een object; en ten derde als mogelijk dan wel makkelijk benaderbaar of vermijdbaar. Deze constellaties definiëren en bepalen de basisemoties. Het voornaamste probleem met Arnolds classificatiesysteem is dat het te simpel is: verschillende emoties blijken in dezelfde cel te passen, en sommige emoties zijn niet goed in het schema onder te brengen.

Roseman (1984) stelde een systeem voor van vijf dimensies, elk met twee waarden. De meer aannemelijke combinaties hiertussen leveren ‘ongeveer

[p. 217]

dertien’ basisemoties op. De dimensies zijn,

1begeerlijkheid: een object is begeerlijk of ongewenst,
2uitkomst: een object is aanwezig of afwezig,
3waarschijnlijkheid: een uitkomst is zeker of onzeker,
4‘agentief’: de uitkomst is veroorzaakt door omstandigheden, door een ander of door het subject zelf,
5rechtmatigheid: een uitkomst kan verdiend of onverdiend zijn. De combinatie van ‘begeerlijkheid’ en ‘uitkomst’ levert een viertal basiscellen op: hebben wat je wilt, niet hebben wat je wilt, hebben wat je niet wilt, en niet hebben wat je niet wilt; de corresponderende emotiewoorden zijn vreugde, verdriet, ellende (‘distress’) en opluchting. Agentief en rechtmatigheid zijn discutabel als basisdimensies, evenals de toewijzing van sommige van de emoties aan de combinaties (‘haat’ als de reactie op verdiende ellende).

De Rivera (1977) formuleerde een ‘structurele emotietheorie’, waarin emoties volgens drie dimensies ontleed worden: de inherente bewegingstendens (naar het zelf of naar iets anders, weg van het zelf of van iets anders); het object van deze bewegingen (‘het’ of ‘ik’; als het object ‘ik’ is, wordt de beweging ‘naar iets anders’: ‘toestaan dat de wereld het ik binnenkomt’); en de soort relatie die in het geding is (‘toebehoren’, ‘erkenning’, ‘zijn’). Hieraan wordt een onderscheid tussen ‘beweeglijkheid-vastheid’ toegevoegd. Het kruisen van de drie dimensies levert achtenveertig cellen op waarin de emoties een plaats kunnen vinden. De dimensies spreken intuïtief aan, en we zullen in het navolgende dan ook elementen ervan terugzien. Sommige echter, met name de laatste, bieden niet veel mogelijkheden voor verificatie. Een onderzoek waarin proefpersonen emotiewoorden in de cellen moesten plaatsen leverde evenwel een redelijke ondersteuning voor De Rivera's analyse op (De Rivera 1977).

De laatste jaren zijn er meer ordeningssystemen voorgesteld. Kempers (1978) analyse beperkte zich tot emoties die in interpersoonlijke relaties optreden. Deze beperking omvat wel het grootste deel van de menselijke emoties. De analyse gaat ervan uit dat er in interpersoonlijke gebeurtenissen twee belangen in het geding zijn: macht en status. Welke emoties optreden hangt af van welk belang op het spel staat en van vier constellaties. In de eerste plaats kunnen voorvallen een handhaving, verkleining of vergroting van macht inhouden. Ten tweede kunnen dergelijke constellaties het subject zelf of de andere persoon in de relatie betreffen. Ten derde kunnen ze van toepassing zijn op een duurzame toestand, op een verwachte uitkomst van de interactie, of op een feitelijke uitkomst. Ten slotte speelt ‘agentief’ een belangrijke rol: is dit het subject, de ander, of een derde partij. De relevantie voor het machtsbelang is wat in andere theorieën als het belangrijke kenmerk van beheersbaarheid wordt aangemerkt.

Solomon (1976) stelde een lijst van dertien ‘beoordelingscategorieën’ op, die gezamenlijk de ‘logica’ van emoties vormen. Tot de categorieën beho-

[p. 218]

ren ‘richting’ (naar binnen of naar buiten), de gezichtskring of het focus (het object is al dan niet gespecificeerd), evaluatie, verantwoordelijkheid en macht. Door middel van deze categorieën worden vele emoties beschreven (van angst tot ijdelheid) hetgeen de kracht van de benadering moet onderstrepen. De categorieën worden echter slechts op intuïtieve wijze aan de emoties toegewezen.

Scherer (1984a,b) stelt dat mensen voortdurend een ‘stimulus-evaluatietoetsing’ op de omgeving uitvoeren. Deze toetsingen vormen de taxatiefase van het emotieproces. Scherer postuleert een aantal ‘facetten’, die elk één van de coderingscategorieën van de evaluatietoetsing bevatten. Getoetst worden achtereenvolgens: onbekendheid (met als facetten verwacht of onverwacht); aangenaamheid (aangenaam-onaangenaam); doel-planverhouding (relevantie, bevorderlijkheid, rechtvaardigheid of billijkheid); relevantie voor het hanteren (‘agentief’, motief of oorzaak, beïnvloedingsmogelijkheid en hanteringsmogelijkheid); normconsistentie; en zelfconsistentie. De uitkomst van een serie evaluaties bepaalt de emotie die optreedt; elke emotie correspondeert dus met een bepaalde reeks facetwaarden.

Voorstellen van beperkter strekking zijn die van Weiner (1982), en Clore en Ortony (1984).

Er lijkt, intuïtief gezien, een grote mate van consensus te bestaan over de voorgestelde componenten, dimensies of toetsingen. Er bestaan nog geen criteria om de voorstellen, of de overeenkomsten tussen die voorstellen, te evalueren.

De hier volgende lijst van appelcomponenten vormt weer een ander voorstel. Het probeert een verantwoording te geven voor het feit dat, en wanneer, de verschillende in hoofdstuk 2 genoemde actiebereidheidsmodi worden uitgelokt. De lijst is aanvankelijk door Spinoza geïnspireerd. Zijn definities geven duidelijk aan welke verzameling kenmerken het onderscheid tussen de voornaamste emoties kan verklaren. Componenten zijn veranderd of toegevoegd als dit op grond van de klinische of experimentele literatuur van belang leek te zijn, of als het onderscheid tussen emoties aanscherping behoefde. Het algemene uitgangspunt bij de samenstelling van appelkenmerken is de gedachte, ontleend aan Lazarus (1966; Lazarus e.a. 1980), dat taxaties van de situatie het gevolg zijn van de interactie tussen twee processen: een inschatting van wat de situatie biedt - primaire taxatie - en een inschatting van het eigen vermogen om met de situatie om te gaan - secundaire taxatie.

Componenten van het appel

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kerncomponenten, contextcomponenten en objectcomponenten. Kerncomponenten hebben betrekking op de emotionele relevantie van een situatie. Ze bepalen of een situatie al dan niet als emotioneel wordt ervaren en vormen de emotionele beleving als

[p. 219]

zodanig. Het vaststellen van de aanwezigheid van kerncomponenten is wat primaire taxatie wordt genoemd.

Contextcomponenten zijn die appelcomponenten die bepalen om welk soort emotie het gaat. Ze vertegenwoordigen de relevantie voor actie: de mogelijkheden en onmogelijkheden die het subject voelt om met de situatie om te gaan. Contextevaluatie komt overeen met Lazarus' secundaire taxatie; de inhoud van contextcomponenten correspondeert met wat Gibson (1966) ‘affordances’, geschiktheid, noemt.

Contextcomponenten bepalen ook of er daadwerkelijk een emotie optreedt: de kerncomponenten zijn deels van hen afhankelijk. Anders gezegd: of een potentieel emotionele gebeurtenis ook daadwerkelijk emotioneel wordt, is er niet alleen van afhankelijk of de kern van de gebeurtenis potentieel gunstig of schadelijk is, maar ook of de context handelen met betrekking tot die gebeurtenis mogelijk of moeilijk maakt.

Emotionele beleving en emotioneel gedrag worden, zoals besproken in paragraaf 2.8, niet alleen bepaald door de relevantie van de gebeurtenis en de context, maar ook van de aard van het emotionele object: vandaar dat ook objectcomponenten in het appel onderscheiden moeten worden. Er is een onbepaald grote variatie in objecten van emotie en bijbehorende gedragingen en intentionele structuren. Sommige onderscheidingen in de relatie tussen gebeurtenissen en hun basis voor relevantie vragen er echter om expliciet besproken te worden.

De aard van de componenten zal geïllustreerd worden aan hun betrokkenheid bij bepaalde emoties. Een component wordt als constitutief voor een bepaalde emotionele ervaring beschouwd wanneer hij onmisbaar lijkt voor die ervaring of voor het ontstaan van een bij die emotie behorende modus van actiebereidheid.

Kerncomponenten

1Objectiviteit. Een emotionele situatie legt het subject zijn betekenis op. Het subject ervaart de situatie als ‘spontaan’: er overkomt hem iets, buiten zijn toedoen en zonder dat hij betekenis verleent. Dit gevoel dat een gebeurtenis, evenals onze reactie daarop, ons overkomt, is het reflexieve equivalent van de ervaren objectiviteit van de situatie.
‘Objectief’ is dus een begrip vanuit fenomenologisch gezichtspunt. Ook al weten we beter, in de emotie wordt de strekking van een gebeurtenis als één van zijn inherente eigenschappen ervaren. De angst van de spinnenfobicus neemt niet af door de wetenschap dat het beest geen kwaad kan: het is en blijft nu eenmaal eng. De emotionele strekking van gebeurtenissen is ‘voor altijd’: de gebeurtenissen zijn bekleed met de eigenschappen ‘absoluutheid’ en ‘eeuwigdurendheid’. In de emotionele omgangstaal speelt dit aspect van temporele absoluutheid een opvallende rol; ze drukt in de eerste
[p. 220]
plaats emotionele intensiteit uit. Uitspraken als: ‘Je luistert nooit naar me’, ‘Je wilt nooit doen wat ik voorstel’ of ‘Ik zal altijd van je houden’, kunnen de dag erop onwaar blijken te zijn, maar ze zijn op dat moment een weergave van werkelijk gevoel. Intens verlangen of indringende pijn geven het gevoel dat de wereld in elkaar stort en het leven niets waard is, als het verlangen of de pijn niet nu bevredigd respectievelijk weggenomen wordt. Dit is zelfs het geval als men weet dat het verlangen of de pijn binnen vijf minuten weer zullen verdwijnen, zoals dat bij plotselinge opwellingen van verlangen of jaloezie voorkomt.
Ontbreekt deze objectiviteitscomponent, dan is de ervaring niet emotioneel. Een weloverwogen oordeel dat iets relevant is vormt geen emotionele beleving en wekt er ook geen op (Arnold 1960).
2Relevantie. Een emotionele situatie is er een waar men belang bij heeft en die om aandacht vraagt. ‘Relevantie’ is misschien niet helemaal bevredigend als woord om aan te duiden waar het hier om gaat, omdat ook gedoeld wordt op situaties waarin nadrukkelijk niets is wat de moeite van de aandacht waard is, zoals bij verveling en apathische neerslachtigheid.
3Realiteitsniveau. Dit begrip is aan Lewin (1937) ontleend, die het wellicht weer van Freud heeft. Een situatie kan in principe relevant zijn, maar slechts als spel, in de fantasie of in abstracto. We kunnen de mogelijkheid van een nucleaire vernietiging afdoen als een onwaarschijnlijke gebeurtenis. Omgekeerd kan iemand die tegenstand ondervindt tot de overtuiging komen dat er een grote samenzwering tegen hem is. De emotionele betrokkenheid verschilt met de mate van realiteit. In een onderzoek van Koriat e.a. (1972) vertoonden proefpersonen die een film van een bloederige operatie bekeken, een verlaagde emotionele respons wanneer ze zichzelf bleven vertellen dat de operatie geënsceneerd was.
4Moeilijkheid. De emotionele wereld is een moeilijke, aldus Sartre: er is geen onmiddellijke oplossing om aan de eisen van de situatie te voldoen. De situatie is relevant, maar het is onzeker of de gelegenheid te baat genomen, de dreiging afgewend of vermeden, dan wel de uitdaging aangenomen kan worden.
5Urgentie. Situaties verschillen in de mate waarin ze een onmiddellijke reactie vergen. Variabelen die tot de urgentie bijdragen zijn de nabijheid van de gebeurtenis in tijd en ruimte, en de onmogelijkheid om met de situatie om te gaan of de gebeurtenis te pareren of te onvluchten. Een gekooid dier dat benaderd wordt zal eerst aandachtig, dan behoedzaam kijken, vervolgens angstig worden en uiteindelijk in paniek raken.
Urgentie is de irreflexieve tegenhanger van de beleefde emotionele in
[p. 221]
tensiteit. Moeilijkheid en urgentie zijn de appelcomponenten die corresponderen met emoties van de opgewonden, acute soort.
6Ernst. De implicaties van een situatie kunnen meer of minder ernstig worden geacht. Het woord verwijst naar de verwachte of ervaren gevolgen, in tijdsafstand en in aantal. Het verlies van een ledemaat is ernstiger dan het hebben van zware pijn, ten eerste omdat het verlies duurzaam is en ten tweede omdat het meer gevolgen heeft. Ernst correspondeert met emotionele intensiteit van de tweede, niet-acute soort, zoals die in paragraaf 2.10 besproken is.
7Valentie. Gebeurtenissen, objecten en situaties kunnen positieve of negatieve valentie bezitten, waarmee intrinsieke aantrekkelijkheid of afstotendheid wordt bedoeld. Het adjectief intrinsiek geeft het onderscheid aan met ontleende aantrekkelijkheid of afstotendheid. Een voorbeeld van ontleende valentie is de negatieve waarde van het verlies van een geliefd persoon; deze waarde is ontleend aan de positieve valentie van het verloren object.
8Aanspraak. ‘Valentie’ komt overeen met de intrinsieke waarde en dus met een mogelijke uitkomst. ‘Aanspraak’ verwijst naar een feitelijke of aangekondigde uitkomst: bedreiging van de vrede heeft een negatieve aanspraak, terwijl (en omdat) vrede een positieve valentie heeft.
Er kunnen vier soorten aanspraak worden onderscheiden: positieve en negatieve (of aangename en onaangename), begeerlijkheid en belangwekkendheid. ‘Begeerlijke’ objecten zijn diegene die men niet bezit maar die lijken te vragen om bezit, nabijheid of beschikbaarheid. Dit kenmerk is de perceptuele tegenhanger van het ervaren verlangen. ‘Belangwekkendheid’ refereert aan gebeurtenissen, objecten en situaties die aandacht opeisen. Het is de appelcomponent die correspondeert met belangstelling, verwondering of nieuwsgierigheid.
Let wel dat ‘begeerlijkheid’ niet naar een positieve aanspraak verwijst, maar naar de positieve valentie van een of ander (in principe toegankelijk) object. Begeerte is te beschouwen als een emotie die plezierig noch onplezierig is, net als belangstelling of verwondering. Bijkomende omstandigheden kunnen dat veranderen, en juist het feit dat verlangen zowel plezierig als pijnlijk kan zijn is de reden om deze emotie op zich als hedonisch neutraal te beschouwen. Voor belangstelling en verwondering geldt dezelfde redenering.
9Helderheid. Een appel kan meer of minder duidelijk en welomschreven zijn. De waarde van een of meerdere kern- of contextcomponenten kan ongespecificeerd zijn. Als men bericht krijgt dat een vriend ernstig ziek is,
[p. 222]
dringt de betekenis daarvan niet meteen door, evenmin als de implicaties. In deze omstandigheden is het appel niet helder, en de reactie is alleen maar te omschrijven als ‘geëmotioneerd’: ontsteltenis of verontrusting, of, zodra de implicaties zichtbaar beginnen te worden, verwarring.
Deze component wordt onderscheiden om aan te kunnen geven dat emoties niet allemaal van dezelfde orde zijn: niet alle emotionele toestanden bezetten een bepaalde plaats in de emotieruimte. De toestanden aangeduid met woede, vrees en blijdschap bijvoorbeeld wel, maar opwinding, ontsteltenis en verwarring niet. De laatste woorden slaan op vervagingen in die ruimte.
10Meervoudigheid. Een appel kan samengesteld zijn: het kan bijvoorbeeld meer dan één gebeurtenis omvatten, of een gebeurtenis betreffen met een verscheidenheid aan implicaties (of misschien zelfs valenties). Als het appel een meervoudige betekenis heeft zal de corresponderende beleving een samenstelling of mengvorm zijn van meerdere emoties. Meervoudigheid kan een een appelcomponent in zichzelf zijn: het maakt dan deel uit van de structuur van twijfel of onzekerheid. Een structuur waarin helderheid bestaat over de meervoudigheid van valenties komt overeen met het gevoel van ambivalentie en innerlijk conflict.

Contextcomponenten: actierelevante componenten

1Aan- en afwezigheid. Aanwezigheid van iets met een positieve valentie en afwezigheid van iets met een negatieve valentie leiden tot positieve aanspraak. Voor negatieve aanspraak geldt het omgekeerde. De combinatie van valentie en aan- of afwezigheid levert een basispatroon van vier emotionele situaties op dat in veel emotietheoretische beschouwingen is terug te vinden; neem bijvoorbeeld de behavioristische principes van de bekrachtigingscontingenties (Mowrer 1960; Gray 1971) of de categoriseringen van Arnold en van Roseman. In figuur 4.1 is het patroon weergegeven.



illustratie


Aanwezigheid en afwezigheid zijn in dit schema in een strikte zin gebruikt. Veel emoties die door de afwezigheid van iets worden opgewekt zijn
[p. 223]
niet alleen door die afwezigheid gekenmerkt. Verlies impliceert bijvoorbeeld dat het verlorene ooit aanwezig is geweest. Op dezelfde wijze is blijdschap niet zozeer een gevolg van de aanwezigheid van iets plezierigs, als wel van het verschijnen daarvan.
Contextcomponenten zijn - apart of gezamenlijk - verbonden met actiebereidheidsmodi. Aanwezigheid van positieve valentie op zich is de drijfveer om te bewerkstelligen wat het object lijkt te ‘eisen’: bekeken, bezeten, opgegeten te worden. Het besef dat een object met positieve valentie afwezig is instigeert bereidheid om het binnen bereik te krijgen. Aanwezigheid van negatieve valentie zet aan tot ontvluchten of veranderen; bij afwezigheid is het motivationeel neutraal.
2Zekerheid en onzekerheid. Deze component zou ook ‘anticipatie van nog komende gevolgen’ kunnen worden genoemd. Gevolgen zijn pas zeker als zij feitelijk zijn geworden. Nog in het verschiet liggende gevolgen zijn onzeker, kunnen uitblijven, afgewend worden of meer of minder goed verdragen worden. Vrees en hoop zijn op de toekomst gericht en dragen altijd enige twijfel in zich, zoals al door Aristoteles en Spinoza werd opgemerkt; Mowrer (1960) stelt anticipatoire signalen centraal in zijn angsttheorie.
Bij blijdschap, ontreddering, verdriet en verlangen is er geen onzekerheid. Onzekerheid over de reactie van een vriend of vriendin vermindert de blijdschap over de gemaakte afspraak aanzienlijk. Waar het hierbij om gaat is niet de objectieve zekerheid of onzekerheid, maar de expliciete aanwezigheid van de component in het appel. Blijde verwachting kent ook geen zekerheid, maar maakt zich daar niet druk om.
Zekerheid of onzekerheid is echter alleen een expliciet component in het appel van toekomstgerichte emoties; bij verdriet, blijdschap en ontreddering is hij veeleer impliciet. Wanhoop en vertrouwen zijn de impliciete pendanten van vrees en hoop, waarin de zekerheidscomponent explicieter is. Er moeten daarom drie waarden op deze dimensie worden verondersteld: zekerheid, onzekerheid en niet-onzekerheid, een defaultwaarde.
Onzekerheid zet aan tot het veranderen van de situatie en het vermijden van negatieve gevolgen of tot het bevorderen van gunstiger omstandigheden. Zekerheid kan slechts aanzetten tot afwachten, bekijken, genieten of lijdzaam verdragen.
3Verandering. Een appel kan een duidelijke verwijzing naar een voorgaande, andere toestand in zich dragen. Die verwijzing is impliciet aan de term ‘gebeurtenis’: gebeurtenissen zijn veranderingen. Plezierige gebeurtenissen zijn vooral prettig omdat ze verandering betekenen en niet zozeer vanwege de aanwezigheid van iets positiefs: aanhoudend plezier wordt vervelend of gaat irriteren. Voor Schopenhauer is geluk de vermindering van
[p. 224]
ongeluk; Spinoza beschouwt blijheid als de toename van volmaaktheid, en niet als het bezit van die grotere volmaaktheid (Ethica, Derde deel, definitie 2). Het is de verandering ten opzichte van een basisniveau of het contrast met een andere toestand waardoor vreugde zich onderscheidt van tevredenheid, en ontsteltenis van lijden.
In sommige emoties is de vergelijking met een voorafgaande toestand een expliciete component van de beleving: een valentie wordt, tegen de verwachting in, al dan niet werkelijkheid. Opluchting en teleurstelling vormen hier de duidelijkste voorbeelden van en Mowrer (1960) definieert ze ook op deze wijze. Constellaties waarin plotseling minder of meer beloning wordt verkregen leiden tot ‘frustratie-effecten’ (Amsel 1962) en ‘uitgelatenheidseffecten’ (Karabenick 1969). Het moet worden benadrukt dat het bij dit alles om de cognitieve inhoud draait: opluchting en blijdschap volgen elkaar in de beleving op, al naar gelang men door de voorafgaande of de huidige toestand is gepreoccupeerd.
Zoals gezegd is verlies niet zomaar afwezigheid, maar afwezigheid van wat ooit was of wat volgens het subject had kunnen zijn. Zowel in verdriet als weemoed vormt het verleden onderdeel van de beleving; de eerste legt daarbij de nadruk op het heden, de tweede op vroeger. Het verleden schemert in talloze emoties door. Overwonnen vrees - dreiging die als draaglijk wordt beschouwd - voelt anders dan gelijkmoedigheid die nooit onrust heeft gekend.
4Openheid-geslotenheid. Openheid en geslotenheid moduleren aanwezigheid en afwezigheid: alleen bij openheid is nadering mogelijk. De toegankelijkheid varieert over een continuum van totale openheid, via de aanwezigheid van een obstakel tot het totaal omgeven zijn door barrières die het bereiken van een doel of vluchten belemmeren.
Openheid of de ogenschijnlijke doordringbaarheid van barrières is de voorwaarde voor positieve emoties. Geslotenheid is de appelcomponent die overeenkomt met frustratie, in de betekenis waarmee dit begrip in de klinische psychologie wordt gebruikt. Het is de belangrijkste determinant van het kenmerk moeilijkheid.
De mate van geslotenheid tijdens de confrontatie met een bepaalde gebeurtenis is afhankelijk van de mate waarin inspanningen om er iets aan of mee te doen succesvol of onsuccesvol zijn. Dembo (1931) beschrijft de ontwikkeling van woede als afhankelijk van de cumulatie van mislukkingen om een onoplosbare taak op te lossen en aan de situatie te ontsnappen. Volgens Janis e.a. (1955; Janis 1971) is paniek het gevolg van de ervaring dat vluchtwegen geleidelijk afgesloten raken.
5Intentionaliteit. In de vorige paragraaf hebben we reeds aandacht aan deze component besteed. Gebeurtenissen kunnen worden toegeschre-
[p. 225]
ven aan een intentioneel handelend individu. Intentionaliteit kan dus twee waarden aannemen: ‘ander’ en ‘zelf’. De eerste waarde is van belang voor woede, de tweede voor zelfhaat en schuldgevoel. In het geval dat geen van beide van toepassing zijn, is de gebeurtenis aan omstandigheden te wijten.
Intentionaliteit kent drie facetten: spontaniteit, wat een aanwijzing is voor intentionaliteit; vrijheid, een onderdeel van de cognitieve inhoud; en beheersbaarheid, een gevolg van intentioneel veroorzaakte gebeurtenissen, hoewel dit een enkele keer ook kan toevallen aan gebeurtenissen die door een samenloop van omstandigheden zijn veroorzaakt. Wat spontaniteit betreft, het gegeven dat handelingen uit de handelende entiteiten lijken voort te spruiten is waarschijnlijk de reden dat dieren en mensen levende wezens als verschillend van dode objecten zien (zie Michotte 1950); zelfs een kat waarvan de hersenschors is verwijderd toont nog dit besef wanneer hij de proefleider aanvalt en niet de apparatuur. Plotseling optredende hinder als pijn of lawaai vertonen op het moment zelf ook even dit kenmerk, net als koppige moertjes en zich verstoppende objecten. Het vrijheidsaspect van intentionaliteit slaat op het idee dat de verantwoordelijke persoon ook anders had kunnen handelen.
Met beheersbaarheid wordt bedoeld dat het uitoefenen van controle in principe relevant is. Omdat het hier in verband staat met intentionaliteit kan het beheersingsgedrag van een interactief soort zijn: dreigen, bluffen of huilen.
6Beheersbaarheid. Als men het gevoel heeft dat het verloop van gebeurtenissen door eigen handelen kan worden beïnvloed - wat Rotter (1966) ‘interne controle’ noemt - is er sprake van beheersbaarheid.
Intentioneel veroorzaakte gebeurtenissen zijn vanzelfsprekend beheersbaar, tenzij ongelijke machtsverhoudingen de beheersbaarheid teniet doen: de geheime politie roept eerder vrees dan woede op. Onder onpersoonlijke omstandigheden is de controle variabel, afhankelijk van de weerstand en de eigen macht, of het vertrouwen in die macht. Beheersbaarheid is de component die gevaar het aanzicht geeft van uitdaging in plaats van dreiging; hij maakt daarmee een negatieve tot een positieve emotie (Lazarus 1966; Lazarus e.a. 1980). Gegeneraliseerde beheersbaarheid is de perceptuele pendant en de bron van zelfvertrouwen en arrogantie -niet-boze, ‘dictatoriale’ agressie; gegeneraliseerde onbeheersbaarheid is zo'n pendant van vrees (Averill 1973; McReynolds 1976). Ten overvloede: onbeheersbaarheid kan zowel het gevolg zijn van de onvoorspelbaarheid van de omgeving als van de inadequate hanteringsmogelijkheden van het subject (Barendregt & Frijda 1982).
De betekenis van openheid en geslotenheid van situaties kan uit de beheersbaarheid worden afgeleid: barrières kunnen doordringbaar of ondoordringbaar toeschijnen en daardoor woede dan wel paniek of wanhoop opwekken.
[p. 226]
De waargenomen beheersbaarheid verandert naarmate de interactie langer duurt en er meer ervaring wordt opgedaan. Situaties kunnen flexibel blijken te zijn, waardoor de omstandigheden die oorspronkelijk vrees of onderwerping veroorzaakten nu woede uitlokken; zo gebeurt dit bij de overgang van onderworpenheid naar opstandigheid. Omgekeerd kunnen pogingen tot beheersing vruchteloos blijken te zijn, en gebeurtenissen onveranderbaar. Dit treedt volgens Seligman op als men gedurende lange tijd aan onbeheersbare stress blootstaat (Seligman 1975).
Ook in de opeenvolging van rouwfases, zoals door Bowlby (1969) en Parkes (1972) beschreven, is een dergelijk proces goed te zien. De emotionele toestand tijdens rouw verandert van protest in wanhoop, en van wanhoop in gelatenheid. Dit kan worden begrepen als het zeer geleidelijk doordringen, als gevolg van vruchteloze pogingen, van het besef dat er geen invloed valt uit te oefenen. Het proces is veeleer een uitvloeisel van cognitieve veranderingen dan, zoals Bowlby suggereert, een biologisch bepaald responspatroon.
7Veranderbaarheid. Deze component verwijst naar de tijdsduur; hij betreft een oordeel dat de loop van gebeurtenissen veranderbaar is. Gebeurtenissen kunnen al dan niet beheersbaar zijn, maar ook onbeheersbare gebeurtenissen kunnen anders uitvallen dan men dacht, door omstandigheden, geluk of hulp van buitenaf. Het onzekere is veranderlijk, maar zelfs het zekere kan soms nog anders worden. De negatieve kant van deze component, onveranderlijkheid, is een gebeurteniskenmerk waarin het verleden besloten ligt. Wat heel lang zo is geweest zal wel altijd zo blijven. De component kan ook aanwezig zijn in zich voltrekkende gebeurtenissen - kwellingen die niet lijken op te houden - en in verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen: het geeft vorm aan gevoelens van vertrouwen en zelfvertrouwen; of de zekerheid dat men een persoon definitief kwijt is.
Onveranderlijkheid werd ook ‘finaliteit’ genoemd: het verlies van een gestorven persoon is pas definitief als het ook als zodanig wordt aanvaard. Zolang het verdriet nog luid en klagend is, is er nog een sprankje hoop en speelt de mogelijkheid dat het verlies herstelbaar is nog door het hoofd. Zelfs in passieve wanhoop wordt finaliteit afgezet tegen de achtergrond van wat had kunnen zijn: het is dit aspect dat wanhoop van berusting onderscheidt.
8Objectevaluatie versus gebeurtenisevaluatie. Deze component heeft betrekking op het door De Rivera (1977) gemaakte onderscheid tussen ‘beweeglijke’ en ‘vaste’ emoties. Bij sommige emoties wordt valentie niet aan de uitkomst van een gebeurtenis of handeling gehecht, maar aan een object of persoon. De emotie bevat een ‘dispositionele attributie’: de
[p. 227]
valentie wordt een eigenschap van het object of de persoon (Nisbett & Ross 1980). Wanneer we gedupeerd worden door iemands verachtelijke handelingen, maakt dat die persoon verachtelijk. Woede verandert dan in, of wordt aangevuld door, haatgevoelens. Haat is zo'n emotie die de component van objectevaluatie bezit; liefde uiteraard ook: een gebeurtenis of het resultaat ervan kan plezierig zijn, maar de liefde betreft een persoon. Het heeft consequenties voor het gedrag of een emotie een gebeurtenis of persoon betreft. Woede is gericht op de uitkomst van een gebeurtenis; bij haat is het gedrag gericht tegen een persoon en tegen diens bestaan. Bij genot accepteert men het resultaat van een gebeurtenis; liefde wil het bestaan van de geliefde verhogen (de formulering is van Scheler, 1923).
Objectevaluatie is evengoed van toepassing op objecten en soorten gebeurtenissen als op personen. Houden van, niet houden van en afkeer zijn emotiewoorden die dat aangeven: men houdt van warme chocola en drinkt het graag. Alle emoties die een waardering over een persoon of object inhouden bevatten deze component: bewondering, ontzag, walging, sympathie, trots, schuldgevoel. Door dit kenmerk onderscheiden zij zich van emoties die door gebeurtenissen worden uitgelokt: ze zijn vormen van liefde of haat, in plaats van vormen van vreugde en verdriet, aldus Spinoza.
We kunnen objectevaluatie opvatten als bestaand uit een aantal subcomponenten die een fijner onderscheid tussen houden van en niet houden van aanbrengen. ‘Totaliteit’ bijvoorbeeld differentieert tussen liefde en sympathie; ‘nabijheid’ kenmerkt het verschil tussen walging (in morele zin) en afkeer. We zullen hier niet verder op de mogelijke subcomponenten ingaan; ze betreffen subtiele en waarschijnlijk idiosyncratische verschillen.
9Focaliteit-globaliteit. Betekenis kan gehecht zijn aan een welomschreven object of voorval, maar ook aan de omgeving of de leefwereld als geheel. De globaliteitscomponent onderscheidt depressie van droefheid, gelukzaligheid van vreugde, angst van vrees. Bij depressie lijkt de wereld een dorre vlakte zonder enig object van belang. Bij angst ontbreken aandachts- en oriëntatiepunten; men weet niet wat precies het gevaar is en hoe men zich ertegen zou moeten beschermen. Gelukzaligheid is de ervaring van totale toegankelijkheid en positieve valentie van de omgeving. Dit aan Spinoza ontleende onderscheid is vooral interessant omdat het aangeeft dat vreugde en gelukzaligheid geen intensiteitsgradaties zijn maar structurele verschillen. Ook het gedrag verschilt structureel: in een situatie met een duidelijk aandachtspunt is het gedrag daarop of daarvandaan gericht; wanneer een aandachtspunt onbreekt is het gedrag ongericht. Globaliteit is een component die de beleving van stemmingen onderscheidt van die van emoties.
[p. 228]
10Onbekendheid-bekendheid. Bij onbekendheid ontbreken aanwijzingen voor de preparatie van specifiek gedrag: men weet niet wat er kan gebeuren, noch wat men ermee zou moeten aanvangen. Onbekendheid motiveert tot cognitieve activiteit: het is een van de appelcomponenten die vorm geeft aan het kenmerk belangwekkendheid. Onbekendheid in combinatie met globaliteit levert de ervaring van chaos op, wat, zoals zojuist beschreven is, een van de voornaamste determinanten van angst is.
Bekendheid is een belangrijke component van gevoelens van veiligheid en waardering: Zajonc (1968) toonde aan dat stimuli als prettiger of aantrekkelijker werden beoordeeld naarmate ze vaker gezien waren. We moeten echter aannemen dat bekendheid meerdere aspecten heeft: de objectieve frequentie waarmee mensen met stimuli in aanraking komen kan tenslotte ook tot negatieve gevoelens als verveling of minachting leiden.

Objectcomponenten

Zowel Spinoza (1677) als De Rivera (1977) benadrukken dat het karakter van het emotionele object een differentiërende rol in emotie speelt. Volgens De Rivera kan de verhouding tot het object drie vormen aannemen: ‘toebehoren’ (waarvan liefde een voorbeeld is), ‘erkenning’ (zoals achting, nederigheid), en ‘zijn’ (aanvaarding, sereniteit). De hieronder opgesomde objectcomponenten komen gedeeltelijk overeen met het door De Rivera gemaakte onderscheid.

1Het Ik als constituent. We hebben beschreven dat het appel een weergave is van de situatie zoals door het subject waargenomen; dit appel is doortrokken van de betekenis die de situatie voor het subject heeft. Het subject maakt er geen deel van uit, maar is slechts de voorwaarde voor het zich voordoen van de situatie. Soms echter kan het subject een onderdeel van de eigen beleving zijn en in het appel figureren. Een sprekend voorbeeld hiervan is schuldgevoel, waarbij het subject zichzelf als de uitvoerder van een negatief beoordeelde daad ziet. Deze component, het subject als constituent van de beleving, zal als het Ik worden aangeduid.
In vrijw