In deel I is emotie gedefinieerd als een verandering in actiebereidheid, uitgelokt door bepaalde externe gebeurtenissen en door gedachten. We kunnen nu de vraag stellen om welke gebeurtenissen en gedachten het hierbij gaat: wat zijn de stimuli die emoties opwekken?
Men kan stellen dat de verschillende emoties worden uitgelokt door specifieke stimuli of soorten stimuli. Pijn, honger en kou veroorzaken ontreddering; de dreiging van pijn, honger of kou veroorzaakt angst; beledigingen of frustratie veroorzaken woede; het verlies van een dierbaar persoon veroorzaakt verdriet; en bevrediging veroorzaakt vreugde. Watsons (1929) theorie gaat uit van deze veronderstelling: er zijn drie basisemoties, die elk een aangeboren reactie vormen op een specifiek type gebeurtenis. Wat wij vrees noemen is volgens Watson de aangeboren respons op hard geluid en op het verlies van evenwicht; wat wij woede noemen is de respons op de belemmering van de bewegingsvrijheid; de term liefde wordt gebruikt voor de respons op liefkozingen. Andere prikkels worden emotionele stimuli door middel van conditionering, door de associatie met een ongeconditioneerde stimulus.
De opvatting dat er specifieke stimuli bestaan komt men in vele gedaanten tegen. Het is de dominante opvatting in de ethologie, met name de ethologie van de lagere diersoorten. Emotioneel gedrag wordt opgewekt door specifieke, soms zeer specifieke, prikkels. Een rood plekje, iets beneden ooghoogte, lokt aanvalsgedrag uit bij kemphanen. Bij een eend veroorzaakt het silhouet van een roofvogel vrees. Bij dieren en wellicht ook mensen (Murray 1979) leiden noodkreten van jongen tot koesterend en verzorgend gedrag. Vanuit deze opvatting wordt gezocht naar de precieze prikkels die bepaald emotioneel gedrag uitlokken. We zullen zien dat er inderdaad specifieke prikkels bestaan die bij bepaalde diersoorten of bij mensen emoties veroorzaken. Toch lijkt het idee van specifieke stimuli niet erg vruchtbaar om de emoties van mensen of primaten te begrijpen. Tamelijk veel verschillende stimuli lijken zonder voorafgaande ervaring emoties te kunnen opwekken. Tot de aangeboren stimuli voor vrees behoren bijvoorbeeld pijnlijke prikkels, fel licht en hard geluid, duisternis, onbekende
objecten en bepaalde sociale prikkels (Gray 1971). Omgekeerd kan een bepaalde stimulus een aantal verschillende emoties veroorzaken. Hebb (1949) constateerde dat wanneer een chimpansee met een onbekend object wordt geconfronteerd (een slang, een schedel, of de oppasser met een nieuwe pet op), er vrees, woede, actieve nieuwsgierigheid of pure opwinding kan ontstaan. Het verlies van een dierbare kan bij mensen behalve verdriet en wanhoop ook woede, paniek, rusteloosheid of geestelijke verdoving veroorzaken (Bowlby 1969; Parkes 1972). Gestoei leidt bij baby's aanvankelijk tot vrees, en tot vrolijkheid wanneer ze een paar weken ouder zijn (Sroufe & Waters 1976). De stimuli zouden natuurlijk in verschillende omstandigheden een verschillende betekenis kunnen hebben, maar die opvatting tast de grondslag aan van de gedachte dat er specifieke stimuli zijn.
Men kan ook stellen dat prikkels van matige of zwakke intensiteit plezierige emoties veroorzaken en hevige prikkels onplezierige. De gegevens die dit standpunt ondersteunen zijn voornamelijk afkomstig uit de zintuiglijke ervaring. Een matig zoete, zoute of bittere smaak, zachte aanraking en zachte geluiden worden als aangenaam ervaren; sterke zoutoplossingen, fel licht, hard geluid en dergelijke worden onaangenaam gevonden (Wundt 1903; Young 1961; Dumas 1948a). Zwakke en matige prikkels leiden bij jonge dieren bovendien tot naderingsgedrag, terwijl harde stimuli vermijdingsgedrag opwekken (Schneirla 1959). In dit verband is wel gesteld dat hevige angst aversief is maar dat matige angst vaak wordt opgezocht, bijvoorbeeld in draaimolens of door het kijken naar thrillers. Het probleem zit echter ingewikkelder in elkaar. De plezierigheid van zwakke angst komt voort uit het gevoel van uitdaging en competentie dat ermee gepaard gaat en heeft niets met intensiteit op zich te maken.
Ook de intensiteitsgedachte komt in vele theoretische gedaanten voor. In Freuds (1900) vroege werk neemt het een centrale plaats in: angst wordt veroorzaakt door te sterke prikkeling die de ‘beschermingsbarrière tegen de stimulatie’ dreigt te doorbreken. Tomkins (1962) meent dat verschillende emoties een gevolg zijn van verschillen in de ‘dichtheid van het neurale vuurpatroon’ en het tijdsverloop daarvan. Hij gaat er daarbij van uit dat de neurale vuurdichtheid afhankelijk is van de stimulusintensiteit. Omdat volgens Tomkins zowel het tijdsverloop als de neurale vuurdichtheid op zich bijdragen aan de emotionele differentiëring, is zijn theorie een combinatie van het uitgangspunt dat er specifieke stimuli zijn en dat de intensiteit bepalend is. Het is echter twijfelachtig of de ‘dichtheid van het neurale vuurpatroon’ onafhankelijk van de intensiteit van de emotionele respons omschreven kan worden, en daardoor is de verklaring voornamelijk post hoc; hetzelfde kan van Freuds opvatting over de te sterke prikkeling worden gezegd. Bovendien is de term ‘stimulusintensiteit’ puur metaforisch wanneer
hij betrekking heeft op andere dan zintuiglijke stimuli; het begrip behoeft dus andere verklarende principes. Wat Schneirla's theorie betreft is het onwaarschijnlijk dat aangeboren naderings- en vermijdingsgedrag voornamelijk door verschillen in stimulusintensiteit zou worden bepaald; er is niets inherent intens aan onbekende stimuli.
Verwant aan de intensiteitstheorieën zijn de opvattingen die emoties in verband brengen met de vermoedelijke hedonische eigenschappen van arousalniveaus of veranderingen daarvan. Volgens Hebb (1955) zou een matig niveau van (corticale) arousal prettig en ondersteunend voor het gedrag zijn, en een hoog niveau onprettig en gedragsverstorend: dit is de bekende omgekeerde u-curve. Leuba (1955) meent dat veranderingen in de richting van een bepaald optimaal arousalniveau prettig zijn, en dat veranderingen nar lagere niveaus onprettig zijn. Berlynes (1971) herziene opvatting is dat zowel zeer lage als zeer hoge intensiteitsniveaus onplezierig zijn, terwijl veranderingen naar gemiddelde niveaus een aangenaam affect hebben. Het gros van deze theorieën beschouwt arousal ten dele als een functie van de stimulusintensiteit, maar ten dele ook als een functie van de mate van match en mismatch van stimuli met verwachtingen en andere cognitieve schemata (Hebb 1949; Berlyne 1971). Dit laatste aspect verandert de theorieën in varianten van de derde, hieronder te bespreken benadering.
Emoties zijn op te vatten als het resultaat van de interactie tussen stimuli en dispositionele factoren zoals responstendenties, drijfveren, doelen en verwachtingen, of, wat op hetzelfde neerkomt, als het resultaat van stimuli die relevant zijn voor het krijgen van bekrachtiging of voor het behouden van welzijn. Positieve emoties zijn dan het gevolg van stimuli die een match met een verwachte of gewenste situatie teweegbrengen: het bereiken van doelen, het bevredigen van drijfveren, het actualiseren van responstendenties of het krijgen van beloning. Negatieve emoties komen voort uit stimuli die een mismatch met één van die soort zaken inhouden. Volgens deze opvatting worden de verschillende emoties bepaald door variatie in de constellatie van de reële of verwachte match of mismatch.
Spinoza's (1677) theorie gaat al van deze gedachte uit, en daarmee is eens te meer aangetoond dat de wijn hetzelfde blijft, hoewel hij in nieuwe zakken is gegoten. Blijheid ontstaat wanneer de geest van een lager naar een hoger niveau van volmaaktheid overgaat; volmaaktheid is de toestand waarin de geest aan zijn ware aard getrouw is. Begeerte is de manifestatie van deze volharding van de geest in zijn aard. Vandaar dat de bevrediging van begeerte tot blijheid leidt en de belemmering van bevrediging tot droefheid.
Moderne varianten van Spinoza's theorie veronderstellen verschillende
soorten disposities waarmee de stimuli al dan niet in overeenstemming zijn; ze geven een verschillend etiket aan datgene wat de stimuli hun emotionele werking verleent. De behavioristische theorie noemt de disposities ‘responstendenties’ of verwachtingen van bekrachtiging. Brown en Farber (1951) stellen dat wanneer uitvoering van een geactiveerde responsneiging belemmerd wordt, frustratie of emotionele beroering ontstaat. Een belemmering kan bestaan uit een werkelijke hindernis of uit een geringere beloning dan men verwachtte, of uit het opgeroepen worden van tegenstrijdige of onverenigbare responstendenties. Emotionele stimuli zijn dus stimuli die belemmering veroorzaken of signaleren. Volgens Mowrer (1960), Hammond (1970) en Millenson (1967) worden emoties opgewekt door belonende of bestraffende stimuli, dan wel door stimuli die beloning of straf aankondigen, of door veranderingen in beloning of straf. Het patroon van signalen en de soort verandering bepalen welk soort emotie ontstaat. De stimuli ontlenen hun emotionele waarde dus aan datgene wat voor het subject beloning of straf is. Gray's theorie (1971, 1982) is een meer recente versie van deze benadering.
Hebb (1949) legt de nadruk op cognitieve structuren: een negatieve emotie ontstaat wanneer een stimulusgebeurtenis niet overeenkomt met de beschikbare cognitieve structuren. Een van de belangrijkste soorten mismatch is het niet overeenkomen van gebeurtenissen met verwachtingen. Volgens Mandler (1984) worden emoties veroorzaakt door interrupties, waarbij ‘interruptie’ zowel slaat op de onmogelijkheid van de uitvoering van plannen als op het doorkruisen van verwachtingen. De aard van het onuitgevoerde plan of de verwachting is bepalend voor de resulterende emotie. Ook Pribram hangt een cognitieve match-mismatchtheorie aan (Pribram 1981; Miller, Galanter & Pribram 1960). Volgens hem zijn emoties ‘no-go’-plannen: plannen die ten uitvoer worden gebracht wanneer de normale plannen geblokkeerd zijn; of het zijn bewakende instanties (‘monitors’) die op het uitvoeringsproces van een plan toezien en het welslagen of mislukken daarvan signaleren (Pribram 1970). Elders echter heeft Pribram emoties ook omschreven als gevolgen van het opwekken of verdwijnen van onzekerheid.
Volgens het psychoanalytisch georiënteerde gedachtengoed zijn emotionele prikkels die prikkels die de bevrediging van driften of de bedreiging van die bevrediging aankondigen; of het zijn prikkels die onacceptabele wensen oproepen en zodoende conflict veroorzaken (Freud 1926). Lazarus beschouwt emoties als afhankelijk van de evaluatie van gebeurtenissen (Lazarus 1966; Lazarus, Kanner & Folkman 1980; Lazarus & Folkman 1984); de evaluaties betreffen de betekenis van een gebeurtenis voor het welbevinden van het individu. Gebeurtenissen worden getaxeerd als heilzaam-positief, belastend of irrelevant. Indien belastend, dan kunnen ze schade of verlies, dreiging of uitdaging betreffen. De taxaties hangen af van
de persoonlijke doelen, waarden en verplichtingen, en van het belang dat het subject daaraan hecht: doelen, waarden en verplichtingen ‘raken de persoonlijke belangen met betrekking waartoe welzijn is gedefinieerd’ (Lazarus e.a. 1980, blz. 192).
Simonov (1970, 1975) heeft een formele representatie gegeven van de gedachte dat motivatie ten grondslag ligt aan emoties en stimuli hun emotionele betekenis verleent. Wanneer de in een stimulusgebeurtenis besloten informatie verschilt van de informatie die nodig is voor de bevrediging van drijfveren ontstaat emotie. Schiet de benodigde informatie tekort, dan ontwikkelt zich een negatieve emotie; is er een overschot aan informatie, dan ontstaat een positieve emotie.
Duidelijk is dat de benaderingen er een verschillende terminologie op nahouden. Dispositionele entiteiten worden aangeduid als responstendenties, bekrachtigingen, verwachtingen, drijfveren, doelen, waarden of verplichtingen; stimuli lokken emoties uit doordat zij iets verhinderen of verschaffen, voorspellen of tegenspreken, doorkruisen of bevestigen, frustreren of bevredigen. Desondanks hebben de benaderingen een aantal essentiële overeenkomsten. Ten eerste beschrijven ze de uitlokkende omstandigheden voor emotie in het algemeen - of, wanneer ze deze afzonderlijk voor positieve en negatieve emotie beschrijven worden beide toch van één principe afgeleid. Het accent ligt dus niet op afzonderlijke emoties. Ten tweede wordt de opwekking van verschillende emoties op de een of andere wijze secundair geacht aan de opwekking van emotie op zich. Ten derde wordt het idee van ‘de emotionele stimulus’ enigszins naar de achtergrond gedrongen: het gaat eerder om de mismatch (de interferentie, interruptie of discrepantie) of de match (het bereiken van doelen, de overeenkomst met verwachtingen) dan om de precieze stimulus die de mismatch of match veroorzaakt.
Tot slot: het belangrijkste kenmerk dat deze opvattingen verbindt is dat zij alle een onderscheid maken tussen de uitlokkende gebeurtenissen en de dispositionele entiteit waaraan die gebeurtenissen hun emotionerende vermogen ontlenen. Van de drie beschreven uitgangspunten lijkt dit het meest vruchtbare, zoals hierna beargumenteerd zal worden.
Het woord stimulus wordt hier kortheidshalve gebruikt. Het onderwerp van dit hoofdstuk kan beter worden omschreven als ‘de situationele antecedenten van emotie’, en deze antecedenten zijn veeleer ‘gebeurtenissen’ dan ‘stimuli’. Emoties worden zelden, en waarschijnlijk zelfs nooit, door één op zichzelf staande stimulus opgewekt. De emotionele effecten van zintuiglijke stimuli zijn afhankelijk van de ruimtelijke, de tijds- en de betekenis-
context waarin zij optreden, het adaptatieniveau dat ze ontmoeten en de verwachtingen waarmee ze overeenkomen of botsen. Alleen zijn is niet hetzelfde als alleen zijn nadat de levenspartner is overleden; geen voedsel krijgen is niet hetzelfde als geen voedsel krijgen wanneer dat wel verwacht werd; een bedreiging waarvoor men kan vluchten is niet hetzelfde als een bedreiging die onontkoombaar is. In het navolgende zullen de termen stimuli, gebeurtenissen en situaties door elkaar gebruikt worden. De laatste twee aanduidingen hebben de voorkeur: gebeurtenissen omdat het bij emoties vaak juist om de verandering gaat, of om het perspectief dat de verandering biedt; situaties omdat de context veelal bepalend is voor de emotie: de mogelijkheden om de situatie te hanteren of te vermijden, en de gehele interactiegeschiedenis met het betrokken object of de gebeurtenis in kwestie. De beste aanduiding is eigenlijk transactie (Lazarus & Folkman 1984): deze term verwijst enerzijds naar de mogelijke invloed van de gebeurtenis op het subject en anderzijds naar de mogelijkheden en wensen die het subject ten aanzien van de gebeurtenis heeft, en naar de ontwikkeling van beide aspecten in de tijd (zie ook par. 2.8).
Er zijn nog meer redenen waarom stimulus niet meer dan een verkorte aanduiding is. Emoties kunnen ook door het voorstellingsvermogen en door fantasieën worden opgeroepen - het zweet kan ons uitbreken bij de gedachte aan dingen die kunnen gebeuren of hadden kunnen gebeuren - en verder door herinneringen en gedachten die de betekenis onthullen van voorvallen en opmerkingen. Emoties worden tevens opgewekt door het eigen handelen, nog afgezien van de tastbare resultaten of de bevrediging die dat handelen voor het gevoel van eigenwaarde kan hebben, zoals bij de vreugden van het wandelen of van de soepele uitvoering van een goed geoefende vaardigheid.
Het is bovendien onmogelijk emotionele stimuli los te zien van het subject, van diens doelen, verlangens, verwachtingen en vaardigheden om met één van de betreffende gebeurtenissen om te gaan. Hanteringsvaardigheden zijn van groot belang: zij bepalen of gebeurtenissen emotionele stimuli worden, en welk soort emotie zal ontstaan. Hanteringsvaardigheden bepalen de secundaire taxatie en dus de contextcomponenten van het appel. Wat voor de ene persoon een dreiging is, is voor een ander een uitdaging en voor een derde een tijdelijke hindernis of misschien zelfs een ontspanning. Lazarus formuleert het als volgt: ‘De emotionele toestand van een bepaald moment (...) is het produkt van het evenwicht tussen het vermogen van de gebeurtenis om een subject te schaden en de krachten van het subject om die schade te voorkomen, te verdragen, in winst om te zetten, uit te stellen of te overwinnen’ (Lazarus 1975, blz. 48). Deze uitspraak geldt eveneens voor het vermogen van een gebeurtenis om een persoon voordeel op te leveren.
De effectieve emotionele stimulus komt tot stand uit de interactie van
doelen, verlangens en verwachtingen met gedachten en associaties die voortvloeien uit de feitelijke gebeurtenissen. Het plezierige van het bereiken van de top van een berg is niet zozeer het uitzicht dat men dan heeft, maar de ervaring dat men bewezen heeft meer te kunnen dan iemand anders, dat men zijn angsten de baas is, of op eigen kracht moeilijkheden heeft overwonnen. Iemands vergeetachtigheid is een reden voor verdriet of woede wanneer en omdat dit op tekort aan liefde en aandacht wijst. Kortom: de emotionele ‘stimulus’ komt ten dele uit onszelf voort, het is de gedachte die met de gebeurtenis wordt verbonden; en de gedachte is slechts losjes verbonden met de gebeurtenis omdat ze afhankelijk is van de doelen van het subject.
Effectieve emotionele stimuli zijn dus het produkt van iemands cognitieve activiteit, behalve misschien als het om honger, kou en pijn gaat. Maar zelfs hierbij kunnen cognitieve factoren een grote rol spelen zoals uit de honger bij hongerstakers en pijn bij martelaren blijkt. De stimuli kunnen niet los gezien worden van die cognitieve activiteit. Laat het duidelijk zijn wat hier precies met cognitieve activiteit wordt bedoeld. Er wordt niet, althans niet noodzakelijk, bewust denken, bewust afwegen of zelfs mentaal voorstellen mee bedoeld. Waar het hier om gaat is de aantoonbare inmenging van cognitieve variabelen tussen de objectieve stimulus en de emotionele respons: de selectie van stimulusaspecten, effecten van eerdere ervaringen en eerdere interacties met de stimulus, effecten van de implicaties van stimuli en niet zozeer van de stimuli alleen, effecten van gebeurteniskenmerken die niet fysiek aanwezig zijn op het moment dat de respons wordt uitgelokt. Cognitief verwijst naar processen die interveniëren tussen stimulus en respons, en die worden verondersteld omdat de relatie tussen deze twee variabel is en afhangt van de voorgeschiedenis, de toestand en activiteit van het organisme, en de stimuluscontext; dit is de gebruikelijke, traditionele definitie van cognitief (vgl. Hebb 1970). We zullen ons straks verdiepen in de vraag of, en in welke mate, deze processen bewust en door het subject beïnvloedbaar zijn.
De cognitieve processen die bepalen welke stimuli emotioneel zijn hebben verschillende benamingen gekregen. De meest gangbare termen zijn taxatie (appraisal, Arnold 1960; Lazarus 1966; Lazarus & Folkman 1984) en stimuluscodering (stimulus coding, Leventhal 1979, 1980). Er bestaan legio experimenten en observaties die de gevolgen van cognitieve processen voor de emotionele respons aantonen.
Eerder in dit boek zijn de onderzoeken genoemd van Lazarus en zijn medewerkers, waarin gruwelijke films werden vertoond terwijl de taxatieprocessen van de toeschouwers op verschillende manieren werden beïnvloed. De films lieten een pijnlijk besnijdenisritueel of een ongeluk in een houtbewerkingswerkplaats zien. In één onderzoek werd de proefpersonen ofwel verteld dat de film een ware gebeurtenis liet zien, ofwel dat de ge-
beurtenis geënsceneerd was (Lazarus & Opton 1966). In een ander experiment werd de proefpersonen opgedragen zich in te leven in de gefilmde personen, of juist te rationaliseren wat zij zagen (Koriat e.a. 1972). De experimentele omstandigheden bleken van invloed te zijn op de subjectieve en fysiologische responsen van de proefpersonen.
Leventhal e.a. (1979) toonde op inventieve wijze aan hoe onaangenaam affect verandert door de wijze waarop de stimulus gecodeerd wordt. De proefpersonen werden aan de ‘cold-pressortest’ onderworpen: zij moesten een hand in ijskoud water onderdompelen. Een groep werd tevoren ingelicht over de zintuiglijke gewaarwordingen die men kon verwachten, een andere over de autonome arousal en spanning die zouden optreden. Er was ook een controlegroep die niet werd ingelicht. Bovendien werd de helft van de proefpersonen in elk van de drie groepen verteld dat de ervaring pijnlijk zou zijn. Het bleek dat het aankondigen van ‘arousal’ tot een meer intense pijnbeleving en subjectieve pijnbeoordeling leidde dan wanneer de proefpersonen informatie hadden gekregen over zintuiglijke gewaarwordingen. De waarschuwing voor pijn bleek de responsverschillen aan te scherpen. Gelijksoortige effecten van vooraf gegeven informatie zijn aangetoond in realistische omstandigheden - bijvoorbeeld bij endoscopie (Johnson & Leventhal 1974) en tandheelkundige behandelingen (Johnson 1975).
Deze onderzoeken tonen aan dat emotionele stimuli die stimuli zijn die het subject ziet, of zoals het subject ze ziet. Andere relevante onderzoeken vallen onder het causale-attributieonderzoek. Storms en Nisbett (1970) verstrekten proefpersonen die aan slapeloosheid leden een placebo. De helft kreeg te horen dat de pil arousalverschijnselen zou veroorzaken, de andere helft dat hij rustgevend zou zijn. De eerste groep sliep volgens eigen zeggen gemakkelijker in dan de laatste groep, vermoedelijk omdat zij hun rusteloosheid in bed nu als een fysiologisch verschijnsel konden uitleggen en niet meer als zorgen. Zimbardo e.a. (1969) vroeg proefpersonen elektrische schokken te ondergaan terwijl ze een bepaalde taak uitvoerden. De helft van de proefpersonen werd gezegd dat dit van het grootste belang was voor het experiment, de andere helft niet. De prestatie van de eerste groep was beter en de elektrodermale respons lager dan die van de andere groep; vermoedelijk was ook de pijn minder, waarschijnlijk omdat het ondergaan van de schokken als een nuttige onderzoeksbijdrage werd ervaren en niet als een willekeurige gebeurtenis.
Pijnreacties variëren over het algemeen al naar gelang de betekenis die eraan worden gehecht. Tursky (1974) onderzocht de drempel, het intensiteitsoordeel en de tolerantiegrens van pijn door elektrische schokken bij vrouwen met een verschillende culturele achtergrond: protestantse, Ierse, Italiaanse en joodse Amerikanen. De pijndrempel bleek niet te verschillen, maar het intensiteitsoordeel en de tolerantiegrens wel. De verschillen lijken samen te hangen met de betekenis die aan pijn wordt gegeven. Voor de
joodse vrouwen leek pijn mogelijk onherroepelijk letsel of ziekte te betekenen, voor de Italiaanse vrouwen een reden voor verontwaardiging, en voor de protestantse vrouwen iets dat ze behoorden te verduren zonder een krimp te geven. Beecher (1959) rapporteert observaties van gewonde soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog; de soldaten leken nauwelijks pijn te lijden bij zeer ernstige verwondingen, hun klachten waren zelden zo ernstig dat men overging tot het toedienen van morfine, en de soldaten zeiden vaak dat ze geen pijnstillende middelen nodig hadden. Burgers met even ernstige verwondingen daarentegen leden veel meer en klaagden hevig. Beecher meent dat de verwondingen voor de soldaten betekenden dat zij het er levend hadden afgebracht, terwijl zij door de burgers als iets rampzaligs werden ervaren (er kunnen evenwel andere verklaringen voor het verschil worden aangevoerd). De afhankelijkheidsrelatie tussen pijnresponsen en betekenis is niet uniek voor mensen: Pavlov beschrijft dat de heftige afweerreacties van honden op hevige elektrische schokken verdwenen zodra de schok een signaal voor voedsel werd (naar Melzack 1973).
Een laatste voorbeeld is het onderzoek naar de attributie van de oorzaken van slagen en falen. Weiners (1974) uitgebreide onderzoeken laten zien dat trots- en schaamtegevoel of met een prestatie samenhangende blijdschap of ontevredenheid afhankelijk zijn van de attributie aan persoonlijke inspanning en vaardigheid en aan externe factoren als geluk, pech en de moeilijkheidsgraad van de taak; de attributies hangen meer af van deze factoren dan van het slagen of falen van de prestatie op zich. Het zal duidelijk zijn dat het welslagen door inspanning en vaardigheden een andere stimulus is dan zomaar een gunstig resultaat behalen.
Een aantal van de zojuist beschreven resultaten zijn verklaard uit variaties in stimuluscodering (Leventhal 1980); andere uit aandachtsverschuivingen (Weiner 1980): het afleiden van de aandacht pleegt pijn of leed te verminderen (Bloom e.a. 1977). Beide processen veranderen de effectieve stimulus, de aspecten of het werkzame complex. Hetzelfde geldt voor de gedachten over de betekenis die de gebeurtenissen hebben: zij dragen bij aan de stimuli. Zoals gezegd, de een of andere nalatigheid - suiker in je koffie terwijl ze weet dat je altijd zonder drinkt - kan worden opgevat als gebrek aan liefde, en dus tot heftige woede of verdriet leiden. De een of andere mislukking - niet weten hoe op een grap te reageren of hoe een gesprek te beginnen - kan door het subject als exemplarisch voor zijn sociale onhandigheid worden opgevat, waardoor het een aanleiding voor diepe neerslachtigheid kan zijn. Situaties die sociale angst oproepen zijn doortrokken van ‘irrationele overtuigingen’, zoals Ellis (1970) ze noemt, of van ‘dysfunctionele gedachten’ (Beek 1976). Zo'n mislukking is een andere mislukking, een ander soort emotionele stimulus, dan een mislukking die niet dit soort attributies toegekend krijgt.
In deze paragraaf worden stimuli besproken waarvan op een of andere grond kan worden verondersteld dat zij ongeleerd zijn. Ongeleerde emotionele stimuli worden gedefinieerd als stimuli die in staat zijn emotionele responsen op te roepen zonder dat zij ooit eerder zijn voorgekomen in combinatie met andere stimuli die zulke emotionele responsen opwekken, en zonder dat het subject ooit anderen emotioneel heeft zien reageren op de stimulus, of op één of andere wijze de emotionele consequenties heeft kunnen afleiden. Dit houdt niet in dat er geen leerproces is opgetreden: een stimulus wordt als ongeleerd beschouwd wanneer zijn effect via ander leren dan het leren van het effect zelf is ontstaan. Hebb (1970) geeft een voorbeeld van een dergelijke constellatie: vreemdheid kan een aangeboren stimulus voor vrees zijn, zelfs als het identificeren van een object als ‘vreemd’ vooronderstelt dat andere objecten via leerprocessen ‘vertrouwd’ zijn geworden. Een argument om bepaalde emotionele stimuli als ongeleerd te beschouwen is bijvoorbeeld dat de stimuli emotionele reacties uitlokken bij dieren die de effecten ervan niet konden hebben geleerd; een ander argument is dat het effect van de stimulus bij een bepaalde diersoort universeel is. Het aangeboren karakter van de effectiviteit van een stimulus houdt niet noodzakelijk in dat deze stimuli altijd een dergelijke respons uitlokken: context, inhibitie en gewenning kunnen de respons neutraliseren. Het betekent ook niet dat de respons van jongs af aan wordt vertoond: seksuele stimuli zijn hier een duidelijk tegenvoorbeeld van. Bovendien kan aangeborenheid verschillende gradaties hebben. Seligman introduceerde het begrip ‘geprepareerdheid’ (‘preparedness’). Bij sommige soorten stimuli is vrees makkelijker aan te leren dan bij andere; het organisme is daar blijkbaar op geprepareerd. Mensen is bijvoorbeeld gemakkelijk vrees voor spinnen en slangen aan te leren (Öhman, Erixon & Löfberg 1975; zie Öhman 1979). De geprepareerdheid kan specifiek zijn voor bepaalde soorten stimuli met betrekking tot een bepaald soort respons. Duiven leren snel een vermijdingsrespons op een geluidssignaal en de respons om voedsel op te pikken op een lichtsignaal, maar niet omgekeerd (Forge & LeLordo 1973). Het begrip geprepareerdheid is niet algemeen aanvaard (vgl. Bitterman 1975) en er zijn alternatieve verklaringen voor de betrokken bevindingen (vgl. Testa 1974); het is echter in elk geval zo dat er verschil is in het gemak waarmee bij bepaalde stimuli een emotionele respons is aan te leren.
De hieronder volgende opsomming van ongeleerde emotionele stimuli is ongetwijfeld onvolledig. Het overzicht dient als indicatie van de reeks mogelijk of waarschijnlijk aangeboren stimuli. Er zijn ook gegevens uit dieronderzoek in opgenomen, omdat dit de veronderstelling dat de eigenschap bij mensen voorkomt plausibeler maakt.
Er zijn verschillende elementaire responspatronen die ongeleerd worden
uitgelokt door meer of minder welomschreven stimuli. De schrikreactie (par. 2.1) wordt uitgelokt door plotselinge, intense stimuli: hard geluid, lichtflitsen, onverwachte aanraking. ‘Plotseling’ refereert aan hoe snel de stimulus zijn topsterkte bereikt: ratten schrikken het ergst bij een geluid van 90 dB als de piekintensiteit binnen twaalf msec wordt bereikt (zie Hoffman & Ison 1980). Diersoorten verschillen in welke de meest effectieve stimulusmodaliteit is: ratten schrikken van geluiden, duiven van lichtflitsen, en niet omgekeerd.
De oriëntatiereactie wordt opgewekt door de ‘ongewone’ stimulusvariabelen onbekendheid, onverwachtheid en complexiteit. Elke stimulusverandering lokt de oriëntatiereactie uit; dit geldt ook voor het uitblijven van een verwachte stimulus (Sokolov 1963; Grings 1960; Badia & Defran 1970). De oriëntatiereactie wordt volgens Sokolov (1963) opgeroepen door discrepanties tussen wat het organisme gewend is of waarop het is ingesteld (zijn ‘neuronale model’) en de stimulus; de discrepantie is dus de effectieve stimulus.
Alle ongebruikelijke, vreemde stimuli wekken nieuwsgierigheid, naderingsgedrag en exploratief gedrag op, maar ook gespannen afwachting en vrees. Ze kunnen beide tegelijk doen, zoals te zien is bij kinderen die een gebeurtenis blijven observeren maar niet de veiligheid van hun moeders schoot verlaten. Aandacht voor en het benaderen van nieuwe objecten komt al vroeg bij zuigelingen voor, zowel bij menselijke als primatenbaby's. Dit blijkt bij resusaapjes zodra de hechtingsrelatie met de moeder tot stand is gekomen en haar aanwezigheid de vreeswekkendheid teniet doet (Suomi & Harlow 1976). Hoe ongewoner een stimulus, des te groter de nieuwsgierigheid (Berlyne 1960), tot een of andere bovengrens van vreemdheid of complexiteit (Boselie 1984). Zoals gezegd lokken dezelfde stimuli die oriëntatie en nieuwsgierigheid veroorzaken ook vrees, gespannen afwachting of andere vormen van ongerustheid uit. Dit gebeurt wanneer ze intenser of dichterbij zijn, of in een totaal onbekende of onveilige context optreden. Hard geluid, fel licht, ongewone tactiele stimuli, op ongebruikelijke manieren bewogen worden en omgevingsinstabiliteit (bijv. aardbevingen) veroorzaken vrees bij vele diersoorten, met inbegrip van apen (Suomi & Harlow 1976) en mensen. Dat vreemdheid een stimulus kan zijn blijkt bijvoorbeeld uit de vrees van honden en apen voor mensen die vreemd gekleed zijn of zich vreemd gedragen (Hebb 1946), en uit de vrees van paarden voor wapperende plastic zakken. Resusaapbaby's worden doodsbang van bewegende mechanische monsters (Novak, geciteerd in Suomi & Harlow 1976). Verschillende onderzoekers noemen nieuwe, onbekende situaties een van de belangrijkste bronnen van vrees bij kinderen onder de zes jaar (Jersild & Holmes 1935; Shephard, Oppenheim & Mitchell 1971). De vrees voor het onbekende neemt af of verdwijnt wanneer het algemene competentiegevoel of het zelfvertrouwen toeneemt (Sroufe,
Waters & Matas 1974); door de aanwezigheid van de moeder vermindert de vrees om plaats te maken voor nieuwsgierigheid (Suomi & Harlow 1976) of vrolijkheid (Sroufe & Waters 1976). Eenkennigheid bij menselijke zuigelingen van rond de acht maanden (de ‘achtste-maand-angst’) is vermoedelijk aangeboren, in de zin dat de vatbaarheid voor angst voor het onbekende rond die leeftijd zijn hoogtepunt bereikt. Bij resusapen gebeurt op de equivalente leeftijd hetzelfde (Suomi & Harlow 1976).
Oriëntatieverlies kan een aangeboren bron van ontsteltenis zijn. Hebb (1946) trof vrees voor het donker bij chimpansees aan; deze vrees komt ook veel voor bij kinderen (Jersild & Holmes 1935). Evenwichtsverlies is, althans bij mensen, een duidelijke angststimulus. Wanneer mensen in onbekende gebouwen de oriëntatie van de voor- en achterkant kwijtraken raken ze vaak in lichte paniek (Katz 1944). Misschien moet de verschrikking van depersonalisatie eveneens in deze zin begrepen worden (Barendregt & Frijda 1982). Ook de ontreddering en de angst die ontstaan uit een intern of extern conflict, uit een gebrek aan overeenkomst tussen verwachtingen en gebeurtenissen en uit een gebrek aan controle, kunnen alle worden begrepen als een ongeleerde, onvoorwaardelijke respons op onverwerkbare, onhanteerbare situaties (McReynolds 1976; Gray 1982).
Andere ongeleerde aanleidingen voor ontsteltenis zijn onder meer de waarneming van dode of verminkte soortgenoten, of, meer in het algemeen, van soortgenoten die onbeweeglijk zijn en niet reageren (Köhler 1917; Hebb 1946; Van Lawick-Goodall 1972). Van bijzonder belang zijn de aanwijzingen dat vrees, uitgelokt door dreiggedrag van soortgenoten, aangeboren is. Resusapen die sociaal en visueel geïsoleerd waren opgegroeid vertoonden hevige vrees wanneer ze dia's te zien kregen van soortgenoten die een dreigende gelaatsexpressie hadden; bij andere dia's was dit niet het geval (Sackett 1966). Bij mensen dooft een geconditioneerde autonome respons langzamer uit wanneer de conditionerende stimulus een boos gezicht is dan wanneer de stimulus een vrolijk of neutraal gezicht is; dit wekt duidelijk de indruk dat er ‘geprepareerdheid’ voor boze gelaatsexpressies bestaat (Öhman & Dimberg 1978). Misschien is aangestaard worden op zich een aangeboren negatieve stimulus. Aanstaren lijkt bij chimpansees een effectieve intimidatietechniek te zijn (vermeld door Marks 1969; Kendon 1972). Ook bij mensen is dat vaak het geval, gezien het feit dat het in sommige culturen verboden is hoger geplaatsten recht in de ogen te kijken, en het bestaan van ideeën over het ‘boze oog’.
Uitstoting uit de groep en andere vormen van sociale isolatie zijn krachtige bronnen van angst en verdriet; ze kunnen tot zelfmoord of voodoodood leiden. Gray (1971) rekent ze tot de aangeboren angststimuli. Misschien moeten ze echter worden begrepen als situaties van verlies van omstandigheden voor behoeftebevrediging, of misschien alleen van omstandigheden waaraan men gewend is. Scheiding van de hechtingspersoon bij
dierlijke en menselijke baby's roept angst en verdriet op, ook als de hechtingspersoon niet degene is die het voedsel verschaft (Bowlby 1969; Harlow 1958; Suomi & Harlow 1976). Vermoedelijk werkt het bij volwassen mensen op dezelfde manier, en bij gelegenheid met dezelfde intensiteit (Klein 1981).
Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat vrees voor vreemden is aangeboren, althans niet bij resusapen (Suomi & Harlow 1976). Bij andere diersoorten zou, naar Scott en Fredericsson (1951) aanvoeren, vrees, agressie of opwinding bij een confrontatie met vreemden wel aangeboren kunnen zijn. Het komt bij veel dieren voor en is ook een duidelijk en snel uitgelokt fenomeen bij mensen (Tajfel 1982), die er voor ‘geprepareerd’ lijken te zijn. Vijandigheid jegens vreemden is intercultureel zeer algemeen; gastvrijheidsrituelen zijn mogelijk maatregelen om de vrees binnen de perken te houden. Maar er is natuurlijk ook veel gelegenheid om vrees voor vreemden aan te leren. Vreesexpressies bij soortgenoten wekken opwinding op (bijv. Miller, Murphy & Mirsky 1959); het is gemakkelijker mensen geconditioneerde responsen aan te leren (met elektrische schokken als ongeconditioneerde stimulus) als de geconditioneerde stimulus bestaat uit foto's met vreeswekkende gelaatsexpressies dan wanneer foto's met neutrale expressies worden gebruikt (Lanzetta & Orr 1981; Orr & Lanzetta 1984).
Noodkreten van pasgeborenen veroorzaken onmiddellijke reacties bij de meeste hogere diersoorten, van vogels tot mensen, althans bij de vrouwelijke helft. Babygehuil is vermoedelijk te beschouwen als de onvoorwaardelijke uitlokker van koesterend en verzorgend gedrag, misschien doordat het ‘meegevoel’ (‘empathie distress’, Murray 1979) wekt. Een van de belangrijkste argumenten voor deze opvatting is de korte latentietijd van de respons: onder gunstige culturele omstandigheden pakken moeders hun kind ongeveer zes seconden nadat het begint te huilen op (De Vore & Konner 1974; Konner 1972).
Vrees voor slangen lijkt niet aangeboren te zijn, tenminste niet bij resusapen: in het laboratorium opgegroeide apen gaven er tenminste geen blijk van (Joslin e.a. 1964). Dit is van aanzienlijk belang aangezien vrees voor slangen wijdverbreid is bij mensen. Dit was immers één van de feiten die leidden tot de hypothese van geprepareerdheid en de verklarende waarde daarvan voor fobieën (Seligman 1971). De oriëntatiereactie van niet-fobische proefpersonen op foto's van slangen en spinnen blijkt langzamer te habitueren dan de respons op neutrale stimuli (Öhman e.a. 1978) en omgekeerd wordt ook een geconditioneerde angstrespons met dit soort foto's als voorwaardelijke prikkel sneller aangeleerd (Öhman e.a. 1975).
Uit de beschikbare gegevens is af te leiden dat geen van de stimuli één specifieke emotionele respons opwekt. De stimuli roepen angst of woede of opwinding op, afhankelijk van de omstandigheden. Hebb (1949) vermeldt de variabiliteit van de emoties die door vreemdheid worden opgeroepen en
Bowlby (1969) de variabiliteit van reacties op het verlies van een dierbaar persoon. De verschillende besproken stimuli zijn stimuli voor negatieve emoties in het algemeen. Specifieke, ongeleerde uitlokkers voor angst, woede of opwinding afzonderlijk zijn moeilijk te vinden.
Het gebrek aan specificiteit van de emoties die door de stimuli opgewekt worden geeft aan dat ze niet zozeer als stimuli voor emoties moeten worden beschouwd, maar als inherent aversieve stimuli. Dit gaat zeker op voor de traditioneel negatieve bekrachtigers: kou, honger en ander lichamelijk ongerief, pijn, bepaalde geuren en smaken. Met uitzondering van een aantal geuren en smaken die wellicht als uitlokkers van afkeer en walging kunnen worden gezien, liggen deze aversieve stimuli alle ten grondslag aan een veelvuldigheid van emoties en kunnen ze aanleiding geven tot alleen maar een ‘gevoel’ van onlust.
Ongeleerde stimuli voor positieve emoties omvatten onder meer de inherent prettige stimuli: bepaalde smaken en geuren, heldere kleuren, lichamelijk gerief, strelingen. Ook de meeste van deze stimuli zijn niet zozeer uitlokkers van emoties maar van positief ‘gevoel’ en, in het voorkomende geval, van verlangen. Voor strelingen zou dit anders kunnen liggen; strelingen zijn waarschijnlijk als aangeboren stimuli voor vredigheid en rust te beschouwen. Zowel opgewonden dieren (honden, paarden) als mensen worden rustiger van aaien. Gellhorn (1964) beschrijft een onderzoek van Edinger en Fisher (1913), waarin geconstateerd wordt dat strelen een rustgevende uitwerking had op een idioot kind dat beide hersenhelften miste, en een onderzoek van Euler en Söderberg (1957), die vonden dat strelen de parasympathische dominantie van de activiteit van de hypothalamus verhoogde. Het strelen van erogene zones is natuurlijk een aangeboren stimulus voor seksuele emoties.
Aangeboren stimuli voor seksuele opwinding, anders dan huidcontact, komen bij alle diersoorten voor. Geur is de belangrijkste stimulus; bij lagere diersoorten zoals vogels en vissen spelen vooral visueel vertoon en complexe actiesequenties een rol. Bij de apen worden visuele stimuli opnieuw belangrijk. Het is plausibel dat er bij mensen nog meer aangeboren seksuele stimuli zijn dan strelen en kussen, al is niet ondubbelzinnig vastgesteld welke dat zijn. Stimuli die hiervoor in aanmerking komen omvatten onder andere uitdagende gebaren en bewegingen, knipogen en lonken door vrouwen; dit lijkt in bijna alle culturen voor te komen. Morris (1967) veronderstelt dat de vrouwelijke morfologische eigenschappen (borsten, volle rode lippen, geprononceerde billen) als uitlokkers voor seksuele opwinding bij mannen fungeren; ‘uitdagende’ bewegingen zijn dan bewegingen die deze en andere kenmerken in het oog doen springen. ‘Macho’-gedrag zou de pendant van opwekkende stimuli voor vrouwen kunnen zijn, gezien de interculturele manifestatie hiervan in bijvoorbeeld volksdansen en andere dansvormen.
Er zijn nog veel meer ongeleerde positieve stimuli; het scala van ‘primaire bekrachtigers’ is tamelijk uitgebreid. Naast de genoemde zintuiglijke stimuli moeten hiertoe ook stimulusvariëteit, tenminste tot een of ander optimaal niveau, worden gerekend (Harlow 1950; Berlyne 1960); het soepel uitvoeren van goed geoefende vaardigheden, het uitoefenen van macht en controle, en het beheersen van de naaste omgeving. Deze bronnen van bevrediging zullen in het volgende hoofdstuk nader worden besproken. De stimuluscategorieën zijn breed en slecht afgebakend. Er bestaan vermoedelijk meer specifieke ongeleerde stimuli met een motivationele betekenis. Lorenz (1963) en Eibl-Eibesfeldt (1974) suggereren dat de rondheid van het babyhoofdje een uitlokker is van verzorgend gedrag en de bijbehorende tedere gevoelens; in een psychofysisch onderzoek constateerden Brooks en Hochberg (1960) dat dit kenmerk, samen met de relatieve omvang van de ogen, een stimulusdeterminant van de ‘schattigheid’ van teddyberen was. Nabijheid van de moederfiguur lijkt een ‘stimulus’ te zijn voor veiligheid en welbevinden (Bowlby 1969); de rol van de moederfiguur kan vervuld worden door elk willekeurig zacht object waaraan de baby zich kan vastklampen (Harlow 1958). Dat nabijheid van de moederfiguur vooraf als stimulus voor veiligheid en welbevinden fungeert is afgeleid uit de constatering dat die nabijheid gezocht wordt voordat zich vreesresponsen ontwikkelen; het zoeken van nabijheid is dus niet een gevolg van het zoeken van bescherming (Suomi & Harlow 1976). Ook het contact met leeftijdsgenootjes lijkt een aangeboren positieve stimulus te zijn (Harlow 1969).
‘Vriendelijkheid’ (niet-agressieve tekenen van contact) kan worden opgevat als uitlokker van rust, of misschien specifiek positieve sociale emoties; misschien ook verlicht het slechts sociale vrees. De glimlach is universeel een teken van contact en geruststelling; zo fungeert ook de chimpanseegrijns die vermoedelijk de voorloper van onze glimlach is, in ontmoetingen tussen chimpansees (Van Hooff 1972). De babyglimlach is wel verklaard als een uitlokker of bekrachtiger van moederlijk (of wellicht ouderlijk) verzorgingsgedrag (Vine 1973). Er bestaat enige steun voor de veronderstelling dat de glimlach een aangeboren uitlokker is van positief affect bij baby's (Spitz 1957). Huilen is al eerder genoemd als een stimulus voor verzorgend gedrag.
De meeste van de genoemde stimuli zijn positieve motivationele stimuli, stimuli voor begeerten veeleer dan voor positieve emoties in engere zin. Er zijn weinig stimuli die in aanmerking komen voor het predikaat van ongeleerde uitlokkers van blijdschap of vrolijkheid; kietelen zou er een van kunnen zijn. Lachen wordt in het algemeen uitgelokt door een complexe opeenvolging van gebeurtenissen die niet echt een ‘stimulus’ te noemen is.
Het voorgaande dekt slechts een fractie van de emotionele stimuli. De meeste stimuli die emoties opwekken, vooral bij mensen, doen dat niet van nature. Veel stimuli hebben een emotionele waarde gekregen door ervaring, of door cognitieve activiteiten zoals vooruitzien.
Belangrijker is dat het merendeel van de emotionerende gebeurtenissen niet goed als emotionele ‘stimuli’ kan worden omgeschreven. Geen suiker in je koffie is geen emotionele stimulus. Emoties worden uitgelokt door de constellatie van een gebeurtenis en een of andere gewenste of niet gewenste omstandigheid waar die gebeurtenis relevant voor is. Dat wil zeggen: emoties worden uitgelokt door constellaties die bestaan uit een gebeurtenis en een of andere bevredigende of aversieve toestand die door de gebeurtenis wordt bevorderd of geschaad. Of, zoals wij het zullen formuleren: emoties worden veroorzaakt door constellaties waarin een stimulus relevant is voor een (of meer) belangen van het subject. Belang is de algemene term die hier wordt gehanteerd voor de disposities (zie par. 5.1), de innerlijke gesteldheden die stimuli hun emotionele betekenis verlenen.
Bij het opwekken van emoties is dus niet één entiteit, de stimulus, betrokken, maar twee: een stimulusgebeurtenis en een belang dat eerder bestaat dan die stimulusgebeurtenis en dat het subject al met zich meedroeg toen hij met de gebeurtenis werd geconfronteerd. In deze constellaties staan de gebeurtenis en het belang in een bepaalde relatie tot elkaar. Verschillende soorten emoties worden door verschillende constellaties uitgelokt. Hiermee wordt bedoeld dat verschillende emoties door verschillende constellaties worden uitgelokt en niet door verschillende soorten stimuli of zelfs verschillende soorten belangen. Verlies van een partner veroorzaakt verdriet, maar het verlies van hoop op iets in de toekomst, niet gepromoveerd worden naar een begeerde positie, en verandering van woonplaats (Marris 1974) doen dat ook. Verdriet wordt opgewekt door het verlies van een waardevol ding, ongeacht de aard van dat ding en ongeacht de reden van de waardevolheid. Partner, hoop, begeerde positie en woonplaats behoren tot de dingen; gehechtheden, levensperspectieven, zelfrespect en voorkeur voor een vertrouwde omgeving behoren tot de redenen van waardevolheid - met andere woorden, belangen.
Datgene wat emoties uitlokt kan worden vergeleken met een mathematische functie. Constellaties definiëren soorten relaties die elk een bepaalde uitkomst hebben, ongeacht wat de variabelen in de relatie representeren; dat wil zeggen, ongeacht de speciale aard van de gebeurtenissen en belangen. De uitkomsten van constellaties zijn invariant als de gebeurtenissen en belangen variëren. De uitkomsten zijn ook invariant met betrekking tot andere aspecten van gebeurtenissen en belangen. Emoties ontstaan door
de verandering in de mate van bevrediging of schade die de gebeurtenissen met zich meebrengen, veeleer dan door de absolute mate van bevrediging of schade. Er is meer vreugde in de hemel over één zondaar die zich bekeert dan over tien rechtvaardigen. Hetzelfde geldt op aarde: het verlies van een verwachte beloning is ongeveer gelijkwaardig aan het onverwacht krijgen van straf, en blijdschap is net zo goed een gevolg van het ontsnappen aan bedreiging als van het ontvangen van bevrediging. Men neme dit niet luchthartig: er ontstaat wanhoop wanneer men van rijkdom in armoede belandt; er is echte blijdschap wanneer onmenselijke omstandigheden veranderen in net verdraagbare, zoals elke politieke gevangene kan vertellen.
Emoties worden dus opgewekt door constellaties van gebeurtenissen die relevant zijn voor belangen. Zij resulteren uit de match of mismatch tussen gebeurtenissen en belangen. Men kan zeggen dat positieve emoties het resultaat zijn van gebeurtenissen die een match inhouden: echte of aangekondigde belangenbevrediging. Negatieve emoties zijn het resultaat van gebeurtenissen die een mismatch inhouden: echte of aangekondigde belemmering van de belangenbevrediging. Neutrale, cognitieve emoties komen voort uit gebeurtenissen die er als mogelijkerwijs relevant voor een belang uitzien, en uit gebeurtenissen die enkel maar afwijken van datgene wat verwacht was. Begeertes komen voort uit de afwezigheid van belangenbevrediging en uit de herkenning van passende objecten voor belangenbevrediging.
De verschillende positieve, negatieve en neutrale emoties worden veroorzaakt door varianten van de zojuist beschreven constellaties. In deze varianten is de aard van de match of mismatch verder gespecificeerd. De voornaamste constellaties springen naar voren in het dagelijkse taalgebruik en in de psychologische literatuur over wat emoties uitlokt: verlies, bedreiging, uitdaging, en frustratie in de verschillende en overlappende betekenissen van het geblokkeerd zijn van doelgerichte activiteit of van het bevredigen van een verlangen, of van het verminderen van de verwachte beloning (Yates 1962; Lawson 1965). Zelfs een aantal van de in de vorige paragraaf besproken ‘stimuli’ blijken, als men er goed naar kijkt, constellaties te zijn: onbekendheid bijvoorbeeld, verwijst duidelijk naar een relatie tussen gebeurtenissen en verwachtingen in plaats van naar een stimuluscategorie.
De behavioristische literatuur heeft een systematisering van de basisconstellaties verschaft. Millenson (1967) gaf een viervoudige indeling van de constellaties van primaire, feitelijke bekrachtiging. Wat een bekrachtiging is - wat aversief of belonend is - hangt uiteraard af van de belangen van het individu. De indeling is equivalent aan die van de basispatronen van het appel dat in hoofdstuk 4 is gegeven; het schema van bekrachtigingsconstellaties is weergegeven in figuur 5.1. De emotiewoorden in de figuur zijn alleen illustratief bedoeld.
| Beloning | Straf | |
|---|---|---|
| Aanbieden | Vreugde | Verdriet |
| Onthouden | Frustratie | Vreugde |
| Bron: naar Millenson 1967 | ||
Mowrer (1960) heeft de constellaties van secundaire bekrachtiging, dat is, de signalering of anticipatie van de primaire constellaties, besproken; deze zijn volgens de herformulering van Hammond (1970) weergegeven in figuur 5.2. De gebruikte emotiewoorden zijn die van Mowrer, en dienen wederom slechts ter illustratie. Gray (1971, 1982) heeft deze conceptualisering van de voorwaarden voor emoties onlangs nieuw leven ingeblazen. Hij wees erop dat de emotionele effecten van de constellaties mede worden bepaald door de mate waarin het optreden van belonende of aversieve gebeurtenissen afhangt van de responsen van het subject. Dit aspect brengt een verdergaande differentiatie in de constellaties aan; de inschatting hiervan door het subject komt overeen met wat in paragraaf 4.4 secundaire taxatie werd genoemd, en de corresponderende appelkenmerken werden beschreven als actierelevante componenten of contextcomponenten. Wanhoop ontstaat als de gesignaleerde aversieve gebeurtenissen onafwendbaar zijn; verdriet als de beloning volledig eindigt, en wel voorgoed; woede als de aversieve gebeurtenis, gesignaleerd of niet, beheersbaar lijkt, enz.
| Beloning | Straf | |
|---|---|---|
| Gesignaleerde toename | Hoop | Vrees |
| Gesignaleerde afname | Teleurstelling | Opluchting |
| Bron: naar Mowrer 1960 en Hammond 1970 | ||
Er is één categorie constellaties die niet netjes in dit schema past, en die als zodanig door Gray werd opgemerkt: onbekendheid of vreemdheid. Deze categorie ligt ten grondslag aan een aparte categorie emoties, namelijk de cognitieve: aandacht, verbazing, belangstelling, nieuwsgierigheid.
De analyse van de antecedenten van emoties in termen van constellaties laat duidelijk zien dat emoties niet opgewekt worden door de aanwezigheid of afwezigheid van belonende of aversieve gebeurtenissen als zodanig: ze worden opgewekt door zulke gebeurtenissen in hun actierelevante context en in de context van heersende verwachtingen. Blijdschap wordt niet opgewekt door de pure aanwezigheid van de geliefde, maar door haar verschijning na een tijdje afwezigheid, of door het besef dat haar aanwezigheid niet vanzelfsprekend is. Blijdschap ontstaat meestal bij een bijzondere constel-
latie die afwisselend de ‘arousal jag’ (Berlyne 1960; zie hoofdstuk 2), de ‘arousal-veiligheidssequentie’ (Sroufe & Waters 1976), of de ‘uitdaging-veiligheidssequentie’ (Rothbart 1973) wordt genoemd. Dit werd al aangestipt bij de bespreking van het lachen: baby's lachen om dingen die een paar weken eerder onrust of spanning opriepen, maar die net vertrouwd zijn geworden of die worden beleefd in veilige aanwezigheid van een vertrouwd persoon.
Er zijn constellaties die niet zozeer betrekking hebben op het optreden van gebeurtenissen maar op het bewaken van zich voltrekkende gebeurtenissen of in uitvoering zijnde handelingen: gespannen afwachting - onzekerheid of een resultaat wordt bereikt; onzekerheid in engere zin - onzekerheid welke van de verschillende resultaten wordt bereikt; teleurstelling - het uitblijven van een verwacht resultaat; ontmoediging - geen uitzicht op positieve resultaten; tevredenheid - verwachte of verkregen positieve resultaten (Simon 1967; Abelson 1983). De constellaties zijn genoemd naar de emoties die zij opwekken wanneer de uitkomsten relevant zijn voor de belangen van het subject.
De verschillende constellaties beschrijven niet alleen de uitlokkende omstandigheden voor zulke volwaardige emoties als verdriet, vrees, blijdschap of woede, die iemand doen huilen, vluchten, lachen of slaan. Ze beschrijven ook de omstandigheden voor de vele ‘kleine’ emoties die voortdurend de dagelijkse gebeurtenissen begeleiden, en die iemand bijvoorbeeld even doen stilstaan of hem in gedachten laten verzinken, die rusteloos maken, de concentratie verstoren of de stemming beïnvloeden, en die mogelijk later, bijvoorbeeld na het werk, weer de kop op steken en zich tot volwaardige emoties uitkristalliseren. Deze kleine emoties weerspiegelen de relevantie van gebeurtenissen voor het doel dat op dat moment gesteld is, of voor belangen zoals zelfrespect of sociale acceptatie die op het moment zelf secundair zijn aan datgene waar men mee bezig is of zijn aandacht op heeft gericht. Het al of niet bereiken van het doel van het ogenblik kan, als een terzijde, impliceren dat een onaangename uitkomst niet te veranderen valt, en dus een voorbijgaand neerslachtig gevoel veroorzaken, of het kan betekenen dat iemand er misschien van hoort, en dus een ogenblik van zenuwachtige bezorgdheid oproepen.
De gedachte dat de verschillende emoties worden opgewekt door verschillende constellaties, waarin de objecten en de belangen niet gespecificeerd zijn, is van toepassing op emoties zoals woede, vrees en vreugde, die gedefinieerd zijn door een actiebereidheidsmodus. Het gaat duidelijk niet op voor emoties die door hun object zijn gedefinieerd (zie ‘Definities van emotie’ in par. 2.8). Binnen de op deze wijze gedefinieerde emoties - binnen, bijvoorbeeld, verdriet of jaloezie of wraakzucht - bepalen de constellaties van de juist besproken soort welke respons er precies optreedt. Binnen verdriet bijvoorbeeld bepalen verschillende specifieke constellaties, op
verschillende momenten, of er passieve wanhoop, of opgewonden ontsteltenis of kwaad verzet ontstaat. Uiteraard worden de objectgedefinieerde emoties nog altijd opgewekt door de algemene constellatie van een gebeurtenis die een belang raakt.
De beschouwing van emoties als reacties op constellaties heeft consequenties voor de kwestie van het aangeboren zijn van stimuli. Constellaties kunnen worden opgevat als de oorspronkelijke, grotendeels ongeleerde uitlokkers van emotie. Dat wil zeggen, de constellaties, de inschatting van de belangenrelevantie en van de soort en de context van die belangenrelevantie, zijn de ongeleerde ‘stimuli’ voor de gedragssystemen en activatiewijzen; de activatie daarvan vormt veranderingen in actiebereidheid. Vrees - bereidheid tot en reactie van bescherming en vlucht - is de ongeleerde respons op gevaarsignalen, zelfs als geleerd moet worden wat precies een gevaarsignaal is. Het onherstelbare verlies van een waardevol object of persoon is de ongeleerde stimulus voor verdriet - activatieverlies, hulpeloosheid en apathie - zelfs als geleerd moet worden welke stimuli de onherstelbaarbaarheid van verlies aanduiden, en zelfs als de waardevolheid van het object aangeleerd was. Voor beheersing na gespannen afwachting, een stimulus voor vreugde of toename van de vrije activatie, geldt hetzelfde: wat precies onder beheersing wordt verstaan is geleerd, maar wanneer de situatie eenmaal zo gedefinieerd is zijn lachen en schreeuwen de ongeconditioneerde responsen erop. Dit, zou men zeggen, is de enige consistente interpretatie van wat ongeleerde responswijzen opwekt. Het is zinvol om te vragen waarom een brand of een spin gevaar voor iemand betekenen; maar het is niet zinvol om te vragen waarom gevaar angst opwekt. Als gesproken wordt over aangeleerde emoties bedoelt men over het algemeen dat het leerproces een definitie van de situatie heeft verstrekt, zodanig dat de constellatie die bij de bedoelde emotie hoort prevaleert en de ongeleerde respons op die constellatie volgt.
De centrale hypothese in deze analyse is dat emoties grotendeels voortkomen uit gebeurtenissen die belangenbevrediging bevorderen of bemoeilijken, door middel van positieve of negatieve bekrachtiging, en uit gebeurtenissen die niet corresponderen met verwachtingen of cognitieve schemata. Deze analyse is in overeenstemming met die van de match-mismatch-theorieën die eerder aan de orde zijn geweest. De analyse verschilt echter van een aantal daartoe gerekende theorieën (die van Hebb en Mandler bijvoorbeeld) die de nadruk leggen op mismatch met verwachtingen en schema's, maar belangen (hedonische kwaliteit, bekrachtiging en drijfveren) buiten beschouwing laten. Ze verschilt vooral van behavioristische opvattingen in de cognitieve benadering van emotionerende constellaties.
De hier gegeven analyse van het ontstaan van emoties impliceert de hypothese dat alle emoties en alle vormen van emotionele respons voortvloeien uit de relevantie die een emotionerende gebeurtenis heeft voor een
of ander belang. Aan deze hypothese kleeft het bezwaar dat er belangeloze emoties lijken te bestaan - in het bijzonder de esthetische emoties, maar ook sympathie, medelijden en dergelijke. Deze kwestie wordt in hoofdstuk 6 aan de orde gesteld.
Vrees kan worden opgevat als de respons op iets dat een bedreiging voor een of ander belang inhoudt, vreugde als de respons op iets dat bevrediging van een of ander belang betekent of voorspelt. Maar welke betekenis hebben de objecten en uitlokkers van bewondering, tederheid en liefde? En door welke constellatie ontstaan zij?
Het antwoord is al eerder gegeven: deze emoties ontstaan wanneer objecten worden herkend als passende bevredigers van belangen. Bij tederheid is het belang zorgen-voor: bij bewondering kunnen het van allerlei belangen zijn, maar alle hebben betrekking op waarden; bij liefde is het belang nabijheid, naast andere zaken. De constellatie waarin deze herkenning optreedt en waarbinnen de emoties ontstaan, is die van de aanwezigheid van het object; het gaat om deze aanwezigheid als zodanig, en niet het onverwacht verschijnen, de belofte van aanwezigheid, of de drang van het bezit. Het object is er, het is beschikbaar om gerief of plezier te verschaffen door middel van dat gedrag dat in aanmerking komt: koestering bij tederheid, cognitieve toeëigening bij bewondering; in de buurt blijven enzovoorts bij liefde. Er zijn veel emoties die aan deze beschrijving voldoen: allerlei vormen van verrukking en vermaak, fascinatie, welbehagen, en trots in de betekenis van tevredenheid met eigen prestaties. Deze emoties kunnen alle onder de term genoegens worden gevangen.
Elk van de categorieën van emoties die hier worden onderscheiden ontstaan uit omstandigheden met een andere plaats in de reeks gebeurtenissen die tot belangenbevrediging leiden. Verlangen wordt opgewekt door de gedachte aan of de ontmoeting met een passend object, dat niet in het bezit is maar daar wel om lijkt te vragen. Emoties in engere zin ontstaan door gebeurtenissen die worden ontmoet op de weg naar het bezit, of die dat bezit verstoren, of zo'n verstoring ongedaan maken. Genoegens ontstaan wanneer men bij het object is aangeland; ze reageren op onbelemmerd bezitten.
Net zoals er emoties bestaan die afhankelijk zijn van de herkenning van objecten als passende objecten voor een belang, zijn er emoties die ontstaan uit de herkenning van niet-passende objecten: haat, afkeer, aversie - allemaal emoties met het kenmerk negatieve ‘objectevaluatie’ (par. 4.4). Ook deze emoties worden enkel opgewekt door de confrontatie met de objecten. Hier wordt het onderscheid met de emoties in engere zin echter al gauw minder vruchtbaar, omdat de aanwezigheid van niet-passende objecten gemakkelijk overgaat in het schaden van belangen.
Het ontstaan van een emotie hangt niet alleen af van de aan- of afwezigheid van emotionerende gebeurtenissen, maar ook van de aan- of afwezigheid van stimuli die tot inhibitie leiden. Inhibitoren worden in hoofdstuk 8 behandeld. Naast inhibitoren zijn er facilitatoren: stimulusomstandigheden die de opwekking van emotie vergemakkelijken zonder dat zij zelf stimuli voor die emotie zijn. Warme, tolerante en begripvolle mensen zijn bijvoorbeeld bevorderend voor het voelen en tonen van verdriet en onrust, misschien omdat ze inhiberende omstandigheden teniet doen. Faciliterend zijn ook omstandigheden waarbij het ervaren of uiten van emoties een secundaire winst belooft. Dit soort facilitatoren komt eveneens in hoofdstuk 8 ter sprake.
Heel in het kort moet hier het probleem aangestipt worden dat facilitatie van een respons door bijkomende stimuli vaak kan worden opgevat ofwel als het gevolg van afname van inhiberende controle ofwel als bijdragen van de stimuli aan het appel. Die stimuli kunnen er bijvoorbeeld toe leiden dat de ernst van de situatie in het oog springt, in het geval van verdriet, of de beheersbaarheid in het geval van woede. Berkowitz (1974) verkiest de laatstgenoemde interpretatie om het faciliterende effect op agressief gedrag te verklaren van stimuli die met agressie zijn geassocieerd (wapens, voorafgaande presentatie van beelden van geweld, stimuli die geassocieerd zijn met eerder agressief succes). Berkowitz en Le Page (1967) lieten een handlanger optreden als proefleider in een experiment dat zij als een leerexperiment presenteerden; de proefleider moest de proefpersonen elektrische schokken geven als zij zogenaamd een fout maakten. Als de proefpersonen daarna de experimentatorrol mochten vervullen dienden zij schokken van een hoger voltage toe wanneer er toevallig een pistool in de kamer lag dan wanneer dit niet het geval was. Bandura (1973) interpreteert deze verschijnselen echter als gevolgen van de afname van inhibitie.
Het is niet gemakkelijk te kiezen tussen deze twee interpretaties, namelijk de opwekking van facilitatie versus de afname van inhibitie. Baby's worden bijvoorbeeld minder angstig door de aanwezigheid van de moeder en door troostend gedrag als strelen en wiegen. Die aanwezigheid en dat gedrag kunnen ofwel als stimuli voor veiligheid ofwel als inhibitoren van zich ongelukkig voelen worden beschouwd. Mandler (1975) stelt de laatste interpretatie voor: de stimuli worden verondersteld een ‘fundamenteel van slag zijn’ af te zwakken dat veroorzaakt zou zijn door autonome arousal van puur fysiologische oorsprong.
Niet elke emotie wordt door een stimulus opgeroepen. Sommige depressies (bedoeld wordt een stemming of emotie, niet het klinische syndroom), angstaanvallen en toestanden van vrolijkheid of neerslachtigheid lijken
spontaan op te treden. Hiervoor zijn verschillende verklaringen te geven. De emotie of de stemming kan opgewekt zijn door de algemene situatie van het ogenblik veeleer dan door een specifieke gebeurtenis; of men kan veronderstellen dat de emotie of stemming abrupt doorgebroken is na geleidelijke accumulatie van stress of bevrediging, vanwege fluctuaties in de inspanning om de zaak in de hand te houden, of vanwege het laten schieten van zelfbeheersing. Bij al deze voorbeelden zijn er in feite wel stimuli aanwezig geweest.
Een tweede mogelijkheid is dat emotie of stemming een interne oorsprong heeft. Mandlers (1975) zojuist genoemde notie van ‘fundamenteel van slag zijn’ is hier een voorbeeld van: deze zou uit niets meer dan lichamelijk onbehagen en (voor het kind) onverklaarde arousal bestaan. Deze veronderstelling is vaag aangezien lichamelijk onbehagen en onverklaarde arousal onbehaaglijke stimuli zijn. Desalniettemin is de hypothese dat sommige innerlijke toestanden intrinsiek emotioneel zijn plausibel. Dit zou in het bijzonder van toepassing kunnen zijn op activatiemodi. Acitiviteit is activerend, en het verlies van drijfveer, interesse of intentionaliteit zou heel goed als zodanig deprimerend kunnen zijn. Dergelijke variaties in activatie zouden zelf aan puur biochemische oorzaken te wijten kunnen zijn, zoals vermoedelijk bij bepaalde manische en depressieve stemmingswisselingen inderdaad het geval is.
Angst kan ook niet-psychologische oorzaken hebben: het vermogen om met moeilijke situaties om te gaan kan verminderd zijn, of als verminderd ervaren worden, als gevolg van uitputting, hersenbeschadiging of hormonale deficiëntie. Toch zou men dan nog steeds kunnen zeggen dat die interne condities emoties bepalen door middel van psychologische factoren. Het hanteringspotentieel ís laag, en de wereld dus onveilig, want anders zou er, mag men aannemen, geen sprake van angst zijn maar gewoon van traagheid en cognitieve of energetische deficiëntie; hetzelfde geldt voor biochemisch veroorzaakte euforie en depressie, en voor de aangenaamheid van activatie.
Een derde mogelijkheid is dat emoties optreden om redenen die te maken hebben met het emotioneel metabolisme of interne regulerende processen. R.L. Solomon (1980; Solomon & Corbit 1974) presenteerde de ‘opponent process theory’, een theorie van tegengestelde processen van emotie en motivatie. Affectieve processen, opgewekt door een of andere stimulus of activiteit, zouden complementerende, ‘tegengestelde’, compenserende processen oproepen. Plezier wordt verondersteld een compenserend depressief proces te genereren, en vice versa. Wanneer de stimulus optreedt is het directe proces het sterkst, maar het indirecte, tegengestelde proces is duurzamer dan het eerste. Het gevolg is dat er een terugslag optreedt, een stemmingsomslag, zodra de directe stimuluseffecten zijn uitgewerkt: uitgelatenheid na angst, neerslachtigheid na via farmaca opgewekte
euforie, katers na plezier. Het door Solomon en Corbit aangedragen bewijsmateriaal laat verschillende alternatieve interpretaties toe; daarom is de ondersteuning voor hun theorie zwak. Desondanks is de hypothese van processen die het affectieve systeem na verstoringen restabiliseren plausibel en aantrekkelijk. Indien zij klopt hebben de betreffende stemmingswisselingen geen externe of psychologische reden.
We hebben betoogd dat emoties niet zozeer door specifieke stimuli alswel door constellaties worden opgewekt; verschillende emoties corresponderen met verschillende constellaties in plaats van met verschillende soorten stimuli. Desondanks is het belangrijk de specifieke stimuli te beschrijven die mensen boos, vrolijk, jaloers enzovoort maken. Zo'n beschrijving is behalve interessant ook noodzakelijk als basis voor een goede definitie van de betreffende constellaties. Als bijvoorbeeld verondersteld wordt dat woede wordt opgewekt door frustratie (Dollard e.a. 1939) of door het toeschrijven van vervelende gebeurtenissen aan de intentie van iemand die controle over de gebeurtenissen heeft (Weiner 1981), dan zal de beschrijving van de omstandigheden die in feite aanleiding geven tot woede moeten uitmaken of frustratie - of de attributie van intentie - in al die omstandigheden voorkomt; beide veronderstellingen zijn overigens niet juist gebleken.
Een ander doel van de beschrijving van emotionele stimuli is de analyse van de belangen die een rol spelen bij de verschillende emoties. Ontstaat woede door gefrustreerd verlangen naar beheersing of door de frustratie van elk willekeurig belang? Welke belangen staan op het spel bij erotische jaloezie: is dat het verlangen de relatie te beschermen of is het de eigenwaarde van het subject? Het bestaande onderzoek geeft ondersteuning voor beide veronderstellingen (bijv. Buunk 1980; White 1981). En ontstaat een neerslachtige stemming door het verlies van bekrachtigers, verlies van de effectiviteit van bekrachtigers of verlies van sociale bekrachtigers (Eastman 1976; Costello 1972)? Wat zijn de bronnen van vrolijkheid? Kunnen deze altijd worden gevat onder de arousal-veiligheidsconstellatie of equivalenten daarvan? Er bestaat over al deze vragen veel onduidelijkheid.
De beschrijving van de voornaamste stimuli voor de verschillende emoties valt buiten het bestek van dit boek; elke emotie verdient een monografie, en van een groot aantal emoties bestaan monografieën. Om een paar voorbeelden te geven: Averill (1982) en Tavris (1983) over woede; Berlyne (1960) over nieuwsgierigheid; Marks (1969) en Gray (1971) over vrees; Seligman (1975) over hulpeloosheid en wanhoop; Stotland (1969) over hoop; Schoeck (1966) over afgunst; Clanton en Smith (1977) over jaloezie; Zimbardo e.a. (1974) over verlegenheid; Lynch (1976) over eenzaamheid;
Lewis (1971) en Lynd (1961) over schaamte en schuldgevoel; Marris (1974), Parkes (1972) en Freud (1915) over verdriet; Freud (1905), Gregory (1924) en McGhee (1979) over vrolijkheid; Stoller (1979) over seksuele opwinding; en Stendhal (1820) over verliefdheid.
Vanwege hun algemene theoretische belang zullen hieronder de stimuli voor enkele belangrijke aspecten van emotie worden besproken.
In hoofdstuk 3 is uiteengezet dat niet alle emoties met autonome arousal gepaard hoeven gaan. ‘Emotie’ en ‘arousal’ bestrijken niet hetzelfde domein. De vraag is dus welk soort omstandigheden tot autonome arousal of opwinding leiden.
Mandler (1984) omschrijft die omstandigheden als ‘interrupties’: onderbrekingen van activiteit, van verwachtingen, van doelen of van de uitvoering van plannen. Het begrip interruptie is echter te breed om zinvol te zijn, want hoe kunnen verwachtingen onderbroken worden? De connotatie van het begrip zou echter zeer wel toepasselijk kunnen zijn voor specifieke, autonome arousal opwekkende omstandigheden. Die connotatie is: een noodzaak tot hernieuwde aanpassing. Elke onverwachte gebeurtenis, pijnlijke stimuli en onverwachte prettige gebeurtenissen inbegrepen, eisen enige onmiddellijke heraanpassing, zelfs als er niet iets onderbroken wordt; de gebeurtenis dient toch op zijn minst gelokaliseerd en geïdentificeerd te worden. Een echte onderbreking van activiteit of aandacht vereist uiteraard ook heraanpassing, tenzij voortzetting van dat gedrag niet van belang is. Zelfs als men de verandering verwacht of anticipeert, blijkt er vaak een vorm van heraanpassing nodig te zijn: assimilatie van de gebeurtenis wanneer deze zich voordoet, en preparatie voor daarop volgende actie of opnieuw richten van de aandacht: die voetbalwedstrijd waar ik naar kijk bijvoorbeeld moet van nu af aan bekeken worden vanuit de invalshoek dat het 1-0 is. In deze betekenis verwijst interruptie naar hetzelfde domein van omstandigheden dat eerder in dit boek met de appelcomponent moeilijkheid is aangeduid. De verklaring voor autonome opwinding bij vreugde wordt dan vergelijkbaar met die van Sartre (1939) voor vreugdevol gedrag in het algemeen: het is moeilijk een nieuwe verworvenheid of succes snel te verwerken, maar men moet er in elk geval op reageren en zich eaan aanpassen. De nadruk op een heraanpassingsvoorziening spoort met de invloed die de factoren onvoorspelbaarheid en onbeheersbaarheid op de opwekking van arousal hebben (par. 5.6).
De omstandigheden die aanleiding geven tot positieve emoties werden in algemene termen gekenschetst als het bereiken van belangenbevrediging of de belofte daarvan. Belofte betekent dat men wordt geconfronteerd met
een gebeurtenis die bevorderlijk is voor de bevrediging van een belang of met signalen die een toename in de waarschijnlijkheid van bevrediging aangeven.
Tot die signalen behoort onder andere ook de schatting dat succes van het eigen handelen waarschijnlijk is, dat wil zeggen, tot die signalen behoren ook obstakels op de weg tot het beoogde doel die er bedwingbaar uitzien: de constellatie van uitdaging. Confrontatie met een uitdaging is aangenaam, mits de uitdaging niet in een dreiging verandert - en mits het beheersen van de uitdaging niet te lang op zich laat wachten: beloften worden meestal teleurstellingen wanneer ze niet vervuld worden.
Zoals eerder gezegd is het niet zozeer het hebben alswel het bereiken van positieve resultaten dat een positieve emotie oproept. Voortdurende genoegens worden vanzelfsprekend of zelfs een sleur; het adaptatieniveau verschuift. Over het algemeen kan gezegd worden dat, hoe onverwachter een positieve uitkomst, of hoe groter de gedane moeite om die te bereiken, of hoe groter de onzekerheid over de uitkomst, des te intenser en langduriger is de positieve emotie. De arousal-veiligheidssequentie of de uitdagings-beheersingssequentie illustreren deze algemene regel voor de constellaties die lachen opwekken, maar de regel is ook herkenbaar in de blijdschap om een onverwacht cadeau of in de piekervaring van een bergbeklimmer of een stuntman die voelt dat hij zijn grenzen heeft verlegd (Piët 1986). De mate van uitdaging verschilt bij al deze gebeurtenissen, evenals de relatieve mate van beheersing of veiligheid erna; maar de constellaties zijn in essentie dezelfde. Bij de bespreking van lachen is al ter sprake gekomen dat in theorieën over de humor over het algemeen een dergelijke sequentie als kern van de verklaring wordt aangewezen.
In dat verband werd er ook op gewezen dat het onduidelijk is in hoeverre deze positieve emoties voortkomen uit opluchting en de ontlading van eerder opgebouwde gebonden activatie, dan wel uit de verkregen of herwonnen beheersing en competentie. In elk geval behoren de laatste factoren tot de belangrijkste specifieke determinanten van positieve emoties. Triomf is wel een algemeen voorkomende component van vreugde genoemd (Bull 1951), en het bereiken van de meeste bevredigingen leidt ook tot grotere zelfwaardering vanwege het feit dat men ze bereikt heeft. Het aangename van spanning en avontuur komt waarschijnlijk ten dele, of misschien zelfs voornamelijk, uit dit soort profijt voort; het komt in elk geval sterk naar voren in de verslagen die geoefende bergbeklimmers en stuntmannen over hun ervaringen geven. Anticipatie van beheersing, de taxatie van een situatie als uitdaging, is een bron van positieve emotie die dezelfde relatie heeft ten opzichte van beheersing, als belofte in het algemeen heeft tot succes in het algemeen. Het belang van het appel van uitdaging is uitgebreid besproken door Lazarus (1966; Lazarus, Kanner & Folkman 1980).
Er zijn twee soorten stimuli die positieve emoties en een toename van
activatie veroorzaken maar die niet goed aansluiten bij de hierboven gegeven omschrijving: activiteit die omwille van de activiteit zelf wordt uitgevoerd en niet als reactie op externe eisen; en opwindende stimuli zoals levendige muziek of misschien sterk afwisselende stimuli in het algemeen. Wat het eerste betreft is al eerder opgemerkt dat men plezier kan beleven aan wandelen en andere vormen van lichaamsbeweging, en in het 's morgens uitgerust ontwaken bij een stralende zon en een frisse lucht. Dit soort plezier kan zelfs zover gaan als opgetogenheid. Thayer (1978a,b) constateerde toename in de gevoelens van kracht en vitaliteit na lichamelijke inspanning. Misschien komt die toename voort uit een versterkt gevoel van competentie en goed functioneren. Intuïtief beschouwd lijkt lichaamsbeweging echter een directer effect op de stemming te hebben: lichaamsbeweging lijkt de activatie rechtstreeks te stimuleren en het is dus waarschijnlijk dat fysiologische hypothesen de beste verklaring opleveren. Voor de tweede soort stimuli gaat hetzelfde op. Levendige muziek en dansen zijn niet zozeer stimuli die plezier opwekken, het zijn op zichzelf opwekkende, kracht verlenende stimuli; ze maken activatiereserves los. Hoe het komt dat sommige muziek dit effect heeft is niet duidelijk. Mogelijkerwijs beantwoordt de muziek aan het principe van de assimilatie-met-enige-inspanning, dat in het algemeen aan aantrekkelijke stimuli ten grondslag lijkt te liggen (Kreitler & Kreitler 1972; zie hoofdstuk 6) en dat gerelateerd is aan de opeenvolging van uitdaging en beheersing; maar dat specificeert noch verklaart de activerende vermogens. Voorlopig moeten deze maar genomen worden voor wat ze zijn.
Dat wat in het vorige stukje werd besproken heeft een ruimere strekking. Er zijn stimuli die de emotionele toestand van het organisme veranderen vanwege hun temporele (en misschien andere) kenmerken, en niet primair vanwege hun betekenis. Hiertoe behoren bepaalde bewegingen: herhaalde bewegingen en misschien expressieve bewegingen die herhaaldelijk na elkaar en met overtuiging worden uitgevoerd. We bedoelen hiermee die externe stimuli en bewegingen die trancetoestanden kunnen opwekken en ook die opzettelijk uitgevoerde expressie-achtige bewegingen die erin slagen echte emotionele arousal op te wekken. De precieze voorwaarden voor de twee soorten effect zijn mij niet bekend, en de betrokken mechanismen dus evenmin. In paragraaf 8.5 worden wel enige veronderstellingen over de mogelijke mechanismen gegeven. Snel achtereen herhaalde stimulatie leidt uiteraard tot desynchronisatie van het eeg; of dit ook onder de zojuist beschreven omstandigheden gebeurt is onbekend, maar zelfs indien dat het geval is zou het niet echt verklaren wat er gebeurt. Dat emotioneel beleven door de proprioceptieve feedback van uitgevoerde bewegingen wordt voortgebracht is een onwaarschijnlijke en in elk geval onvolledige hypothe-
se. Er is hier sprake van echte emotieopwekking en niet alleen van een emotionele beleving die met de uitgevoerde bewegingen overeenkomt. Zoals de zaken nu staan is er een proces dat van grote betekenis is voor het begrijpen van de emotiemechanismen niet verklaard.
Er zal niet uitgebreid op de stimuli voor stemmingen worden ingegaan omdat hierover geen systematische behandeling in de literatuur bestaat. De aanleidingen voor stemmingen kunnen waarschijnlijk in drie categorieën worden ingedeeld: 1 na-effecten van emoties; 2 toestanden van het organisme zoals ziekte, vermoeidheid, voorafgaande lichamelijke inspanning, goede gezondheid, of farmaca; 3 algemene omstandigheden in de omgeving en neveneffecten van activiteiten: hitte, lawaai, afwisseling, belastende omstandigheden. Waarom en wanneer emoties tot langerdurende stemmingsveranderingen leiden is tot nog toe vrijwel niet onderzocht.
De term stressor wordt gebruikt voor een stimulus of gebeurtenis, of beter gezegd, voor een relatie tussen het subject en de omgeving ‘die door het subject wordt getaxeerd als een belasting van of een aanslag op zijn reserves en een bedreiging voor zijn welbevinden’ (Lazarus & Folkman 1984, blz. 21). Het woord verwijst dus niet naar een specifieke stimuluscategorie, omdat het van de taxatie van de stimulus en van de eigen mogelijkheden van het subject afhangt of een bepaalde stimulus een stressor is. Daarnaast is het zo dat, hoewel meestal stimuli voor negatieve emoties als stressoren worden aangemerkt - vooral als ze intens of duurzaam zijn - ook stimuli voor positieve emoties dat effect kunnen hebben: het overwinnen van een uitdaging vereist inspanning, en hetzelfde geldt voor het genieten van menige intrinsiek plezierige situatie. Het begrip ‘stressor’, zoals dat hier gedefinieerd wordt, strekt zich ook uit tot gebeurtenissen - taken, stimuli - die langdurige aandacht vergen, al is het waarschijnlijk dat de belastende eigenschappen daarvan voor een groot deel liggen in de emotionele gevolgen die verslapping van de aandacht met zich mee zouden brengen, dat wil zeggen, in de last van verantwoordelijkheid.
Er werd al herhaaldelijk benadrukt dat emotionele intensiteit geen enkelvoudig begrip is. Wat effect heeft op de ene index van intensiteit, hoeft geen effect te hebben op een andere: zo kunnen voorvallen die iemand niet echt van slag brengen wel nog dagen blijven doorzeuren.
Het is duidelijk dat de factoren die de emotionele intensiteit beïnvloeden
ook bepalen of er al dan niet een emotie wordt opgewekt: ‘geen respons’ is de ondergrens van responsintensiteit.
Hieronder worden enkele belangrijke stimulusfactoren of stimulusafhankelijke factoren besproken die het ontstaan en de intensiteit van emotie beïnvloeden wanneer er zich een potentieel emotionerende gebeurtenis aandient.
Men mag aannemen dat de intensiteit van emoties een functie is van de intensiteit van de stimuli of van de ernst van de gebeurtenissen. De fysiologische respons op aversieve stimuli (elektrische schokken, lawaai) neemt toe met de sterkte van deze stimuli; hetzelfde geldt voor de subjectieve onaangenaamheid (bijv. Tursky 1974). Janis (1951) constateerde dat naarmate mensen ernstiger door luchtaanvallen waren getroffen (al dan niet onder het puin vandaan zijn gehaald, al dan niet vrienden of familie hebben verloren, enz.), ze een grotere kans maakten op latere emotionele stoornissen; de mate waarin soldaten hadden blootgestaan aan oorlogsgeweld blijkt gerelateerd te zijn aan latere angstsymptomen (Star, geciteerd in Janis 1971). Over het algemeen neemt de agressiviteit toe naarmate de frustratie toeneemt (Dollard e.a. 1939; Berkowitz 1962). Graham e.a. (1951) vroegen proefpersonen naar hun meest waarschijnlijke reactie op verschillende vormen van vijandige bejegening, variërend van onvriendelijkheid tot lichamelijk geweld; de intensiteit van de veronderstelde reactie was direct evenredig met de ernst van de bejegening.
De ernst van gebeurtenissen is echter zelden in termen van stimuli uit te drukken. Meestal gaat het om relatieve in plaats van absolute hoeveelheden: minder krijgen dan verwacht, meer dan verdiend, of minder of meer dan degenen waarmee men zich vergelijkt (Festinger 1954). De ernst hangt ook af van de nabijheid in plaats of tijd van betekenisvolle gebeurtenissen: de urgentie van de gebeurtenis (par. 4.4), die zo dadelijk aan de orde komt. Maar belangrijker is dat de ernst afhangt van de belangen waarvoor de gebeurtenis relevant is. Een bepaalde gebeurtenis is ernstiger voor de een dan voor de ander omdat ze meer belangen, of meer op de voorgrond tredende belangen raakt; de gebeurtenis heeft een grotere of een meer ingrijpende betekenis. Die relevantie voor een belang is evenzeer een uitvloeisel van cognitieve processen, van wat de persoon denkt dat de implicaties zijn, als van de feitelijke effecten van de gebeurtenis. Tursky's pijnexperiment bij vrouwen met een verschillende culturele achtergrond geeft hier een voorbeeld van: pijn was voor sommige vrouwen iets puur onaangenaams, voor anderen een belediging, en voor weer anderen een bedreiging voor de gezondheid dan wel een test van moedigheid. Pijnschatting en tolerantiegrens verschilden dienovereenkomstig. Het is gemakkelijk voorbeelden te vinden van verschillen tussen de objectieve intensiteit van een gebeurtenis
en de subjectieve ernst ervan. Milde verwijten kwetsen dieper dan lichamelijk geweld wanneer de eerste impliceren dat men liefde kwijtraakt of zijn gezicht verliest. Soms verkiezen mensen de dood boven het verlies van een ledemaat, van hun seksuele vermogens of van hun financiële positie wanneer een van die laatste inhoudt dat ze als een afhankelijke gehandicapte of overladen met schande door het leven zouden moeten gaan.
Gebeurtenissen zijn vaak ernstig omdat ze meerdere belangen raken; gebeurtenissen kunnen een meervoudige betekenis hebben. Een injectie kan eng zijn omdat ze pijn doet en men bovendien geen controle over de aversieve situatie heeft, en meer nog wanneer dit controlegebrek verafschuwde passiviteit inhoudt. Het verlies van een vriend of partner is niet alleen ernstig omdat de binding sterk was, maar ook vanwege het aantal soorten verlies dat het impliceert - van contact, van steun, van samen boodschappen doen; en het is ernstig omdat het de neus op de eigen sterfelijkheid drukt.
Verwachtingssterkte is meer een subjectvariabele dan een stimulusvariabele. Zoals het begrip hier wordt bedoeld is het echter sterk verbonden met stimulusvariabelen als de temporele of de ruimtelijke nabijheid van de bevredigende en hinderende objecten; en het is verbonden met in uitvoering zijnde handelingen. We kunnen stellen dat de sterkte van verwachtingen met betrekking tot de kans dat een aversieve gebeurtenis zich zal voordoen, een bevrediging verkregen kan worden, of een doelshandeling kan worden uitgevoerd, met deze twee factoren toeneemt.
De variabelen met betrekking tot de nabijheid van een uitkomst bepalen de urgentie van de situatie, en de emotionele intensiteit is vermoedelijk bijzonder afhankelijk van deze variabelen. Verwachtingsvrees stijgt naarmate de gevreesde gebeurtenis nadert, verlangen groeit wanneer de vervulling om de hoek lijkt te liggen, en frustratie neemt toe wanneer de bevrediging op het nippertje geblokkeerd wordt. Er is overvloedige ondersteuning voor deze veronderstelling. Epstein en Fenz (1965) constateerden dat de vreesbeoordelingen van leerlingparachutisten toenamen vanaf de avond voor de dag dat ze moesten springen tot vlak voor de sprong; Ursin e.a. (1978) bevestigden dit aan de hand van fysiologische metingen. De snelheid waarmee ratten op voedsel toerennen stijgt naarmate ze dichter bij de voederbak komen; de snelheid vertraagt als de voederbak elektrische schokken afgeeft, zoals dit gebeurt in een passief vermijdingsexperiment. De ‘doelsgradiënthypothese’ (Miller 1959) is een theoretische formulering van de hierboven genoemde veronderstelling, evenals Sheffields (1965) generalisatie dat het doorkruisen van sterke verwachtingen een intensere emotie oproept dan het uitblijven van bevrediging. Zo blijkt inderdaad dat schattingen van de aantrekkelijkheid van stimulatie na een frustrerende ervaring
hoger liggen dan ervoor (Brehm 1972; Mischel & Masters 1966) - een algemeen fenomeen dat eenieder kent die ooit het gevaar liep door zijn of haar partner te worden verlaten. Proust heeft het beschreven in Albertine disparue, en we zullen het later tegenkomen als de Wet van de Spijt (par. 5.8). Er bestaan enkele aanwijzingen dat de sterkte van appetitieve responsen toeneemt na frustratie, al zijn die aanwijzingen niet sterk (zie Klinger 1975 voor commentaar). De frustratiereacties zijn intenser naarmate de frustratie dichter bij het beoogde doel plaatsvindt. Haner en Brown (1955) onderbroken kinderen die bezig waren met een spel dat eruit bestond steentjes in een bepaald patroon te leggen. Hoe dichter de kinderen bij de completering van de taak waren, des te harder sloegen ze op de knop die het interruptiesignaal afzette. Hotton (1961) vermeldt gelijksoortige resultaten. Ook bij ratten is de samenhang gevonden: wanneer ratten, die via een bepaald traject naar een voederbak moesten rennen, vlak bij de bak werden tegengehouden vertoonden ze meer opwinding dan wanneer dit aan het begin van het traject gebeurde (Lambert & Solomon 1952).
Anticipatie intensiveert de emotionele beleving in die zin dat de tijdsperiode waarover een gebeurtenis emotionele invloed uitoefent aanzienlijk gerekt wordt; de gebeurtenis werpt zijn schaduw of glans vooruit. Bovendien beïnvloedt anticipatie de respons op de emotionele gebeurtenis wanneer deze plaatsvindt. Anticipatie is een determinant van verrassing en teleurstelling; het stelt in staat tot voorbereidend gedrag zoals ontspannen, zich schrap zetten of een testament opmaken, en het geeft gelegenheid voor vooraf-codering van de gebeurtenissen, met overeenkomstige veranderingen in het appel.
Effecten van anticipatie zijn aangetoond in experimenten waarin aversieve stimuli (elektrische schokken, geluidsstoten) al dan niet werden voorafgegaan door een waarschuwingssignaal. De autonome respons is over het algemeen minder sterk wanneer een waarschuwing wordt gegeven dan wanneer er geen signaal is (zie Averill 1973). De responsen zijn intenser wanneer men niet weet wanneer aversieve stimulatie wordt toegediend dan wanneer het tijdstip wel bekend is (Monat, Averill & Lazarus 1972; Glass & Singer 1972). Een onaangekondigde schok veroorzaakt zowel bij honden (Seligman 1968), bij ratten (Weiss 1970) als bij mensen een sterkere respons dan een aangekondigde; dit wijst op de algemeenheid van het effect. Ratten en mensen verkiezen aangekondigde schokken boven onaangekondigde. Individuen verschillen echter in dit opzicht; de voorkeur houdt bovendien niet noodzakelijk in dat de omvang van de respons afneemt, en de omvang van de autonome respons correspondeert niet altijd met de subjectieve beoordeling van hoe onaangenaam het is (Lykken e.a. 1972; Averill 1973): de eerstgenoemde maat is misschien meer een afspiegeling van de
inspanning om de situatie te hanteren dan van hoe onaangenaam deze werd bevonden.
Het gegeven dat een onaangename gebeurtenis minder erg wordt gevonden wanneer zij voorspelbaarder is wordt wel verklaard als een gevolg van voorbereiding (bijv. emotionele beheersing - Epstein & Fenz 1965; Lykken e.a. 1972), of van het gevoel van controle dat men ontleent aan kennis over komende gebeurtenissen (bijv. Glass & Singer 1972). Een waarschuwing vooraf is echter lang niet altijd heilzaam. Aangekondigde schokken leiden niet altijd tot een minder hevige autonome respons, noch tot lagere inschatting van de aversiviteit van pijnlijke stimuli (Furedy & Klajner 1974; Furedy & Doob 1972). Waarschuwingssignalen veroorzaken ook verwachtingsangst, en vormen een belasting vanwege de continue waakzaamheid en de voorbereidende hanteringsactiviteit. Vandaar dat er soms een voorkeur bestaat voor een onmiddellijke schok in plaats van een uitgestelde maar aangekondigde schok (D'Amato & Gumenick 1960; Maltzman & Wolff 1970; Averill & Rosenn 1972). In enkele gevallen bleken aangekondigde schokken tot heftiger reacties te leiden dan onaangekondigde (Liddell 1950; Brady, Thornton & Fisher 1962). In de meeste experimenten met mensen prefereerde tien tot twintig procent van de proefpersonen onaangekondigde schokken (Averill & Rosenn 1972). Kennelijk is het netto-effect van anticipatie afhankelijk van twee tegengestelde factoren: van de belasting die door verwachtingsangst ontstaat en van de vermindering van de verrassing en de daaraan verbonden mogelijkheid voor anticiperende hanteringsactiviteiten.
Dit netto-effect hangt in het bijzonder af van de aard van de vooraf gegeven informatie, van de manier waarop het subject die informatie verwerkt, en van zijn eigen anticiperende cognities. Staub en Kellet (1972) gaven een deel van hun proefpersonen volledige informatie over de effecten van de elektrische schokken die ze zouden krijgen, en over de apparatuur, de ongevaarlijkheid van de schokken, de aard van de gewaarwordingen en dergelijke; andere proefpersonen werden slechts gedeeltelijk of helemaal niet ingelicht; de personen uit de laatstgenoemde groep waren vermoedelijk vrij om bang te zijn voor wat zij zich voorstelden dat er kon gebeuren. Het bleek dat de volledig geïnformeerde proefpersonen intensere schokken als niet-pijnlijk accepteerden in tegenstelling tot de andere proefpersonen. Epstein (1973) constateerde dat het aankondigen van ‘een ernstige schok’ (in plaats van slechts ‘een schok’) de autonome reactie op een schok van een bepaalde intensiteit verhevigde. Hij verklaart responshabituatie op herhaalde schokken ook als het verdwijnen van onnodige vrees.
Janis (1958) onderzocht chirurgische patiënten voor en na hun operatie. Degenen die tevoren in het geheel niet of juist zeer ongerust waren geweest bleken langzamer te herstellen dan patiënten die zich op reële wijze en in reële mate zorgen hadden gemaakt. Janis introduceert het begrip ‘piekerar-
beid’ (zie hoofdstuk 2): het anticiperen op toekomstige moeilijkheden opdat men er niet door overvallen wordt en een goede mentale voorbereiding, zoals vertrouwen in de medische behandeling. Patiënten zonder verwachtingsvrees hadden dit niet gedaan en de overmatig ongeruste patiënten hadden het niet adequaat gedaan. Egbert, Battit, Welch en Bartlett (1964) verifieerden de heilzame invloeden van adequate anticipatie: patiënten die ingelicht werden over de postoperatieve pijn en over de wijze waarop hiermee moest worden omgegaan, hadden significant minder pijnbestrijdende medicijnen nodig dan de ongeïnformeerde patiënten in de controlegroep.
Of informatie heilzaam of schadelijk is blijkt echter af te hangen van de manier waarop het subject ermee omgaat. Cohen en Lazarus (1973) hielden pre-operatieve interviews met eenenzestig patiënten en benoemden hun hanteringswijze als waakzaam, vermijdend of een combinatie daarvan. Er werden na de operatie vijf herstelvariabelen bekeken. Waakzame patiënten scoorden minder gunstig dan de andere op twee van die variabelen (aantal dagen in het ziekenhuis en kleine complicaties) en hun herstel verliep moeizamer. De onderzoekers concluderen dat informatie vooraf alleen nuttig is als de patiënt in staat is er iets positiefs mee te doen.
Leventhal e.a. (1979) toonden aan de hand van de eerder besproken studies (par. 5.2) aan dat informatie vooraf invloed uitoefent via het coderen van toekomstige stimuli. Als die codering emotioneel beladen is neemt de ongerustheid toe; als de codering feitelijk-constaterend is (en meer overeenkomstig de reële situatie) kan de ongerustheid afnemen. Hetzelfde geldt overigens voor positieve stimuli - bijvoorbeeld seksuele stimuli. Wanneer deze worden gecodeerd als puur lichamelijke gewaarwordingen is het genot minder dan wanneer ze worden gecodeerd als aspecten van handelen en feedback van een vervulde - tedere en op genot gerichte - bedoeling. Hierin, lijkt het, ligt de achtergrond voor de gunstige effecten van de oefeningen die in therapieën voor seksuele dysfuncties worden toegepast en die ‘sensate focus’ en ‘pleasuring’ worden genoemd (Masters & Johnson 1970). Deze oefeningen komen neer op het leren plezier te beleven aan seksuele gevoelens.
Opmerkelijke manifestaties van anticipatie zijn contrasteffecten. Hoe aangenaam of onaangenaam een ervaring wordt gevonden hangt af van het niveau waarmee men zijn toestand vergelijkt. Een enigszins triviaal voorbeeld daarvan is dat proefpersonen die werden gewaarschuwd voor een zeer harde knal een bepaalde knal als minder luid beoordeelden dan degenen die op een matige knal waren voorbereid (Epstein & Clarke 1970). Uit een ander onderzoek blijkt dat men de huidige levensomstandigheden aangenamer vond wanneer men eerst de ellendige aspecten van het leven van vroegere generaties had bestudeerd, dan wanneer eerst de aangename kanten waren bekeken (Dermer e.a. 1979). Verwant aan het contrasteffect is het verschijnsel dat de emotionele respons soms toeneemt kort voordat
men verwacht dat een aversieve situatie zal eindigen. Het komt voor dat fobische angst bij claustrofobische patiënten toeneemt vlak voordat de voor hen angstige rit met de trein of de tram eindigt; van gevangenen wordt gezegd dat zij meer vluchtpogingen ondernemen naarmate het einde van hun straftermijn nadert. Hetzelfde komt voor bij soldaten en oorlogsvliegers: ‘Vier jaar geleden maakte het me niet uit. Ik herinner me heel goed dat het me vier jaar geleden niets uitmaakte. Drie jaar geleden maakte het me nog steeds niet uit... Het is prima om te vechten wanneer je toch zult verliezen, en dat was vier jaar geleden het geval, maar nu gaan we winnen’ (Dahl 1945 [1976, blz. 14]). Misschien wordt onder deze omstandigheden de ogenschijnlijke veranderbaarheid van de situatie sterker, of wordt het gevoel sterker dat men zich in een situatie bevindt die anders zou kunnen zijn; of de inspanningen om zich te beheersen verslappen naarmate het einde van de ellende in zicht komt.
Beheersbaarheid betekent dat de uitkomst van gebeurtenissen afhankelijk is van handelingen van het subject zelf. Het is aangetoond dat deze factor een belangrijke determinant is van zowel de intensiteit als de kwaliteit van emotie. Onbeheersbaarheid verergert wat al erg was, en doet afbreuk aan het aangename van iets leuks. Passief moeten afwachten hoe nare gebeurtenissen zich ontwikkelen en toeslaan kan onverdraaglijk zijn. Janis (1971) citeert Grinker en Spiegel (1945), die piloten van bommenwerpers bestudeerden, en Schmideberg (1942), die slachtoffers van bombardementen onderzocht, om aan te tonen dat de duurzame gevolgen van traumatische gebeurtenissen vooral aan de beleving van machteloosheid is te wijten. Algemene onbeheersbaarheid of gevoelens van incompetentie in de omgang met dagelijkse gebeurtenissen zijn genoemd als de primaire bron van angst (het is een van de belangrijkste leerstellingen van de existentiële filosofie; zie ook McReynolds 1976; Mandler 1975; Barendregt & Frijda 1982). Wanneer de controle echter moedwillig wordt doorkruist (dat wil dus zeggen, door instanties die in principe beheersbaar lijken te zijn), ontstaat woede, of, meer in het algemeen, ‘reactantie’: een toegenomen motivatie om de controle te herwinnen (Brehm 1972). Onmachtig zijn of zich onmachtig voelen is waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van zeer heftige woede.
Meer ingrijpende of niet oplosbare onbeheersbaarheid leidt tot gevoelens van depressie en verlies van motivatie zoals in het paradigma van aangeleerde hulpeloosheid. Een groot aantal experimenten heeft deze gevolgen aangetoond bij menselijke proefpersonen die gedurende langere tijd aan onvermijdelijke elektrische schokken of lawaai werden blootgesteld, onoplosbare problemen moesten oplossen, of taken moesten uitvoeren waarbij het welslagen of mislukken niet leek samen te hangen met de gespendeerde moeite (bijv. Glass & Singer 1972; Miller & Seligman 1975;
Abramson e.a. 1978; Wortman & Brehm 1975). Depressie wordt vaak niet zozeer bepaald door de echte onbeheersbaarheid van gebeurtenissen, maar door de overtuiging dat de uitkomsten toch niet beheersbaar zijn, wat men ook doet. Een dergelijke overtuiging wordt als de belangrijkste determinant van klinische depressie opgevat, daar ze opvallend veel aanwezig is in de zelfrapportages van depressieve patiënten (Beck 1967; Abramson e.a. 1978); zo'n overtuiging kan echter ook het gevolg van de depressieve stemming zijn.
De effecten van stress nemen toe wanneer onbeheersbaarheid bovenop aversieve stimulatie op zich komt (Glass & Singer 1972; zie Cohen 1980 voor een overzicht). Wanneer proefpersonen kunnen bepalen wanneer hen elektrische schokken of hard lawaai worden toegediend zijn hun schatting van de mate waarin ze dit onaangenaam zeggen te vinden, de autonome respons en de na-effecten minder extreem dan wanneer ze dezelfde hoeveelheid schokken of geluiden krijgen toegediend zonder dat dit van hun eigen handelen afhankelijk is (Pervin 1963; Staub e.a. 1971; Sherrod e.a. 1977); dit geldt ook voor proefpersonen die zelf mogen kiezen voor een rustpauze tijdens dit soort experimenten, vergeleken met gepaarde proefpersonen die de rustpauze opgelegd krijgen (Hokanson e.a. 1971). Wanneer men mensen die onder lawaaioverlast werken boos maakt, worden zij bozer als ze geen controle hebben over de beëindiging van het lawaai (Donnerstein & Wilson 1976). Frankenhauser (1975) doet verslag van studies die aantonen dat de adrenaline-afscheiding een omgekeerd evenredige correlatie vertoont met de mate waarin mensen controle hebben over de toediening van elektrische schokken. In veel van deze experimenten zijn beheersbaarheid en voorspelbaarheid aan elkaar gekoppeld: het zichzelf toedienen van schokken impliceert dat men weet wanneer de schok komt; de proefpersonen kunnen dus op het moment dat ze zich daar klaar voor voelen kiezen voor een schok of een pauze (Averill 1973). Beheersbaarheid en voorspelbaarheid zijn inderdaad nauw verwant: voorspelbaarheid impliceert een vorm van cognitieve controle en stelt het subject in staat zich beter voor te bereiden (Averill 1973; Rothbaum e.a. 1982).
Beheersbaarheid hoeft geen echte beheersing in te houden om onaangenaam gevoel, depressiviteit of woede te kunnen verminderen; de mogelijkheid tot het uitoefenen van controle, in plaats van passief aan de gebeurtenissen onderworpen te zijn, kan al voldoende zijn. Proefpersonen aan wie wordt toegestaan aversieve stimulatie te beëindigen, vinden die stimulatie minder onaangenaam dan degenen die dit niet mogen, zelfs als de eersten de mogelijkheid onbenut laten (Sherrod e.a. 1977). Het gevoel van controle, de overtuiging geen slachtoffer van de gebeurtenissen te zijn, lijkt een van de determinerende factoren van de ‘bestendigheid’ bij het omgaan met stressoren in het dagelijkse leven (‘hardiness’, Kobasa 1979). Ratten die actief kunnen zijn en bijvoorbeeld een gevecht met andere ratten kun-
nen aangaan wanneer ze aan onbeheersbare elektrische schokken blootstaan, vertonen minder stresseffecten dan ratten die schokken ontvangen en passief moeten blijven (Laborit 1979). Doelgerichte activiteit van mensen kan op dezelfde wijze stresseffecten verminderen, ongeacht of de activiteit op de oorzaak van de stress is gericht of op iets anders. Gal en Lazarus (1975) gaven een overzicht van de literatuur over dit onderwerp. Tijdens landingen op een vliegdekschip ervaren de piloten minder angst en hebben ze minder autonome arousalsymptomen dan hun navigatoren. Men mag veronderstellen dat dit verschil wordt veroorzaakt door het feit dat de laatsten niets meer kunnen doen zodra de landingsoperatie is begonnen; bovendien hebben ze des te meer gelegenheid voor angstige gedachten over wat er gebeuren kan. Een soortgelijke interpretatie wordt aangevoerd voor de verschillen in fysiologische hersteltijd tussen soldaten van een peloton dat een aanval uitvoerde en die van de soldaten van het aangevallen peloton: de hersteltijd was voor de laatsten twee keer zo lang (Davis, geciteerd in Gal en Lazarus 1975). De interpretatie lijkt ook op te gaan voor de verbazend lage plasmacortisolniveaus die zijn aangetroffen bij de bemanningen van in gevechtszones werkende ambulancehelicopters.
De invloed van oncontroleerbaarheid is afhankelijk van de mate van die oncontroleerbaarheid. Matige niveaus van onbeheersbaarheid wekken reactantie op (woede, agressie, toegenomen energie); extremere niveaus leiden over het algemeen tot depressiviteit en passiviteit (Wortman & Brehm 1975). Deze relatie wordt veranderd door de plaats waaraan het subject de controle over gebeurtennissen toekent (‘locus of control’), dat wil zeggen, of het subject zijn eigen gedrag beleeft als voornamelijk intern, dus door hemzelf gecontroleerd, of als extern, door anderen of door de omstandigheden gecontroleerd (Rotter 1966; Lefcourt 1976). Men mag verwachten dat ‘internen’ meer onder het verlies van controle lijden dan ‘externen’; bij de laatste groep zou de respons niet heviger moeten worden. Vergeleken met controlepersonen vertonen ‘internen’ inderdaad reactantie na een lichte ‘hulpeloosheidstraining’ (lichte blootstelling aan onbeheersbare resultaten, bijvoorbeeld in een probleemoplossingstaak), maar prestatievermindering en depressiviteit na een zwaardere training; ‘externen’ presteren onder beide omstandigheden slechter, maar minder slecht dan de ‘internen’ bij de zwaardere hulpeloosheidstraining (Pittman & Pittman 1979).
Beheersbaarheid is niet een onveranderlijk gunstig kenmerk van gebeurtenissen. Het subject wordt belast met voortdurende waakzaamheids- en controleactiviteit, kan teleurgesteld worden als de controle faalt, en draagt bovendien de last van de verantwoordelijkheid. De kosten van de hantering zouden de baten van de beheersbaarheid wel eens kunnen overstijgen, met name wanneer de poging tot controle maar een matig effect heeft (Weiss 1971a,b); vanzelfsprekend maken deze nadelen ook deel uit van
situaties die als onbeheersbaar worden herkend en waarin men zich schikt, door middel van wat Rothbaum e.a. (1982) ‘secundaire controle’ noemen: controle verkrijgen door zichzelf te veranderen, de eigen verlangens, inspanningen en attitudes, in plaats van de wereld. Het vermogen om pogingen tot het verkrijgen van controle op te geven en daarmee de frustraties en aanslagen op de eigenwaarde tegen te gaan, lijkt van vitaal belang te zijn voor het overleven bij langdurig stressvolle omstandigheden. Misschien is dit vermogen meer ontwikkeld bij vrouwen; van vrouwen wordt aangenomen dat ze beter bestendig zijn tegen langdurige stress. Er is enige aanwijzing voor grotere stressbestendigheid van vrouwen, bijvoorbeeld in hun lage adrenaline-afscheiding onder stress (zie Frankenhauser 1975); er is al eerder op gewezen dat adrenaline-afscheiding vooral een reactie lijkt te zijn op de (waargenomen) eisen voor actieve hantering (zie par. 3.8). Anekdotische aanwijzingen voor een groter uithoudingsvermogen van vrouwen komen uit observaties over reacties op de ontberingen in concentratiekampen (bijv. Wilbaut-Guillonard, persoonlijke mededeling).
Beheersbaarheid wordt niet alleen bepaald door de mate waarin de eigenschappen van de gebeurtenis controle toelaten, maar evenzeer door de mate waarin het subject over vermogens beschikt om controle uit te oefenen. Dit gaat twee kanten op. Enerzijds gaat het bij de ontwikkeling van een depressieve respons niet zozeer om de beheersbaarheid op zich, ‘universele beheersbaarheid’, maar om ‘persoonlijke hulpeloosheid’ van het individu ten opzichte van bepaalde gebeurtenissen (Abramson e.a. 1978; Garber & Hollon 1980). Anderzijds zijn de belangrijkste factoren die bergbeklimmers en stuntmensen in staat stellen de zelfgezochte gevaren te doorstaan hun uitgebreide training, vaardigheid en uitrusting (Piët 1986). De persoonlijke kant van beheersbaarheid wordt meestal met ‘competentie’ aangeduid (White 1959; Mischel 1973) of met ‘self-efficacy’ (Bandura 1977b). In overeenstemming met de zojuist gegeven voorbeelden meent men dat competentie of ‘self-efficacy’ over het algemeen de belasting door aversieve gebeurtenissen afzwakt; het is ook deze factor die uitdaging onderscheidt van bedreiging (Lazarus 1966). Wat er volgens Bandura (1979a,b) werkzaam is in gedragstherapieën van fobieën, problemen met het lichaamsgewicht en dergelijke, is de verwerving van hanteringstechnieken; dit betreft zowel technieken om met de omgeving als met eigen verlangens en emoties om te gaan. Bij dit alles telt de taxatie van de beheersbaarheid van gebeurtenissen en van de eigen ‘efficacy’ of competentie even zwaar als de feitelijke stand van zaken.
Er is al herhaaldelijk op gewezen dat emoties worden opgewekt door situaties zoals door het subject waargenomen; hieronder vallen ook gedachten, associaties en fantasieën. Gedachten, associaties en fantasieën zijn stimuli,
en kunnen heel goed emoties opwekken; ze dragen ook bij aan de werkzaamheid van feitelijke gebeurtenissen. Jaloerse kwellingen kunnen aanmerkelijk verergerd worden wanneer men zich voorstelt wat er zich allemaal zou kunnen afspelen. Jaloerse kwellingen kunnen zelfs volledig op die manier ontstaan: Iago is, zoals gezegd, een deel van Othello zelf. Beck (1976), Meichenbaum (1977) en anderen hebben de rol van gedachten in depressie en angst benadrukt. Spielberger (1975) voerde gegevens aan die aantonen dat de prestatieverslechtering bij examenvrees voornamelijk veroorzaakt wordt door de zorgelijke gedachten van het subject; de mate waarin zulke gedachten overheersen correleert met de mate van prestatieverslechtering, welke erdoor verklaard kan worden dat die gedachten de aandacht van de taak afleiden. Het nadelige en angstversterkende effect van piekeren is eerder in de passage over anticipatie besproken; ‘sensitiserende’ personen, die geneigd zijn zich bezig te houden met aanwezige of komende moeilijkheden, lijden meer onder informatie over operatieve ingrepen (Andrew 1970) of over de ziekte van hun kinderen (Wolff e.a. 1964) dan ‘vermijders’. De vlaag van angst die vaak na een adequate reactie op een plotselinge noodsituatie (een slippartij waar men veilig is uitgekomen) opkomt is een gevolg van het feit dat men zich gaat voorstellen wat er eventueel had kunnen gebeuren. Op dezelfde wijze kan de toename van vrees bij soldaten die langdurig deelnemen aan gevechtshandelingen worden verklaard (Grinker & Spiegel 1945): men realiseert zich door wat men gezien heeft wat er kan gebeuren, en de fantasie is daar uiteraard volstrekt realistisch. Men mag wel zeggen dat moed vaak te wijten is aan een gebrek aan voorstellingsvermogen.
Dat seksuele opwinding afhankelijk is van het voorstellingsvermogen is een gemeenplaats. Ook aan reëel plezier voegt het iets toe, niet alleen door echte fantasieën, maar ook door het besef van de interpersoonlijke aspecten van de situatie en de emotionele bedoelingen die erin vervat zijn. Voorstellingsvermogen vloeit over in niet-zintuiglijke stimuluscodering, zoals die eerder werd besproken in verband met Leventhals onderzoek (par. 5.2). In het algemeen wordt het genoegen bij positieve gebeurtenissen versterkt door fantasie, bijvoorbeeld over de nieuwe mogelijkheden die een bepaalde prestatie opent, over de bijval van gewaardeerde toeschouwers, over de liefde die men ermee zou kunnen winnen, zelfs van een overledene, enzovoort. De verbeelding vergroot de reikwijdte van de belangen waarvoor een bepaalde gebeurtenis relevant kan zijn en vormt het voornaamste deel van wat eerder de ‘strekking’ van een emotionele beleving is genoemd.
Wanneer er stimuli zijn, is er ook sprake van drempels; zo ook bij de emotiestimuli. Niet elke plotselinge stimulus veroorzaakt schrik, en niet elk verlies van een gekoesterd object veroorzaakt verdriet; sommige stimuli
zijn gewoon niet belangrijk genoeg, en in andere gevallen kan de aandacht ergens anders op gericht zijn.
Dit zijn niet de enige redenen om aan te nemen dat er drempels voor emotionele reacties zijn. Het bestaan daarvan is ook af te leiden uit de variatie in responsiviteit die optreedt afhankelijk van de toestand van het subject: uitputting en adrenaline vergroten de schrikachtigheid; alcoholgebruik vergroot de neiging tot zowel agressieve als affectieve reacties; uitputting leidt vaak eerst tot prikkelbaarheid en vervolgens tot onverschilligheid. De responsiviteit verandert ook als een functie van voorafgaande gebeurtenissen: na woede blijft men een tijdje prikkelbaar, en verdriet kan leiden tot zelfverwaarlozing. Er bestaan daarnaast individuele verschillen in responsiviteit, bijvoorbeeld in de neiging om zenuwachtig of bang te worden, of om overstuur te raken; dit wordt doorgaans ‘emotionaliteit’ of ‘neuroticisme’ genoemd (Cattell 1957; Eysenck 1967). Drempelverschuivingen of -verschillen kunnen specifiek voor een bepaalde soort emotionele reactie zijn, of ze kunnen een hele reeks responsen betreffen, zoals bij het uitputtings- of post-traumatische stress syndroom.
De term ‘drempel’ verwijst naar niet meer dan de bovenstaande gegevens: naar het uitblijven van een reactie op als zwak te beschouwen stimuli en naar intra- en interindividuele verschillen in responsiviteit. Men kan het mechanisme achter deze verschijnselen op drie manieren voorstellen: ten eerste kunnen er verschillen zijn in de geneigdheid tot reageren van de emotionele responssystemen als zodanig, met schietgraagheid als een voorbeeld van een hoge mate van geneigdheid; ten tweede kunnen er verschillen zijn in de zwakte van inhibitie met betrekking tot een bepaald responssysteem of met betrekking tot het emotionele reactievermogen in het algemeen; en ten derde kunnen er graduele verschillen zijn in de geneigdheid tot bepaalde manieren van codering van gebeurtenissen. Sommige mensen zouden een sterkere neiging kunnen hebben om gebeurtenissen als bedreigend, inbreuk makend of schadelijk te zien dan anderen; of misschien hebben ze die neiging op sommige momenten sterker dan op andere. Het zal niet eenvoudig zijn gedifferentieerde voorspellingen te maken waarmee de hypothesen tegen elkaar getoetst kunnen worden.
De intensiteit van een respons op een bepaalde stimulus hangt niet alleen af van de stimuluseigenschappen, maar ook van de plaats die de stimulus in een tijdreeks inneemt. Opeenvolgende, min of meer gelijksoortige stimulusgebeurtenissen kunnen tot sommatie leiden, dat wil zeggen tot toename van de responsintensiteit, of tot sensitisatie, dat wil zeggen, tot verlaging van de stimulusdrempels. Herhaling kan ook responsafname veroorzaken - habituatie, hetgeen besproken zal worden in de paragraaf over het verdwijnen van emoties (par. 5.8).
Herhaalde frustraties accumuleren. Dat is althans wat de frustratieagressietheorie veron