terug  begin  prepost
[p. 564]

Nawoord bij de zesde druk

Dit boek is nu 17 jaar oud. Er is sindsdien het een en ander gebeurd in het emotieonderzoek. Niettemin: de hoofdzaak van de gegeven analyse van emoties heeft zijn geldigheid behouden. De voornaamste inzichten waren dat iemands emotioneel gevoel in belangrijke mate bestaat uit het beleven van de eigen gedragsimpuls of gedragstendentie, en dat emoties in belangrijke mate bestaan uit die impuls of tendentie, en eventueel ook uit het gedrag dat daaruit voortkomt. Die inzichten worden inmiddels vrij algemeen gedeeld. Die kant van het emotionele (die nauw verbonden is aan wat het lichaam doet of kan doen) volgt dus op de gedragstendentie zelf, en deels ook op het gedrag. Over het verband tussen verschillende emoties en verschillende vormen van gedragsbereidheid zijn meerdere empirische onderzoekingen verricht. Maar vooral ook: gedragstendenties zijn veel meer dan voorheen het centrale aspect van emoties geworden. Emoties worden veel algemener opgevat als de manifestaties in het gedrag én het beleven van disposities om iemands relatie met de omgeving te veranderen, of als manifestaties ervan dat zulke disposities tekortschieten. Sommige, of veel van die disposities liggen verankerd in de aard van het menselijk brein en zijn door evolutionaire ontwikkeling totstandgekomen.

 

Wat inmiddels ook vrij algemeen gedeeld wordt is het inzicht dat emoties worden opgewekt door hoe gebeurtenissen worden getaxeerd. Verschillende emoties worden opgewekt door verschillende taxaties, die dan zelf voor een deel het gevolg van verschillende soort gebeurtenissen zijn. Er is aan de differentiatie van de emoties op grond van de taxaties een zeer grote hoeveelheid onderzoek gewijd, vooral met behulp van vragenlijsten over eerdere emotionele ervaringen. Ook is er uitgebreid onderzoek gedaan naar culturele verschillen tussen de taxaties die bij de verschillende emoties passen, al is wel gebleken dat de culturele verschillen zeer bescheiden zijn.

Wel is er in experimenteel onderzoek duidelijker naar voren gekomen dat de meeste taxatie automatisch verloopt, en vaak heel elementair is. Het woord ‘taxatie’ (dus appraisal in het Engels) suggereert bewuste overweging, maar dat is niet hoe het proces destijds al werd opgevat. Veel later onderzoek heeft dat onderstreept, en het grote bereik aangetoond van emotionele reacties die helemaal automatisch ontstaan, en waar men doorgaans pas achteraf de aard en aanleiding van beleeft.

 

De analyse van emoties in termen van taxaties en vormen van gedragsdisposities, gedragsbereidheid of gedragssystemen heeft zich voortgezet in de

[p. 565]

z.g. componentiële analyse van emoties. Emoties zijn geen hapklare brokken. Het zijn geen elementaire eenheden, maar syndromen van componenten. De woorden waarmee emoties worden onderscheiden duiden opvallende of frequente onder die syndromen aan, maar men zou die onderscheidingen ook anders kunnen maken. Verschillende talen doen dat natuurlijk ook. Maar dit gezichtspunt heeft ertoe geleid dat emotienamen (‘vreugde’, ‘schaamte’ enzovoort) veel minder geschikt blijken als leiddraad bij het onderzoek. Verschillende namen dekken vaak ongeveer dezelfde syndromen, en vertalingen van die namen duiden vaak behoorlijk verschillende syndromen aan. Tegelijkertijd heeft de componentiële benadering het analytisch onderzoek van een steeds groter domein van emoties mogelijk gemaakt. Schaamte, schuldgevoel, trots, verlegenheid, spijt, minachting, teleurstelling en seksuele begeerte zijn onderwerpen die bij mij in 1986 nauwelijks aan bod kwamen. Dat zou nu anders zijn.

 

Het boek bekijkt het ontstaan van emoties vooral vanuit ‘cognitief’ gezichtspunt: er vindt bij het ontstaan en verloop van emoties heel wat informatieverwerking plaats. Emoties zijn zelden of nooit directe gevolgen van uitwendige prikkels. Er zit op z'n minst een koppeling aan gevoelens van prettigheid of onprettigheid tussen, of aan aanvaarding versus verwerpen. Maar veel discussie sinds 1988 heeft zich ermee bezig gehouden, wat voor soort informatieverwerking dat dan is. Want - een punt dat in hoofdstuk 5 al werd aangeraakt - de informatie die tot emoties leidt kan strijdig zijn met de informatie in bewuste waarnemingen of gedachten. En lang niet alle bewuste cognitie leidt tot emoties, ook als dat eigenlijk vanzelf zou spreken. Men is vaak niet bang voor gebeurtenissen waarvoor men dat eigenlijk zou moeten zijn. Een belangrijk veld van onderzoek was gedurende de laatste 16 jaar het onderzoek naar verschillen tussen soorten informatie: die welke emotioneel werkzaam is (en vaak niet bewust), en die welke dat niet is (en vaak bewust).

Informatieverwerking en het totstandkomen van gedrag verlopen via allerlei uiteenlopende processen. In de afgelopen decennia is het experimenteel onderzoek naar die processen enorm gegroeid. Het begrip van hoe het allemaal totstandkomt is sterk toegenomen, in onderzoek naar bijvoorbeeld de processen van aandachtsverdeling, van de vorming van plannen en doelen, van elementaire en aangeboren reactieprocessen en dergelijke.

 

Er is één gebied waarop de uitbreiding van kennis buitengewoon omvangrijk is geweest: de neurowetenschap van de emoties. Wat er in hoofdstuk 7, ‘Neurofysiologische condities’, staat is voor het overgrote deel niet fout, maar wel buitengewoon onvolledig. Dat komt ten dele doordat ik ook toen al niet helemaal van dit onderzoeksgebied op de hoogte was, maar vooral

[p. 566]

door het massieve onderzoek dat sindsdien is verricht. Emoties zijn ook in de neurowetenschap een centraal en respectabel onderwerp gaan vormen.

Ik moet volstaan met verwijzing naar een aantal belangrijke samenvattingen in de recente literatuur. Dat zijn:

J. LeDoux, The emotional brain. New York, Simon & Schuster (1996).
A. Damasio, Descartes error. New York, Putnam (1994).
The feeling of what happens. Londen, Random House (1999).
Looking for Spinoza. Londen, Heineman (2003).
E.T. Rolls, Emotion and the brain. Oxford, Oxford University Press (1999).
J. Panksepp, Affective neuroscience. Oxford, Oxford University Press (1998).
Van Damasio's eerste en (meen ik) derde boek bestaan Nederlandse vertalingen.

Wat in dat hoofdstuk vrijwel helemaal niet voorkomt is bespreking van de neuro-chemische factoren in de hersenen: de verschillende neurotransmitters, neuromodulatoren, en neuropeptiden, waarvan een aantal tamelijk duidelijk aan bepaalde emotionele en motivationele functies zijn verbonden, zoals oxytocine en vasopressine aan de motivatie voor verzorgingsgedrag en voor seksuele activiteit, en endogene opiaten aan ervaringen van plezier en pijn. Panksepp (1998) geeft daarvan een uitgebreide en gedetailleerde bespreking.

 

Ten slotte: het boek zegt weinig over culturele verschillen in emoties. Het is een uitgebreid en bloeiend veld van onderzoek geworden. Destijds nog, stonden de opvattingen scherp tegenover elkaar: emoties zijn culturele producten, of: emoties zijn manifestaties van biologisch bepaalde, universele disposities. Zoals de zaken nu staan zijn culturele verschillen in emoties duidelijk, naast de grote overeenkomsten. De emoties die er in verschillende culturen onderscheiden worden, het relatieve belang van verschillende emoties, de rol die verschillende emoties in de diverse culturen spelen, en de praktijk van het hebben en tonen van emoties, lopen sterk uiteen. Tegelijk is de grondstructuur van emoties wel overal hetzelfde, en komen een aantal grondvormen zoals vijandige en verenigende gedragstendenties, positieve en negatieve taxaties, gevoeligheid voor frustraties en dergelijke wel overal voor. Bij vergelijkend onderzoek van emoties zijn de verschillen tussen de emoties over alle culturen heen aanzienlijk groter dan de verschillen tussen de culturen. De tegenstelling tussen natuur en cultuur is zo goed als verdwenen. De vraag is geworden hóe natuur en cultuur op elkaar inwerken, en hoe hun verhouding in iedere afzonderlijke emotionele mani-

[p. 567]

festatie is. Een Nederlandse samenvatting van de stand van zaken op dit gebied ken ik niet. Een goede samenvatting is te vinden in:

Mesquita, B., Frijda, N.H., & Scherer, K.R. (1997). ‘Culture and emotion’. In: P.R. Dasen & T.S. Saraswathi (Eds.), Handbook of Cross-Cultural Psychology, Vol. 2. (p. 255-298). Boston, Allyn & Bacon.

prepostterug  begin