Ik kan deze nieuwe uitgaaf niet in het licht zenden, zonder mijn dank te betuigen voor de welwillendheid, waarmee de eerste ontvangen is. Het goede onthaal, dat haar te beurt viel, overtrof verre mijn verwachting, en verraste mij te meer, omdat ik mij de vele gebreken, die mijn werk ontsierden, bewust was. Ik aarzelde daarom ook gehoor te geven aan het vleiende aanzoek, dat mij van verschillende kanten gedaan werd, om het boek, dat weldra niet meer te bekomen was, in behagelijker vorm te herdrukken en algemeen verkrijgbaar te stellen. Ik hoop later lust en tijd te vinden om het zorgvuldig te herzien, nog eens met de bronnen te vergelijken, en verder aan te vullen uit de bouwstof, die nog in buitenlandsche archieven ongebruikt ligt. Tot zoolang wenschte ik den herdruk uit te stellen. Doch ik heb dit plan moeten opgeven. De Hollandsche Maatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen heeft mij de eer aangedaan, mij voor mijn boek haar gouden eereprijs toe te wijzen, en mij tevens uitgenoodigd het op nieuw uit te geven en in den handel te brengen. Een zoo vereerend verzoek mocht ik niet afslaan. Zoodra ik mij overtuigd had, dat de Curatoren van het Gymnasium te Leiden, op wier kosten de eerste uitgaaf geschied was, geen bezwaar hadden tegen den herdruk ging ik daartoe over. Groote veranderingen kon en wilde ik in mijn werk niet brengen: de inhoud is dezelfde gebleven, alleen de vorm is, waar het noodig scheen, gewijzigd en, zoo ik hoop, verbeterd.
Augustus 1861.
Bij het herlezen van mijn boek, ten behoeve dezer derde uitgaaf, vind ik er veel in wat ik thans anders zou zeggen, maar weinig wat ik noodig acht te veranderen. Het is een werk van voor jaren, en ik wensch het zijn oorspronkelijk karakter te laten. De wijzigingen, die ik in den tekst breng, hebben dan ook niet veel te beteekenen; in de noten voeg ik een en ander bij, dat ik, sedert ik schreef, tot nadere bevestiging of verklaring, op den kant van mijn exemplaar had aangeteekend. Alles te zamen genomen verschilt deze uitgaaf alleen daarin van de vorige, dat zij voor een nog wijderen kring van lezers bestemd is. Moge zij in dezen een even gunstig onthaal vinden als tot nog toe in den meer beperkten.
Augustus 1882.
Van dezen vierden druk heb ik slechts te herhalen wat ik van den vorigen getuigde. Ook hij is nagenoeg onveranderd en onvermeerderd. Dezelfde reden toch, die mij reeds voor zeven jaren van elke ingrijpende verandering in het werk mijner jeugd had doen afzien, geldt thans, bij het vorderen van mijn leeftijd, nog des te meer. Men gelieve dan ook steeds bij het beoordeelen van mijn boek de dagteekening van zijn eerste verschijnen in aanmerking te nemen.
October 1889.
‘Ook bij dezen herdruk, den laatsten, dien ik beleven, althans dien ik bezorgen zal, heb ik weinig aan den tekst veranderd, niets meer dan bij voortgaande studie gebleken was noodzakelijk te zijn.’ Die woorden, vermoedelijk nog in Januari nedergeschreven, vond ik op een los papiertje bij de Voorrede van den vierden druk in het exemplaar der eerste drukproeven voor dezen vijfden. De verwachting van mijn diep betreurden vriend, dat hij dezen arbeid zou kunnen voltooien, is, helaas, niet in vervulling gekomen: nog in Januari 1899 is hij gestorven, terwijl slechts 11 vel van den nieuwen druk waren afgewerkt. Maar het overige stond reeds geheel
in proef en met de pen in de hand had hij de proefvellen tot de laatste bladzijde toe doorgezien, hier en daar een kleine verandering makend, een woord of uitdrukking wijzigend, een zin omzettend, een opmerking aan de noten toevoegend. Slechts de correctie der drukfouten en de eindrevisie bleven over. Deze heb ik bezorgd - een droevige, weemoedige taak, die mij voortdurend herinnerde aan het groote verlies, dat de vaderlandsche wetenschap door den dood van mijn hoog vereerden leermeester heeft geleden.
Moge zijn boek in den definitieven vorm, dien hij er aan wilde schenken, steeds meerderen inzicht geven in het daarin zoo voortreffelijk beschreven tijdperk van den grooten oorlog en steeds een eereplaats blijven innemen onder de klassieke werken, die de Nederlandsche letteren der 19de eeuw hebben aan te wijzen.
P.J. BLOK.
Maart 1899.