terug  begin  verderprepost
[p. 1]

[Inleiding]

De tachtigjarige oorlog is het best gekende deel onzer geschiedenis. De onkundige, die van de zeventiende en van de achttiende eeuw geen voorstelling heeft, weet toch van Prins Willem, van Alva, van het lijden en strijden der Hollandsche burgerijen te verhalen. Maar zelfs van dit tijdvak is alleen het begin algemeen bekend; met den dood van Prins Willem eindigt bij de meesten de samenhangende kennis; wat daarna gebeurd is, staat hun slechts in enkele losse feiten voor den geest. Het is alsof bij het sterven van den Prins de vrijheidsoorlog zijn belang verliest. Het is waar, hij verliest dan grootendeels het tragische, dat hem bij den aanvang zoo bijzonder onderscheidt, maar daarom is hij in het vervolg niet minder belangwekkend. Ook de geschiedschrijvers bepalen zich te zeer bij het eerste tijdperk. De krijg, die voor de volharding van het voorgeslacht niet te veel was, wordt voor hen te lang om te verhalen. Zij haken naar het Bestand, dat zij reeds in de verte voor zich zien, en loopen al te vluchtig heen over hetgeen daaraan voorafgaat. En juist in dien tusschentijd is het groote pleit beslist, en ons volksbestaan gevestigd.

Het was er ver van af dat bij het sterven van Willem van Oranje de strijd gewonnen zou zijn. Integendeel, de laatste jaren van zijn leven waren door ramp op ramp al te treurig gekenmerkt. De vrijheid, die bij de pacificatie van Gent voor al de zeventien gewesten verzekerd scheen, was sedert voor de meeste weer verloren gegaan. De uiterste inspanning werd vereischt om het ge-

[p. 2]

stadige verval der gemeene zaak tegen be houden, het te keeren ging onze krachten te boven. Langzaam maar onafgebroken werd de opstand teruggedrongen. En hoe klom nog de nood toen Oranje aan het vaderland ontviel. Wel mocht hij stervend Gods medelijden inroepen voor het arme Nederlandsche volk. De tweedracht der gewesten, der steden, der invloedrijke personen, door zijn gezag bezwaarlijk in toom gehouden, ging nu onbeteugeld voort; de moed, door hem ook aan de kleinmoedigen ingeboezemd, ontzonk hun weder; wanhopend greep men het laatste redmiddel aan, en zocht aan Frankrijk of aan Engeland de regeering, maar dan tevens de verdediging tegen Spanje, op te dringen. Doch ook dezen durfden een zoo onzeker bezit niet aanvaarden. Alleen het belang, dat Engeland, tot zelfverdediging, bij het voortduren van den oorlog in de Nederlanden had, deed Elisabeth ten laatste een aanzienlijke macht, met Leicester aan het hoofd, den benauwden gewesten te hulp zenden. Dat gaf redding voor het oogenblik, want het verlevendigde den bijna uitgedoofden moed. Maar alras bleek het dat Leicester de man niet was om Oranje te vervangen. Zijn gebrekkige krijgskunst vermocht den loop der Spaaansche overwinningen niet te stuiten; hij wist het vertrouwen van Prins Willem's oude medehelpers niet te winnen; hij maakte zich verdacht van bijoogmerken; achterdochtig bewaakt door de Staten zocht hij steun bij de opgeruide burgerij en de heftige Vlaamsche ballingen. De schromelijkste verdeeldheid en verwarring nam hand over hand toe en het waggelende staatsgebouw dreigde ieder oogenblik in te storten. Toen hij na twee rampspoedige jaren, diep gekrenkt, de ondankbare kudde, zooals hij het uitdrukte, aan haar zelve overliet, vertoonde zich de toekomst nog dreigender dan toen hij de regeering aanvaard had. In geen twintig jaar had de kans ooit hachelijker gestaan. Minachting voor de regeering bij het volk, tweedracht der regenten onderling, verwarring en uitputting der financiën, muiterij onder het krijgsvolk, volslagen gemis aan beproefde veldheeren: zoo was de toestand der republiek bij het begin van het jaar 1588. En tien jaren later? Hoe is alles veranderd! De noordelijke gewesten, de roemrijke Zeven, zijn voor goed bevrijd, voorspoedig te land en ter zee; de regeering is eensgezind en door het volk geeërbiedigd; het leger volgzaam en uitmuntend aangevoerd; de schatkist voortdurend gevuld door

[p. 3]

gewillig opgebrachte belasting. Spanje daarentegen, dat zich reeds meester had gewaand van de muitende gewesten, is moe gestreden en uitgeput, en weet geen ander middel, om niet al de Nederlanden te verliezen, dan ze als zelfstandigen staat af te scheiden van de Spaansche monarchie.

Die tien jaren, 1588-1598, zijn misschien de gewichtigste uit onze geheele geschiedenis. Niet alleen dat zij door een reeks van gelukkige krijgsbedrijven onzen bodem aan den vijand hebben zien ontweldigen, zij zijn getuigen geweest van het vaststellen van de staatsregeering, waaronder de republiek twee eeuwen heeft gebloeid; zij hebben handel en nijverheid voorbeeldeloos zien ontwikkelen en den grond zien leggen van onze macht in Indië. Het kan geen onbelangrijk schouwspel zijn, dat de geschiedenis van dien tijd ons aanbiedt.

prepostterug  begin  verder