terug  begin  verderprepost
[p. 26]

IV. Staatsregeling der Vereenigde Nederlanden.

Intusschen, sedert de tocht tegen Engeland werd voorbereid, en terwijl de krijg voor het oogenblik verflauwde, hadden de Vereenigde Gewesten tijd gehad om hun verwarde en verachterde zaken eenigermate te herstellen.

Leicester was in December 1587 naar Engeland teruggekeerd, en had kort daarop van de regeering afstand gedaan. Maar nog drie maanden lang hielden de Engelsche bewindslieden de akte van afstand terug, als ware het hun toeleg de grenzenlooze verwarring, waarin het landsbestuur vervallen was, zoo lang mogelijk te doen voortduren. Inderdaad, het moest hun moeielijk vallen voor hun tegenpartij het veld te ruimen. Zoolang Leicester aan het bewind was geweest, hadden twee partijen elkander onophondelijk bekampt, beide het heil des lands bedoelende, maar omtrent de middelen oneenig. De landvoogd, die alles aan de belangen van den oorlog en aan de uitbreiding der gereformeerde kerk ondergeschikt achtte, had een krachtige, gecentraliseerde regeering over de gezamenlijke gewesten verlangd, die, zelfstandig, op alle staatsleden kon inwerken. Maar zulk een regeering wasonmogelijk te vestigen zonder telkens privilegiën en belangen van provinciën, steden, corporatiën te kwetsen. Tegen hem over, als verdedigers der bijzondere belangen, stonden de zoogenoemde oude geuzen, waartoe de meerderheid der Hollandsche regenten behoorde: mannen van ondervinding, die van den aanvang des oorlogs af hun privilegiën en de zelfstandigheid van steden en gewesten tegen den Spaanschen centralisatiegeest gehandhaafd hadden, en die begrepen, hoe gevaarlijk voor's lands vrijheid de vereeniging van krijgsbevel en staatsregeering in de handen van een machtigen vreemdeling worden zou. Wat zou de lange oorlog gebaat hebben, als het Spaansche juk ten slotte door Engelsche overheersching vervangen werd? Met hen spanden samen al wie zich door Leicester's maatregelen in hun bijzondere belangen gekrenkt zagen. Vooreerst Maurits en de legerhoofden uit Prins Willem's tijd, Hohenlo onder anderen, die bij de Engelsche bevel

[p. 27]

hebbers en hovelingen werden achtergesteld of vreesden ten achter gesteld te zullen worden. Bovenal de kooplieden. Leicester verbood dezen onvoorzichtig - en onverstandig tevens - den handel op de Spaansche landen, een handel, die den vijand wel van oorlogsbehoeften voorzag, maar daarentegen in veel ruimer mate aan de Vereenigde Gewesten het allernoodigste oorlogsmiddel, geld verschafte. En van de kooplieden hing een groot deel der lagere stadsbevolking in Holland af. Daarentegen had Leicester allen op zijn hand, die, van plaatselijken invloed en persoonlijke belangen vrij, voor de bevrijding der zeventien gewesten en de zegepraal van den gereformeerden godsdienst alles op het spel zetten. De Vlaamsche en Brabantsche ballingen, die van hem alleen terugvoering in hun vaderland verwachtten, ergerden zich aan de tegenwerking der Hollandsche regenten, wier drijfveer zij niet in staat waren te begrijpen. De predikanten, vol godsdienstijver en niet vrig van heerschzucht, hakende naar een algemeene Nederlandsche kerk, zagen in Leicester den man naar Gods harte, die trouwer ter kerk ging en afkeeriger was van paapsche afgodendienaars en geestdrijvende sectarissen dan een zijner voorgangers, Oranje zelfs niet uitgezonderd. En hun voorgaan deed natuurlijk de onstaatkundige menigte volgen. Zoo, elkander ongeveer opwegende, had de eene partij de de andere in bedwang gehouden, en verhinderd het door beide bedoelde heil des lands te bevorderen; haar onderlinge strijd had een krachtig oorlogvoeren tegen Parma onmogelijk gemaakt. Gelukkig dat thans een van beide den strijd opgaf. Had Leicester de bovenhand verkregen, dan zou ons land zonder twijfel een vasal van Engeland geworden zijn, door een Engelschen gouverneur, overeenkomstig de belangen van Engeland, geregeerd; maar er zou eenheid van bestuur, invloed des volks op de stads- en landsregeering, krachtiger oorlogvoering, als vergoeding voor de verloren onafhankeliljkheid, verkregen zijn. Nog beter viel het uit nu Leicester het veld ruimde, en het aan de Statenpartij gewonnen gaf. Ons volksbestaan was gered. Het moest thans blijken, of de Staten, van hun tegenpartij ontslagen, met hun stelsel de vrijheid en het welvaren der republiek konden vestigen.

Deerlijk was de toestand, waarin zij het landsbestuur aanvaardden. De tusschentijd, sedert Leicesters vertrek tot op de bekend-making van zijn afstand, was een tijd van nagenoeg regeering-

[p. 28]

loosheid geweest. De menigte wachtte nog steeds haar lieveling terug, en bleef weerspannig tegen de regenten, die zij zijn vijanden achtte; de predikanten, vertrouwende op zijn goedkeuring en ondersteuning, gedroegen zich als waren zij staatsmacht, richtten vermaningen tot de Staten en zonden afgevaardigden naar Elisabeth Het krijgsvolk, slecht betaald, was oproerig en vond in den eed aan Leicester een voorwendsel tot ongehoorzaamheid: de Engelsche hulptroepen in het bijzonder bekreunden zich niet om de Nederlandsche overheid. Op een tiental plaatsen te gelijk barstte muiterij onder de bezetting nit, zelfs in vestingen Van belang, zooals Heusden, Willemstad en Geertruidenberg. De Raad van State, die den landvoogd bij zijn afwezen verving, was niet bij machte źich te midden der algemeene verwarring te doen gelden. Voeg hierbij dat er (zooals Reyd het uitdrukt) tegen één kloekmoedige en vaderlandlievende onder de menigte, wel vier papisten of flauwhartigen gevonden werden: zoo hebt gij een voorstelling van de moeilijkheden, die de nieuwe regeering te overwinnen had.

En al die moeilijkheden, zij heeft ze overwonnen. Indien de tegenstand tegen Leicester rechtvaardiging behoeft, dan is hij gerechtvaardigd door de voortreffelijkheid der Staten-regeering boevn die yan den landvoogd. Nauwelijks had zijn afstand hun de handen vrij gegeven, of met bedachtzame voortvarendheid togen zij aan het werk, en in verwonderlijk korten tijd was de orde, beter dan ooit te voren, hersteld. Het muitende krijgsvolk wordt zonder tijdverlies tot gehoorzaamheid gebracht, meestal door af betaling met Hollandsch geld, soms door geweld van wapenen de verraders onder hen worden terechtgesteld, onverschillig of zij onderdanen van Elisabeth zijn of yan de Staten. Van al de door muiterij in gevaar gebrachte plaatsen is alleen Geertruidenberg - een gewichtige Hollandsche vesting, door Prins Willem na de pacificatie zorgvuldig versterkt - door de bezetting aan Parma verkocht. Overal elders wordt de krijgstucht hersteld: een nieuwe eed bindt voor het vervolg de soldaten aan de Staten en den stadhouder. Te Medemblik had Sonoy, onder voorwendsel van zijn eed aan Leicester te houden, gehoorzaamheid aan de Staten en aan Maurits geweigerd; maar hij wordt met de wapenen bedwongen en van zijn bevelhebherschap ontzet. Een even gevaarlijke poging

[p. 29]

om Westfriesland van Holland af te scheiden en tot zelfstandige, waarschijnlijk tegenstribbelende provincie te maken, wordt, door het winnen van den hoofdaanlegger, Maelson, nog bij tijds verijdeld. Te Utrecht, waar Leicester op onwettige wijs zijn aanhangers in de regeering gebracht had, waar de roomschen talrijk waren, en de tweedracht tot overgaaf aan Parma dreigde te leiden, worden door welberaamde en wel volvoerde maatregelen de Vlamingen uitgestooten en de oude patriotten opnieuw in de regeering gebracht, zoodat de goede verstandhouding van die stad en provincie met Holland gelukkig hersteld wordt. Overal worden de aanhangers van Leicester machteloos gemaakt, al komt Elisabeth zelve voor hen op; bij de nieuwe verkiezingen wordt gezorgd, dat slechts ‘vreedzame goede patriotten’ op het kussen geraken1). Na een kort tijdsverloop is de regeering ‘een lichaam gezond in al zijn leden’2. De predikanten, door de regeering geraadpleegd over het al of niet raadzame van vrede met Spanje, en dus behendig in hun zwak getast, worden allengs gewonnen, en beginnen hun liefde van Leicester op Maurits over te brengen. De menigte, nu zij weer een krachtig en onbetwist bestuur boven zich voelt, keert tot de gewone berusting en tevredenheid terug3). Gelukkig voor het land sterft Leïcester kort na de nederlaag der armade.

En te midden van al die dringende bemoeiingen moet er ook op de gemeene landsregeering orde worden gesteld. Sedert Leicester's vertrek is de staat zonder hoofd, en men is besloten geen nieuw hoofd meer te kiezen. Men heeft genoeg van al die vreemde grooten, die met bijoogmerken het bewind in handen nemen, en die zich niet weten te schikken naar de zeden en vrijheden des volks. Was Willem van Oranje blijven leven, dan was hij, met wel afgebakende macht, Graaf gemaakt; misschien zal het later geraden wezen, zijn zoon Maurits tot gelijke waardigheid te ver-

[p. 30]

heffen, maar vooralsnog geen eenhoofdig bewind; de Raad van State moet onder het oppergezag der Staten-Generaal het land regeeren en den krijg besturen.

Dus met dit jaar, 1588, neemt eigenlijk de republiek der Vereenigde Nederlanden een aanvang. En, wat bewondering wekt, de regeeringsvorm, toen te midden van zooveel gevaren tot stand gekomen, heeft voortgeduurd zoolang de republiek bestaan heeft. De Fransche revolutie is noodig geweest om hem, toen hij reeds lang versleten was, eindelijk omver te werpen. Zoo groote vast heid wordt eerst begrijpelijk, als men in het oog houdt, op hoe diep gelegde grondslagen het republikeinsche staatsgebouw gevestigd was. De omwenteling, tegen de hervormingsplannen van Philips gericht, moest uit haar aard van nieuwigheden afkeerig zijn; zooveel mogelijk liet zij het bestaande in wezen en wijzigde het slechts naar de eischen van den veranderden toestand.

Het is hier de plaats over den aard dier republikeinsche regee ring uit te weiden.

Voor den opstand berustte het oppergezag, de souvereiniteit zooals men zegt, onverdeeld, maar door privilegiën en oude gewoonten beperkt, bij den landsheer. Hij had rechtens in niet ééne regeeringsdaad zijn onderdanen te kennen. Zoo lang hij uit de middelen, waarover hij te beschikken had, de kosten der regeering bestreed, was hij volkomen meester, en kon regeeren zoo als hij goedvond. Maar zoodra die middelen te kort schoten en door de onderdanen aangevuld moesten worden, veranderde beide onderlinge verhouding. Immers geen vrij man was verplicht zijn vorst geld op te brengen, tenzij hij daarin door zijn wettige ver tegenwoordigers had toegestemd. En die vertegenwoordigers, door den vorst bijeengeroepen om over zijn bede te beraadslagen, kon den bij die gelegenheid over wanregeering en misbruiken klagen en het verbeteren daarvan tot voorwaarde hunner inwilliging stellen Zoo kregen zij invloed op den gang der regeering. En bij het klimmende geldgebrek der vorsten nam die invloed gestadig toe Elke Nederlandscbe provincie had zich met der tijd zulke Staten verworven; toen zij zich allen onder éénen landsheer vereenigde kwamen nu en dan van allen de afgevaardigden bijeen, en werden dan Staten-Generaal genoemd. Men had dus twee staatsmachten

[p. 31]

naast elkander: de landsheer omringd door eigen gekozen raadslieden, en de volksvertegenwoordiging, door de afzonderlijke gewesten, volgens de standen, samengesteld.

Bij den opstand geraakten die machten in strijd, en werden door den drang der omstandigheden genoodzaakt op elkanders bevoegdheid inbreuk te maken, hoezeer beide den schijn daarvan zorgvuldig vermeden. Een blijvende belasting zonder gedurige toestemming der Staten, zooals er in Frankrijk een geheven werd, bedoelde Alva met zijn tienden penning in te voeren. Ware hem dit gelukt, het gezag der Staten zou, langs den weg in Frankrijk gevolgd, te niet zijn gegaan. Aan den anderen kant werden de Staten genoodzaakt, zich, meer dan hun toekwam, met de regeering te bemoeien. Toen, na de inneming van Den Briel en de daarop gevolgde bevrijding van zooveel andere plaatsen, de afgevaardigden der Hollandsche steden te Dordrecht bijeenkwamen, hielden zij zich wel binnen den kring hunner bevoegdheid, en bepaalden zich tot de erkenning van Oranje als hun wettigen stadhouder; doch onder den ouden vorm school een nieuwe zaak. De stadhouder besttuurde niet meer naar den wil van zijn Koning, maar naar dien der Staten: de invloed van dezen op het beleid der regeering had iets anders te beteekenen dan in vroeger dagen. Het is bekend, hoe na de dood van Requesens alle gewesten zich bij de pacificatie van Gent tot onderlinge bescherming vereenigden. Hun afgevaardigden kwarnen toen weer als Generale Staten bijeen, en stelden zich tot den door hen gekozen landvoogd, Willem, Anjou, Matthias, in soortgelijke verhouding, als waarin de Staten van Holland sedert 1572 tot Prins Willem gestaan hadden. Noch de Unie van Utrecht, noch de afzwering zelfs, bracht daarin wezenlijke verandering. Men zag immers naar een anderen landsheer uit; voorloopig was Prins Willem het hoofd der regeering. Na zijn dood was de betrekking tot Leicester weer nagenoeg dezelfde, al zochten de leiders der Hollandsche Staten haar anders te doen voorkomen.

Maar geheel veranderde de toestand, nu, na Leicester's vertrek, geen nieuwe landvoogd meer werd aangesteld. Nu verdween, als het ware, het gezag van den landsheer; alleen de volksvertegen-woordiging bleef over. Deze eigende zich thans, bij haar vroegere rechten nog de macht van den vorst toe; zij werd landsheer en

[p. 32]

vertegenwoordiging in één persoon1). Een verandering groot genoeg om omwenteling te mogen heeten. Zij was het tegendeel van hetgeen in Frankrijk geschied was. Daar had, sedert Karel VII eigenmachtig de taille was gaan heffen, de Koning de bevoegdheid der Staten in de volheid zijner macht opgelost. Daar was dus eveneens van de twee staatsmachten de eene in de andere versmolten. Maar, in tegenstelling met hetgeen hier gebeurde, was het daar de landsheer, die alleen overbleef. In beide landen ging het tegenwicht verloren, dat de eene macht tegen de andere had gehouden; in beide werd de regeering wettelijk absoluut, alleen door privilegiën en rijksgewoonten eenigermate beperkt. Zoomin als de Koningen van Frankrijk, waren de Staten der Vereenigde Nederlanden door den volkswil gebonden; geen ander middel om dien te doen gelden dan oproer of bedreiging met oproer bleef de natie over. Doch, wat onze voorouders op de Franschen voorhadden, hun talrijke regenten, in hun midden verkeerende, bleven voortdurend met hun behoeften en wenschen bekend; terwijl de Fransche Koning, door een drom van hovelingen omgeven, van den wil der natie slechts weinig vernam. In Frankrijk was het de aanmatiging van het Parijzer parlement, die de willekeur der Koningen nog het meest beperkte. En evenzoo werd bij ons de heerschzucht der Staten door het heilzame, maar niet wettig omschreven, gezag der stadhouders het krachtigst beteugeld.

De Generale Staten, dus sonverein geworden, vertrouwden het uitvoerend bewind aan den Raad van State toe, wiens instructie reeds veertien dagen na het bekend worden van Leicester's afstand was vastgesteld. Hij zou het opperhevel hebben van den oorlogHij zou de gemeene zaken der Unie, onder toezicht der Staten-Generaal, besturen, de uiteenloopende belangen en begeerten der provinciën in overeenstemming brengen en doen samenwerken tot het algemeene welzijn. Hij had dus in de republiek ongeveer de

[p. 33]

plaats te vervullen, die in de Vereenigde Staten van Noord-Amerika door den president bekleed wordt. Hij was het eenige college welks leden ‘hun eigene provinciën moesten afzweren, om voor de Generaliteit te zijn’1). Een onmisbaar lichaam in een bondsstaat, maar dat krachtig in zichzelf moet wezen om te kunnen voortbestaan. En vooral in de Nederlandsche Republiek zou zulk een krachtige regeering noodig zijn geweest, om de naar zelfstandigheid strevende gewesten, Holland in het bijzonder, aan de Unie ondergeschikt te houden.

Maar van den beginne af waren de Staten huiverig een toereikende macht aan den Raad van State toe te vertrouwen. Immers zoo licht ware die te misbruiken. De verplichting aan Elisabeth gedoogde niet, dat de opperbevelhebber harer troepen van den Raad werd uitgesloten: hij en nog twee Engelsche leden, door de Koningin te benoemen, kregen zitting. Doch men mistrouwde hen, en betrok ze ongaarne in de aangelegenheden der republiek. Van daar dat menige zaak van belang, die eigenlijk tot de bevoegdheid van den Raad behoorde, van den aanvang af, buiten dezen om, door de Staten werd afgedaan. In het volgende jaar had Elisabeth reeds te klagen, dat, niettegenstaande er overeengekomen was niets van belang in zake van landsbestuur en oorlogsvoering te behandelen buiten den Raad van State, toch al wat er gewichtigs voorkwam in een achterraad werd besproken, zonder dat haar dienaars er iets van te weten kwamen2). Die klacht was billijk; zoodoende ontdoken de Staten de wettig aangegane verbintenis. Maar aan den anderen kant, het was natuurlijk dat de Hollandsche staatslieden de banden, die hen al te nauw aan Engeland hechtten, zooveel althans wilden loswringen, dat hun een eigen beweging mogelijk werd3). - En

[p. 34]

het lidmaatschap der Engelsche raadsleden was niet de eenige fout in de samenstelling van den Raad van State. Het machtige Holland kon er geen invloed oefenen geëvenredigd aan zijn gewicht in de Unie, aan zijn ijver voor de zaak der vrijheid, aan de bekwaamheid zijner staats- en krijgslieden, aan de som zijner bijdragen tot de gemeene oorlogskosten. Het betaalde meer dan de helft, en had maar een vierde der stemmen van den Raad. Zijn advokaat, de invloedrijkste en bekwaamste man der Unie, had geen recht van zitting, en werd eerlang van de vergadering uitgesloten1). Was het dan wel te verwonderen, dat Holland en zijn advokaat, zoo veel zij konden, gewichtige aangelegenheden aan de beslissing van een zoo kwalijk samengesteld lichaam onttrokken, en liever bij de Staten-Generaal in behandeling brachten, in wier vergadering Holland en zijn advokaat het meest te zeggen hadden? Ook Maurits had liever de leiding van den oorlog alleen, onder toezicht der Staten-Generaal, dan in voortdurend overleg met den Raad van State. Al spoedig begint dus ook hij inbreuk te maken op de bevoegdheid van den Raad, en eigenmachtig plannen ten uitvoer te brengen, die hij eigenlijk eerst aan het oordeel van den Raad had moeten onderwerpen2). En noch de vertooging van den Raad zelven, noch de scherpe verwijten van Elisabeth werken iets uit; aan vergoelijkend antwoord ontbreekt het niet, maar het blijft bij het oude: de Staten-Generaal oefenen feitelijk het gezag uit, dat wettelijk aan den Raad van State is toegekend. Het werk der Staten neemt dientengevolge zoo zeer toe, dat zij niet meer, als vroeger, volstaan kunnen met nu en dan

[p. 35]

een tijd lang te vergaderen, maar dat zij, in 1593, zich genoodzaakt zien hun vergadering permanent te maken, terwijl de Raad gedurig minder te doen en te beduiden krijgt, en weinige jaren later met recht klagen kan, ‘dat de gewichtigste zaken van het land beleid en besloten worden zonder zijn kennis’1).

Het was een heillooze verandering, die op deze wijs de Staten-Generaal tot regeering maakte. De afgevaardigden ter Statenvergadering waren door hun eed verbonden om de belangen hunner provincie te behartigen; zij hadden niet, zooals de leden van den Raad van State, gezworen de belangen der Unie bovenal voor te staan. Zij waren gezanten van zelfstandige gewesten; onder hun bestuur werd de republiek een statenbond, waarin Holland, als de machtigste, meestal den boventoon voerde2).

De Hollandsche staatslieden, die deze ontaarding van den regeeringsvorm opzettelijk hebben teweeggebracht, misgrepen zich ongetwijfeld aan het gemeenebest, en zijn schuldig aan de tweespalt, die in het vervolg zoo dikwijls het afdoen der dringendste zaken tegenhield. Maar wij moeten billijk zijn, en bedenken waarom zij zoo handelden. De gevaren van het oogenblik hielden hun aandacht te onverdeeld bezig, dan dat zij op de verwijderde gevolgen hunner maatregelen konden letten. Zij deden wat zij voor het tegenwoordige het nuttigst achtten, zich voorbehoudende om later te wijzigen wat de ondervinding als schadelijk mocht doen kennen. Waar het voor het oogenblik het meest op aan kwam was hun provincie van de overheersching van Engeland, zoowel als van de dwingelandij der Spanjaarden, te bevrijden; en daartoe diende de regeering, zooals zij die misvormden, beter dan zooals zij haar oorspronkelijk hadden ingericht. Zoolang de helft der Vereenigde Gewesten nog in's vijands macht was, en de andere helft gevaar bleef loopen van hem weer in handen te vallen, moest voor de zelfstandigheid van Holland in de eerste plaats worden gewaakt.

[p. 36]

Hadden niet Holland en Zeeland zich, sedert 1572 tot aan den dood van Requesens, met eigen krachten moeten staande houden; en hadden zij zich vervolgens niet altijd op het stuk van den godsdienst en in andere opzichten een zekere onafhankelijkheid voorbehouden? En zou het dan niet roekeloos zijn, thans de dierbaarste belangen aan de beslissing van een Raad te onderwerpen, waarin Holland slechts één stem, meer uitbracht dan Gelderland, dat tot den IJsel toe in 's vijands handen was? Nog tien jaren later schreef de Fransche gezant de Buzanval aan zijn regeering, dat Holland het hart was der Unie, en de overige gewesten niet veel meer dan zijn frontieren waren; dat de Hollanders, des noods, al het overige prijsgevende, hun provincie, benevens het licht verdedigbare Zeeland en Friesland, tot het uiterste wilden verdedigen1). Met zulk een vooruitzicht mochten de Hollandsche staatslieden in dit tijdvak den band der Unie niet nauwer toehalen. Het zou onredelijk zijn hen, die onder zulke omstandigheden den Raad van State hebben laten vervallen, te veroordeelen; maar des te strenger moet ons oordeel zijn over hun opvolgers, die, in later dagen, toen het nijpendste gevaar geweken was en alles tot hervorming aanspoorde, uit heerschzucht den gebrekkigen regeeringsvorm hebben bestendigd.

De klem der regeering was dus van den Raad van State, zoo het heette, naar de Staten-Generaal, maar inderdaad naar de Staten van Holland overgebracht. In de Hollandsche Staten-vergadering werden de gewichtigste resolutiën ontworpen, die vervolgens bij de Staten-Generaal door de overige provinciën werden goedgekeurd en vastgesteld. Men zou daarom verwachten, dat althans die vergadering was ingericht om goed en snel tot beslissing te komen. Doch het tegendeel was waar: geen lichaam zoo onhan delbaar als de Staten van Holland. Vroeger was de bevoegdheid der leden uitgebreider geweest, maar niet lang geleden was een verandering ingevoerd, die de Staten van souvereine machthebbers tot gemachtigden van souvereine stadsbesturen verlaagd had. In Prins Willem's tijd besloten de gedeputeerden nog zonder ruggespraak met hun committenten: de eed door hen afgelegd verplichtte ‘te adviseeren en helpen besluiten naar verstand en rechte

[p. 37]

conscientie, zonder gunst of ongunst tot eenige stad of particulier.’ Maar kort na's Prinsen dood werd de eed zoo gewijzigd, dat de afgevaardigden moesten ‘adviseeren en helpen besluiten naar zij door hun principalen zouden gelast zijn’1). En daar in de meeste zaken van belang niet bij meerderheid van stemmen, maar met eenparigheid besloten werd, kregen zoo de vroedschappen der stemmende steden het hecht in handen: zonder de medewer king van ieder van haar in het bijzonder bleef de dringendste zaak weken lang onafgedaan. En eer Holland ‘gereed was,’ viel er aan geen behandeling bij de Staten-Generaal te denken. Vandaar een omslag en langwijligheid in de regeering, waarover een ieder, die met haar te doen krijgt, om het hardst klaagt, en die het regeeren onmogelijk zou gemaakt hebben, indien de inschikkelijkheid, die eyenzeer door iedereen in onze regenten geroemd wordt, het gebrek van den regeeringsvorm niet eenigermate verholpen had.

Wij gewaagden alleen van de macht der vroedschappen, en zwegen van de ridderschap, die toch ook in de vergadering stem had. Haar invloed was zoo gering, dat wij ze ook al licht zouden vergeten. Ook dit was een gevolg van den opstand. Immers voorheen was de Hollandsche adel het invloedrijkste lid der Staten geweest: hij vertegenwoordigde, behalve zijn eigen stand, het platte land en al de steden, uitgezonderd de zes groote, die zelf ieder een stem uitbrachten. Yan de zeven stemmen had dus de ridderschap er toen reeds maar één, maar die eene had meer te zeggen dan al de overige te zamen; want zij sprak voor meer dan de helft Tan het graafschap. Willigde de ridderschap's graven bede in, dan was de grootste helft der gevorderde som verzekerd; de zes steden te zamen beschikten over minder dan zij alleen. Dus gold, de adel bij den landsheer en bij de steden zelve het meest; zijn voorbeeld werd gewoonlijk door de steden gevolgd2). Maar de omwenteling keerde ook deze verhouding om. Vele edelen kwamen op het slagveld of op het schavot om het leven, andere werden als aanhangers van Spanje uit het land gebannen. Daarentegen namen de steden in welvaart en aanzien toe. Bij de zes groote werden nog twaalf kleinere, vroeger door

[p. 38]

de ridderschap vertegenwoordigd, ter Staten-vergadering toegelaten. Zoo werd de ridderschap één tegen achttien; in plaats van te leiden had zij voortaan te volgen. Als particulieren werden de edelen nog bij voorkeur tot staats en krijgsbedieningen geroepen; als stand raakten zij achter bij den burgerstand; wel bleven zij eershalve den voorrang behouden, maar uiterlijk eerbetoon woog niet op tegen veriles aan macht. Bentivoglio1) had die gewichtige verandering opgemerkt; doch ten onrechte, naar het mij voorkomt, schrijft hij ze toe aan een sluw overlegd plan van Oranje, die, voorziende dat zijn eerzucht bij den adel den hevigsten tegenstand vinden zou, begrepen had de ridderschap te moeten vernederen en de steden daarentegen verheffen. Het is waar, Prins Willem was voornamelijk door de burgerijen gesteund, en natuurlijk had hij dien steun zoeken te versterken. Maar ook zonder zijn toedoen zon gebeurd zijn, wat uit den aard der zaak volgde. De opstand, door de burgerijen ondernomen, met haar geld betaald, moest uitloopen op verhooging van de macht der steden; de snel toenemende handel en nijverheid moesten den adel, die aan deze bedrijven vreemd bleef, betrekkelijk terug zetten. Lang nog na 's Prinsen dood hooren wij de edelen van Gelderland gedurig klagen over de aanmatiging der vooruitstrevende steden2). Want ook daar brachten gelijke oorzaken gelijke gevolgen voort. - De Hollandsche burgers begrepen dan ook, dat, als ooit de opstand bedwongen werd en het land weer aan Philips verviel, ook in dit opzicht de oude toestand terug zou keeren. Als drangreden tot het afwijzen van elken vrede, waarbij de Koning als landsheer erkend werd, gold bij de Staten van Holland het vooruitzicht, dat dan Spaanschgezinde grooten, als de graven van Egmont, van Arenberg, van Ligne, in de ridderschap zitting zonden krijgen, ‘en de magistraten van de steden aan dezen hangen, gelijk van oude tijden gebruikelijk was’3). Aan den anderen kant spotten de Zuid-Nederlanders met de geringe burgers, die in Holland den baas spelen, met de souvereinen Hans Muller en Hans Brouwer,

[p. 39]

Hans Bakker en Hans Kaaskooper, die aan den leiband loopen van niet minder souvereine pensionarissen1).

Inderdaad, die vroedschappen zijn de souvereinen, de koningen van het republikeinsche Holland. Niemand hebben zij boven zich, en naar de burgerij behoeven zij niet om te zien. Van haar gaat de macht der regeering uit, eerst naar de vergadering der Staten van Holland, dan naar die der Staten-Generaal. Gesloten corporaties van zelden meer dan veertig personen, houden zij zichzelf voltallig, kiezen de burgemeesters die het bewind voeren, en de schepenen die recht spreken. Wel heeft in de meeste steden de stadhouder de verkiezing uit een dubbeltal, dat de vroedschap hem aanbiedt. Maar de stadhouder, die vooralsnog geen andere staatkunde volgt dan die van de Staten van Holland, kiest alleen dezulken, die hij weet dat aangenaam zijn aan de vroedschappen. Eerst in later tijd, na Maurits coup d'état van 1618, krijgt het stadhouderlijke gezag in dit opzicht beteekenis.

Van de burgerij is de vroedschap te eenenmale onafhankelijk. Gedurende de beroerten was het weer hier en daar in zwang gekomen, wat in de vijftiende eeuw algemeen gewoonterecht was geweest, dat over gewichtige aangelegenheden de schutterijen en gilden, of hun hoofdmannen althans, geraadpleegd werden2). Maar in het jaar der afzwering hadden de Staten zulke raadpleging voor het vervolg verboden3), en sedert werd alleen in een paar steden, en bij uitzondering, de burgerij over stadsbelangen gehoord. Na het vertrek van Leicester, die zich tegen de regenten op de schutterijen en gilden beroepen had, kon het niet anders, of de Staten moesten nog ongunstiger dan te voren jegens den invloed des volks op de regeering gezind zijn. Waar

[p. 40]

zij kunnen, verwijderen zij dan ook uit den regeeringsvorm al wat naar volksinvloed zweemt. Te Nijmegen hadden de gilden vanouds meer dan in de andere Geldersche steden te zeggen gehad; na de inneming der stad wordt de nieuw gekozen regeering van hun bemoeiingen vrijgesteld, op aandrijven vooral van den Frieschen stadhouder, die tegen ‘dezen vorm van des gemeenen mans regeering’, als een bron van tweedracht, was ingenomen1). De Spaanschgezinden wezen op die handelwijs der Hollandsche regenten, als een blijk van hun heerschzucht, kwalijk onder schoonschijnende voorwendsels bemanteld. Dat waren die vrijheidsvrienden, die alleen tot handhaving der privilegién tegen hun Koning streden! Hoe nauwgezet ontzagen zijzelf de rechten der burgerij! Werd in hun steden het volk ooit geraadpleegd, al was het dan maar op het stuk van belasting, die toch zwaarder op de burgerij dan op de regenten drukt? Neen, om de ingezetenen des te meer te kunnen belasten, vermijden zij zelfs het raadplegen met de gilden en de hoofdmannen der gilden. En dezen zijn immers voor de Nederlandsche steden wat voor het aloude Rome de volkstribunen waren, terecht een geweldig wapen des gemeenen welvarens geacht, en tegen de consuls en regenten standvastig verdedigd. Hoe kon dan de Hollandsche burgerij het oog sluiten voor de heerschzucht der overheid, die haar een zoo gewenschten waarborg der vrijheid zocht te onttrekken? Mocht zij eindelijk leeren inzien, boezeer men haar thans onder den voet kan treden, nu het geheele bewind des lands bij luttel personen berust, die wat zij droomen volbracht en onderhouden willen hebben, en die zich evenwel niet schamen luidkeels uit te roepen, dat zij 's lands vrijheid en privilegién handhaven2). - Er was veel waars in dit verwijt: de strekking der Hollandsche regeering was ontegenzeggelijk naar oligarchie: het volk, dat voor Leicester partij had getrokken, was met dezen overwonnen; het belang der overwinnaars bracht mede, dat zij de burgerij van haar staatsburgerlijke rechten ontzetten. Er kwam nog een tweede, loffelijker, reden hij. Meer dan voor het behoud van politieke volksrechten had men te zorgen voor het behoud des lands, en

[p. 41]

dat geen Spaanschgezinde, der vrijheid vijandige, personen in de regeering raakten, of daarop invloed uitoefenden. Om die reden verzette zicb, in 1591, de Friesche stadhouder tegen een vrijer verkiezing der magistraten van Leeuwarden en Franeker; want (schreef hij aan de Staten-Generaal) ‘ik vreeze dat allerlei personen, de gemeene zaak des vaderlands en der religie weinig toegedaan, maar veelmeer daarvan een afkeer hebbende, libertijnen en Spaanschgezinden, in de magistratuur en de regeering van de steden komen zullen’1). Zoo wordt het ons duidelijk, hoe de regenten, ter liefde der vrijheid, de politieke rechten der burgers verkortten. Maar te verwonderen is het, dat de volkspartij, die zich nog onlangs, in den tijd van Leicester, zoo wakker geweerd had, zich thans zoo maar zonder slag of stoot liet breidelen. De reden hiervan hebben wij in den aard van ons volk te zoeken, zooals die zich toen, meer dan later, vertoonde. De Hollanders zijn van nature geneigd dengenen, die over hen gesteld zijn, te gehoorzamen. Reeds aan Leicester had men het onder het oog gebracht, dat hij allereerst de regenten voor zich moest winnen, dat hij dan het volk vanzelf op zijn hand zou krijgen, ‘want het Nederlandsche volk is handelbaar en gehoorzaam, misschien meer dan eenig andere natie’2). Maar Leicester had, integendeel, door de burgerij de regeering willen dwingen; te zijnen behoeve waren de predikanten volksleiders geworden, en voor een poos was de anders leidzame bevolking tegen haar regenten in beweging gebracht. Nauwelijks echter was de Engelsche landvoogd afgetrokken, en met hem de aanleiding tot oproerigheid verdwenen, of de gemoederen bedaarden, en schikten zich weder tot de oude gehoorzaamheid. Die ondergeschiktheid is een blijvende karaktertrek der natie: twintig jaren later schrijft Jeannin, de toenmalige gezant van Frankrijk bij de republiek, aan zijn regeering, dat de burgerijen in Holland zich met het staatsbestuur niet bemoeien, maar het onvoorwaardelijk aan do vroedschappen toevertrouwen; hetgeen (meent hij) ten waarborg strekt voor de duurzaamheid

[p. 42]

van den bestaanden regeeringsvorm1). - Een andere eigenaardigheid, die het Nederlandsche volk van dien tijd niet minder kenmerkt, is de afkeer van ambtsbejag. Niet alleen dat het aan zijn regenten de staatszaken overlaat, het heeft ook geen lust in het regentenambt. Het beschouwt de regeering nog meer als een last- dan als een eerepost. Dat wisten de Staten van Holland bij ondervinding; en zij verklaren dan ook, in hun bekende deductie van 1587, niet te vreezen, dat zich iemand uit eergierigheid in de regeering zou willen indringen, ‘want de natuur des volks een afkeer heeft van alle ambitie’2). En een twintigtal jaren later schrift De Groot nog stelliger: ‘Is er één volk, dat zich door geen ijdel eerbejag laat vervoeren, dan zijn het de Hollanders. Immers niemand jaagt er naar eereposten of begeert er zelfs naar. Zoo was het niet alleen in den bangen tijd onzer vaderen, toen men geen regent kon wezen zonder zijn leven of eer in de waagschaal te stellen, maar ook in de rustige tijden van voorheen, en thans in onze voorspoedige dagen evenzeer. Nu evenwel begint de tegenzin in eereposten te verminderen, nu wij ons aan de republiek, als aan ons vrij eigendom, meer laten gelegen liggen’3). - In dien trek van ons volkskarakter zien wij den grond van den aristocratischen regeeringsvorm der republiek, en zijn recktvaardiging tevens. De regenten hebben niet, zooals dikwerf beweerd is, bij het stichten van het gemeenebest aan het volk zijn- rechten ontroofd: zij hadden slechts te aanvaarden wat het volk hun gaarne overgaf. Druk bezig met nijverheid en handel, liet het aan de bekwame mannen, die naar zijn geest en overeenkomstig zijn belangen het land regeerden, gewillig het staatsbestuur over. En dezen aarzelden niet het zich geheel toe te eigenen. Het ligt in de natuur van iedere staatsmacht, dat zij haar bevoegdheid zoover mogelijk uitbreidt, tot waar andere machten haar beperken. Uit eigen beweging aan de onverschillige burgerij invloed op de regeering te verzekeren, kwam zeker bij geen der regenten op. En waarlijk, de volksinvloed had zich, gedurende Leicester's beheer, niet als zoo heilzaam doen kennen, dat de

[p. 43]

Staten naar zijn voortduren verlangen moesten. Integendeel, zij Hadden reden zich verplicht te achten de menigte, zooveel zij konden, van mederegeering af te houden.

Op deze wijs werd het regeeren allengs het werk van enkele geslachten1). Toch heeft het nog lang geduurd eer zich een regenten-stand, afgezonderd van den handelsstand, gevormd heeft. Eerst een halve eeuw later vinden wij dien in wezen. Temple, die na 1672 zijne Opmerkingen over de Vereenigde Provinciën heeft uitgegeven, beschrijft het onderscheid tusschen beide standen als in het oog loopend, in opvoeding, in leefwijs, in middelen van bestaan. En reeds vroeger, in 1652, hooren wij den handelsstand van Amsterdam klagen, dat de heeren regenten geen kooplieden zijn, en geen belang bij den handel hebben, maar van de opbrengst hunner huizen, landen en renten bestaan2). Hoe zeer was men toen al vervreemd van den tijd, dien wij behandelen, nu de regenten Mulder en Kaaskooper den spot opwekken van de hooghartige edellieden van België.

Eén politiek recht was er, dat de natie steeds op prijs heeft gesteld, en dat haar dan ook steeds is gelaten: het recht van vrij te spreken, van ronduit en openlijk over al wat er gedaan wordt en te doen valt zijn oordeel te zeggen. Vreemdelingen merken die vrijheid van spreken als een eigenaardigheid der Hollandsche zeden op. De Fransche gezant de Buzanval gewaagt er herbaaldelijk van, op een wijs die doet zien hoe vreemd die hem voorkwam3). En de regeering van Leiden verklaart in haar Remonstrantie, in 1582 bij de Staten van Holland ingediend, dat de vrijheid altijd daarin voornamelijk heeft bestaan, dat men zijn gevoelen vrij mocht uitspreken; de tyrannie daarentegen, dat men

[p. 44]

zijn gedachten niet vrijelijk mocht uiten1). Te allen tijde heeft ons volk van dit zijn recht een ruim gebruik gemaakt, en, mogen wij er bijvoegen, de regeering luisterde vaak, tot baat van het land, naar de volksstem. - Een noodzakelijk uitvloeisel van het recht van spreken was het recht van schrijven en drukken, en ook daarvan hebben onze vaderen overvloedig gebruik gemaakt: geen land heeft naar evenredigheid zulk een zwerm libellen voortgebracht als Holland. En de Staten, wien deze vrije beoordeeling, al te dikwerf met hoon en smaad gekruid, niet behagen kon, kenden toch den geest der natie te goed, om strenge maatregelen van bedwang te nemen. Een enkele maal lezen wij van personen om hun al te vrij spreken in hechtenis genomen; nu en dan worden er plakkaten tegen de uitspattingen der libelschrijvers afgekondigd; maar dat die telkens herhaald worden, bewijst reeds hoe snel zij in onbruik geraakten. Zonder uitdrukkelijk erkend te zijn, heerschte onder de republiek vrijheid van drukpers. Zelfs de karikatuur, aan het libel na verwant, is van Hollandschen oorsprong; van hier is zij eerst in later tijd op Engelschen bodem overgeplant; de karikaturen tegen Cromwell waren nog door Hollandsche teekenaars vervaardigd2).

In het algemeen - ik wenschte dat mijn bestek mij veroorloofde hef in meerdere bijzonderheden aan te toonen - liet de aristocratische regeering aan de ingezetenen een ruime mate van burgerlijke vrijheid. Minder dan elders werd hier door regenten en rechters onrecht gepleegd. Voorzeker, zoo wij den toestand onder de republiek vergelijken met dien waarin wij thans leven, hebben wij reden om ons gelukkig te prijzen boven onze voorouders. Maar de billijkheid vordert, dat wij niet verschillende tijden, maar verschillende staten in denzelfden tijd tegenover elkander stellen; en dan ben ik niet bevreesd dat eenig land het van het oude Holland winnen zal3). En ook daaruit hebben wij de geringe

[p. 45]

belangstelling van het voorgeslacht in politieke rechten te verklaren. Het gaf gewillig de waarborgen der vrijheid op, omdat het vertrouwde die niet te behoeven; het liet zich uitsluiten van deelneming aan de regeering, omdat het met den algemeenen gang der regeering tevreden kon zijn. Zelden, als het zich in zijn godsdienstige overtuiging of vooroordeelen gekrenkt voelde, of als het de innig geliefde vorsten van Oranje door de burger-regenten mishandeld zag, deed het zijn onwil, maar dan ook onweerstaanbaar, gevoelen. Een korte, bijna nooit bloedige, omwenteling bevredigde dan den volkswensch, en de oude kalmte keerde terug.

Maar wij loopen den tijd vooruit. En nog hebben wij niet alle maatregelen beschouwd, die de Staten van Holland in dit tijdvak ter versterking der vroedschap tegen de burgerij genomen hebben. Voorheen kon de stedeling, die zich door zijn regenten verongelijkt achtte, bij het Provinciaal Hof en bij den Hoogen Raad recht zoeken; en deze waren doorgaans niet onwillig rechtsingang te verleenen. Zoo werd soms een stadsregeering geoordeeld en veroordeeld, tot schade van haar aanzien bij de gemeente. Dat moest voor het vervolg worden verhoed. In 1591 namen de Staten een resolutie, waarbij Hof en Hooge Raad werden gelast, eer zij op klacht van een particulier rechtsingang tegen een stadsregeering verleenden, de betrokken regeering inzage der stukken te

[p. 46]

geven en om inlichting te vragen; daarna konden zij overwegen of zij al dan niet provisie zouden verleenen. Behoeft het gezegd, dat de bedoeling van dit voorschrift was ieder rechtsgeding tegen een regeering nagenoeg onmogelijk te maken, en dat dit doel volkomen bereikt werd1)? Bedenken wij verder, dat de stadsbesturen zich gedurende de troebelen het recht hadden aangematigd, hun later door Prins Willem en de Staten toegekend, om verdachte ingezetenen zonder redengeven nit hun gebied te verbannen2), dan begrijpen wij dat het geen gebrek aan macht was, wat de regenten weerhouden kon de burgers naar willekeur te overheerschen.

Hetzelfde dat wij in Holland zagen geschieden, verheffing der steden boven den adel, versterking der plaatselijke regeering, neiging der staatsleden tot onafhankelijkheid - ditzelfde had ook in de overige gewesten plaats, met merkwaardige verscheidenheid naar de eigenaardigheid van elke provincie. Vooral Friesland, dat minder van het leenstelsel had geleden dan de overige Nederlanden, en nog grootendeels de alonde Germaansche volksrechten bad behouden, vertoont in dit tijdvak van overgang een belangwekkend schouwspel. Maar het zou ons te ver buiten ons bestek voeren, indien wij ook daar de staatsinstellingen, zooals zij waren en zich thans vervormden, wilden nagaan. Genoeg dat wij in Holland, als in het uitstekendste voorbeeld, de strekking van den geest des tijds hebben aangewezen.

1)Zie de aanschrijving der St. v. Holl. ann sommige stadsregeeringen, van 10 April 1588, in Resolutiën, bl. 115.
2Uitdrukking van Calvart in een brief aan Oldenbarneveldt, in 1593 geschreven.
3)In een brief ann Elisabeth, Juli 1592, spreken de St. Gen. van het volk als: ‘maintenant tant affectionné.’ (Rijks-Archief.)
1)‘Staet te noteren, dat de HH. Staten niet en moeten worden geconsidereert sulcx als sij waren gerespecteert ten tijde van de Princen... maer als hebbende de macht die eertijt is geëxerceert soo bij de Princen als bij de Staten.’ De Groot, Advys nopende het recht de steden competeerende in cas van judicature (Overgedrukt in de Holl. Consultatiën, III blz. 617); evenzoo Graswinkel, Van de Opperste Macht, II, blz. 1003.
1)Zoo drukt zich de R.v. St. zelf uit. Aitzema, I, blz. 781.
2)Resol. v. Holl. 12 Mei 1589. Vergel. Resol. d. St. Gen., bij v.d. Kemp, Maurits, I, aant. 265. - Belangrijk over dit onderwerp is het Gedenkschrift van Joris de Bye, toen te tijd lid van den Raad van State, dat ik in de Bijdr. en Mededeel. van het Histor. Genootschap, XIe deel, blz. 400 vlg., heb uitgegeven.
3)Juist beschrijft Duplessis Mornay onzen toestand in 1588 als: ‘entre es bras de la Royne d'Angletterre plustost estreinets qu'embrassés’. Mémoires, IV, p. 207.
1)Den 9den Januari 1590 besluit de Raad van State, overwegende dat de Advokaat van Holland en ook sommigen uit de Staten dier provincie nu en dan onaangediend in den Raad verschijnen, wat de heeren Staten van de overige gewesten nooit doen, den deurwaarders aan te zeggen, ‘voortaen niemand, wie het zij, uitgezonderd de Heeren Generale Staten, tsamen komende staetsgewijze, en de Heeren Gouverneurs van de provincién, in den Raed te laten komen, zonder hetzelve alvorens den Raed aen te geven, en van denzelfden Raed bevel ontfangen hebbende zulke personen of gedeputeerden, tzij van de Staten-Generael of particulier of andere, te laten instaen.’ Vgl. Slingelandt, III, blz. 15.
2)Reeds in April 1589 beklaagt zich de R.v. St. over Maurits, die krijgszaken ‘zonder voorweten of advies van den Raad’ had uitgevoerd - Zie het uittreksel uit de Resol. v.d.R.v. St., bij v.d. Kemp, Maurits, I, blz. 297.
1)Aitzema, I, blz. 776, 781. Vgl. ook Alex. v.d. Capellen, Gedenkschr. I, blz. 461. - Als voorbeeld teeken ik aan, dat de onderhandeling met Hartius en Comans over den vrede eerst na den afloop aan den Raad van State werd medegedeeld. Eveneens de handel met Elisabeth over het remboursement.
2)Het bondigst heeft De Groot dit nieuwe staatsrecht samengevat in zijn ‘Memorie van mijne Intentiën’(Verhooren enz. van H. De Groot door mij uitgeg. in de Werken van het Histor. Genootschap, blz. 7.)
1)Correspondance de Buzanval, p. 129, 138.
1)Slingelandt, I, blz. 114.
2)Slingelandt, I, blz. 39.
1)Relazioni L.I.c. 4. - Vlg. Temple, Observations upon the United Provinces (edit. 1747. 120.) p. 72.
2)A.v.d. Capellen, Gedenkschriften, I, blz. 27.
3)Van Meteren, B. XIV. f. 280. (uitgaaf van 1614.)
1)Schandschrift aan Deventer toegeschreven, bij Bor, III, blz. 205.
2)Zoo had, om een voorbeeld te noemen, in Juni 1574, tijdens het beleg van Leiden, Prins Willem verlangd, ‘dat nevens de Gedeputeerden van de Staten mede ter dagvaart komen zouden ten minsten vier of meer personen van de principaelsten uit de schutterij en de burgerij der zelver steden, niet van de Wet wezende, die bij de gewone Schutters, Gilden of Burgers, als 't selve in de beste form zoude mogen geschieden, daertoe zonderlinge zouden worden verkosen om te representeeren dezelve achutters of gemeene burgers.’ Bor, I, blz. 508.
3)Kluit, I, blz. 263.
1)Reyd, blz. 174.
2)Belgisch vlugschrift, bij Bor, III, blz. 819.
1)Ongedrukte brief van. 2 Febr. 1591, op het Rijks-Archief.
2)Avis an comte de Leicester, medegedeeld door Mr. Groen van Prinsterer, Archives, IIe série, I, p. 49, 53.
1)Jeannin, XII, p. 57, XIII, p. 444. (édit. Petitot).
2)Bor, II. blz. 923.
3)Vergelijking der Gemeenebesten, II, p. 3.
1)In 1618 waren te Dordrecht de regenten door huwelijk en bloedverwantschap reeds zoo nauw aan elkander verknocht, dat Prins Maurits er de wet niet verstelde ‘omdat het ongelijk van eenigen allen treffen zou.’ Wagenaar, X, bl. 281.
2)Aitzema. III, blz. 762. - Een pamflet uit denzelfden tijd, van 1653, (Muller, no. 4214) klaagt: ‘'t Is hier in 't Land soo seer verloopen, dat de Regeerders haer schier schamen te negotieeren; zoo Adels word men.’
3)Buzanval, p. 52, 268; tweede gedeelte, uitgegeven in den Codex diplomaticus van net Histor. Genootschap, IIe Serie, 2e Afd., blz. 269.
1)Bor, Authent. Stukken, blz. 119.
2)Zie de voorrede van Thomas Wright, England under the house of Hanover, illustrated from the caricatures and satires of the day.
3)Mr. L. Ph. C. van den Berg heeft in het ‘Nederlandsch Rijksarchief’, 3e en 4e aflevering, van de ongerechtigheid van vele Baljuwen een donker tafereel opgehangen. Doch aan het eind van zijn verhandeling zegt hij zeer juist: ‘Wanneer men ons land, ten opzichte van het rechtswezen, met Frankrijk en Engeland vergelijkt, dan slaat de schaal merkelijk ten onzen voordeele over, en men leert inzien, dat ook hier Holland andere natién vooruit was. Nergens werd toen misschien het recht beter toebedeeld dan hier, nergens waren omkooping on willekeur zoo zeldzaam.’ Met dit oordeel stemt de voorstelling van een tijdgenoot, van Heemskerk, volkomen overeen, in wiens Batavische Arcadia, gedurende het Bestand opgesteld, een benijdenswaardige ingenomenheid met den staat, waarin hij leeft, doorstraalt. En die goede rechtsbedeeling was te lofwaardiger, omdat onder de Oostenrijksche heerschappij het rechtswezen in de Nederlanden al zeer laag had gestaan. Alva schreef in 1573 aan Philips: ‘. . . .il n'est aucune cause, civile on criminelle, qui ne se vende comme l'on vend la viande à la boucherie, et beaucoup même sont vendues à l'encan, et la plupart des conseillers, sinon tous, se donnent journellement à qui vent les acheter.’ Gachard, Corresp. de Philippe II, t. II, p. 348.
1)Groot Placaetboek, II, blz. 1062. Vgl. Kluit, III, blz. 52. - Zeer belangrijk is het debat hierover in 1617 tusschen de Staten van Holland en de Hooge Gerechtsboven gevoerd, waarvan de stukken staan afgedrukt in het XXVIe deel der Kron. v.h. Hist. Gen.; zie inzonderheid blz. 100, 106, 107, 131, 169.
2)Zie de aanteek. van Van de Wall op blz. 1729 der Handvesten van Dordrecht.
prepostterug  begin  verder