|
|
|
| |
XIX. De afstand der Nederlanden aan de infante Isabella.
Intusschen kwamen uit Madrid de brieven te Brussel aan, waarbij Philips zijn
besluit aankondigde, om de infante aan Albrecht ten huwelijk te geven en haar
als huwelijksgoed de Nederlanden af te staan.
| | | |
Die gewichtige tijding, die weldra ruchtbaar werd, werkte verschillend op de
verschillende bondgenooten. Op Hendrik's voornemen kon zij geen invloed hebben;
hij bleef naar vrede verlangen. Elisabetch zag den afstand met genoegen. Haar
regeeriug wenschte niets vuriger dan dat de goede dagen van het Bourgondische
vor stenhuis terug mochten keeren, toen de Nederlanden de getrouwe bondgenoot
van Engeland tegen Frankrijk waren geweest, en een weerzijds voordeelige
handelsbetrekking den vriendschapsband tusschen beide rijken nog nauwer had
toegehaald1). Die dagen schenen ten gevolge van
den afstand te zullen herleven. Indien de nieuwe Nederlandsche regeering
tegenover Spanje zelfstandig wilde wezen, moest zij wel op Engeland steunen. In
alle geval verdween thans het gevaar, dat de Engelsche staatslieden bovenal
gevreesd hadden en waarom zij geen vrede met Philips hadden durven sluiten, het
gevaar yan Holland en Zeeland, van Engelands hulp verstoken, uit machteloosheid
zich aan den Spanjaard onderwerpen, en dezen dan tot wapenplaats tegen Engeland
verstrekken zouden. Al vereenigde de Aartshertog al de zeventien gewesten onder
zijn bewind, toch, was hij, op zichzelf, geen te gevaarlijke nabuur.
De Staten vernamen de tijding met weerzin en angstig voorgevoel. Reeds lang had
het gerucht geloopen, dat Philips, door een geveinsde onafhankelijkheid aan
Nederland te schenken, de vrije gewesten weer tot onderwerping zou trachten ta
lokken. De Staten zelf zouden zich door een zoo plomp bedrog wel niet laten
misleiden, maar het was te vreezen, dat het volk, den langen oorlog | | | | moede, lichter te bedriegen zou zijn en de regeering zou dwingen, tegen beter
weten in, aan's vijands lokstem gehoor te geven1).
Immers, dat het den Spanjaard met den afstand der Nederlanden ernst was, kon geen
staatsman gelooven, die de geschiedenis van zijn tijd kende, die wist hoe
stelselmatig de Spaansche regeering naar de wereldheerschappij streefde, en hoe
onmisbaar haar voor dit doel de Nederlanden waren. Met de Nederlanden had Spanje
eerst overwicht op Midden-Europa gekregen; met de Nederlanden moest het dat
overwicht weer verliezen. Eerst sedert zijn vereeniging met de Bourgondische
erflanden had Spanje zich in de algemeen-Europeesche zaken kunnen mengen: voor
dien tijd had het alleen op de landen aan de Middellandsche zee invloed
uitgeoefend. Nederland was door zijn ligging een sterkte, in het hart van Europa
geplant, waaruit een machtig landsheer al de groote mogendheden, Duitschland,
Frankrijk, Engeland en het Scandinavische Noorden in bedwang kon houden. Zelfs
de heerschappij over Italië hing aan het bezit van Nederland. Wat toch zou
Frankrijk beletten zijn legers nog eens over de Alpen te zenden, en de
aanspraken van Karel VIII en Lodewrijk XII opnieuw te doen gelden, als het eens
in zijn rug beveiligd was, en uit de Nederlanden geen aanslag op zijn hoofdstad
meer te vreezen had? De Nederlandsche legers hadden voor Spanje op het slagveld
van St. Quentin den voordeeligen vrede van Cateau-Cambresis bevochten; zonder
het bezit van Nederland kon Spanje de voorwaarden van dien vrede niet handhaven.
Hoe zou het verder zijn invloed op Duitschland kunnen behouden, als het zich uit
Nederland terugtrok; hoe zon het de Duitsche Kerk in haar tegenstand tegen de
ketters, in haar poging om de verlorene alleenheersching te herwinnen, kunnen
bijstaan? Ook Engeland en Schotland en Denemarken zouden geheel buiten zijn
bereik raken: een Koning van Spanje, die Nederland niet bezat, beteekende voor
de Noordsche mogendheden niet meer dan een vorst van Indië: hij kon haar noch
goeddoen noch schaden2). Karel V had steeds het bezit
| | | | van Nederland hooger gesteld voor de Spaansche Monarchie dan
zelfs het bezit van Indië; hoe dikwerf er ook in zijn tijd over een afstand der
Nederlanden, als huwelijksgoed zijner dochter Maria, aan een zoon van zijn
broeder Ferdinand of aan een zoon van zijn mededinger Frans van Frankrijk
gehandeld was, van zulk een afstand, was toch nooit iets gekomen1). Was het dan te
gelooven, dat Philips volvoeren zon wat zijn vader niet van zich had kannen
verkrijgen? Was het denkbaar, dat hij, na een leven aan de verhooging van de
Spaansche mogendheid en van de macht der Kerk gewijd, stervend de zuilen zou
omrukken, waarop die macht berustte? Neen, de Koning veranderde nogmaals, gelijk
reeds zoo dikwerf, van middelen, maar onveranderlijk beoogde hij | | | | hetzelfde doel. Dat doel, tevergeefs openlijk nagejaagd, zocht hij thans
bedriegelijk langs een omweg te bereiken.
Ook voor ons, die weten dat de afstand ernstig gemeend was, blijft het onzeker
wat Philips tot zulk een opoffering mag bewogen hebben. Wij moeten het aan zijn
naderend einde, aan de zucht om zijn rijk in vrede, en zijn kinderen verzorgd,
achter te laten, en bovenal aan zijn liefde tot de Kerk toeschrijven, dat hij
van zijn monarchie een der nuttigste leden afsneed, de rechterhand, als het
ware, waarmee hij en zijn vader vóór hem hun vijanden het krachtigst hadden
bestreden.
Philips beminde de Infante, aan wie hij de Nederlanden afstond, meer dan den
zoon, die hem op den troon moest opvolgen. Die zoon was zwak naar ziel en
lichaam, niet in staat en niet gezind om de plannen van zijn vader en zijn
grootvader ten uitvoer te brengen. De keus zijner vrienden toonde reeds, dat hij
zijn eigen weg dacht te gaan. Philips kon niet zonder tegenzin en bezorgheid aan
de toekomst van den staat, onder zulk een opvolger, denken. Isabella daarentegen
was een kind naar zijn hart; voor hetgeen hem het heiligste was ijverde ook zij
het meest. Vol eerbied voor haar vader, keurde zij tevens zijn staatkunde goed.
Kon hij haar ongehuwd, onverzorgd, achterlaten? Hoe gaarne had hij haar op den
troon van Frankrijk, op den troon van Duitschland gezien! Maar die hoop, eens
gekoesterd, was vervlogen. En thans, met den voet in het graf, had hij geen tijd
meer om verdere plannen te beramen, nauwelijks tijd om een besluit te nemen. Ook
was de prinses te bedaagd om haar huwelijk nog langer uit te stellen. Nog eens
was Keizer Rudolf aan zijn vroeger aanzoek herinnerd, maar weer tevergeefs. Zoo
mocht haar dan zijn broeder Albrecht huwen, dien Philips van al de jonge
vorsten, die onder zijn oog waren opgegroeid, den waardigsten, den bekwaamsten,
den meest rechtzinnigen achtte1). Maar dat was geen
echtpaar om ambteloos te blijven, of in een ondergeschikt ambt van den
onbeduidenden broeder en zijn gewantrouwde raadslieden af te hangen. Philips
moest hun een hunner waardig huwlijksgoed, een eigen staat, een eigen kroon
verzekeren. Men beweert dat, eer het besluit tot den afstand van de Nederlanden
genomen werd, er in den Spaan- | | | | schen raad overlegd is om hun
Portugal of Napels af te staan1).
Maar, zoodra er besloten was een deel van het rijk voor de Infante af te
zonderen, kwamen krachtige redenen voor het afscheiden van de Nederlanden
pleiten2). Waren dezen, als zij zich gehoorzaam en gedienstig
voegden, het geschiktste werktuig, dat een heerschzuchtig landsheer zich
wenschen kon; sinds jaren had hun weerbarstigheid de monarchie meer schade
berokkend dan de toeleg van al haar vijanden te zamen. Moest al Spanje, indien
het de Nederlanden afstond, zijn heerschzuchtige plannen opgeven, het ontlastte
zich tevens, naar het zich liet aanzien, van een oorlog, waarin het zijn beste
krachten hopeloos verspilde.
Want daarop hoopte de Spaansche regeering bij den afstand, dat de nieuwe
landsheer, beter dan zijzelf, in staat zou zijn om de scheuring der Nederlanden
te heelen. Zij beloofde wel, desnoods even rijkelijk als te voren, tot den
oorlog tegen de rebellen bij te dragen, maar zij hoopte dat die behoefte niet
lang meer bestaan zou. Immers niets had, naar het oordeel der meest ervaren
staatslieden, de Nederlanders meer opgezet en afvallig gemaakt, dan hun weerzin
tegen een vreemde heerschappij. Een nationaal bestuur hadden zij zich altijd
gewenscht. Zouden zij dan nu den oorlog verkiezen boven een billijke
ondergeschiktheid, aan een eigen Nederlandsche regeering? Al waren de Staten
verwend aan het zelf regeeren en niet genegen om zich te onderwerpen, de
bevolking, die tegen overheersching maar niet tegen een eenhoofdig bestuur
gezind was, zou hen wel dwingen tot vrede en hereeniging onder een eigen vorst
uit het geëerbiedigde Oostenrijksche stamhuis3). Bovendien, de
opstand was tot nog toe volgehouden met | | | | de hulp, die Frankrijk en
Engeland uit naijver tegen Spanje hadden verleend. Maar de naijver, en bij
gevolg de hulpvaardigheid, moest ophouden, als Nederland een zelfstandige staat
werd, machtig genoeg om zijn onafhankelijkheid te verdedigen, niet overmachtig
om den naburen vrees aan te jagen. Met Frankrijk dacht men spoedig vrede te
sluiten, en Engeland zou zich zeker haasten om met de Nederlandsche vorsten het
voordeelige verbond te vernieuwen, weleer met de Bourgondische hertogen
onderhouden. Dus van haar bondgenooten verlaten, en verlost van het schrikbeeld,
dat haar tot wanhoop had gedreven, zou de Republiek geen weerstand weten te
bieden aan de bedreiging en aan de verlokking van haar wettigen landsheer.
En dan, welk een geluk! De vrome Isabella en de kerkvorst Albrecht zouden de
herwonnen onderdanen ook voor de Kerk herwinnen. Gebeurde dat, dan was de schade
rijkelijk vergoed, die Spanje bij den afstand, lijden mocht. De Koning had het
eens gezegd: liever wilde hij de Nederlanden verliezen, dan ze besmet met
ketterij behouden. Dat was geen ijdel zeggen geweest, het was uit het hart
gesproken. Waren de Nederlanden voor het geloof te behouden, mits Spanje ze
verloor, dan stond de Koning ze volgaarne af. Weinige uren voordat hij den geest
gaf, liet hij de Infante aan zijn sterfbed komen: hij zegende haar, en drukte
haar voor het laatst op het hart, wat hem het meest ter harte ging, dat zij
bovenal in haar nieuw verworven staten het zaligmakende geloof bevorderen zou,
want met dat oogmerk had hij ze haar afgestaan; zij mocht toch niet verzuimen
aan den afwezigen Albrecht die laatste vermaning van den stervende over te
brengen1). - Zoo
bleef Philips de Kerk, die hij zijn liefde gegeschonken had, tot in den dood
getrouw. Hoe wij ook over hem en over zijn Kerk mogen oordeelen, wij kunnen een
zoo beproefde, een zoo onwankelbare trouw aan wat hij het hoogste achtte, niet
dan eerbiedigen.
| | | |
De wereld begreep hem niet, en geloofde niet aan zijn oprechtheid. Zij hield zich
overtuigd, dat hij slechts in schijn, en hoogstens voor een tijd, van een zoo
aanzienlijk deel zijner rijken afstand deed. Zij vermoedde, dat hij de zekerheid
bezat, dat de echt van Albrecht en Isabella kinderloos moest blijven, en dat
derhalve, na hun overlijden, de afgezonderde gewesten, wellicht gedurende de
afzondering met de noordelijke provinciën hereenigd, tot de Spaansche monarchie
terug zouden keeren.
Dit vermoeden is reeds spoedig opgekomen en verbreid. Een jaar na den afstand
hoorde onze gezant Aerssens het al uit den mond van Hendrik IV, die hem
verzekerde het van Albrecht's biechtvader zelf te weten1). De Venetiaansche
ambassadeur Soranzo had het terzelfder tijd te Madrid hooren vertellen2). Iets later spreekt Jeannin ervan, als van een
waarschijnlijke zaak3). En na den dood van
Albrecht en Isabella bevestigde de markies d'Aytona, hun petekind, de waarheid
van het gerucht aan den hertog van Orleans, den broeder van Lodewijk XIII4). Zooveel getuigen, zou men meenen, stellen de zaak
buiten twijfel. Maar mij overtuigen zij toch geenszins. Immers zij spreken
elkander in de bijzonderheden tegen. Terwijl sommigen het lichaamsgebrek, waarop
zij doelen, aan Albrecht toeschrijven, schrijven anderen het weer toe aan
Isabella. Maar wij weten, dat Albrecht niet van den beginne af tot echtgenoot
der Infante bestemd was, en dat hij niet om eene reden als deze ten laatste
gekozen kan zijn. Indien Philips verzekerd ware geweest, dat zijn dochter
kinderloos moest sterven, zou hij zich ook niet zoo beijverd hebben om haar de
kroon van Frankrijk op het hoofd te zetten, die dan toch na haar dood | | | | op een vreemde had moeten overgaan. Buitendien, het is bekend dat
de Koning nog in dezen tijd voor het leven van zijn zwakken kroonprins vreesde,
en zijn hoop op de Infante alleen gevestigd had, bij wier kinderloos sterven de
kroon van Spanje aan het Savoysche huis vervallen moest. Onder zulke
omstandigheden kon hij waarlijk niet verlangen, dat Isabella's huwelijk
onvruchtbaar bleef. Houden wij daarentegen het gerucht, zooals ik meen dat het
verdient, voor een bloot verzinsel, dan valt het ons gemaklijk te verklaren, hoe
het in de wereld gekomen is. Men kon niet gelooven, dat de Koning inderdaad een
deel zijner staten aan de rust van alle wilde opofferen, en men zocht een
bedriegelijk opzet, dat zich het natuurlijkst in dezen vorm liet denken. Daar
verder de uitkomst aan den vermeenden toeleg beant woordde, werd de gissing met
ieder jaar aannemelijker en meer algemeen aangenomen. De markies d'Aytona was
zonder twijfel te goeder trouw van de waarheid der overlevering overtuigd; doch
hij kan het geweest zijn, al had het gerucht geen vasteren grond, dan dien de
uitkomst het gegeven heeft. Ik voor mij hecht meer vertrouwen aan de woorden,
die de stervende Koning tot zijn dochter sprak, dan aan al de getuigenissen der
achterdocht: om het ware geloof in de Nederlanden te behouden, zonderde hen
Philips, zonder bedriegelijke bedoeling, van de Spaansche monarchie af.
Maar daarom bedoelde hij niet ze volstrekt onafhankelijk van Spanje te maken. Het
was de vraag, of zij zich wel zonder den steun van Spanje zouden kunnen staande
houden. Althans als de oorlog moest voortduren, konden zij zijn hulp niet
missen. Het scheen billijk, dat zij die voor onderhoorigheid kochten. Er moest
verder gezorgd worden, dat zij van geen anderen staat dan aan Spanje door
huwelijk konden overgaan. Er moest gewaakt worden, dat Albrecht zich niet met
andere staten nauwer dan met Spanje verbond. Daartoe strekten de voorwaarden,
waaronder de afstand geschiedde. Maar die voorwaarden, hoe natuurlijk, hoe
onvermijdelijk ook, moesten de goede uitwerking, die men van den afstand
verwacht had, bederven. Zij moesten de afvallige provinciën en de aangrenzende
mogendheden versterken in haar argwaan, dat Spanje haar met een slechts
voorgewenden afstand zocht te bedriegen.
Ook lekte het spoedig uit, dat er behalve de openlijk erkende | | | | voorwaarden, nog andere bedongen waren, die men trachtte geheim te houden. De
Aartshertogen hadden moeten toegeven dat de voornaamste vestingen van het land
met Spaansche troepen bezet zonden blijven1). Dat belette hen een andere staatkunde te
volden dan die hun uit Spanje werd voorgeschreven. Dat hield Nederland
voortdurend aan Spanje geketend. Dat maakte den afstand nutteloos; in naam
souvereinen, zouden de nieuwe landsheeren toch niet meer dan Spaansche
landvoogden wezen. De Staten-Generaal gaven in het volgende jaar aan's Keizers
gezanten, die hen tot vredehandel met de Aartshertogen vermaanden, niet zonder
reden ten antwoord, dat uit de voorwaarden der overdracht ten duidelijkste
bleek, hoe Spanje de schijnbaar vrijgelaten Nederlanden voortdurend aan zijn
snoer dacht te houden2).
Inderdaad, ook bij den afstand was Philips zichzelf gelijk gebleven. Het was een
halve maatregel, zooals hij er zoo gaarne nam. Had hij de Nederlanden
onvoorwaardelijk aan de Infante afgestaan, de Spaansche troepen en de Spaansche
beambten teruggeroepen, en de vorstin aan zichzelf en aan haar onderdanen
overgelaten, dan ware het haar misschien gelukt het doel, dat bij den afstand
beoogd werd, te bereiken, hoeveel bezwaren en tegenwerking zij ook op haar weg
ontmoeten zou. Zeker had Spanje veel aan de Nederlanden verloren; maar de
Infante was Spaanschgezind en katholiek: geloofsijver en vaderlandsliefde zouden
haar gedrongen hebben zooveel mogelijk in overeenstemming met de Spaansche
staatkunde te regeeren. Of was de opoffering te groot, wilde men de
Nederlandsche regeering aan den leiband houden, dan was het beter het plan van
den afstand geheel op te geven, voor de Infante op een andere wijs te zorgen,
en, na vrede met Frankrijk gesloten te hebben, met alle krachten de afvallige
provinciën te bevechten. Alleen gelaten, hadden zij onmogelijk op | | | | den duur aan de onverdeelde macht van Spanje het hoofd kunnen bieden.
Dat was dan ook het gevoelen van Fuentes en Ibarra en van de mannen van hun
partij. Zij verzetten zich zoolang zij konden tegen Moura en Idiaquez, die het
plan van den afstand hadden aanbevolen en het doordreven1). Zij begrepen zeer goed
dat, al liet Spanje de Nederlanden niet los, het hun toch zoo veel vrijheid zou
moeten toestaan, dat de eenheid van regeering en krijgsbevel er onder lijden
zou. En als dan, gelijk bijna met zekerheid te voorzien was, de oorlog met de
rebellen toch bleef voortduren, en Spanje bijgevolg evenals vroeger met geld en
krijgsmacht moest bijspringen, dan had het niets door den afstand uitgewerkt,
dan dat het met een, waarschijnlijk wantrouwende en eigenzinnige, regeering te
Brussel moest te rade gaan, en niet kon doortasten, zooals de krijg vereischte.
De uitkomst heeft hen in het gelijk gesteld. De oorlog is door den afstand niet
geëindigd, en de last van den oorlog is op Spanje blijven drukken; ook duurde
het niet lang of Albrecht begon zich van den band, waaraan het Spaansche hof hem
wilde leiden, los te rukken: toen het zich, kort na den vrede van Vervins, liet
aanzien, dat Spanje opnieuw in oorlog met Frankrijk zou komen, nam hij zijn
maatregelen om in dat geval onzijdig te kunnen blijven2). Men wist dit te Madrid, en hield voortaan
de regeering van Brussel wantrouwend in het oog. - Maar die gevolgen lagen nog
in het verschiet, buiten het tijdvak waarbinnen wij ons bepaald hebben. Wij
hebben thans slechts te zien, welken indruk de afstand, toen hij ruchtbaar werd,
op de oorlogvoerende mogendheden maakte.
Zoo de overdracht van de regeering der Nederlanden de afvallige gewesten tot
bevrediging en onderwerping bewegen zou, moest zij dit terstond, in de
onzekerheid van het oogenblik, doen. Als men hun tijd liet om zich te bezinnen
en het voor en tegen te wikken, was het te vreezen dat zij halsstarrig zouden
weigeren. Thans, terwijl Frankrijk het verbond ging verlaten en Engeland genegen
scheen dat voorbeeld te volgen, terwijl het nog twijtelachtig was, hoever zich
de | | | | voorgespiegelde onafhankelijkheid van Nederland zou uitstrekken,
was het oogenblik tot onderhandelen gunstig. Kon men, aan den anderen kant,
voordat de vrede met Frankrijk nog gesloten werd, uitzicht openen op de
bevrediging der gezamenlijke Nederlanden, dan zou dit op de voorwaarden van dien
vrede allervoordeeligst terugwerken. De regeering van Brussel trachtte daarom te
gelijkertijd met de Republiek en met den Franschen Koning in onderhandeling te
treden, en deed het bij beiden voorkomen, alsof de een den ander poogde voor te
zijn en elk om strijd vrede met haar zocht. Terwijl de Spaansche en Fransche
vredehandelaars te Vervins, een kleine Fransche stad nabij de Nederlandsche
grenzen, bijeen kwamen, en onder bemiddeling van den pauselijken legaat en in
tegenwoordigheid van den generaal der Cordeliers, de onderhandelingen aanvingen,
had de regeering van Albrecht een geacht koopman, die uit Antwerpen, naar Leiden
was uitgeweken, Daniel van der Meulen, onder voorwendsel van
familie-aangelegenheden naar Brussel ontboden, en hem over de mogelijkheid van
een bevrediging der afvallige gewesten gepolst1). Zij bracht hem het gevaar
onder het oog, dat de Vereenigde Provinciën loopen zouden, als Frankrijk haar
verlaten ging. Maar terzelfder tijd deed zij het bij de Fransche gemachtigden te
Vervins voorkomen, alsof de Staten uit eigen beweging Van der Meulen tot haar
gezonden hadden, om haar den vredehandel met Frankrijk af te raden, en zelf met
haar in onderhandeling te treden2). Die dubbelhartigheid was echter noodeloos. Hendrik IV
had geen aansporing noodig; zijn besluit om vrede te maken stond vast; en de
Staten waren met zoo plomp bedrog niet te misleiden. Van der Meulen luisterde
wel naar wat hem gezegd werd, maar gaf geen hoop op bevrediging. Integendeel uit
zijn gesprekken met de bewindslieden te Brussel bleek overtuigend, dat elke
vrede, waarbij zich de Noordelijke gewesten weer onder de gehoorzaamheid der
katholieke regeering, die zij hadden afgezworen, begeven moesten, op bijna
onoverkomelijke moeilijkheden zou afspringen. De sluwe Richardot, | | | | en Havré, die, als oom van den jongen hertog van Aerschot en als oudste lid
van den Raad van State, den Nederlandschen adel vertegenwoordigde, verzekerden
hem wel, dat zij te Brussel de Spanjaarden even moede waren als men het in Den
Haag kon wezen; dat de Aartshertogen tevreden zouden zijn met een bloote
erkenning hunner oppermacht, en dat zij alles in de Noordelijke gewesten zouden
laten blijven zooals het was, de Nassaus en de Staten aan de regeering, de
steden bij haar privilegiën, de bevolking bij haar gewetensvrijheid en vrije
godsdienstoefening. Maar Van der Meulen liet zich met zulke algemeene
verzekeringen niet paaien. Wat, vroeg hij, zal er worden van de ballingen uit
Vlaanderen en Brabant, die nu in Holland wonen, en daar aan de regeering
deelnemen? zal men hen in hun vaderland en in hun vroegere waardigheid
herstellen, zal men hun vrije godsdienstoefening toestaan? Op die vragen zochten
de onderhandelaars ontwijkend en met geruststellende algemeenheden te
antwoorden; maar, tot ronduit spreken gedrongen, erkenden zij, dat aan de
inwilliging van zulke verlangens niet te denken viel: in het Noorden zou het
bestaande in wezen blijven, maar evenmin zou in het Zuiden eenige verandering
worden toegelaten. Dat maakte natuurlijk de hereeniging van Noord en Zuid
onmogelijk. Het was ondenkbaar, dat op den duur twee zoo tegenstrijdige stelsels
van regeering, als dat der Staten en dat van Philips, in vrede naast elkander
konden voortbestaan. De ketterij, in het Noorden heerschend, zou zich niet
weerloos in het Zuiden laten verdrukken. Het katholicisme, in het Zuiden met
alle macht door de regeering bevorderd, zou ook in het Noorden willen heerschen.
Nog onlangs was een ongelukkig slachtoffer om het geloof te Brussel
verbrand1). Zou zoo
iets gedoogd kunnen worden in een staat, waarvan de eene helft de gereformeerde
kerk als Staatskerk had aangenomen? Men moest de oogen sluiten om niet te zien,
dat hereeniging alleen na de overwinning van een van beiden mogelijk was. De
Staten besloten dan ook, na het rapport van Van der Meulen gehoord te hebben,
niet te treden in het voorstel, dat | | | | hun door den Aartshertog gedaan
was. Zij wilden veeleer trachten den Franschen Koning van den noodlottigen
vredehandel af te brengen.
|
1)In een ‘Discours au Roi,’ in 1575
geschreven, zegt de Fransche gezant aan het Engelsche hof, La Mothe Fénélon:
‘les partisans de Bourgogne sont en grand nombre en ceste cour.’ Hij
bedoelde daarmee diegenen, die, niettegenstaande de Bourgondische landen aan
Spanje vervallen waren, toch liever met hen dan met Frankrijk in verbintenis
wilden zijn. Die partij bleef voortdurend sterk aan het hof van Elisabeth.
Werden nu de Nederlanden van de Spaansche monarchie afgezonderd, dan verviel
het eenige beletsel van het verbond, dat zij beoogde. De Maisse schrijft aan
Hendrik IV: ‘Ils sont sur cette imagination de la maison de Bourgogne....
mais d'avoir un voisin si puissant que le Roi d'Espagne, cela ne leur peut
plaire.’ Prevost-Paradol, p. 148.
1)Zoo
sprak Caron tot den Franschen gezant. Prevost-Paradol, p. 176.
2)Geen tijdgenoot, zoover ik weet,
heeft het belang, dat Spanje bij het bezit der Nederlanden had, zoo juist
aangewezen als Daniel van der Meulen, van wien straks nader. Zie hier wat
hij daarover tegen Richardot beweerde: ‘qu'on scavoyt les pretentions du
Roy, qui depuis son advenement à la couronne avoyt en toujours l'esprit et
pensées bandez pour se passer le chemin à la monarchie, qu'il avoyt en ce
dessein dependu, une bonne partie de ses tresors; qu'il n'avoyt aultre moyen
d'y parvenir que par ces pays, qu'il tenoyt comme une citadelle plantée dans
les flancs de la Crestienté; que par nous il avoyt esttably ses
correspondances et la reverence de son nom et grandeur en Allemagne,
Oostlande, Pologne. Swede, Danemarque et aultres pays, qui sans la
possession de ces pays parleroyent d'un Roy d'Espagne comme d'un prince des
Indes, qui ne leur scauroyt faire ny mal ny bien; qu'il n'avoyt moyen de
faire guerre en France ou en Angleterre que par nous, auquels il devoyt le
succès de ses armes en Italie, pour estre sy voysins des plus nobles parties
de la France, que à, tant de foys que nous jettions une armée en Picardie,
tous respects de dehors venus à cesser, les François accouroyent au feu,
laissans bean jeu à ceux qui foysoynt pour l'Espagnol en Italie; que ce
seroyt le renfermer dans les estroictes limites d'Espagne, et s'oster les
moyens de defendre ses Etats d'Italie, quand le François viendroit à rompre
avecques luy; que les pays bas sont comme la base de sa grandeur; que le
prince ne sçauroyt faire un tel changement sans esbranler son Estat, et que
la possession des Indes luy demeureroit bien mal asseurée.’ - Ongedrukt
verbaal zijner zending, Rijks-Archief.
1)‘Soleva dire l'imperator Carlo che quella era la sua India, che
può somministrare grand’ armata di mare, cha è comodo a infestar Francesi,
che poteva divertir l'armi dallo Stato di Milano, che manteneva un corpo di
milizia esercitata e veterana, che era il nervo della soldatesca spagnuola,
e che con l'esercizio faceva de’ buoni captitani, che era una spina negli
occhi all’ Inghilterra; etc.’ Franc. Soranzo, Belaz. p. 166. - Over de
plannen van afstand der Nederlanden in Keizer Karel's tijd, zie de Papiers
d'Etat de Granvelle, II, p. 542; III, p. 267.
1)Bentivoglio, Della
guerra di Fiandra, 1. IV, p. 245. (Milano, 1806).
1)Mém. de Bellièvre, p.
157.
2)Het plan van den afstand der Nederlanden
was niet nieuw. Al eenige jaren tevoren had Vendramino, de Venetiaansche
gezant, bespeurd, dat velen te Madrid zich vleiden de Nederlanden te kunnen
bevredigen, indien de Infante, aan een harer neven van Oostenrijk
uitgehuwelijkt, ze als huwelijksgoed meekreeg. Gachard, Relat. p. 243. - Nog
tien jaren vroeger, in 1586, had een van Philips' grooten hem den raad
gegeven, aan Albrecht en de Infante de Nederlanden af te staan, ten einde ze
te bevredigen. Zie Gachard, Corresp. de Philippe II, t. II, p. lxxix.
3)In 1601
schreef de Fransche gezant, De Boderie, uit Brussel aan zijn regeering, dat
Isabella zich zeer teleurgesteld betoonde over den loop der zaken in de
Nederlanden, en gebelgd op haar echtgenoot en op haar broeder den Koning,
‘who persuaded her to come into those parts, upon assurance that at her
entery into that country the United Provinces would range themselves for her
service and obedience.’ Winwood-Papers, I, p. 379.
1)Khevenhiller, V, S. 2029.
1)Buzanval, p. 190. - Hetzelfde had Hendrik IV aan den Engelschen gezant
Neville verhaald. Zie Winwood-Papers, I, p. 26.
2)Relaz. p. 169: ‘L'Infanta vive non molto contenta . . .
. con poca speranza di prole, la quale alcuni vogliouo che nasca da una
particolar indisposizione di sua altezza, altri da poca ābilità che vi tiene
il signor arciduca.’
3)Négoc. p. 211: ‘J'ai même appris,
que le feu roi d'Espagne n'eût jamais donné lesdits pays à sa fille, s'il
n'ent su qu'elle étoit incapable d'avoir enfans.’
4)Zie een aanteekening van Amelot de la Houssaye op den
163 sten brief van den kard. d'Ossat. - De markies
d'Aytona is de, onder den naam van Don Francisco de Moncada, beroemde
geshiedschrijver.
1)Gachard
heeft het zekerste bewijs daarvan, gevonden in een brief van Philips aan
Albrecht: zie Corresp. de Philippe II, t. II, p. xciii.
Maar hij meent ten onrechte, dat de overeenkomst tot nu toe onbekend was
gebleven. Buzanval wist ervan (p. 254, 329); en in een algemeen verspreid
libel (Muller No. 444), overgedrukt bij Bor, IV, blz. 541, wordt er nog nauw
- keuriger van gehandeld.
1)Bentivoglio; Reyd, blz. 359.
2)Soranzo, Relaz. p. 202.
1)Reyd,
blz. 340. - Het belangrijke verbaal van Van der Meulen berust op het
Rijks-Archief. Daaruit is het volgende ontleend. Zie over hem en zijn
geslacht De Navorscher van 1878, blz. 580.
2)Mém. de Bellièvre, p.
51, 89, 138.
1)Anneke Wtenhove: zie het pamflet bij
Muller n o. 404, en Bor, IV, blz. 335.
|
|