[p. 47]
De zee, een pauw
Een waaier van geduld waarin
het waait,
een witte pauw met ogen op
de einder, trillende triomf
tot in de palmen van haar schuim.
Verliest haar oog aan kleur, betrekt
de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
zij op waar zij in spindrift zich
op golven neergeschreven heeft.
Zij geeft het strand te drinken uit
haar veren, wringt haar ogen om
zwart steen omhoog, spoelt schoon en valt
breeduit in slaap bij deining die
zich naar haar deinen voegt zover
het lopen strekt van kust tot kust.