Hubert Korneliszoon Poot


auteur: C.M. Geerars


bron: C.M. Geerars, Hubert Korneliszoon Poot. Bouma's Boekhuis, Groningen / Bert Hagen, Castricum 1979  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 320]

Hoofdstuk XII Het groot natuur- en zedekundigh werelttoneel

Inleiding

Meer dan met de dichtkunst heeft Poot zich in zijn laatste levensjaren bezig gehouden met ‘het bewerken en beschaven der Zinnebeelden van Cezar Ripa’.1 Tegen het einde van het jaar 1722 ‘of daer omtrent’2 was Poot begonnen aan dit grote werk.

In 1644 had Dirck Pietersz. Pers te Amsterdam zijn vertaling van Cesare Ripa's Iconologia het licht doen zien onder de titel: Iconologia of Uijtbeeldinghe des Verstants van Cesare Ripa van Perugien: Waer in Verscheiden Beeldnissen van Deughde, Ondeughden, Menschlijke Hertztochten, Konsten, Leeringhen: etc en andere ontallijke stoffen, geleerdelijck werden verhandelt. Uyt het Italiaens vertaelt door D. Pietersz Pers.

In eerste opzet was het bij Reinier Boitet uitgegeven Werelttoneel een door Poot naar de eis van de achttiende-eeuwse opvattingen bewerkte uitgave van de vertaling van Pers, verrijkt met aantekeningen en ophelderingen van de classicus Rutgerus Ouwens. Maar voordat deze nieuwe uitgave van Ripa's Iconologia zijn uiteindelijke vorm zou krijgen, moesten talrijke moeilijkheden overwonnen worden, die ik in dit hoofdstuk zal pogen weer te geven.

De betekenis van Ripa's Iconologia

Een uitvoerige en gedegen studie over de betekenis van Ripa's Iconologia voor de vernieuwing op religieus, wijsgerig, ethisch en aesthetisch gebied in onze zeventiende- en achttiende-eeuwse litteratuur en kunst, schreef Dr A. Zijderveld in 1949 in het kunsthistorisch tijdschrift Oud-Holland onder de titel Cesare Ripa's Iconologia in ons land.3

Hij wijst erop4 dat de bestudering van werken als Den Grondt der Edel vry Schilderconst van C. van Mander, De Pictura Veterum van Fr. F. Junius, en de Iconologia van Ripa in de vertaling van Pers een beter inzicht geeft in de kunst en de litteratuur van de zeventiende en achttiende eeuw en ons tot de oplossing brengt van veel tot nu toe onduidelijke of onverklaarbare voorstellingen. Vondel had in zijn Aenleidinge de jonge dichters ook gewezen op Ripa's werk als bron voor

[p. 321]

‘poëtische vindingen’. Dr Zijderveld wijst erop dat de litteratuurhistorici van de twintigste eeuw de genoemde werken niet in hun studieveld hebben betrokken. Hij geeft voorbeelden uit de schilderen dichtkunst, die met grote waarschijnlijkheid aan Ripa's werk zijn ontleend. De kunsthistorici leerden Ripa's Iconologia pas kennen als een belangrijke bron bij hun onderzoekingen na het verschijnen van Ludwig Volkmann's Bilderschriften der Renaissance (1924) en van Emile Mâle's L'art religieux après le Concile de Trente (1932).1

Cesare Ripa, zo vervolgt hij2, was een van de Italiaanse humanisten, die grote invloed ondergingen van de allegorische verklaringswijze van de Alexandrijnse schrijvers uit het begin van onze jaartelling als Plotinus, Philo Judaeus en Horus Apollo. De Italianen brachten de werken van deze geleerden over in het Latijn. Fassanini vertaalde in de zestiende eeuw de Hiëroglyphica van Horus Apollo. Leerlingen van Fassanini waren de beroemde emblemata-geleerden Alciatus, de grondlegger van de emblemata-kunst, welke kunst Dr Zijderveld omschrijft als ‘het in beeld brengen van spreuken en spreekwoorden, van “gebloemde” wijsheid, de typische verbinding van Humanisme en Renaissance’, en Pierius Valerianus, de schrijver van het woordenboek Hieroglyphica sive de sacris Aegyptiorum aliarumque gentium literis (1556), welk werk ook bij ons grote invloed had, o.a. op Spiegel. Heidense en bijbelse wijsheid worden door Valerianus verbonden, zoals bij ons o.a. door Van Mander, Cats en Vondel.

Na de dood van Ripa, omstreeks 1625, voegde Giov. Zaratino Castellini verscheidene zinnebeelden aan die van Ripa toe.3

Dr Zijderveld toont aan de hand van het zinnebeeld Academia aan, hoe de opvatting van onze dichtgenootschappen, dat kunst door arbeid verkregen wordt, in de zeventiende eeuw in Italië reedsgehuldigd werd.4 Invloed van het Platonisme blijkt uit de onderwerpen Mondo en Idaea.5 Bij verschillende zinnebeelden valt de methode op om met voorbeelden uit de Bijbel en uit de mythologie allerlei metaphoren zonder dwingend logisch verband aaneen te rijgen. Dr Zijderveld wijst hierbij op eenzelfde methode, door Cats en Vondel in hun emblematisch werk gevolgd, waarbij de betrekking tussen de verschillende voorbeelden soms alleen bestaat in het gebruik van hetzelfde woord. Hij veronderstelt dat deze ‘associatieve denkwijze’ teruggaat op de

[p. 322]

Alexandrijnse schrijvers die een grote voorliefde hadden voor de allegorese.1

Dat wij in de emblematiek ook een voortzetting mogen zien van het ‘visueele symbolische denken’ door Prof. Huizinga genoemd ‘de grondtrek van den geest der 14de en 15de eeuw’2 toont Dr Zijderveld vervolgens met voorbeelden aan. Eerst langzamerhand kwamen de zeventiende-eeuwers toe aan ‘het bevattelijk worden voor abstracte redeneering’.3

De hoofdstukken over de Muzen, de verschillende kunsten en wetenschappen en over de Academie in de Iconologia versterkten het streven naar uiterlijke volkomenheid en klassiek-ideale schoonheid, die in de tweede helft der zeventiende en in de achttiende eeuw werden nagestreefd.4

Omstreeks 1694 liet Cornelis Danckert te Amsterdam een verkorte uitgave van Pers' vertaling verschijnen, bestemd ‘voor jonge liefhebbers, die zich tot de teekenkonst zouden begeven’. In deze uitgave is alle humanistische geleerdheid weggelaten.

Uit deze verkorte uitgave en ook uit de eveneens verkorte, Franse bewerking van de Iconologia door J(ean) B(audoin), in 1698 te Amsterdam verschenen, concludeert Dr Zijderveld, dat de zinnebeeldige voorstellingen aan het verstarren waren. Ook in de dichtkunst ging men de uiterlijke verfraaiing belangrijker achten dan al het andere.5

In 1699 verscheen een z.g. tweede druk van Pers' vertaling, maar deze was niets anders, zegt Dr Zijderveld, dan ‘een zedekundig kinderboek, dat een aantal afbeeldingen bevat, overgenomen uit Pers' bewerking, met simpele gedichtjes er onder.’6

Men ging de Iconologia ook gebruiken als handboek voor practische rhetorica. In 1722 verscheen te Amsterdam het Tafereel van overdeftige Zinnebeelden, uitgegeven door P. Zaunslifer ‘bedienaar van het H. Evangelium te Vianen’, en ingeleid met een gedicht van David van Hoogstraten. Het boek bevat ongeveer 400 beelden, ontworpen naar die van Ripa.7

Als werken, die gebruik maakten van Ripa e.a. noemt Dr Zijderveld nog Zedenrijke Zinnebeelden der Tonge van Brouerius van Nidek waarvan de eerste druk verscheen in 1716 en de Zinnebeelden, waarbij Jacob Zeeus gedichten schreef, geplaatst in zijn Gedichten, in 1721 door Poot bij Boitet uitgegeven.8

[p. 323]

De uitgave van het Werelttoneel noemt Dr Zijderveld ‘het opmerkelijkste bewijs der 18de-eeuwsche belangstelling voor het werk van Pers (Ripa).’1 Hij vermeldt dat het werk, een ‘gemoderniseerde Iconologia, die wetenschappelijk geheel “bij” zou zijn’, oorspronkelijk beraamd was op twee, maar tenslotte in drie delen werd uitgegeven, omdat er meer aantekeningen nodig bleken dan aanvankelijk vermoed was. Het eerste deel zou in 1725 verschijnen en de twee volgende telkens acht maanden later. Hij voegt daaraan toe: ‘De vorm, waarin het ons bekend is, beslaat drie foliobanden, waarvan de eerste uitkwam in 1743, en de beide andere in 1750 ...’.2 Dit is niet juist, het eerste deel verscheen reeds in 17263, dus nog tijdens Poots leven; de uitgave van het eerste deel in 1743 is een tweede druk (niet als zodanig aangeduid), met een aantal wijzigingen, die ik later nog zal vermelden. Het tweede deel verscheen niet in 1750, maar in 1743.

Dr Zijderveld betoogt, dat omtrent het Werelttoneel misverstand en onkunde heersen bij onze litteratuurhistorici. Prof. Kalff schrijft het geheel aan Poot toe4 en Prof. Te Winkel5 meent, dat Poot slechts het eerste deel van dit ‘groot woordenboek ten dienste van schilders en dichters’ moderniseerde. Hij wijst er op dat beide geleerden de waarheid hadden kunnen leren kennen uit het titelblad van het werk zelf en uit de daarin opgenomen lofdichten, als ook uit de biografie van Poot door Jacob Spex die door Busken Huet was herdrukt in zijn bloemlezing uit Poots werk voor het Klass. Letterk. Pantheon in 1866. ‘Uit de gedichten van Jacob Spex’, schrijft Dr Zijderveld, ‘had Huet ook den naam opgediept van den oudheidkundigen “aenteekenaar”, n.l. Rutgerus Ouwens, rector te Alkmaar volgens Busken Huet, te 's Gravenhage volgens Spex (Gedichten, pag. 233 vlg.). Beide berichten zijn juist: ± 1735 zal Ouwens uit Alkmaar naar Den Haag verhuisd zijn, afgaande op de drukplaatsen van zijn Latijnsche geschriften’.6

[p. 324]

Poot had tot taak de vertaling van Pers in goed Nederlands om te zetten en de tekst met toepasselijke gedichten te verfraaien. Dr Zijderveld geeft als proeve van Poots taalzuivering een gedeelte van diens bewerking van Idaea, door Pers vertaald met Eerste gedaente, voorbeeldelijck ontwerp1, door Poot met Denkbeelt.2 Hij heeft de aanhalingen uit beide teksten evenwel zoveel mogelijk gemoderniseerd. Op grond van deze fragmenten noemt hij als voornaamste verschillen tussen de taal van Pers en die van Poot:

‘1e. de 18de-eeuwer let nauwkeurig op de buigingsuitgangen, maar de slot-e van woorden als Nature, vrouwe, laat hij weg; 2e. deelwoordconstructies vervangt hij gewoonlijk door het vervoegde werkwoord; 3e. waar Pers, in zijn afhankelijkheid van den Italiaanschen tekst, in de beschrijving der beelden “hij (zij) zal” gebruikt, schrijft Poot gewoonlijk een praesens; 4e. Pers, in het overzetten van wijsgeerige termen, stond vermoedelijk nog voor een onontgonnen veld (sensibile geeft hij weer door gevoelijk of gevoelig, Poot door zinnelijk (= zintuigelijk waarneembaar). Er liggen tusschen Pers' vertaling en Poots zuivering tachtig jaren van wijsgeerige ontwikkeling!’3

[p. 325]

Verder toont hij aan, dat Poot niet alleen de taal van Pers zuiverde, maar dikwijls ingrijpende tekstwijzigingen aanbracht en bovendien eigen verzen zowel als gedichten en fragmenten van zeventiende- en achttiende-eeuwse dichters invoegde. Dr Zijderveld geeft enige waarderingen van Poot over deze dichters weer:

‘Spieghel is “onze Ennius”, Vondel “de weergalooze navolger van Vergilius”, De Decker “een der braafste dichthelden van Holland”. Ook Brandt, Oudaen, Antonides krijgen een pluim op hun hoed. Poots uitspraak over “de Ridder Cats, wiens werken in ieders handen zijn en den tijd verduren zullen”, zal menigeen verwonderen.’1

Het oordeel van Dr Zijderveld over de geleerde schrijver van de aantekeningen is alleszins gunstig:

‘Ook rector Ouwens heeft, door zijn vele aanhalingen uit de classieke poëzie, die hij zelf vertaalt of in de weergave van Nederlandsche dichters aanvult, heel veel bijgedragen tot de leesbaarheid. Verbluffend is de belezenheid van dezen man (ook naar het oordeel van een onzer bekwaamste classici). Poots aandeel in het werk is een peulschil, vergeleken bij wat hij verzet heeft. In zijn voorrede wees hij enkele misslagen aan in Pers' vertaling en Ripa's tekst, maar eerst bij vergelijking van verschillende hoofdstukken en bij de lectuur van zijn uitvoerige “aanmerkingen” komt men diep onder den indruk van 's mans geleerdheid, belezenheid, grondigheid. Alle aanhalingen van Ripa heeft hij gecontroleerd, de bronnen er van vermeld, de aanteekeningen uitgebreid. Hij beheerschte niet alleen de classieke, maar ook de neoclassieke en de humanistische litteratuur. De Hieroglyphica van Valerianus, die hij zeer bewonderde, schijnt hij uit het hoofd gekend te hebben, evenals die van Horus Apollo en de Emblemata van Alciatus. Maar ook in de Italiaansche poëzie van Dante tot de 17de eeuw, en in de Nederlandsche was hij blijkbaar goed thuis. Elke slordigheid van Ripa verbeterde hij en zette meermalen uiteen hoe die fouten ontstonden.’2

Vervolgens geeft Dr Zijderveld voorbeelden van critiek, die Ouwens uitoefende op Zaunslifer en Vondel, en vermeldt hij dat Ouwens bij verschillende plaatsen uit het werk van Hooft de bronnen wist aan te wijzen.3

Uitvoerig gaat hij in op het hoofdstuk over de Bevalligheid, waarbij hij er op wijst dat de voorliefde voor de naam Rozemond in de zeventiende-eeuwse liefdespoëzie4 misschien te verklaren valt uit het feit dat de rozen bij de klassieken en in de Bijbel als aanduiding van bevalligheid voorkomen.

Hij toont aan, dat Ouwens op natuurwetenschappelijk gebied nog op Middeleeuws standpunt stond.5

[p. 326]

Tenslotte vraagt hij zich af ‘Hoe lang de erfgenamen en nazaten der honderden inteekenaren op “Het groot ... Werelttoneel” aangename stichting uit dit werk genoten hebben’. Hij veronderstelt op grond van de meerdelige herdrukken van de Iconologia in de landen met de hoogste aesthetisch-wijsgerige cultuur (Italië, Frankrijk en Engeland)1 ‘dat tot de 19de eeuw toe de emblematische kunst in West-Europa gewaardeerd bleef als factor in de aesthetisch-ethische bewustwording.’ Starings persoonsverbeeldingen ‘Aan de Eenvoudigheid, en De Winter’ noemt hij de mooiste herinneringen er aan. ‘Voor een volgend geslacht, dat wis- en natuurwetenschappelijk leerde denken en een logisch verantwoorde overtuiging vroeg, verloren de rhetorische gelijkenissen haar overredingskracht, tenzij een groot kunstenaar ze bezielde.’2 Tot zover het artikel van Dr Zijderveld.

Uitgave van de schets en enige proeven

In Augustus 1723 werd in de Maendelyke Uittreksels, of Boekzael der Geleerde Werelt de uitgave bij Boitet te Delft gemeld van ‘de Schets nevens eenige Proeven’ van het Werelttoneel, welke uitgave in het Septembernummer van de Boekzael werd besproken.3 Een exemplaar van deze Schets heb ik niet kunnen achterhalen.

Eerste deel van het Werelttoneel, uitgegeven in 1726

In 1726 verscheen het eerste deel van het Werelttoneel met als titel:

Het Groot Natuur- en Zedekundigh Werelttoneel Van aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinsche Zinnebeelden of Beeldenspraek; Vervattende eene geleerde en leerzaeme Uitbeelding en Beschryving van Alle Deugden, Ondeugden, Genegentheden, Bedryven, Hartstogten, Kunsten, Leeringen en Zinlykheden; Mitsgaders Van de Hooftstoffen, Hemellichten, Lantschappen, Rivieren en veele andere zaeken; Op nieu door een' ervaren Tael- en Outheitkundigen uit de oirsprongklyke Schriften van Cezar Ripa, Zaratino Kastellini, Piërius Valerianus, Horus Apollo En andere Doorluchtige Vernuften getrokken, en in eene Alphabetische Orde gebragt. Alles door Hubert Korneliszoon Poot, Voor zoo veel hem mogelyk was, in klaer Nederduitsch gestelt, en door den gedachten Outheitkenner met Aenmerkingen en Ophelderingen, Alsmede een' volkomen Bladwyzer van Zaeken en Woorden, verrykt. Eerste deel. Versiert met Vyfhondert Kopere Kunstplaten. ‘Te Delft Gedrukt by Reinier Boitet. MDCCXXVI. Met Privelegie van de Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Holland en Westfriesland.’

Het boek is in October 1726 uitgekomen. In het eerste nummer d.d. 21 October en in het tweede d.d. 28 October van Den Echo des Weerelds, door Jakob Campo Weyerman; Ernstig en Vermaakelyk, In Onrym

[p. 327]

en in Rym ‘Te Amsterdam, Gedrukt voor den Auteur, en zyn te bekomen by Hendrik Bosch, Boekverkooper over 't Meysjes Weeshuys, 1726’, wordt op blz. 8 en 16 medegedeeld, dat het ‘1 Deel van de Zinnebeelden van H.K. Poot’ voor de intekenaars te verkrijgen is.

Bij de titelprent van F. Ottens is een gedicht geplaatst Uitlegging op de Tytelprent, van een dichter die zich verschuilt achter de ondertekening ‘Amicus Amico’. In de tweede druk van het eerste deel uit het jaar 1743 ondertekent hij met zijn eigen naam: Arnold Hoogvliet. Het gedicht heeft dan aanmerkelijke veranderingen ondergaan.

Het werk is opgedragen aan ‘Den Heere Mr Willem Vlaardingerwoud President in de Hooge Vierschare van Delfland, mitsgaders Kapitein van de Burgerye der Stadt Delft, enz. enz.’ Reinier Boitet stelt het onder zijn bescherming ‘in dankbare erkentenis voor veele langduurigh genote gunstbewyzen en beleeftheden’. In de herdruk van 1743 worden de nieuwe titels van Vlaardingerwoud1 vermeld: ‘Heere van Noordscharwoude, Hoog-heemraed van den lande en grooten waterschappe van Woerden’.

Het Privilegie, verleend door de Staten van Holland en West-Friesland d.d. 11 September 1726, is in het werk afgedrukt.

Enige lofdichten zijn in de uitgave opgenomen: Ad Hubertum Potium, Poetam ingeniosissimum Caesaris à Ripa Aliorumque Hieroglyphica Idiomate Belgico Stylo elegantiori edentem van Joannes van Dam2; Op het Groot Natuur- en Zedekundig Werelttoneel Van aloude Egiptische Grieksche en Romeinsche Zinnebeelden, Op nieu uit Cesar Ripa en andere Schryvers verzamelt van Arnold Hoogvliet; en met ongeveer gelijkluidende titels twee gedichten van resp. P. Schim en Hendrik Schim.

Opmerkelijk is het, dat alle lofdichters Poot het meest prijzen, terwijl Ouwens, wanneer hij genoemd wordt, op de tweede plaats komt. Van Dam schrijft zijn gedicht zelfs uitsluitend voor Poot:

 
HUBERTI cultam, quamvis sit rustica, Musam
 
Laudavit miris terra Batava modis.
 
Illius & numeros dudum Delphensia tempe,
 
Nobilibusque viris Haga superba stupet.
 
At major jam surgit honos, ubi numine dextro,
 
Caesareas acri mente reclusit opes.

[vs. 3-8]

 
Sublimi feriat nunc sidera vertice, qui sic
 
Demeruit Batavos, tempus in omne, suos.
 
Cumque aliis paucis, quos secla tulere, poëtis,
 
Illius in nostro stet lyra clara polo.

[vs. 25-28]

[p. 328]

Arnold Hoogvliet prijst, naar de opvattingen van zijn tijd, vooral de geleerdheid van het werk en wijst de dichters, schilders, tekenaars, beeldhouwers, predikanten en leraren op de schatten aan wetenschap, die het boek bevat. Hij prijst Ripa, maar vervolgt dan:

 
Maar, vraagt ge, o Taal- en Lantgenoot,
 
Wien men den lauwer heb te wyen
 
Voor deze letterlekkernyen?
 
Men sier den braven Dichter POOT,
 
Die 't werk in 't nieu gewaat kan tooien
 
Bevrydt van hartgeperste plooien,1
 
En grootsch verheerlykt met zyn dicht.
 
Doch spaar voor dien geleerden Schryver,
 
Die zynen naam verbergt voor 't licht
 
Ook lauren uit een dankbren yver;
 
En sier zyn kruin, zoo dra de Faam
 
De onsterflykheit geeft aan zyn' naam.

[vs. 85-96]

 

P. Schim prijst vooral het belang van de uitgave voor de dichters en besluit zijn woorden tot de poëten met de raad:

 
Volgt dan de vonden vry van Ripaes ryken geest,
 
Nu gy het taelcieraet van Poot in 't Neêrduitsch leest,
 
En 't heerlyk Raetzelwerk uit d'outheit ziet verklaeren.

[vs. 12-14]

 

Hendrik Schim, die een uiteenzetting geeft over de geschiedenis en het nut van de beeldenspraak besluit zijn lof over het werk met de woorden:

 
Voorts heeft myn POOT, wiens kruin met lauwren prykt,
 
Het allessins beschaefder tael doen spreken,
 
En met zyn styl, zoo eêl en rein vereert,
 
Het hier en daer met dichtsieraet besteken,
 
Al bloemen in zyn harssens geschakeert.
 
Koomt Schilders, koomt doorluchte Kunstenaren,
 
Kroont Ripaes werk met palmen, 't is het waert;
 
Versiert hen vry die dees gewyde blaren
 
Versierden, hebt gy noch wat loof gespaert!
 
En helpt hun geest, te fyn om net te treffen,
 
Met stasy aen den hogen hemel heffen.

[vs. 124-134]

 

De geleerde Ouwens, de drukker Boitet en de tekenaars der platen moeten tevreden zijn met wat er aan lauweren overblijft, nadat Poot is gekroond.

[p. 329]

In de lijst van intekenaars treffen wij verschillende vrienden en bekenden van Poot aan: Jan Buis Egbertszoon; Mr Jan Hudde Dedel; Cornelius de Feiffer; Frans Greenwood; Mr Gaspar Rudolf van Kinschot; Jan Messchaert; Jan Oudaen; Valerius Rover; Mr Joan Carel de Roo; Johan van Steelant; Pieter Schim; Hendrik Schim en Jacob Specx.

De opzet van het werk

Nadat Ouwens in zijn Voorreden1 een uiteenzetting heeft gegeven over ‘den Oirsprongk en Nuttigheit der Beeldenspraek en Zinnebeelden’, waarin hij vertelt over de emblematische voorstellingen bij de Joden, de Egyptenaren, de Etiopiërs, Tartaren, Chinezen, Japanners, Peruvianen, Mexicanen, Grieken en Alexandrijnen, en wijst op het nut van de zinnebeelden voor redenaars, dichters, geschiedschrijvers, wijsgeren en anderen2, gaat hij over tot de verantwoording van de uitgave.

Volgens de hierboven geciteerde titel van het werk heeft Ouwens de tekst van Ripa, na Dirk Pietersz. Pers, weer opnieuw vertaald en heeft Poot daarna de tekst in zuiver Nederlands overgebracht en achter verschillende zinnebeelden dichtkundige toepassingen (van hemzelf en anderen) gesteld. Dit is evenwel niet van den beginne af het werkplan geweest. Uit de Voorreden van Ouwens blijkt dat hij aanvankelijk alleen aantekeningen gemaakt heeft aan de hand van Pers' vertaling, ter verduidelijking van onduidelijke plaatsen. Hij had er toen geen vermoeden van, dat Pers, maar ook de Italianen (Ripa en Zaratino Castellini) talrijke fouten hadden gemaakt. Poots taak was de tekst van Pers ‘ordentlyk’ te beschaven en in goed Nederlands om te zetten. Ouwens heeft, wat zijn aantekeningen betreft, op deze wijze aanvankelijk het gehele werk voltooid. Waar hij in de tekst van Pers plaatsen had aangetroffen die z.i. onjuist waren, verbeterde hij deze en liet het aan Poot over er weer goed Nederlands van te maken.3 Volgens deze werkmethode werden de Schets en de Proeven in 1723 uitgegeven.

Toen men zou overgaan tot het drukken van het eerste deel, ont-

[p. 330]

dekte Ouwens de vele fouten van Pers en de Italianen. Hij is toen de gehele tekst van Pers met die van Ripa en Castellini gaan vergelijken en heeft de beweringen van de Italianen op hun juistheid getoetst. Meestal kon hij de bronnen van deze laatsten vinden. Het resultaat bracht hem er toe te beginnen met een algehele herziening van het werk. Boitet besloot met de uitgave te wachten, totdat Ouwens deze arbeid voltooid zou hebben. Dit werk heeft Ouwens ‘oneindige moeite en tyt ... gekost’.1 Hij controleerde zelfs alle drukken van Ripa en ging de veranderingen daarin na.2 In 1726, drie jaar na de Schets en de Proeven, verscheen het eerste deel volgens de nieuwe opzet. Bij de bespreking van dit deel in de Boekzael der Geleerde Werelt3, werd meegedeeld, dat het tweede en derde deel telkens na acht maanden zouden verschijnen, maar het tweede deel verscheen pas in 1743, in welk jaar ook een herdruk van het eerste deel met enige wijzigingen het licht zag4; het derde deel kwam in 1750 van de pers, zeventien jaar na de dood van Poot.

Aanvankelijk had het in de bedoeling gelegen het Werelttoneel uit te geven in twee delen. Doordat de aantekeningen om bovengemelde reden veel omvangrijker zouden worden, besloot men echter het werk in drie delen uit te geven: in deel I en II de bijzondere zinnebeelden alphabetisch gerangschikt en in deel III de zinnebeelden, die in groepen te verdelen zijn, zoals:

de Hooftstoffen, de deelen des Aerdryks, de Wereltstreken, de Winden, de vier Eeuwen, de Zonnestanden, de Jaergetyden, de Maenden des Jaers, de Uuren van den dagh en nacht, verscheide koetsen of wagens der Goden, de Zanggodinnen, verscheide Nimfen, Rievieren, Monsters, verscheide soorten van 's menschen Leven, Trappen des ouderdoms, verscheide Gesteltheden in den mensch, de vyf Zinnen, verscheide soorten van Liefde en andere hartstochten, de allervoornaemste Kunsten en Wetenschappen, veelerhande Fortuinen, verscheide beelden der Dapperheit, Gerechtigheit en Eendracht, verscheide Regeeringen, Wetten, goede en quade Geruchten, en wat diergelyke meer zyn ...’5

Enige zinnebeelden, die in dl. I of dl. II per ongeluk waren overgeslagen vonden ook in dl. III een plaats.6

[p. 331]

Ouwens geeft in de Voorreden frappante en vaak ook grappige voorbeelden van de fouten van Pers en de Italianen. Zo schrijft hij over Pers o.a.:

‘In 't beelt Ydele Eer bladz. 107. wort hy stapel gek, en weet by Homerus te vinden een Godinne Atrida, die de Heidenen nooit hebben gekent: Achilles roemt, zegt hy, dat hy twaelf steden met zyn scheepsvloten heeft ingenomen, en elf te lande, en veele schatten en rykdommen weggevoert en alle deeze geschenken de Godinne Atridae vereert. Die Godin maekt hy van Agamemnon, den zoon van Atreus: dien hy nochtans noemt in dat zelfde beelt bladz. 109. daer hy die plaets van Homeer herhaelt: by ons staet ze bladz. 349.’

Zijn oordeel over Pers' vertaling is vernietigend: ‘...welk boek, daer 't zoo slecht is, dat wy niets diergelyks kennen...’1

Ook wijst Ouwens op de fouten, die door de vertaling van Pers in andere werken zijn binnengeslopen, doordat de schrijvers daarvan te veel op Pers vertrouwd hebben. Vooral richt Ouwens zich tegen ‘Zeker Nederlandsch Schryver’, waarmee hij, zoals wij straks zullen zien, P. Zaunlifer op het oog heeft.

In de tekst van het werk zelf en in de aantekeningen vinden wij, hier en daar verspreid, nog enige aanwijzingen omtrent de gevolgde werkmethode.

Poot had aanvankelijk de gehele zorg voor de tekst. Hij herschreef de tekst van Pers, gaf er dikwijls commentaar of aanvullingen bij2 en voegde er gedichten van hemzelf of anderen aan toe. Ook bepaalde hij de volgorde van de verschillende hoofdstukken, zelfs de samenstelling daarvan.3 Hij veranderde de inhoud, wanneer deze niet met zijn opvattingen overeenkwam. In het hoofdstuk de nieuwe wet (dl. III, blz. 284) zegt Ouwens in aant. [B]:

[p. 332]

‘Dit is door den Herschryver1 dezer Zinnebeelden aldus verschikt, om niet te vallen in de stellingen van den Italiaenschen Opsteller des Beelts, zynde van de Roomsgezinde Godtsdienst, die hier overkomstigh met de gronden van zyne Kerk in plaets van werken der bekeeringe heel iets anders had ter neder gezet, te weeten, de allerheiligste biegt, en 'er by gevoegt het doen van penitentie, door den Priester opgelecht.’

Soms neemt Poot, in navolging van Pers, alleen het zinnebeeld op, maar laat de verklaring weg. Ouwens geeft dan de verklaring naar het Italiaans van Ripa in de aantekeningen.2 Wanneer Pers enige dichtregels in versvorm weergeeft, herdicht Poot deze, niet naar het oorspronkelijk, maar naar de vertaling van Pers.3 Ouwens heeft hierop wel eens critiek.4 Wanneer Poot de versregels van Pers niet in dichtvorm weergeeft, maar in proza zoals hij dat dikwijls doet, dan geeft Ouwens in de aantekeningen de originele Latijnse of Italiaanse tekst.5 Poot verontschuldigt zich dikwijls wanneer hij een gedicht in proza weergeeft, hetzij met de mededeling, dat hij geen tijd had voor een berijming, hetzij met de opmerking dat de betekenis in proza beter uitkomt.6

[p. 333]

Ouwens betrekt in zijn aantekeningen ook de dichterlijke toepassingen, die Poot aan de tekst toevoegt.1

Toen Poot in 1733 stierf, was de herziening door Ouwens nog niet voltooid. Uit het Voorbericht aen den Leezer, gesteld voor de Bladtwyzer der Zinnebeelden en Zaeken, in dit werk voorkoomende op blz. 753 in dl. III2, blijkt, dat Poot de wijzigingen in de tekst, door Ouwens aangebracht, wel voor deel I en II heeft kunnen herschrijven in zuiver Nederlands, maar niet meer voor deel III. Voor dat deel heeft Ouwens, wat betreft zijn wijzigingen, alleen moeten werken:

‘De Schryver der Aenmerkingen heeft zich in het laetste Deel, waervan alleen hy de verbetering der proefbladen heeft kunnen op zich neemen, op het verzoek van den Drukker in de spelling eenigszins geschikt na die, welke de Herschryver der Zinnebeelden in den Text gehouden heeft, echter zoo, dat hy zich zekere regels voorschreef, die hy volgende zich zelven mocht gelyk zyn: waardoor veroorzaekt is, dat de zelve niet geheel in alles met die van den voornoemden Herschryver overeenstemt.’

In de tekst van dl. III moeten wij dus, waar Ouwens na de dood van Poot wijzigingen heeft aangebracht, een gedeeltelijk andere spelling aantreffen dan in de beide voorafgaande delen. Dit is inderdaad ook zo. In dl. III staat b.v. ‘zoorten’3, in dl. I ‘soorten’4; in dl. III ‘gezecht’5, in dl. I ‘gezegt’6; in dl. III ‘zecht hy’7, in dl. I ‘Izidoor zegt’8; in dl. III ‘egter’9, in dl. I ‘echter’.10

[p. 334]

De afbeeldingen

Over de afbeeldingen deelt Ouwens in de Voorreden mede, dat zij vervaardigd zijn naar de plaatjes in de uitgave van Pers, en voor een deel ook op grond van de beschrijvingen in diens vertaling. Door deze werkwijze ontstonden er nogal wat onjuiste afbeeldingen, want zowel de prenten als de tekst van de Pers-uitgave bevatten fouten, deels weer een gevolg van foutieve afbeeldingen in de uitgave van Ripa. In dit verband wijst Ouwens op de afbeelding van de Bescheidenheit

‘alwaer de Vrouw, die deeze deugt verbeelt, een kameel op haere knien heeft, die voor haere voeten moest liggen op zyn knien. Zeker een zoete vinding, en een lief schootdiertje. Pers heeft de schult, die den Italiaen vertaelt had bladz. 41. op haere knien zal een kameel leggen, daer deze hadde gezegt, by haer zal zyn een kameel, liggende op de knien. De plaetsnyder door den Italiaen gebruikt, is ook zot genoeg geweest, om dat te begrypen van de knien van den kameel, en heeft alzoo onzen Pers, die meer na 't plaetje heeft gekeken dan na de woorden, misleidt.’

Ouwens had in zijn kopij deze fout verbeterd, maar zij is in de tekst blijven staan. Vermoedelijk, zo zegt hij ‘opdat het beelt en deszelfs beschryving niet met malkander zouden stryden.’1 Hij had namelijk Boitet verzocht iemand anders de proefbaden te laten nazien, daar zijn woonplaats te ver van Delft gelegen was. Hieraan zijn de vergissingen en de drukfouten, welke laatste het meest in de Griekse en Latijnse

[p. 335]

teksten voorkomen, toe te schrijven; zij blijven echter, zo zegt hij, gering in aantal.1

Op de titelpagina van de eerste druk van het eerste deel wordt medegedeeld dat het werk ‘Vyfhondert Kopere Kunstplaten’ zou bevatten. In werkelijkheid bevatten de drie delen van het Werelttoneel tezamen, buiten de titelplaat, het vignet op de titelpagina en de versierde opdracht met het wapen van Willem Vlaardingerwoud, alle van de hand van F. Ottens, 351 plaatjes; in deel I 126, in deel II 179 en in deel III 46. Alle afbeeldingen in deel I zijn van F. Ottens en in deel II van J.C. Philips. In deel III zijn de meeste van J.C. Philips, 11 stuks2 evenwel van F. Ottens. De hoofdstukken met de afbeeldingen van Ottens in deel III zullen oorspronkelijk bedoeld zijn geweest voor deel I, toen de uitgave nog beraamd was op twee delen.3

Van geen van beide kunstenaars kan ik het werk erg bewonderen, de plaatjes van Philips acht ik over het algemeen beter dan die van Ottens.4

De laatste is niet in staat een sluier of mantel goed weer te geven5, dieren tekent hij over het algemeen zeer slecht6, het gezicht van een oude vrouw is bij hem een mannengezicht7, handen en voeten worden gebrekkig aangegeven.8 Wanneer de tekst de belediging beschrijft als: ‘Eene jonge Meit, die 'er gansch niet fraei uitziet. Voor eerst (om een nette beschryving van haer te geven) heeft ze een vreeslyk wangelaet, en daerin een paer lonkers als helsche koolen. Ten tweede

[p. 336]

steekt ze een tong uit haer' mont, daer niet weinigh quyl en zever rontom aen zit, en al vry wat naer een adderstong zweemt.’1 dan is Ottens volstrekt onmachtig om dit in zijn prent weer te geven. Als voorbeelden van de slechte uitbeelding van de menselijke gestalte wijs ik tenslotte op de man afgebeeld in dl. I op blz. 249 en op de vrouw op blz. 453.

Onder de prentjes van J.C. Philips zijn er die volkomen mislukt zijn.2 Soms evenwel slaagt hij er in een aardige compositie te bereiken zoals in de afbeelding op blz. 378 in het tweede deel. Evenmin als Ottens kan hij mantels en sluiers tekenen3 en ook zijn dieren lijken dikwijls op niets.4 De houding van de vrouw te paard op blz. 258 in dl. II, is een onmogelijke. Alle gezichten die hij tekent hebben iets stereotieps.5 Het rechterbeen van de vrouw op blz. 229 in het tweede deel, is zeer slecht getekend evenals het derde kindje van links op blz. 62 in het derde deel.

Critiek op de uitgave weerlegd

In zijn Voorreden weerlegt Ouwens ook de schrijvers van de Republyk der Geleerden, die in de maanden Juli en Augustus 1723, na het verschijnen van de Schets en de Proeven, de indruk gewekt hadden, als zou het Werelttoneel een herdruk zijn van Pers' uitgave.6 Ouwens zet uiteen, dat dit niet het geval is. Hij geeft veel meer en heeft steeds aangegeven op welke bronnen zijn beweringen steunen. Hij deelt mee, dat hij vooral Piërius Valerianus gebruikt heeft en dat hij, waar deze zonder bronvermelding aan Erasmus ontleend had, Erasmus de eer geeft die hem toekomt. Piërius Valerianus ontleende namelijk veel aan Erasmus' werk over de oude spreekwoorden, de Adagiorum Collectanea.7

Bespreking van het Werelttoneel in de Boekzael

Het eerste deel van het Werelttoneel werd, zoals wij reeds mededeelden8, besproken in de Januari-, Maart-, April- en Juli-afleve-

[p. 337]

ringen (1727) van de Boekzael der Geleerde Werelt. De onbekende schrijver bespreekt het boek uitvoerig. Hij deelt mede dat de drukker van de Boekzael in 1722 het Tafereel van overdeftige Zinnebeelden door Petrus Zaunslifer, een werk, dat bijna geheel op de Iconologia van Ripa steunt, had uitgegeven en daar geen spijt van heeft gehad, omdat het goed verkocht is. Hij veronderstelt dat Ouwens, die hij niet met name weet te noemen, al voor 1722 aan het Werelttoneel werkte ‘want het vergaren van zo menigvuldige geleerde aenmerkingen, tot opheldering van zo vele Zinnebeelden, uit ontelbare schryvers, welke alle hy berecht nagezocht te hebben, schynt ons geen werk van vier of vyf, maer van veel meer jaren’.1

Hij is vol lof voor de uitgave ‘van dit doorgeleert en nutbaer werk, waer in schranderheit van oordeel, zo wel als van grote belezenheit, doorstraelt’2, en vraagt zich met verwondering af waarom Ouwens zijn naam verzwijgt.

Ook Poot, ‘die de vertaling van de voornoemde Zinnebeelden van Caesare Ripa en anderen, door Dirk Pietersen Pers, ordentelyk heeft beschaeft, en in goet Nederduitsch gebragt’3, krijgt lof toegezwaaid.

Uitvoerig geeft de recensent de verantwoording van Ouwens in diens Voorreden weer. Hij oefent critiek uit op het feit, dat Ouwens ‘een Nederduitsch Schryver’ - met wie kennelijk Zaunslifer bedoeld wordt4 - verwijt, te veel geloof gehecht te hebben aan de juistheid van de vertaling van Pers. Heeft Ouwens, zo vraagt hij, niet dezelfde fout begaan? Hij heeft immers aanvankelijk de tekst van Pers toch geheel ter beschaving aan Poot overgelaten en de plaatsnijder de plaatjes naar die in de uitgave van Pers laten vervaardigen, waardoor enkele voorstellingen volkomen fout zijn. Ook de Proeven zijn geheel volgens de vertaling van Pers uitgegeven. ‘Wy verheugen ons over de ontdekkinge, welke zyn E. naderhant gedaen heeft, en dat wy nu de

[p. 338]

Vertaling van Pers, en het gebrek der Italianen verbetert zien. Die ten halven keert, zegt men, dwaelt niet.’1

In het Maart-nummer van de Boekzael worden verschillende hoofdstukken uit het Werelttoneel besproken. Bij de behandeling van het hoofdstuk akademi, waarbij de kwestie tussen Ouwens en Zaunslifer weer ter sprake komt, wordt een vergelijking gemaakt tussen de tekst van het proefblad en de nieuwe tekst:

‘En men zou naulyx kunnen denken, dat het mogelyk geweest is, dat een proefblat zo gebrekkig wierdt uitgegeven, zo de geleerde aentekenaer ons niet hadt gelieven te verzekeren, dat hy tot dien tyt en noch daer na, tot hy de schaef in de hant nam om alles zinnelyk te bewerken, te goeden geloof hadt gegeven aen de overzettinge van Pers, niet het minste nadenken hebbende dat die zo vele en zo grove misslagen zou hebben begaen; en veel minder van de Italiaensche Schryvers.’2

In het April-nummer worden weer in een ‘Derde uittrekzel’ een aantal hoofdstukken uit het Werelttoneel besproken. De schrijver uit zijn verwondering over het geringe aantal intekenaars. Hij acht het Werelttoneel een boek,

‘dat wel haest in alle huisgezinnen zal gevonden worden, gelyk de boeken van den groten Raetpensionaris Cats, welker uitnemende waerdy zeker van slechthoofden niet kan begrepen worden, en die elk tonen, dat die grote man een groten schat van geleertheidt, en kennisse van menigerlei zaken, zo wel als van talen heeft bezeten, schoon wel groter Poëten na zyne dagen zyn opgestaen. Dat de bedillers op zyne vaersen weten te berispen, geloven wy niet dat zy zo gemakkelyk in dit boek zullen weten te doen, daer de bekende dichter van dezen tyt zynen arbeit heeft aen te kost willen leggen’.3

[p. 339]

In de Juli-aflevering van de Boekzael worden in een ‘laetste Uittrekzel’ de resterende hoofdstukken van het Werelttoneel besproken. De schrijver besluit zijn reeks met de woorden:

‘Wy zien met verlangen het twede stuk van dit voortreffelyk zinnebeeldig werk te gemoet, en twyffelen geenzints, of alle liefhebbers der Zinnebeelden zullen door het lezen van het zelve, zig voordeel of vermaek toegebragt vinden.’1

De tweede druk van het eerste deel

In 1743 werd het eerste deel van het Werelttoneel opnieuw uitgegeven. Waarschijnlijk omdat Ouwens na 1726 nog meer fouten in Pers' vertaling had gevonden, die hij nu in een herdruk wilde verbeteren. Nergens wordt er echter in de druk van 1743 medegedeeld, dat de uitgave een tweede herziene druk is.

De titelpagina is gewijzigd:

Het Groot Natuur- en Zedekundigh Werelttoneel of Woordenboek Van meer dan 1200 aeloude Egiptische, Grieksche en Romeinsche Zinnebeelden of Beeldenspraek; Vervattende eene geleerde en leerzaeme Uitbeelding en Beschryving Van alle Deugden, Ondeugden, Genegentheden, Bedryven, Hartstogten, Kunsten, Leeringen en Zinnelykheden dier aeloude Volkeren: Mitsgaders Van de Hooftstoffen, Hemellichten, Lantschappen, Rivieren en veele andere zaeken; Op nieu uit de oirsprongklyke Schriften van Cezar Ripa, Zaratino Kastellini, Piërius Valerianus, Horus Apollo En andere doorluchtige Vernuften getrokken, in eene Alphabetische Orde gebragt, Met uitvoerige Aenmerkingen en Ophelderingen, Zoo uit gewyde als ongewyde Schryvers, en een volkomen Bladwyzer van Zaeken en Woorden verrykt, Door een' ervaren Tael- en Outheitkundigen: Hebbende voor het overige de uitmuntende Dichter Hubert Korneliszoon Poot Dit Werk ten opzichte van den Text, eer het ter drukparsse gebragt wierd, in klaer en zuiver Nederduitsch overgeschreven, en achter verscheide Zinnebeelden Dichtkundige Toepassingen gestelt. Met fraeije Kunstplaten versiert. Eerste deel. ‘Te Delft Gedrukt By Reinier Boitet, Stads Drukker, 1743.’

In deze titel van 1743 krijgt Ouwens meer de eer die hem toekomt dan in 1726, terwijl Poot op het tweede plan komt. Vooral door de grootte der gebruikte letters en de kleuren rood en zwart komt dit nog duidelijker naar voren.

De veranderingen in de Uitlegging op de Tytelprent en in de opdracht aan Mr Willem Vlaardingerwoud vermeldden wij reeds.2

In het werk zelf3 zijn verschillende wijzigingen aangebracht. Zo is b.v. in het hoofdstuk arglistigheit in de laatste alinea van de tekst (blz. 76) een plaats uit Aristoteles juister aangegeven. In de aantekeningen bij dit beeld zijn ook veranderingen aangebracht. In r. 3 van noot [A] is er in de herdruk een fout geslopen, ‘huit’ is daar ver-

[p. 340]

anderd in ‘kint’. Een aanval van Ouwens op Vondel is in de herdruk heel wat milder van toon. In 1726 schrijft hij:

‘Het blykt dan, dat Vondel hier gedut heeft: het geen hem in zyne vertalingen wat al te veel gebeurt. Anders kan de beste wel eens een foutje begaen, gelyk Horatius (Art. Poët. v. 359.) erkent dat hy zulks somtyts ontdekt heeft in Homerus zelfs. In de werken, die eigen vinding en geene overzettingen zyn, is Vondel groot, en wy schatten hem daerin zoo hoog als iemant: maer in 't vertaelen heeft hy ondernomen, het geen boven zyne kragt was.’ (blz. 76 aant. [B]).

In 1743 is dit veranderd in:

Het blykt dan, dat Vondel hier gedut heeft: het welke wy echter geenszins zeggen om de achting voor dien grooten dichter te verkleinen: dien wy zoo hoog schatten als iemant. De beste kan wel eens een foutje begaen, gelyk Horatius (Art. Poët. vs. 359.) erkent, dat hy zulks somtyts ontdekt heeft in Homerus zelfs; en Vondel heeft deze kleine fout met veele grooter deugden dubbeld vergoed.’ (Blz. 76 aant. [B]).1

Deel II en deel III

In hetzelfde jaar als de herdruk van het eerste deel, in 1743, verscheen het tweede deel van het Werelttoneel en in 1750 het derde. Beide delen dragen dezelfde titel als de herdruk van het eerste deel. Zij beginnen direct met de tekst, er wordt geen enkele verantwoording over de jaren van verschijnen gegeven. In het derde deel gaat slechts een mededeling over de ongelijke spelling van de tekst in dat deel vooraf aan de uitvoerige Bladtwijzer.2

Op blz. 752 van dl. III geeft Ouwens een serie Byvoegsels, verbeteringen en aanvullingen op alle drie de delen.

Het proza van Poot

Het proza in de tekst van het Werelttoneel is zeker niet het minste deel van Poots litteraire werk. Te weinig is hieraan tot nu toe aandacht geschonken, want Poot schrijft voortreffelijk Nederlands. Alleen

[p. 341]

Busken Huet - en deze wist wat proza schrijven was - heeft aan deze zijde van Poots kunstenaarschap recht doen wedervaren:

‘...... In elk geval bezitten wij in den eigenlijk gezegden tekst van het werk, dien Ouwens met zijne aanteekeningen toelichtte, eene tot hiertoe te zeer verwaarloosde bijdrage tot de kennis van Poot.
De vorm van dien tekst, zooals uit eene zelfs vlugtige vergelijking met den arbeid van Pers aanstonds blijkt, is geheel Poot's eigendom. Het is zijn periodebouw, zijne woordekeus, zijn stijl, in een woord. Zoo vele hoofdartikelen het Groot Natuur- en Zedekundig Wereldtooneel telt, zoo vele proeven levert het ons van Poot's proza. Zijn levensbeschrijver meldt dat zijne groote naauwkeurigheid, “hoe langer hoe scherper op de geringste zaken zelfs acht gevende”, vooral toegenomen is onder het bewerken van Ripa's zinnebeelden. Het werk draagt van het begin tot het einde de sporen dier studie, zoowel als van de ongemeene vaardigheid des auteurs in het hanteren zijner moedertaal. Het proza van Poot moge overschaduwd zijn door zijne verzen, het behoort tot het beste hollandsch dat in den loop der vorige eeuw te onzent geschreven is.’1

Als voorbeeld van de wijze waarop Poot de tekst van Pers bewerkt en als proeve van zijn proza laat ik hier een gedeelte volgen uit het hoofdstuk Ydele Eer:

Pers: ...... Daer is geen saecke, die 't lof meerder verdonckert, als datmen in sijne wercken pocht en roemt, alhoewel oock de roem mocht waerachtigh zijn: eygen lof stinckt. 't Is niet waerdigh datmen voor goed kenne de verantwoordinge van Aristides, diewelcke hebbende gepresen sijn eygen vertoogh, dat hy over Minerva gedaen hadde, worde nochtans berispt, om dat hy sich selve geroemt hadde: evenwel hielt hy staende, dat hy wel gedaen hadde in sich selve te prijsen, en dat met veele voordaeden, insonderheyt van Homerus, diewelcke sich aennam het Prinsdom van de Poësie of Dichtkonst, en dat Hesiodus het selve mede doet. Ick antwoorde datmen nae de voordaed van de Poëten in sich selve te prijsen en te roemen, geen besluyt moet stellen, overmits het haer ydel gebruyck is, dat zy meer de ydele Eere als de daed selve begeeren, en oock met openen monde roemen, dat zy alle Poëten die oyt ter Werreld geweest zijn, te boven gaen. Want ick heb eenige hooren seggen, dat Virgilius soo seer niet te verwonderen is, als hem de Werreld wel uytroept: als of zy meer oordeels hadden, als al de Werreld, en dat haer stijl soeter en aengenaemer was, als de sijne: Andere die meenen dat zij bearbeyder, lieflijcker en soeter welsprekentheyt hebben als Catullus, Tibullus, en Propertius. Andere dat de Dichten van Petrarcha niet zijn om te volgen, alsoomen dieselve niet meer gebruyckt. In 't kort, een yegelijck oordeelt daer van, nae sijn gevoelen, verheffende haer eygen, misprijsende eens anders wercken: alhoewel de stijl van Homerus, Pindarus, Virgilius en Horatius etc. in haere aert, waerdigh zijn, om nae te volgen, gelijck oock Petrarcha de sijne: soo men die niet gebruyckt, laetse niet gebruyckt worden van die geene, die deselve niet wil, niet kan, noch niet weet te gebruycken. Laet daerom dese onse Poëten swijgen, en niet meer spreken: soo Petrarcha weder levendigh wierde, dat hy sijn maniere van Dichten soude veranderen, en dieselve nae de haere voegen: Maer ick geloove veel eer, dat hy haer soude belachen, en haere Dichtkonst noemen, een Dicht dat wanschapen is en buyten 't spoor staet, als hy soude lesen, in den bergh des

[p. 342]

Hemels, het hol der Sterren, de stal van de Zee: al om datse Homerum souden overtreffen, die daer stelt een stal van Paerden in 't diepste van de Zee: een Ziellijcke Nacht, voor een Weduwe, en duysent andere belachlijcke grillen, die door dese geesten in de Dichtkonst worden begaen. Noch seggense wijder, dat het gedicht van Ariosto al te dicht by de aerde gaet, en dat dat van Tasso al te hooge sprongen doet: Maer roemen, dat zy de oprechte maniere van de Heroique of Heldische stijl hebben gevonden. Wat my belanght, wilde ick dat zy 't schreven totte Eere van onsen tijd, maer niet dat zy 't seggen tot haerder eygen Eere. 't Seggen is een lichte saecke, maer dit valt swaer, datmen self nieuwe dingen vindt, sonder datmen wederom ophaelt dingen, die te vooren al van andere gedaen en uytgegeven zijn, jae self van die geene die zy selfs lasteren.
't Is seecker, dat dese met woorden de Eere van andere luyden soecken te onderdrucken, om haer selve te verheffen. Maer wat zijn dit anders als hooghdraevende woorden, waer mede zy 't volck doen lacchen, en waer door zy haer haetlijck en lelijck maecken? En alsse haer dingen dan noch al wel doen, soo doense daerom niet loflijck datse haer selve prijsen. Het lof dat van andere heer komt is lieflijck om hooren, seyt Xenophon, maer lasterlijck wanneer 't yemand van sich selve doet: Maer noch lasterlijcker is het, als men eens anders Eere rooft, om sich selve te prijsen, gelijck Plutarchus verhaelt.’1

Poot: .... Maer hy magh evenwel zeggen wat hy wil; daer kan niet walgelykers bedacht worden, dan dat men op eige daden een winderigen roem draegt, al zyn ze waerachtigh. Wy hebben alrede gezeit dat eigen lof stinkt, en Aristides verantwoording die hy doet over het pryzen van een Vertoog, door hem ter eere van Minerva gedaen, is niet veel waert; waerover hy berispt zynde, staende houdt, hierin wel te hebben gedaen; daertoe bybrengende veele exempels, inzonderheit dat van Homerus, die zich het prinsdom der Poëzy heeft aengematigt, en van Heziodus, die insgelyks zich zelven pryst. Maer hier kan op geantwoort worden, dat de poëten, ten aenzien der zedigheit hier de markt niet stellen, dewyl hun toelegh doorgaens meer op een ydele glori, dan op de waere wezentlykheit der eere het oog heeft; waerom zy zich zelven dikwyls met een' grooten ophef van woorden en als volmondigh pryzen: en hierin overtreffen de latere dichters vry verre de oude, zich roemende, alsof zy die alle in de kunst voorby zeilden. Men hoort sommige uitslaen, dat men zich over Virgilius zoo zeer niet te verwonderen heeft, als de werelt van outs her hebben wil; alsof zy meer oordeel hadden dan de geheele werelt, en hun styl zoeter en bevalliger waer, dan de zyne: altoos dit menen ze. Dat zyn bazen! Daer ontbreken 'er ook niet die zich in lieflyke, zoete en bevallige welsprekentheit in de dichtkunst boven Katullus, Tibullus en Propertius zetten. Een andere soort van zulke verwaende kunstenaers oordeelt, dat men Petrarcha niet navolgen moet. In 't kort, elk vonnist hieromtrent naer zyn gevoelen, verheffende zyn eige, en mispryzende eens anders kunstwerken; daer het immers t' over bekent is, dat de dichtstyl van Homerus, Pindarus, Virgilius, Horatius, en de pas genoemde, waeronder Petrarcha, elk in hunne soort, dubbel verdient gevolgt te worden. Wil iemant nochtans, of deze dichters alle, of den lestgenoemden in 't byzonder zich tot geen exempel in de kunst stiptelyk voorstellen; ik ben niet om hem die vryheit als een tyran te benemen. De ridder Kats ondergaet in Hollant dit zelve noodlot van sommige brekebeenen, die hem verachten, omdat ze wanhoopen hem oit te zullen evenaeren. Indien Petrarcha weder levend wiert, ik ben verzekert, dat hy zyne kunst niet hervormen zou, gelyk het die bedilallen hebben willen, maer dat hy hen uitlachen zoude; ja in hunne kunst, ik meen ver-
[p. 343]
drietige rymery, ontdekken de fraeie uitdrukkingen van den berg des hemels, het hol der starren, de stallen van de zee, enz. om dus quansuis Homerus te overtreffen, die een paerdespelonk in het diepste der zee stelt; om nu niet te spreken van duizent andere bespottelyke zotheden, als eene bezielde nacht, in plaets van een Weduwe, en diergelyke spreekwyzen, die zy voor 't merg en den geest der dichtkunde houden. Welke belachlyke grillen! Ariosto kruipt volgens hun oordeel langs de aerde: Tasso maekt al te hooge sprongen, en wat niet al meer? Ondertusschen menen die bazen, och laci! den heldestyl gevonden te hebben, daer ze somtyts niet bequaem zyn om een gemeene pen te voeren. 't Waere te wenschen dat zy gedaen hadden 't geen zy voorgeven; opdat onze eeu daerop mogt kunnen roemen: want die door zyn deugt, vernuft of brave bedryven een sieraet van zynen tyt is, verdient by elk geprezen te worden: maer laet hy zich van eigenroem wachten; die is altyt haetlyk. En wat de dichtkunst, waervan we zoo even spraken, betreft, elk weet, dat het weinigh moeite inheeft de begaeftheit van groote geesten te bedillen of te lasteren; maer hoe zwaer het valt de oude kunst door nieuwe vindingen te willen overtreffen en als te rug zeilen, is mede kenlyk. Wat wyders de toeleg der gedachte eerverkleiners zy, is licht te begrypen; namentlyk met het onderdrukken of besnoeien van eens anders glori de hunne te verheffen en uit te breiden. Daer hebt gy dan een winderigh gezwets over hunne eige kunstwerken, door welk doen zy den lach en de bespotting van een ieder op zich haelen. Schoon men ook zyne zaeken al wel beschikt, zoo voegt het echter niet daerop te pochen. De lof, dien ons van anderen toegebragt wort, is lieflyk om te hooren, zeit Xenofon, in tegendeel is het voor anderen lastigh om aen te hooren, als iemant zich zelven dien toeschryft, vooral wanneer het met verkleining of verdonkering van eens anders eere geschiet, gelyk dit Plutarchus zoo begrypt.1

Kernachtig is Poot dikwijls in de opmerkingen, die hij zelf aan de tekst toevoegt. Na een tekst, waarmede Pers het tweede beeld van de Gierigheit afsluit, schrijft Poot:

‘Dat is wel gezeit, en genoegzaem eene bank aen den wegh, om wat op te rusten; maer volg my evenwel, indien 't u belieft. Wy zullen wel schooner beelden ontmoeten.’2

Het slot van het beeld schynheiligheit luidt naar de opzet van Ripa:

‘'s Beelts voeten en beenen zyn die van een' wolf, om uit te drukken 't geen 'er aengaende de schynheiligen by Mattheus, kap. VII. 15, staet: Maer wacht [u] van de valsche Profeeten, die in schaepsklederen tot u komen, maer van binnen zyn ze grypende wolven.

Poot voegt er een citaat aan toe uit Vondels Palamedes3, dat hij aldus inleidt:

‘Onder het bedrieglyk momgewaet der schynheiligheit speelden al van outs de Kerkelyken hunne personaedje veiligh, gelyk deze vaerzen uit Vondels Palamedes te verstaen geven ....’4

Vaak ook begint Poot een hoofdstuk op geheel eigen wijze. Zo

[p. 344]

vangt het beeld der godtloosheit aan met de woorden: ‘Die komt, Godtwouts, hier ten toneele’.1

De gulzigheit begint bij Pers met:

‘Een Vrouwe gekleet in roestige verwe, hebbende een lange hals als een Kraen en een seer dicke buyck.’2

Bij Poot:

‘Ik meen niet dat eene redelyke ziel op het beelt dat hier voorkomt, oit verlieven zal kunnen, want het ziet 'er elendigh mislyk uit, en is het bezien qualyk waerdigh. Men vertoont dan de gulzigheit als eene Vrou met een roestverwig kleet aen; zy heeft eenen langen hals gelyk de kraenen, en een' zeer dikken buik. Wat dunkt u?’3

Bij een andere versie van hetzelfde beeld verzucht hij: ‘Ik zal bly zyn als dit onaerdigh beelt in zyne verscheide vertooningen voltoit is.’4

Een onderzoek naar de woordenschat van Poot in de tekst van het Werelttoneel zou m.i. de moeite ten volle lonen. Te weinig is tot op heden deze bron voor de kennis van onze taal in de achttiende eeuw gebruikt. Ook geeft de keuze van sommige woorden en uitdrukkingen een indruk van de persoon van de schrijver, vooral wanneer men de tekst van Pers ernaast legt. Het dunkt mij echter hier niet de plaats om daarop verder in te gaan̅. Misschien zal in de toekomst, naar ik hoop, een taalkundige aan deze stof nog eens zijn krachten geven, waarbij hij dan ook de grammatica en de syntaxis zou moeten bestuderen. Met enige voorbeelden zonder verder commentaar, moge ik thans volstaan.

Pers: ‘... de Iongelingen ... willen ... altyd boven een ander drijven ...’5
Poot: ‘... de jongelingschap ... wil ... altyt haeren haen koning zien ...’6
Pers: ‘... met een breet voorhoofd en verheven neuse geschildert, nae de gelijcknisse van den Leeuw, en dat nae de Menschkenninge van Aristoteles.’7
Poot: ‘... met zoo eenen neus, zeg ik, schildert men haer, om ze zoo wat naer den leeu te doen zweemen, en het zeggen van Aristoteles in 't IX hoofst. zyner Gelaetbeschouwing niet achter de bank te werpen.’8
Pers: ‘En de Beotiërs in Arcadien wierden Swijnen genaemt, om datse sulcke slempers en balgers waeren.’9
Poot: ‘Wyders de Beotiers en Arkadiers werden zwynen genoemt, omdat ze zulke slempers en propdarmen waren.’10
Pers: ‘De Adderslange wort voor de ongehoorsaemheydt genomen ...’11
Poot: ‘De aspis strekt een zinnepop der ongehoorzaemheit’.12
[p. 345]

Pers: ‘... maer staen altijd in den hoeck van de beschaemtheydt, jae zy gaender niet een stip uyt, sonder van een ander aengeprickelt te worden.’1
Poot: ‘... staende altyt te rug gedeist in den stommen pruilhoek der kintsche beschaemtheit, daer ze geen vingerbreet uit te krygen zyn, tenzy hen een ander daertoe krachtigh aennoope.’2
Pers: ‘Nae dien de daeden van onse Christenen overvloedigh zijn ter proef gestelt ...’3
Poot: ‘De Kristenen geven 'er met zoo menigh martellot overvloedige en middagklaere blyken van ...’4
Pers: een persoon, ‘die in de boosheyt gewent is ...’; een persoon, ‘waer in de ondeughd haer ploy heeft genomen, ...’5
Poot: een persoon, ‘die in de boosheit gekonfyt is ...’; een persoon, ‘die in de ondeugt doorzult is ...’6
Pers: ‘... een mager en teeder Vogeltjen ...’7
Poot: ‘... een mager en meeps vogeltje ...’8

Pers spreekt van ‘spotvogels’9, Poot van ‘bootsemakers’10; Pers van ‘slordigh’11, Poot van ‘ongehavent’12; Pers van een ‘voetstal’13, Poot van een ‘zuilvoet [pedestal]’ en ‘pilaervoet’14; Pers van ‘het loon’15 en Poot van ‘den loon’16; Pers van ‘Een Vrouwe die de oogen bedeckt zyn’17 en Poot van ‘Eene geblinthokte Vrou’.18

Pers geeft planten meestal de Latijnse naam, soms met de Nederlandse erbij. Poot somt achter de Latijnse meestal een rijtje Nederlandse op:

Pers: ‘Semper vive, of altijd-groen’.19
Poot: ‘Sempervivum (huislook, donderbaert)’.20
Pers: ‘Seneiro of grijskruyt’.21
Poot: ‘Senecio [kruiswortel, kruiskruit, grinskruit, gryskruit]’.22
Pers: ‘Vesicaria of Winterkers’.23
Poot: ‘Vesicaria [winterkers, krieken over zee, blaeskruit]’.24

Interessant is het ook de titels na te gaan, die Pers en Poot boven de verschillende hoofdstukken plaatsten.25 Een enkel voorbeeld:

[p. 346]

Pers: ‘dubio. Twijflinge’.
irresolutione. Twijfel- of Wanckelberadigheyt.’1
Poot: ‘twyfel. twyfeling.’
twyfeling. wankelberaedenis. ongeresolveertheit.’2 In de tekst komen nog voor de woorden ‘wankelberaedenheit’ en ‘twyfelberadenheit’.3
Pers: ‘tentatione. Bekooringe, Beproevinge.’4
Poot: ‘verzoeking. bekoring. beproeving.’5

De houding van het lichaam noemt Poot ‘lyfstal [stature]’6, voorbeeld heet bij hem ‘byspel’7, oude mannen duidt hij aan met ‘taeiaerts’8, een gedenkpenning met ‘geheugpenning’9, ‘penning’, ‘gedenkmunt’ en ‘pronkmunt’10 en ‘Meteoren’ wisselt hij af met ‘Luchtverhevelingen’.11 Waar Pers alleen het woord ‘Rad’ gebruikt12 brengt Poot afwisseling in de tekst door de woorden ‘slypradt’, ‘weindsteen’, ‘slypront’ en ‘draeisteen’.13

Soms komen wij in de tekst een constructie tegen, die in strijd is met het Nederlandse taaleigen. Wij moeten evenwel zeer voorzichtig zijn met dergelijke passages, aangezien het mogelijk is dat daar Ouwens veranderingen in de tekst heeft aangebracht. Soms valt een Latijnse periode-bouw met participium-constructies op:

‘Petrarcha verhaelt dan in 't IV. boek der Voortekenen, hooftst. XXIII. hoe de Burggraef Azo, een strytbaer jongeling, uit last zyns Vaders met een krygsheir den Appenyn doortrekkende, en eene overwinning by Altopasso behaelt hebbende, zich met dien zelven moedt, en ook even gelukkigh tegens de Bolonjers keerde; maer op dien togt van zyn paert steeg om zich wat te verquikken, leggende zyn helmet nevens hem op den gront: in 't welk alstoen een adder kroop, zonder dat het iemant merkte. Azo daerna den helm weder opzettende, zoo daelde de adder met een schriklyk geblaes langs de wang van dien onversaegden en dapperen strythelt neder, zonder hem eenigszins te beledigen: waerom hy ook niet toe wilde laten, dat ze van iemant wraekgierigh achtervolgt, maer als een goet voorspook zou geacht worden; gelyk hy ook voorts de slang tot een merk in zyne krygswapens en banieren voerde.’14

Latijns is eveneens de volgende constructie:

[p. 347]

‘Welke woorden als de schrandere Rechters begrepen ...’1, waar Pers schrijft:

‘Het welcke van de schrandere Rechters verstaen zijnde ...’2

Proza en poëzie van Ouwens

De taal en de stijl van Ouwens staan sterk onder invloed van het Latijn, zijn periodebouw is evenwel heel wat minder doorzichtig. Met enige voorbeelden moge ik hier volstaan.

‘Daerom geboot ook onder andere de wet der aenneminge: dat alleenlyk die geene de verzooning mogte doen, die door de natuur nu niet meer konde verkrygen, het geene hy door de verzooning zogt; en nu niet meer in staet zynde om kinderen te teelen, hetzelve, toen hy nogh konde, bezocht hadde: gelyk Cicero leert pro Domo cap. 13 & 14. hoewel hierop juist altyt zoo naeu niet gezien wiert, en om bequame reden wel wat inschikking in deezen gebruikt.’3
‘De loosheit van den vos is berucht; en wy kunnen hem daervan overtuigen met het geen hy van zich zelf bekent by Plutarchus, alwaer als de luipaert hem in vergelykinge van zich zelven veracht, omdat hy ene huit had, die door zoo vele fraeje kleuren versiert was; zoo antwoort de vos, dat hy die verscheidenheit van kleuren in zyn' hart had, die de luipaert had op zyn' rug.’4
‘Hy meent Harpokrates, dien hy voor een beelt der stilzwygenheit opvat. Doch, hoewel wy den vinger op den mont in hem erkent hebben, als een teken van 't geheimhouden der verborgentheden in den godtsdienst, zoo is hy echter, gelyk wy gezien hebben, de zelfde als de zon: dat nog klaerder blykt uit veele andere dingen, aen de beelden van Harpokrates by de Ouden toegevoegt, en betrekkelyk op d'eene of andere hoedanigheit der zonne: welke dingen in 't brede in het nu dikwyls aengehaelde Werkje van Kuperus5 kunnen gezien worden; doch hier geen plaets hebben, als zynde buiten het bestek van die dingen die de stilzwygentheit betreffen; uitgezondert, dat wy die in den vinger op den mont hebben erkent: waervan wy boven reden hebben gegeven, die wy menen, dat te meer in het beelt van Harpokrates moet plaets hebben, omdat alle de oude Goden betrekkelyk zynde op de zon, en daertoe alleenlyk moetende gebragt worden, gelyk Kuperus ook aentoont, het myns bedunkens zeer gevoeglyk is, dat de Egiptische Priesters in dien afgod, waer in alle hunne afgoden vervat waren, de verborgenheden van hunnen godtsdienst, en de stilzwygentheit der menschen omtrent die geheimenissen, hebben afgeschetst door het drukken van den vinger op zynen mont.’6
‘... van welke de meesten hier onder den tytel van dapperheit hadden behooren gebracht te worden: het welk waerom die geene niet gedaen heeft, die de schikking dezer zinnebeelden gemaekt heeft, daervan kan ik geene reden zien ...’7

Dikwijls vertaalt Ouwens de door hem aangehaalde Latijnse en Griekse verzen op niet onverdienstelijke wijze:

[p. 348]

Propertius:

 
Quod si contentus patrio bove verteret agros,
 
Verbaque duxisset pondus habere mea,
 
Viveret ante suos dulcis conviva Penates
 
Pauper, at in terra, nil ubi flere potest.

Ouwens:

 
Maer zoo hy met het vee zyns vaders was te vreden
 
Geweest het akkervelt te bouwen, en myn' reden
 
Niet had veracht, hy zou nogh als een blyde gast
 
Zyn in zyn eigen huis, wel arm, maer aen het vast
 
En veiligh lant, daer niets is om te kunnen treuren.1

Het is begrijpelijk, dat de uitgever Boitet, ondanks alle eerbied die hij zal gekoesterd hebben voor de grote geleerdheid van Ouwens, voor de uitgave van het Werelttoneel gezocht heeft naar een schrijver voor de tekst, die de Nederlandse taal beter beheerste dan deze classicus. Het lag voor de hand, dat hij toen zijn oog liet vallen op Poot, met wie hij zulke nauwe relaties onderhield.

Wij mogen ongetwijfeld zeggen, dat de uitgave minder waarde zou gehad hebben, wanneer Ouwens ook de tekst geschreven had. Behalve door zijn sierlijk proza en zijn gedichten, heeft Poot het Werelttoneel mede door het werk, dat wij in de volgende paragraaf zullen bespreken, gemaakt tot een leesbare en fraaie uitgave.

De ‘dichtkundige toepassingen’ door Poot in de tekst aangebracht

Behalve met de elf gedichten, die hij zelf voor het Werelttoneel schreef, heeft Poot het werk verrijkt met talloze op de tekst toepasselijke verzen en fragmenten van verschillende dichters.2

 

Vondel. Vooral heeft hij geput uit de rijke schat van Vondels werk. Steeds wanneer Pers in zijn vertaling Vergilius citeert, in proza of poëzie vertaalt, dan wel met of zonder plaatsaanduiding alleen maar naar hem verwijst, heeft Poot in zijn tekst de Vergiliusvertaling van Vondel opgenomen, dikwijls met uitvoerige citaten.3 Daarbij heeft hij de spelling van Vondel aangepast aan de zijne, terwijl hij een enkele

[p. 349]

maal ook de tekst blijkt te hebben gewijzigd.1 Tweemaal citeert hij Vondels Vergiliusvertaling, waar Pers Vergilius niet noemt.2 Eenmaal voegt hij aan een Vergiliuscitaat nog een bijschrift van Vondel toe.3

Meestal volstaat Poot met de vermelding: ‘naer Vondels vertaling’4 of iets van dien aard. Een enkele keer zegt hij iets meer: ‘Hoor hierop, hoe de Duitsche Virgilius, ik meen Vondel, den Latynschen nazingt.’5 ‘Van de byen en hommels zingt Virgil in I boek van Eneas, door zynen weêrgaloozen navolger Vondel op deze wys: ...’.6 ‘.... volgens de verduitsching van zynen grooten naervolger Vondel ...’.7

Op dezelfde wijze als de Vergiliusvertaling, citeert Poot ook talrijke malen de Ovidiusvertaling van Vondel. Soms speurt hij, wanneer Pers zonder vermelding van Ovidius alleen maar het verhaal vermeldt, de plaats bij Ovidius op.8 Een enkele maal brengt hij in de tekst van Vondel een verandering aan.9 Op enkele plaatsen voegt hij een frag-

[p. 350]

ment van de Ovidiusvertaling van Vondel in de tekst, waar Pers Ovidius niet noemt.1 Niet altijd vermeldt hij, als hij Ovidius citeert, of hij dit doet in de vertaling van Vondel. Soms heb ik de plaats niet kunnen vinden2, soms wel3; het bleek dan dat Poot wel de vertaling van Vondel citeerde, maar met veranderingen.4

Driemaal citeert Poot uit de Horatiusvertaling van Vondel, eenmaal waar Pers Horatius niet noemt5, tweemaal ter vervanging van Pers' vertaling.6

Wanneer Pers een psalm citeert of ernaar verwijst, geeft Poot in zijn tekst steeds de psalmvertaling van Vondel.7 Eenmaal wijzigt Poot de tekst van Vondel.8 Hij voegt soms ook zelfstandig een psalmtekst in de vertaling van Vondel aan de tekst toe.9

In het hoofdstuk boetvaerdigheit plaatst Poot enige versregels uit Vondels Noah, waar Pers een gedicht van Ripa citeert, maar laat daarbij twee regels uit het geciteerde fragment weg.10

Pers vertelt in zijn vertaling hoe Kaïn na de broedermoord wegvlucht, Poot citeert dan in zijn tekst de woorden van Judas over Kaïn uit Vondels Joseph in Dothan.11 Als Pers op een spreekwoord wijst van Theocritus: ‘Voed honden op, datse u mogen verslinden12 geeft Poot Vondels vertaling van Theocritus.13

[p. 351]

Op talrijke plaatsen heeft Poot zelfstandig aan de door hem herschreven tekst van Pers versregels en gedichten van Vondel toegevoegd. Vijfmaal geeft hij fragmenten uit Euripides Feniciaensche of Gebroeders van Thebe1; tienmaal uit de Palamedes.2 In twee gevallen noemt hij wel Palamedes, doch niet Vondel; hier heeft hij dan ook in de tekst van Vondel veranderingen aangebracht.3 De Hippolytus haalt hij driemaal aan4, uit Samson5, Lucifer6, Joseph in Dothan7 en Faëton8 citeert hij tweemaal; uit Adam in Ballingschap9, Salomon10, Joseph in Egypten11, Koning David in Ballingschap12, Gysbreght van Aemstel13 en Salmoneus14 eenmaal. Uit de Bespiegelingen van Godt en Godtsdienst haalt hij viermaal een fragment aan.15 Verder tekende ik nog aan Grafschrift van den edelen Heere Arent van Wynbergen16, Waterbel, of Verziert Gerucht17, Het Lof der Zee-vaert18, Op de Afbeeldinge Van de E. Joffer, Isabelle Benzi19, Op 't verbranden van 't Stadhuis van Amsterdam20 en De gestuite Minnegodt.21

Van enkele verzen, die Poot uit Vondels gedichten citeert, kan ik geen vindplaats aangeven.22

Op blz. 102 van dl. I schrijft Poot: ‘Hoe heerlyk en pryswaerdigh voorts de beheersching van ons zelven zy, melt ons de fenix der Nederduitsche Dichtkunst in deze vier vaerzen: ...’ Ook hier zal wel Vondel bedoeld zijn, ik heb de verzen in diens werk evenwel niet kunnen terugvinden.

Van belang voor de kennis van Poots opvattingen aangaande de dichters, van wie hij verzen in het Werelttoneel opneemt, zijn de titels die hij hun verleent en de opmerkingen, die hij dikwijls over hen maakt.

Interessant zijn in dit opzicht de volgende passages over Vondel:

‘Joost van den Vondel, die al dikwyls op dit groot natuur- en zedekundigh werelttoneel zal verschynen, spreekt ....’23

[p. 352]


‘Een zeker edelgeboren Heer wert door Vondels edele dichtkunst ergens aldus gegroet: ... Ik ontzie my, kortheitshalve, den voortreflyken Dichter hier verder uit te schryven. Die zich in den beemt van 's mans onnaervolgbaere Poëzy verlustigen, kan de plaets niet onbekent zyn. Die vreemdelingen in zyne werken zyn, zullen veellicht een leitsman en tolk van doen hebben, en daervoor ben ik hier niet scheep gekomen.’1
‘De dichthelt Vondel, die, boven alle de Nederduitsche poëten, (den drost Hooft evenwel niet te na gesproken) naer de starren draeft, zegt ergens ...’2
‘De Agrippyner (ik wil niet ontkennen, dat my Hooft en Vondel, kunsthalve, dichtst aen 't hart leggen, en om hunne wonderbare gaven verdienen ze ook hier dikwyls bygebragt te worden) noemt ...’3

Na een aanhaling uit Joseph in Egypten:

‘Dit is een klein staeltje van een groot en zeer kunstigh geweven laken.’4

Na de bekende rei uit Vondels Lucifer ‘Wie is het, die zoo hoogh gezeten’:

‘En hoewel wy hier geen beelt van Godt zelven, dat onmooglyk en verboden is, maken, maer der Godtheit, zoo meende ik evenwel schuldigh te zyn die schoone vaerzen des grooten Dichters hier in te vlyen.’5

Hooft. Zojuist zagen wij, dat Poot Vondel en Hooft gelijkstelde en hen beiden als de grootste dichters beschouwde. Verscheidene malen gebruikt hij dan ook teksten van Hooft om zijn tekst van het Werelttoneel te verfraaien en te verduidelijken.

Pers voegde aan de Iconologia een nieuw hoofdstuk toe onder de titel ‘Tregua. Bestant des Oorloghs. Nae de beschryvinge van den E. Heere Drossart P.C. Hooft.’6 De beschrijving van dit beeld ontleende hij aan Hoofts gedicht Op het bestandt.7 Poot neemt dit hoofdstuk in het Werelttoneel niet over, doch verwijst aan het slot van een ander hoofdstuk over het bestant slechts naar Hoofts gedicht:

‘De Ridder P.K. Hooft, het hooft der Nederduitsche poëten en historischryvers verbeelt ons bestant met Spanje zeer fraei in een zyner gedichten, waertoe wy den lezer hier kortheitshalve moeten wyzen. Men vint het in 's mans Mengelwerken die jongst uitgegeven zyn, blz. 730.’8

In het hoofdstuk billykheit schrijft Poot:

‘Ten aenzien der schuldigen, en het matigen der straffe heeft de Ridder en Drost Hooft dit aerdigh zeggen uit Francois Guicciardin nedergezet: Alle misdaders straft; tegens vyftien schellingen 't pont magh bestaen enz.’9

[p. 353]

Driemaal haalt Poot enige versregels uit de Geeraerdt van Velsen aan.1 De bekende woorden van Floris V ‘Wat is de myne' een val? Hoe ver ben ick versmeten!’ enz. leidt hij als volgt in:

‘Lust u evenwel den alsem eens uit den honigh te zien opwassen, zoo beschouw Floris den vyfden van Hollant, in Hoofts Gerard van Velzen. De gevangen Graef voert 'er deze tael:’2

Tweemaal brengt hij de Baeto in zijn tekst te pas.3 In het hoofdstuk blohartigheit4 schrijft hij, de tekst van Pers volgend:

‘En dewyl nu de blohartigheit en moedeloosheit doorgaens meer in de vrouwen dan in de mannen bespeurt wort, zoo laten wy het beelt de kunne der eerstgenoemde vertoonen.’

Hij voegt er dan zelf aan toe:

‘Ik bid u, hoe slecht is evenwel een staet bewaert, die zyne behoudenis stelt in krygsluiden, wier geest door de slapmoedigheit gedreven wort! Men hoort ze in zulken zeer ernstigh veroordeelen, door Penta, koningin der Katten, daer ze zeit:
O hoon! hier sta ik fraeigediende koningin;
Zoo schoon een hoop van volk, en niet een man daerin,
Die 't spel van 't gladde stael kan in 't gezicht gedogen;
Of zien durft onversaegt zyn' vyant onder d'oogen.
De plae[t]s is in het IV. bedryf van Hoofts Bato. Maer ter zaeke.’

Viermaal citeert hij uit de Granida of verwijst er naar.5 In het hoofdstuk edelheit schrijft hij: ‘Hoe aerdigh en deftigh laet de ridder en drost Hooft de Persiaensche erfprinses Granida, belangende de ingeschape edelheit van haeren beminden herder Daifilo spreken!’ en na het citaat verzucht hij: ‘Het valt een' kunstminner pynelyk dien hemelschen Schryver uit de hant te leggen, maer men moet hier het werk wat voortdryven.’6

Het hoofdstuk hof besluit hij: ‘De Ridder Hooft levert ons in het eerste deel des Toneelspels van Granida een herderspraetje over het hof, dat heerlyk is, maer te lang om hier uit te schryven. De liefhebbers der Hollantsche puiktael gelieven dien Edelman zelf na te zien.’7 De gedichten van Cesar Caparale van Perugio en van Anton. Cataldus, waarmee Pers in eigen vertaling het hoofdstuk besluit8, laat Poot weg.

Op een plaats, waar Pers de tekst van een psalm citeert, geeft Poot de berijming van Hooft.9

[p. 354]

Verder tekende ik nog aan een citaat uit Op een beschreven papierbladt. Sang., met de beginregel Op 's winters endt1, uit Zeghe der Eere2 en uit de Klaghte der Prinsesse van Oranje, over de 't oorlogh voor 's Hartogenbos.3 Het onderschrift bij de eerste der Afbeeldinghen van Minne haalt Poot aan in het hoofdstuk waerheit.4 Het gedicht Noodlot citeert hij volledig aan het slot van het hoofdstuk over het noodlot.5 Van twee citaten uit het werk van Hooft kan ik de vindplaats niet aangeven.6

In de meeste gevallen duidt Poot Hooft aan met ‘De Ridder Hooft’.7

 

Cats. Daar, waar Poot in het Werelttoneel teksten van Cats invoegt, verdedigt hij deze dichter tegen de velen, die in het begin van de achttiende eeuw aanvallen tegen hem richtten. Wij vermeldden reeds, dat Spex een uitspraak van Poot over Cats aanhaalde, die van eenzelfde verdedigende strekking was.8

In het hoofdstuk bevalligheit neemt Poot niet het gedicht van Catullus uit de vertaling van Pers over, maar citeert hij versregels van Cats en Antonides. Cats' verzen leidt hij als volgt in:

‘De Ridder Jakob Kats, wiens werken in ieders handen zyn, en den tyt verduuren zullen, heeft een gedicht, dat van dit zeggen niet zeer verschilt, en my derhalve bewoog om het hier uit te schryven.9

In het hoofdstuk blohartigheit schrijft hij na de opmerking, dat de bloodaards ‘byna in alles wat hun voorkomt veelerlei zwaerigheden meenen te zien’:

‘Maer, o bloets, zal ik zeggen! My gedenkt dat de Ridder Kats, die zeker zoo onnozel een dichter niet was als de neuswyze bedilallen hem hebben willen, ergens zeit,
Het leen is voor den outsten,
Het nest voor hem die 't vint, de vryster voor den stoutsten.’10

In het hoofdstuk droefheit zegt hij:

‘De ridder en dichter J. Kats, die by sommige waenwyzen veracht, maer door de kunstkenners op zyne waerde geschat wort, geeft ons ergens deze vaerzen op.’11

Wij citeerden reeds de tekst van Pers en Poot uit het hoofdstuk ydele eer, waarin Poot over Cats zegt:

‘De ridder Kats ondergaet in Hollant dit zelve noodlot van sommige brekebeenen, die hem verachten, omdat ze wanhoopen hem oit te zullen evenaren.’12

[p. 355]

Nog verscheidene keren citeert Poot versregels van Cats in het Werelttoneel.1 Op een van die plaatsen noemt hij hem ‘De ridder en zoetvloeiende dichter.’2

 

De Decker. In totaal dertien keer voegt Poot versregels van Jeremias de Decker aan de tekst toe.3 Hij noemt hem ‘een der braefste Dichthelden van Hollant’.4

Het hoofdstuk dronkenschap begint Poot met:

‘Eer ik voortga tot de beschryving van dit Beelt, Lezer, moet ik u vooraf iets tegen de dronkenschap ingeven, gehaelt uit den sierlyken en netten dichtkruitwinkel van J. de Dekker.’5

De gedichten op de blz. 29, 34, 37 en 41 van dl. III zijn bijschriften van De Decker op de werelddelen en, op blz. 71 van hetzelfde deel, op de jaargetijden. Driemaal haalt Poot een passage aan uit De Deckers treurspel Dooper, een vertaling van Buchanans Baptistes.6

 

Brandt. Geeraard Brandt wordt door Poot zesmaal in de tekst genoemd en tamelijk uitvoerig geciteerd.7 Poot noemt hem ‘den treflyken dichter Gerard Brant’.8 In het hoofdstuk gramschap schrijft hij:

‘Het sta my vry hier een gedicht van den Heere Gerard Brant in te lasschen; Heere zeg ik, naerdien ik zie, dat sommigen den eernaem Heer juist alleen op deftige Schryvers, die nogh leven, willen toegepast hebben, en die doot zyn dit eerwoort weigeren; maer ik wil hier geenen oorlogh over aenheffen. Den braven Man, die my dit in 't oor beet, bedank ik, en blyf dan nogh veel aen hem schuldigh. Hoor den gemelden Poëet Brant slechts.’9

Huygens. Tweemaal voegt Poot een tekst toe van ‘de ridder Konstantyn Huigens’, beide keren zijn het puntdichten.10

 

Spiegel. In het hoofdstuk deugt haalt Poot het gedichtje aan, dat te vinden is ‘Onder de afbeelding van den Nederlanschen Ennius, ik meene Henrik Laurentszoon Spiegel ...’:

 
Dien deugt verheugt,
 
Geneugt en vreugt
 
Is staeg zyn lot.
 
Zyn rust staet vast
 
In lust of last
 
Door hulp van Godt.11
[p. 356]

Antonides van der Goes. Van de vier keren, dat Poot Antonides van der Goes in dl. I aanhaalt1, maakt hij driemaal gebruik van diens Horatiusvertaling. Op blz. 159 citeert hij de Zang bij het gedicht Ter Bruilofte Van Adriaen Van Mollem, En Sybille Van Halmael2; hij laat er aan voorafgaan:

‘Wat wyders aen de schoonheit een volmaekten zwier geeft, zegt ons de schrandere Goezenaer Antonides in dit fraeie rymstuk:’

Camphuysen. Tweemaal voert Poot D.R. Camphuysen op het Werelttoneel, de ene keer noemt hij hem ‘den uitstekenden Zededichter’3, de andere keer ‘De zeer stichtelyke en niet min krachtige Zededichter’.4

 

Oudaen. Na een tekst uit het boek Job in het hoofdstuk gezagh: In de stokouden is de wysheit, en in de langkheit der dagen het verstant (Kap. XII.V. 12.), schrijft Poot: ‘het welk evenwel de Dichter Joachim Oudaen met een' geestigen draei dus uitbreit:’, waarna een citaat uit Oudaens gedichten volgt, waarin deze, in aansluiting op de door hem uitgewerkte tekst uit het boek Job, zegt:

 
By ouderdom en 't gryze hair,
 
Daer vond ik in alle aerdschgezinden
 
Vaek kinderen van hondert jaer.5

Ook de tweede maal, dat Poot Oudaen citeert, is dit een citaat uit Oudaens uitbreiding van het boek Job.6

 

Moonen. In het hoofdstuk gierigheit zegt Poot:

‘Arnold Moonen beschryft den dwazen aert der gierigheit gansch niet onaerdigh in deze vier vaerzen:

 
Klaes Vrekhart, ziek en tot zyn uiterste bereit,
 
Kon zonder lesten wil met geen gerustheit sterven.
 
Maer 't zegel was te dier: dies liet hy 't goet zyne erven,
 
En storf tot schâ van 't Lant uit loutre gierigheit.7

Hoogvliet. Viermaal maakt Poot gebruik van Arnold Hoogvliets vertaling van Ovidius' Fasti.8 Pers verwijst in zijn tekst slechts naar Ovidius of vertaalt deze zelf. Op blz. 96 van dl. III vervangt Poot een gedicht van Petrarca, dat bij Pers voorkomt, door een fragment uit Ovidius' Fasti, in de vertaling van Hoogvliet.

[p. 357]

Andries Pels. Zevenmaal citeert Poot uit Pels' Horatiusvertaling, waar Pers naar Horatius verwijst of deze zelf vertaalt.1

 

David van Hoogstraten. Tweemaal brengt Poot David van Hoogstratens Esopische Fabelen van Fedrus in het Werelttoneel te pas. In het hoofdstuk dronkenschap schrijft hij:

‘Fedrus laet ons in zyne Ezopische Fabelen, door den vernuftigen Heer David van Hoogstraten, dit volgende, hoewel het een' anderen zin heeft, evenwel ten opzigt der dronkenschap, in goude schotels opdisschen:’,

waarna het citaat volgt.2

Huydecoper. Op een aantal plaatsen waar Pers in zijn tekst Horatius in eigen dicht- of prozavertaling weergeeft, vervangt Poot deze door ‘de lieflyke en bevallige Vertaeling van den geestryken en roemwaerdigen Heere Balthazar Huidekooper’.3

 

Zeeus. Op blz. 325 van dl. I citeert Poot enige versregels van ‘de wakkere Jakob Zeeus’, afgedrukt ‘voor de Gedichten van den Heere Frans Greenwood.’

 

Bake. Eenmaal gebruikt Poot de berijming van Salomons Hooglied door Laurens Bake4, terwijl Pers op deze plaats rechtstreeks naar de H. Schrift verwijst.

 

Nuyts. Uit Pieter Nuyts' berijming en uitbreiding van Juvenalis' elfde satyre geeft Poot in het hoofdstuk meeting. lantmeeting enige verzen ter verduidelijking van de tekst.5

 

Pers. Slechts eenmaal neemt Poot enige versregels van Dirck Pietersz. Pers over.6 In alle andere gevallen kiest hij de vertaling van andere dichters of herdicht hij zelf de verzen van Pers.

 

Francius. In het hoofdstuk dichtkunst, poëzy, citeert Poot enige versregels van Petrus Francius over de dichtkunst.7

Nederlandse dichters en schrijvers door Ouwens genoemd

Ook Ouwens heeft op talrijke plaatsen in zijn aantekeningen teksten van Nederlandse dichters en schrijvers ingelast.

[p. 358]

Vondel. Teksten van Vergilius en Ovidius vertaalt hij dikwijls zelf, maar in zeer veel gevallen geeft hij de vertaling van Vondel.1 Soms vermeldt hij Vondel niet, doch gebruikt wel zijn vertaling, maar met wijzigingen.2 Andere keren vermeldt hij Vondel wel, maar wijzigt, soms zonder daarvan melding te maken, de tekst.3 Als classicus heeft Ouwens dikwijls critiek op de vertaling van Vondel4, toch heeft hij ook wel lof voor diens werk.5 De nogal ernstige critiek van Ouwens op Vondels wijze van vertalen, in de eerste druk van dl. I, in de tweede druk aanzienlijk milder van toon, vermeldden wij reeds.6 In het derde deel heeft hij toch nog eenzelfde critiek als in de eerste druk van dl. I laten staan:

‘Uit dit alles dan blykt, wat 'er van de vertaelingen van Vondel te houden zy. In werken van eigen vindingen is die man doorgaens groot: maer daer hy zich heeft moeten binden aen de gedachten van anderen, daer is hy verre van dien roem af.’7

Ook uit het andere werk van Vondel citeert Ouwens. Ik tekende nog de volgende verwijzingen bij hem aan: Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste8, Palamedes9, Faëton10, Salmoneus11, Hippolytus12, Byschriften op de twalef maenden, geschilderd door Sandrart13, bijschriften op De Dagh en De Nacht, eveneens door Sandrart geschilderd14, Op de vyf zinnen15, De Druckkunst. Aen Balthazar Moerentorf16 en Inwyjinge der Schilderkunste, op Sint Lukas Feest. 1654.17

De titels, die Ouwens Vondel verleent zijn:

[p. 359]

‘vorst en vader der Nederlantsche dichteren’1, ‘onze Agrippiner’2, ‘onzen Nederlantschen Virgilius’3 en ‘de Vader van onze Nederlantsche poëzie’.4

 

Hooft. Vijfmaal noemt of citeert Ouwens Hooft, die hij ‘De Ridder en Drost Hooft’5 of ‘den voortreflyken Hooft’6 noemt. Hij verwijst naar de Nederlandsche Historiën7, naar Paris Oordeel. Tafelspel8 en naar het sonnet Wanneer de Vorst des lichts slaet aen de gulden tóómen9; verder citeert hij zeer uitvoerig uit de Baeto10, en tenslotte uit de Brief van Menelaus aan Helena.11

 

Cats. Tweemaal haalt Ouwens de Sinne- en Minnebeelden van ‘de verstandige Ridder Jakob Cats’ in zijn aantekeningen aan.12

 

De Decker. Eenmaal citeert hij een vertaling van Horatius13 en eenmaal een vertaling van Du Bartas14 door Jeremias de Decker. Vaker evenwel haalt hij puntdichten van hem aan.15

 

Antonides van der Goes. Van deze dichter gebruikt Ouwens eenmaal diens vertaling van Horatius.16 In de Byvoegsels op blz. 752 van dl. III, oefent hij critiek uit op Antonides' vertaling van Horatius, door Poot op blz. 339 van dl. I geciteerd.

 

Oudaen. Naast de Latijnse tekst van citaten uit Claudianus, Juvenalis en Horatius geeft Ouwens de vertaling van Joachim Oudaen.17

 

Moonen. Eenmaal verwijst Ouwens naar een werk van Moonen, diens Paulus te Athenen.18

 

Hoogvliet. Bij citaten uit Ovidius' Fasti citeert Ouwens talrijke malen de vertaling van Arnold Hoogvliet19, een enkele maal oefent hij critiek uit op hem ‘wiens vertaeling’, zo schrijft hij, ‘wy anders hoog achten en zeer pryzen’.20

[p. 360]

Andries Pels. De Ars Poëtica van Horatius laat Ouwens steeds vergezeld gaan van de vertaling en uitbreiding van Andries Pels.1

 

David van Hoogstraten. Naast een Latijns gedicht van J. van Broekhuizen plaatst Ouwens de vertaling van David van Hoogstraten.2

 

Daniel Heinsius. Eenmaal citeert Ouwens uit de Hymnus oft Lofsanck van Bacchus van de ‘wytvermaerde Daniel Heins’3 en eenmaal verwijst hij zonder te citeren naar deze dichter.4

 

Van Mander. In het hoofdstuk lastering verwijst Ouwens naar de uitleg over schilderingen van Apelles door Carel van Mander.5

 

Anslo. Versregels van Reyer Anslo over de schilderkunst haalt Ouwens aan in het hoofdstuk schilderkunst.6

 

Hendrik Schim. Zevenmaal verwijst Ouwens naar de ‘fraeie Bybelen Zededichten’ van de Maassluise dichter Hendrik Schim, die in 1736 verschenen waren.7

 

Gargon. Bij teksten van Boëthius geeft Ouwens de vertaling van ‘de eerwaerde Heer Matheus Gargon’.8

 

Kempher. Eenmaal verwijst Ouwens naar Gerhard Kemphers vertaling van Anacreon9, die dan nog moet verschijnen. De vertaling zag in 1726 het licht. In het hoofdstuk snapachtigheit citeert hij deze vertaling. Erg enthousiast is hij er niet over. Van Kempher zegt hij dat deze ‘de kracht en geestigheit der vindingen van dien Dichter [Anacreon] dikwyls ontzenuwt door al te veel en somtyts lamme byvoegsels’.10 Bij een vertaling van Theocritus door Kempher zegt hij dat deze ‘de aerdigheit van het Grieksch niet kan evenaeren’. Kempher heeft er ‘te veele en te flaeuwe inlassingen’ in gebracht.11

 

Joan de Haes. In het hoofdstuk schilderkunst geeft Ouwens een

[p. 361]

uitvoerig citaat uit The Defence of Poesie van Philip Sidney in een Nederlandse vertaling.1 Het is de vertaling van Joan de Haes.2

Het Werelttoneel als bron voor Poots gedichten

Vondel schrijft in zijn Aenleidinge ter Nederduitsche Dichtkunste, zich richtend tot de jonge dichters:

‘Een leergierige lette wel op de lessen en regels der kunste, gevonden uit het voorbeelt der treflijckste Dichteren. Hy bevlytige zich om dagelijx toe te nemen in kennisse van verscheide wetenschappen, om, is het niet van alles volmaecktelijck, dat zwaer ja onmogelijck valt, ten minste ter loop van vele dingen kennis te hebben, om zijn werck naer den eisch uit te voeren. Zoo treckt en vergadert de honighby haer voetsel uit alle beemden en bloemen. Het waer raetzaem Salomons wijze spreucken, Cicero, Seneka, en Plutarchus wercken van de zeden, en het leven der doorluchtige mannen, en diergelijcke schriften te lezen, en te herlezen. Wie in den vloet dezer pennen zwemt, zal overvloeien van zinrijcke gedachten en vaste stellingen. De Beeldenaer van den geestrijcken Ridder, Cesar Ripa, nu in Nederlantsch verduitscht, bestellen geestige vonden, om het werck levendigh uit te drucken, en ryckelijck te bekleeden.’3

Dat Vondel zelf uit de Iconologia geput heeft, blijkt uit vele van de door Poot in de tekst van het Werelttoneel ingevoegde citaten uit zijn werk. Dat ook anderen Ripa's werk als bron voor ‘geestige vonden’ gebruikt hebben, blijkt duidelijk, wanneer men de door Poot gegeven citaten nagaat. Bovendien zal in vele gevallen, dat er misschien van geen ontlening aan de Iconologia sprake is, dit werk toch de oplossing geven voor menige onduidelijke plaats in het werk van onze zeventiende- en achttiende-eeuwse dichters.

Het zou mij te ver voeren hier dieper op in te gaan. Ik wil mij beperken door alleen nog enige passages uit Poots gedichten aan te geven, die in het Werelttoneel hun verklaring vinden.4

Busken Huet schrijft: ‘Daniel Hooft heeft zich veel moeite gegeven om uit Virgilius, uit Horatius, uit Ovidius, uit onze vaderlandsche klassieken, de plaatsen bij elkander te stellen die door Poot nagevolgd zijn, of liever, die Poot in zich opgenomen, zelfstandig verwerkt, en op zijne eigen wijze teruggegeven heeft. Er komen echter in zijne gedichten een aantal zinspelingen voor op zaken van historischen en oudheidkundigen aard, welke hij langs dien weg onmogelijk is kunnen te weten komen. Dit meerdere, mede voor hem eene wetenschap uit de tweede

[p. 362]

hand, doch niettemin een bewijs zijner schranderheid, heeft hij te danken gehad aan de onvermoeide vlijt, door hem aan Wereldtooneel besteed.’1

 

Poot:

 
Men leest der dichtren aerdigh werk
 
Zoo lang de werelt staet.
 
Gedichten zyn den tyt te sterk,
 
En trotsen Momus haet.
 
Zoïl, wat schrolt gy t'onbedacht
 
Op 't kunstwerk van Homeer?
 
Uw bittre laster heeft geen magt
 
Aen zyn vergode veêr.

[I, 432 vs. 2-1 v.o. en 433 vs. 1-6 v.b.]

Werelttoneel: ‘Een out Man, die mager en bleek is, en den mont open houdt. Hy heeft een' stok in de hant, en staet gebogen naer d'aerde toe, op welke hy met zynen stok slaet. Aldus wert Momus, de godt der lastering en berisping, door de Ouden afgebeelt.’

[Dl. II, blz. 100 r. 2 v.b. e.v.]

‘De ondeugt haet de deugt, en wat zy met de daet niet kan beledigen, beledigt zy met de tong. Dit bekende die beruchte Zoïlus, die zyne quaetsprekenheit heeft getoont met te schryven tegens de allervoortreffelykste mannen, als Homerus, Plato en anderen, van zich zelven: want gevraegt zynde, waerom hy van elk quaet sprak, antwoorde hy, omdat ik wel quaet willende doen, niet kan.’

[Dl. I, blz. 6 noot [N].]

 

Poot:

 
Zyn wysheit wies, daer d'oli sleet.
 
Zoek hier de lamp van Epikteet.

[I, 280 vs. 2-1 v.o.]

 
Voorsprekers, laet uw tael naer zweet en oli rieken:

[I, 284 vs. 4 v.o.]

 
O dierbaer avontwerk dier taelgeleerde vingers!
 
Ik kus met eerbiet u terwyl gy wondren doet.
 
Myn logge geest bezweek; gy maekt hem frisch, en veiligh
 
Van druk: dat zou de lamp niet doen van Epikteet,

[II, 411 vs. 4-1 v.o.]

Werelttoneel: ‘Neen, die de onsterflyke glori der wysheit bemint en begeert, moet van Pallas bemint zyn, en haeren oli begeeren, of de moeite is ydel. Door blokken en waken, 't geen door den oli verbeelt wort, zal men Minerves gunst winnen, niet door gasteryen en dartelheden. Onder de oefenaers der wetenschappen behoort dit woort te gelden, Plus olei quam vini, meer oli dan wyn, 't geen hier als in 't voorbygaen gezeit zy.’

[Dl. I, blz. 58 r. 11 v.b. e.v.]

‘Omdat de ouden tot hunne studien, en 't voortzetten der zelver, in den nacht lampen gebruikten met olie, zo is 't, dat men willende te kennen geven dat eenig geleerd werk naerstig bestudeert was, zeide, dat het na de lamp rook.’

‘Als een byzonder blyk van naerstigheit by de letteroefeningen zyn ook tot een spreekwoort geworden de lampen van Aristophanes en Cleanthes: zoodat men
[p. 363]
zeggende, dat iets by de lamp van Aristophanes of Cleanthes is bestudeert, te kennen geeft, dat het met groote zorg en naerstigheit is bewerkt: door welken Aristophanes Erasmus meent dat verstaen wort de Taelkundige van dien naem, niet de Schryver der Komedien: en tekent voorts aen, dat ook de lamp van Epiktetus zeer berucht, en outtyts voor een groote somme gelts verkocht is.’

[Dl. II, blz. 200 noot [E].]

 

Poot:

 
Zoekt Epikuur, van ydelheên misleit,
 
Slechts aerdtschen lust, daer hy zyn zwynen weidt;
 
't Verlicht gemoet hoopt op de zaligheit
 
Van 't andre leven.

[I, 32 vs. 6-9 v.b.]

Werelttoneel: ‘Ook hebben wy te voren uit Horatius al aengetoont, hoe dat hy de navolgers van Epikurus noemt met den naem van verkens; hoewel sommige die plaets van den dichter anders lezen.’

[Dl. I, blz. 222 noot [E].]1

 

Poot:

 
Sardanapalus magh zyn vuile driften volgen
 
Gelyk Apitius, Lukul en Filoxeen;
 
't Boos leven wort in 't endt van 't onheil ingezwolgen.

[I, 336 vs. 10-12 v.b.]

Werelttoneel: ‘Zoodanig is voornamentlyk geweest die bekende lekkerbek Apicius: van welken Seneka getuigt, dat hy zyne rekening opmakende, en bevindende dat hy van zeven en een halve millioen guldens, die hy bezeten hadde, niet meer overig had dan zeven en een halve tonnen gouds, zynde de rest besteet voor zyne keuken, daerdoor, even alsof hy in den uitersten hongersnoot zou leven, indien hy van dat gelt moest bestaen, tot die wanhoop was vervallen, dat hy zich zelven met vergift ombragt.’

[Dl. I, blz. 561 noot [G].]

‘... gelyk Filoxenus de zoon van Eurixis, en Gnato de Siciliaen, door al te grooten sloklust aengedreven, gewoon waeren het snot van hunne neusgaten in de schotelen met spys te werpen, op dat zy den opgedischten kost alleen mogten krygen.’

[Dl. I, blz. 335 noot [O].]

 

Poot:

 
Iö triomf! Kupido draeit
 
De diamante spil
 
Der werelt naer zyn' wil.

[I, 143 vs. 1-3 v.b.]

 
Haer yverigh gebedt schoot bressen
 
In 's hemels diamante vest.

[I, 257 vs. 9-10 v.b.]

 
De Vrientschap is het, die, beleeft
 
En mildt, den Aerdboôm oit een padt en veiligh open
 
Tot den verzoenden Hemel geeft,
 
En boezems samenhecht met diamante knoopen.

[III, 124 vs. 1-4 v.b.]

[p. 364]
Werelttoneel: ‘De spil heeft Plato van diamanten gemaekt, omdat de diamant een beelt is van onverbreeklyke hardigheit en vastigheit, waerdoor gevolglyk de onveranderlykheit van 't noodlot verstaen wort. En gelyk wy over 't vorige beelt Horatius aen den nootdwang hebben zien geven zwaere spykers, of eigentlyk balkspykers, alzoo geeft hy haer elders diamante spykers. In dien zelven zin maekt Virgilius de poorten der helle van diamant; en Propertius een slot van diamanten voor de deure des grafs; en wat diergelyke spreekwyzen meer zyn.’

[Dl. II, blz. 194 noot [B].]

 

Poot:

 
Maer in de mannen koos zy witte en roode verven
 
(Dank heb haer goede keur) voor 't ysselyke zwart.

[I, 40 vs. 3-4 v.b.]

Werelttoneel: (De onversaegtheit wordt voorgesteld als ‘Een frisch en sterk Jongkman, gekleet in wit en root.’) ‘Maer waerom is 't kleet wit en root? ... Wit dan vat ik hier op als een beelt van vreugde en genoegen ... alzo een onversaegde met vreugde in de gevaren loopt, daer de vrees droefgeestigheit pleegt te verwekken. De rode kleur vertoont stoutmoedigheit en couragie ... waerom zy ook in 't byzonder aen de Krygsluiden pleegt te worden toegeschreven ...’

[Dl. II, blz. 241 noot [A].]

De witte verw, zecht Pithagoras by Diogenes Laërtius, behoort tot de natuur van een vroomen; de zwarte, tot de natuur van een' boozen. Alzoo noemen ook de Latynen een oprecht mensch wit of blank; een' valshartigen of boozen zwart.

[Dl. III, blz. 291 noot [F].]

 

In het gedicht Valsche Vrientschap schrijft

 

Poot:

 
't Blanketsel dekt de sproet gelyk spierwitte veêren
 
Het zwarte zwaenevel.

[I, 355 vs. 7-8 v.b.]

Werelttoneel: (In het hoofdstuk schynheiligheit wordt gezegd dat volgens Hektor Pintus het groene riet een beeld is van de schijndeugd en de geveinsdheid.)
‘De gemelde schryver zegt ook, dat de zwaen de zelve betekenis heeft, omdat haer zwarte huit met witte vederen versiert en gedekt is.’

[Dl. II blz. 374 r. 8 v.o. e.v.]

 

Poot noemt de westenwind ‘Levenwekker’ (III, 140 vs. 1 v.b.)

Werelttoneel: ‘Maer het waeien des Westewints, dien de Grieken Zefirus noemen, dat is, aenbrenger van 't leven, verdryft de pest, zuivert de lucht, en verstroit de wolken.’ Ouwens zegt in de noot [H]: ‘Komende die naem van ζωη het leven, en φερω ik brenge of draege: omdat met het waeien van dezen wint in de lente de bloemen en planten kragt en leeven krygen, en even als gebooren worden; gelyk Izidorus en Eustathius zeggen.’

[Dl. III, blz. 24 r. 33 v.o.]

 

Poot:

 
Bacchus, eeuwigh groen van jeugt,
 
Reit dan hant aen hant gereder
 
Met de geele Ceres weder
 
Door de dalen, ongequelt
 
Van 't gewapende gewelt.

[I, 328 vs. 9-13 v.b.]

[p. 365]
 
De blonde Ceres [zal] 't lant met ryker oogst beladen,

[II, 114 vs. 7 v.o.]

Werelttoneel: ‘Hierom wordt Ceres de Godinne des koorns by Poëeten ook doorgaens de toenaem van flava, dat is, geele of blonde, toegevoegt.

[Dl. III, blz. 66 noot [C].]

 

Poot:

 
Van welke wondren hangt de werelt aen malkander!
 
Sprak LEEUWENHOEK, daer hy door 't heldre kykglas zagh,
 
En met een Linceus oog ontdekte, klaer en schrander,
 
Wat in de duisternis tot nogh begraven lagh.

[I, 275 vs. 1-4 v.b.]

 
- - - - - - - - - hoe 't zy, 't aenstaende lot
 
Schuilt in een donkerheit die Linceus oog bespot.

[II, 15 vs. 11-12 v.b.]

 
't Vernuft nochtans en d'eedle Reden
 
Voer met ons, dagh op dagh;
 
Maer zoo elendigh klein van leden
 
Dat Linceus hen pas zagh.

[II, 55 vs. 4-1 v.o.]

 
Maer LEEUWENHOEK, zoo haestigh niet voldaen,
 
Mistrout dien zang, en stopt met wasch zyne ooren.
 
Hierop ziet hy een' Linceus voor hem staen,
 
Door zyne kunst uit enkel glas geboren.

[II, 298 vs. 3-6 v.b.]

Werelttoneel:Oculi Lyncei, dat Zaratino hier heeft opgevat voor de oogen van een' losch, vertaelt men beter de oogen van Lynceus. Naementlyk Lynceus, een van die geenen, die gezecht worden met het schip Argo na Kolchis gevaeren te zyn om het gulde vlies van Frixus vandaer te haelen, wordt verdicht zoo scherp van gezicht geweest te zyn, dat het zelve door de stammen van boomen, en door de steenen, jae door 't geheele aerdryk zelf tot in de hel toe, doordrong.’ enz.

[Dl. III, blz. 232 noot [C].]

 

Poot:

 
Is 't waerheit, dat Astré ten hemel voer voorheene;
 
Zoo moet ze weergekomen zyn
 
In onzen dootschen maeneschyn,
 
Of anders zyn 'er twee; want WILLEMS ziel huist eene.

[II, 432 vs. 4-1 v.o.]

Werelttoneel: ‘De Fabelschryvers verdichten, dat de Maegt Astrea, Godin der Gerechtigheit, de ondeugden op de aerde dagelyks aengroeiende, wederom na den hemel is opgevloogen, en zich midden tusschen de Hemeltekens den Leeuw en de Weegschael of Evenaer geplaetst heeft: zynde aldaer geworden dat Hemelteken, dat men de Maegt noemt.’

[Dl. III, blz. 292 noot [G].]

Conclusie

Cesare Ripa's Iconologia was van groot belang voor de ontwikkeling van het geestelijk en cultureel leven van de zeventiende en achttiende

[p. 366]

eeuw in Europa. Het werk is een tot nu toe te weinig gebruikte bron voor de kennis van de litteratuur uit deze tijd. In het bijzonder is het van belang voor de kennis van de emblematische en allegorische elementen daarin. Ook bij het bestuderen van de godsdienstige litteratuur, vooral van de predikaties, de practische rhetorica, uit die eeuwen, zal het voor menig probleem de oplossing bieden.

In vergelijking met de vertaling van Pers, die gebrekkig genoemd mag worden, is de achttiende-eeuwse bewerking van Poot en Ouwens in vele opzichten beter en meer betrouwbaar. Zij geeft een nauwkeuriger vertaling, is in uitstekend Nederlands geschreven, is verfraaid met talrijke toepassingen uit de eigen en klassieke letterkunde, en bevat een schat aan wetenschappelijke gegevens en aanwijzingen voor verdere studie in de aantekeningen.

Ten onrechte werd (behalve door Spex, D. Hooft en Busken Huet in vroegere jaren en door Dr A. Zijderveld en Mej. Catharina Ypes in onze tijd) het gehele werk gewoonlijk aan Poot toegeschreven. Toch zou het onjuist zijn na de studie van Dr Zijderveld1 voortaan te spreken van het Werelttoneel van Ouwens. Het aandeel van Poot in de uitgave is volstrekt niet gering geweest. De leesbaarheid, verkregen door het fraaie Nederlands van de tekst en de talrijke ingevoegde citaten uit vele dichters en schrijvers, is zijn werk. De juistheid van de vertaling, de opgave van de bronnen door Ripa en Zaratino Castellini gebruikt, en de typisch achttiende-eeuwse uitstalling van geleerdheid in de aantekeningen, danken wij aan Ouwens, voortreffelijk als classicus en compilator, maar een slecht stylist in de moedertaal. In de tot nu toe in de litteratuur niet genoemde eerste druk van het eerste deel, nog tijdens Poots leven verschenen, komt diens aandeel in het werk op het titelblad beter tot zijn recht dan in de tweede druk en in de beide volgende delen.

Het Werelttoneel is een belangrijke bron voor de kennis van Poot. Het leert ons hem kennen als een voortreffelijk schrijver van een meestal bondig, stoer en geestig Nederlands, het bevat menige interessante uitspraak van hem over dichters en schrijvers uit de zeventiende en achttiende eeuw en het verklaart menig vers uit zijn eigen gedichten.