[p. 117]

Tweede deel
De praktijk

Oordeel dan ujtet volgende Leezer; en howd uw onzijdig, in 't onderzoeken, Hilarides, Niewe Taalgronden *8 vo [1705].
[p. 119]

Hoofdstuk I
De nominale klassifikatie vroeger en nu

Royen heeft er in zijn dissertatie, De Jongere Veranderingen van het Indogermaanse Nominale Drieklassensysteem [1926], op gewezen dat in elk Indogermaans taalgebied, met uitzondering van het Slavisch ‘altans enigermate genussynkretisme voorkomt’ (91). In concreto betekent dit: ‘reduktie der oude driedeling’ (93) en nieuwe groeperingen. Deze processen gaan gepaard met het deflexieverschijnsel en ze worden geregeld doorkruist door - meestal op kultuurhistorische faktoren gebaseerde - pogingen tot behoud of zelfs herstel van vroegere toestanden. In de jongere periodes speelt in deze evolutie de schrijftaal ongetwijfeld een andere rol dan de spreektaal. Niet alleen is de eerste van nature, mag men wel zeggen, konservatiever(1), maar ze streeft er ook al heel vroeg naar, zich, hetzij door grotere distinktie, hetzij door meer algemeen-geldigheid en vaak door allebei, op een ander - ‘hoger’ - niveau dan de spreektalen te gaan bewegen. In de mate dat de spreektalen naar grotere eenheid begonnen te streven, wordt hun bewondering voor het reeds aanwezige algemener geldende kommunikatiemiddel (de schrijftaal dus) steeds groter. En de invloed van deze laatste doorkruist dan in deze omstandigheden vanzelfsprekend ook weer de inmiddels toch ook aan de gang zijnde evolutie. Het omgekeerde doet zich ongetwijfeld ook voor, maar toch is zowel de bedoeling als de manier waarop dan anders. En in verschillende stadia van de geschiedenis van een taal gebeurt alles weer in verschillende graden en richtingen.

Een enkel voorbeeld moge hier volstaan. Door invloed van de spreektaal op de schrijftaal in het hedendaagse Hollands is het mogelijk dat men een zin als deze kan laten drukken: ‘M. zet de dingen rustig en beslist op zijn plaats’ (Wind in De Nieuwe Linie 13 juli 1963, blz. 3); ‘Door feiten en ideeën op z'n kop te zetten en ze dan weer als kleurige zeepbellen uiteen te laten spatten’ (Tijd 17 okt. 1963)(2). Dat men anderzijds kan zeggen: ‘dat de getroffen beslissingen te zijner (met ‘volle vokaal’ [zɛɪnər] tijd bekend zullen gemaakt worden’; ‘de Nederlandse Antillen in zijn [zɛin] geheel’ (uit een radiolezing van H. Deunert, 2 feb. 1965; vriendelijke mededeling van Prof. Van Haeringen) en derg. is zonder enige twijfel aan het geschreven woord te wijten(3).

Zowel de taalnatuur als de taalkultuur zijn faktoren van betekenis in het taaltechnische handelen van de konkrete mens in een konkrete situatie. De taalbeschrijving moet

[p. 120]

zich daar volkomen bewust van zijn. En als de taalkundige zich ook nog aan een verklaring van bepaalde verschijnselen wil gaan wagen, moet hij zich van die konkrete toestand klaar en duidelijk rekenschap geven.

Daarom is in het eerste deel van deze studie een beeld opgeroepen van de tijd waarin het stukje taalgeschiedenis dat ons hier bezighoudt, zijn beslag heeft gekregen. Daarom ook is uitvoerig aandacht geschonken aan de opvattingen van de taalbouwers, de werkers aan de taalkultuur. Gepoogd is daarbij hen naar hun aard en hun bedoelingen te benaderen en te begrijpen. En zodoende is - naar ik hoop - hun ware betekenis, alsmede het karakter van hun taalgebruik blootgelegd: deze grammatici zijn geen taalbeschrijvers in de moderne zin van het woord. Zij bouwen aan een betere taal; daarop zijn hun uiteenzettingen gericht; in die taal proberen ze zelf hun grammatika's ook te schrijven. Men kan beter zeggen dat ze een taal behandelen dan dat ze een taal beschrijven! De historische omstandigheden gaven hun daar nu eenmaal aanleiding toe...

Het onderzoek dat we verder hebben gewijd aan genus en flexie in hun werk, heeft duidelijk aangetoond dat deze Hollandse taalbeschouwers misschien nog wel enkele min of meer versteende elementen van het drieklassensysteem kenden, maar het systeem zelf en de daarmee samenhangende elementen van flexie en pronominale aanduiding zeker niet meer beheersten en onmogelijk in hun eigen Hollandse taalgebruik konden laten funktioneren, zoals dat nog wel het geval was met hun Zuidnederlandse kollega's. Zowel hun teoretische beschouwingen als hun praktijk vertonen onweerlegbare kenmerken van onwetendheid op dit gebied. De een slaagt er minder goed in dan de ander om die onwetendheid te camoufleren - een man als Plemp doet zelfs geen poging daartoe!

Deze houding heeft evenwel tot gevolg dat noch uit hun verklaringen over de genera, noch uit de manier waarop ze zelf schreven, afgeleid kan worden hoe de toestand in hun eigen mondelinge taalgebruik wel was. (De beschouwing van S. Ampzing over het gebruik van -se bevat vrijwel de enige direkte mededeling over het gewone taalgebruik)(1). Daar moeten we dus op een andere manier proberen achter te komen! En met het oog op de verwantschap tussen nu en toen lijkt het dan gewenst ook de toestand in de Noordnederlandse spreektaal van onze dagen eens van nabij te bekijken.

1. De moderne Hollandse spreektaal

De huidige situatie in Holland is al meer helder en precies beschreven: o.m. door Kollewijn(2), Simons(3), Royen(4), Kruisinga(5) en last but not least door Van Haeringen in zijn meesterlijke brochure Genus en Geslacht uit 1954. Voortbouwend op het

[p. 121]

door Royen(1) verworven inzicht dat er in het Noordnederlands niet alleen een klassifikatie bestaat op zuiver grammatikale gronden (genus-klassen), maar ook een groepering die berust op het onderscheid tussen persoonsnamen en andere substantieven, wijst Van Haeringen erop dat ‘deze nieuwe groepering... aan alle eisen van een grammatische kategorie (voldoet)’ (7). Hij bespreekt vervolgens de pronominale vormen die uitsluitend op personen betrekking hebben en aldus deze kategorie markeren. En verder vestigt hij dan de aandacht op de ‘oppositie... van de sekse’ ‘binnen de groep van de persoonsnamen’ (9): ‘Men moet, zodra een persoonlijk of bezittelijk voornaamwoord in het geding komt, bijna altijd de keus maken, en beslissen of men met een vrouwelijk of een mannelijk individu te doen heeft. Die keus is even onvermijdelijk als die tussen die en dat bij het genus’ (9). Er blijkt dus naast de genus-groepering ook ‘geslachtelijke’ groepering te bestaan. Het Noordnederlands heeft een mannelijk en een vrouwelijk geslacht(2). ‘De grammatische bijzonderheden waaraan de kategorie van het geslacht uitkomt, liggen in hoofdzaak... op het terrein van de geslachtelijke pronomina’ (10). Maar ook m.b.t. de adnominale woorden is het geslacht niet volkomen indifferent. De meest typische eigenaardigheid is in dit verband wel de omstandigheid dat ‘bij persoonsnamen, oftewel geslachtelijke substantieven... het voorgeplaatste attributieve adjectief de onverbogen vorm (kan) hebben’ (12). Vooral bij mannelijke znw. is dat het geval (een groot voetballer), maar bij vrouwelijke is het onverbogen adjektief in dit geval evenmin uitgesloten (een knap schrijfster). Toch is, zoals gezegd, het pronomen de voornaamste exponent van de kategorie van het geslacht, vooral dan het personale en het possessivum enkelvoud: ‘Bij de mannelijke woorden is het personale in de subjectsvorm hij, in inversie-positie en na onderschikkende voegwoorden ie of die, in de objectsvorm 'em, en in enkele bijzondere gevallen ook hem. Bij de vrouwelijke woorden is de subjectsvorm van het personale ze, en in enkele gevallen ook zij, de objectsvorm meestal d'r of 'r, minder vaak ze, en in enkele bijzondere gevallen ook haar. Het possessivum is bij de mannelijke woorden z'n, en in enkele bijzondere gevallen zijn; bij de vrouwelijke woorden d'r of 'r, en in enkele bijzondere gevallen ook haar’ (14). Hij, (d)ie, 'em en z'n komen ook bij de commune ongeslachtelijke substantiva voor (type: tafel, stoel, berg), vaak ook bij neutrale diernamen (paard, hert, schaap)(3) en ook wel bij neutrale voorwerpsnamen (boek, fornuis)(4). Hem en zijn zijn in de eerste plaats kenmerken van het mannelijk geslacht en die funktie heeft ‘zodanig de bovenhand... dat een andere funktie als min of meer afwijkend, althans bijzonder, mag worden beschouwd’ (17). Zij en haar (d'r of 'r) zijn ‘beslissende, absolute kenmerken van het vrouwelijk geslacht. Ze komen niet anders voor dan met betrekking op vrouwelijke persoonsnamen’ (17).

In het moderne gesproken Noordnederlands blijken dus de persoonsnamen enerzijds en de ongeslachtelijke znw. anderzijds duidelijk onderscheiden grammatische kategorieën te vormen, die de genusklassifikatie (de - het) doorkruisen: dokter, zwemster, typiste,

[p. 122]

jongetje en kind staan als groep dus tegenover berg, boek, stoel, tafel en derg. Binnen de kategorie van het geslacht ‘doorkruist de sekse-oppositie ook meermalen de genusonder-scheiding’ (12), tekent de kategorie van de vrouwelijke zich duidelijker af dan die van de mannelijke sekse. In verband met de grammatische kategorie sekse is het dus ook van belang na te gaan welke pronomina ‘seksueel differentiëren’ (26) en welke niet. ‘Dwingend seksueel is het possessieve pronomen: de vrouw in d'r huis... de man en z'n werk’(26), maar ook ‘het meisje heeft d'r tas verloren’ (ib.); en, zo konstateert Van Haeringen, ‘in verreweg de meeste gevallen is ook het personale dwingend seksueel’ (ib.). Ook het relativum die moet ‘onder omstandigheden’ (28) een geslachtelijk pronomen heten: in de gevallen nl. dat het op een neutrum betrekking heeft, b.v. ‘een kras mannetje, die trouw iedere dag z'n wandeling doet’ (29).

Van Haeringen bespreekt verder nog ze bij stofnamen, ‘de geslachtelijke situatie van de gemeenslachtige woorden’ (21), waarbij gekonstateerd wordt ‘dat het geslacht meestal prevaleert’ (27) en ook ‘de groepering personen tegenover niet-personen’ (25) in het meervoud, waarbij de tegenstelling zich aftekent in de emfatische pronomina. Voor biezonderheden kan ik hier volstaan met een verwijzing naar Van Haeringen z'n uiteenzetting, omdat het hier geschetste beeld m.i. voldoende elementen bevat die aanleiding kunnen geven tot het stellen van vragen naar de voorgeschiedenis van deze situatie. Het is immers vanzelfsprekend dat we hier voor een nominale klassifikatie staan die het resultaat moet zijn van een waarschijnlijk vrij langdurige evolutie. Deze verfijnde en gekompliceerde tweeledige groepering kan ongetwijfeld niet van de ene dag op de andere uit het drieklassensysteem ontstaan zijn. Het ligt dus voor de hand dat men zich af gaat vragen of de periode waarin het drieklassensysteem niet meer bekend geacht kan worden (de 17e eeuw dus, zoals uit Deel I is gebleken) ook niet de tijd is waarin de groepering die we nu kennen, is begonnen tot stand te komen. Het komt er derhalve op aan in het taalgebruik van de 17e eeuw - de grammatika's bleken daarover, zoals gezegd, geen enkele aanwijzing te bevatten - na te gaan welke elementen daaruit in verband zouden kunnen staan met de nominale klassifikatie zoals die nu is.

 

Ook het feit dat zich in het Afrikaans een éénklassesysteem ontwikkelde, doet in het zeventiende-eeuwse Hollands twee klassen van substantieven vermoeden. In zijn Herkomst en Groei van het Afrikaans [1950] heeft Kloeke er de aandacht op gevestigd dat ‘uit de Afrikaanse staat van zaken gevolgtrekkingen zijn te maken ten aanzien van de taaltoestand in het 17de-eeuwse Zuid-Holland’ (140). Zou dat ook i.v.m. het genus niet het geval zijn? Uit het feit dat in het Afrikaans, ‘alle substantiewe, ongeag die klas waartoe hul oorspronkelijk behoor het, word verbind met die bep. bw. die, die aanw. vnw. dié..., die betr. vnw. wat(1), dat de flexie der adnominale woorden onafhankelijk is van het genus van het znw(2). en dat ook de pronominale aanduiding grondig van het mnl.

[p. 123]

drieklassensysteem verschilt, zou men dan ook willen besluiten tot het bestaan in het 17e-eeuwse Hollands van een klassifikatie die aan de basis van de huidige Afrikaanse kan liggen. Kan dat dan anders zijn dan een tweeledige: de-woorden naast het-woorden? Van een den-klasse is in het Afrikaans geen spoortje te bespeuren; wel is de nageschiedenis van de bekend. En ook voor het samenvallen van de het-woorden met de andere znw. in één nominale groep bestaat er een plausibele verklaring. Naast de kwam nl. ook die voor; in alle mogelijke gevallen heeft van dergelijke paren aan de Kaap steeds de volle vorm het van de andere gewonnen, zo zegt Scholtz (a.w. 171),(1), zodat ‘die verdringing van de deur die volkome (pas) in die patroon van die Kaapse taalgeskiedenis’ (ib.). En ‘et het in 'n hele patroon van vol vorme wat tipies Kaaps is, so swak gestaan dat dit maklik deur sy medelidwoord die verdring kon word’ (174). Verdere biezonderheden laat ik hier achterwege - men kan die vinden in het opstel van Scholtz, die er overigens op wijst dat de Afrikaanse evolutie pas volledig en helder te beschrijven zal zijn, als er meer over de toestand in het 17e-eeuwse Hollands bekend zal zijn(2).

Zowel het moderne Hollands als het Afrikaans van vandaag stimuleren dus tot een onderzoek naar sporen van een tweeledige klassifikatie in vroeger tijd. Dit feit werpt op zijn beurt dan weer de vraag op wanneer we het best ons onderzoek naar de aanvang van de evolutie kunnen laten beginnen. Daarmee is dan het probleem van de voorgeschiedenis gesteld!

2. De voorgeschiedenis

2.1. De vroegste periode

Het is onmogelijk en ook wel niet nodig hier de vroegste feiten uit de genushistorie uitvoerig te memoreren: in Die nominalen Klassifikations-Systeme in den Sprachen der Erde. Historisch-Kritische Studie, mit besonderer Berücksichtigung des Indogermanischen (Wien [1929]) heeft G. Royen aan alles wat daar verband mee houdt, de grootst mogelijke aandacht geschonken(3).

Vanuit het besef dat enig skepticisme ‘gegenüber der möglichkeit, jemals in der Genusfrage zu einer in allen Einzelheiten befriedigenden, alles erklärenden Lösung zu gelangen’ (a.w. 65)(4) geenszins overbodig is, bespreekt Royen in dit werk niet alleen

[p. 124]

de teoretische beschouwingen door de meest verscheidene taalkundigen aan ontstaan en ontwikkeling van de genuskategorieën gewijd, maar bouwt hij ook naar aanleiding van die diverse opinies een eigen opvatting op. Vanaf het allereerste begin, zo meent Royen, vinden er veranderingen plaats ten gevolge van ‘Ausgleich’ of analogie. De voorindoger-maanse klassifikatie ‘begründet in letzter Instanz auf die psychische Auffassung und Wertung der Wirklichkeit’ (713) ontwikkelde zich, ten gevolge van reïnterpretatie van de morfologische elementen die de klassifikatie grammatisch reflekteerden, tot het drieledige indogermaanse klassensysteem. Herhaaldelijk wijst Royen er daarbij op dat de sekse pas in een later stadium ‘als Gruppierungsmotiv’ (440)(1) betekenis kreeg: ‘Gerade die jüngeren Sprachtendenzen, die dahin gehen, das sexuale Femininum mit immer mehr verstärkten Exponenten auszudrücken, während in den ältesten Sprachperioden die Namen weiblicher und männlicher Wesen einander formal gleich waren, weisen darauf hin, dass die nominale Klassifikation erst sekundär mit dem Sexus assoziiert wurde’ (755). Aan dit verbonden-worden met de sekse heeft volgens Royen verder het nominale genus, dat nu geen betekenis meer had, zijn voortbestaan in min of meer beperkte mate te danken. ‘Da aber im Sprachbewusstsein den fortbestehenden Genusexponenten nichts Bestimmtes mehr entsprach, begann in allerlei Sprachen die nominale Gruppierung unsicher zu werden, zu schwanken und sich zu ändern, zu verschwinden’ (531). Ook in de Indogermaanse talen is de sekse een rol gaan spelen (‘Im Indogermanischen entsprechen sich im allgemeinen bei Personen Genus und Sexus: Namen männlicher Personen sind meistens männlich, Namen weiblicher Personen meistens weiblich’ (401)); ook hier zijn er bewijzen van een sterke associatie van sekse met genus (verg. 436), maar evenzeer van het ‘Gesetz der formalen Inertia’ (667), dat verhindert dat de evolutie gelijkmatig verloopt en alle substantieven zich aan de nieuwe ordening aanpassen: ‘Wie man weisz, bleiben bei jeder Gruppierungsänderung Survivals aus früheren Sprachperioden zurück; nicht alle Nomina trennen sich absolut und gleichartig von dem alten System und fügen sich gleich willig der neuen Ordnung’ (441). Men moet er dus rekening mee houden dat die verschuivingen in de nominale klassifikatie niet volkomen harmonisch, volgens een strikte regel of logisch plan plaatsvinden. En men verlieze daarbij ook nooit uit het oog dat ‘der sprachliche Konservatismus’ (441) steeds remmend en dus ook verwarring-stichtend werkt. Vandaar dat de Indogermaanse driedeling niet zonder meer doorzichtig is! In dit stadium van de evolutie ziet men nog ‘slechts morfologiese verschijnselen, waaraan niets psychies beantwoordt’, verklaart Royen dan ook in zijn Jongere Veranderingen blz. 14. Vanzelfsprekend was een dergelijke, op zuiver formele gronden berustende groepering, zeer sterk aan verandering onderhevig. In alle Indogermaanse talen (behalve in het Slavisch) blijkt dan ook genussynkretisme voorgekomen te zijn in de vorm nl. van een reduktie van de drieledige klassifikatie (verg. a.w. 91-92)(2). In de Romaanse, Keltische, Baltische en Albanese talen is bij dat proces ‘het neutrum zoal niet verdwenen, dan toch sterk gereduceerd’ (76)(3). In de Germaanse talen gaat de verschuiving blijkbaar

[p. 125]

meer in de richting van een tweedeling op grond van ‘een minder of meer konsekwente tegenstelling tussen animatum en inanimatum, of tussen personale en non-personale’(131). Het resultaat daarvan komt hoe langer hoe meer steeds exklusiever tot uiting bij het gebruik der anaforische pronomina: het volledige parallellisme tussen nominale groepering en pronominale aanduiding blijft dus niet langer bestaan. (Zo gaat het Oudengels b.v. geleidelijk alle nomina in een enkele klasse groeperen, maar daartegenover komt een met de sekse verbonden drieledig pronominaal systeem tot stand(1). Het is onmogelijk hierop nader in te gaan. Men vindt uitvoerige biezonderheden in de Jongere Veranderingen en in de overtalrijke door Royen besproken werken over alle mogelijke facetten van deze Veranderingen. Jammer genoeg geldt dit niet meer als we dichter bij huis komen, en zijn we (voorlopig) op veronderstellingen aangewezen.

Het is nochtans wel zeker dat de vraag wanneer de latere evolutie van drie naar twee klassen begonnen is, niet volledig beantwoord kan worden, zolang we niet beschikken over een gedetailleerd en gedifferentieerd overzicht van de situatie in de Middelnederlandse tijd(2). De toestand zoals die in het Vroegnieuwnederlands is, kan immers niet losgedacht worden van een lange evolutie en met name ook zeer zeker niet van het verdwijnen, althans grondig gewijzigd worden van het nominale flexiesysteem in het Middelnederlands.

2.2. De Middelnederlandse toestand

Het proces van afbraak en herstel in de Middelnederlandse flexie is door Heeroma geschetst in zijn opstel Taalnatuur en Taalcultuur uit 1949. Het verval, de ‘onttakeling’ situeert Heeroma al tussen de 5e en de 11e eeuw (a.w. 7); tegen het eind van die periode veronderstelt hij dan ‘een cultuurlijke tegenbeweging... waarvan wij de weerspiegeling in het middelnederlandse vormensysteem zien’ (12). Dit herstel zou evenwel beneden de grote rivieren vollediger geweest zijn dan ten noorden daarvan, omdat we daar te maken hebben met ‘een koloniaal mengtaalgebied dat juist in de periode tussen 800 en 1200 van het zuiden uit gefrankiseerd moet zijn’ (13) en omdat we weten dat in mengtaalgebieden ‘de natuurlijke tendenties tot vereenvoudiging der vormen en verval der minder betoonde syllaben meer ruimte (kregen) om zich te ontplooien’ (ib.). Het door Heeroma uitgesproken vermoeden ‘dat de middelnederlandse schrijftaal een veel te optimistisch beeld geeft van het cultuurlijk vormherstel en niet in overeenstemming was met de werkelijke toestand in de middelnederlandse volkstaal’ (21) zou grondig speurwerk ter bevestiging nodig hebben, maar - zeer zeker ook in verband met ons onderwerp - het zou ongetwijfeld de moeite lonen.

[p. 126]

In zijn zo pas vermelde verhandeling over de geschiedenis van het genus heeft Kollewijn er al op gewezen dat men bij een dergelijk onderzoek naar de genus- en flexieverschijnselen in de middelnederlandse tijd moet letten ‘op de plaats en de tijd van herkomst der geschriften’ (Opstellen3 42). Maar onderzoekers als Van Helten en Stoett(1) hebben met die eis geen rekening gehouden, met het gevolg dat men zich op grond van de vele gegevens die zij hebben verzameld, onmogelijk een beeld kan vormen van wat er zich, bepaaldelijk in het middelhollands, moet hebben voorgedaan. Hetzelfde kan gezegd worden van de lijst van ‘bijna 900 woorden uit het Middelnederlands’ die Royen in zijn eerste verhandeling over Het woordgeslacht in het Nederlands [1913] opstelde(2). Dat zijn woorden met ‘dubbel of driedubbel geslacht’ (33-34), maar omdat het materiaal ‘niet geschift is volgens streken en tijden’ (41), is de waarde ervan minder groot dan de moeite die de derdejaarsstudent (26) zich getroostte om het te verzamelen - iets wat Royen overigens zelf ook niet helemaal ontgaan was; en zijn inzicht is daarna zo veel grondiger geworden, dat het te betreuren is dat hij achteraf niet meer de gelegenheid heeft gehad om zich met de Middelnederlandse nominale klassifikatie bezig te houden. Zijn aandacht - en ook die van Kollewijn, De Vooys e.a. - werd immers in ongewoon sterke mate afgeleid, mogen we nu wel zeggen, van het serene (historische) onderzoek naar het hete vuur van de spellingstrijd, waarin ook - ter wille van de beruchte buigings-n - het genusprobleem was betrokken. De hele sfeer rond de nominale klassifikatie was in de eerste helft van onze eeuw zo troebel, dat zelfs de meest talentrijke onderzoekers de interessante problemen wel terzijde moesten laten liggen. Een en ander had tot gevolg dat een volkomen genuanceerde beschrijving van het nominale en pronominale genus- en flexiesysteem van het Nederlands in de Middeleeuwen nog steeds ontbreekt. Met Van Loey kunnen we derhalve slechts zeggen dat ‘een onderzoek (geografisch, chronologisch, stilistisch) hierover... gewenst’ is (zie Mnl. Sprk.2, 1, 19, § 14, Aant. bij Opm. 3). En verder moeten we ons dan maar tevreden stellen met wat het ‘globale’ onderzoek heeft opgeleverd...

2.2.1. Buiging.

Met betrekking tot adjektief en substantief vat Van Loey (Mnl. Sprk.2 1, § 21) de resultaten samen als volgt: de deflexie ‘die bij het substantief langzamerhand groter wordt tot aan het eind der mnl. periode, was bij het adjectief reeds in de 13de eeuw voltrokken, op enkele resten na’ (2). Het bnw. goed heeft dan nog slechts de volgende vormen: goede, goets, goeden en goeder(3). Bij het substantief ontstaat aanleiding tot synkretisme doordat ‘als gevolg van de werking van de auslautswetten(4) de meeste f.-znw. dan op -e eindigen en door hun groot aantal uiteraard twijfel aan het genus van de veel minder talrijke m.- en n.-znw. op -e gaan oproepen. Neutra als antwoorde, beelde, ellende, kinne, cruce, cudde enz. en masculina als balke, beke, bete, blixeme, boge, galge enz. worden dus

[p. 127]

gemakkelijk als feminina beschouwd en behandeld (verg. Van Loey 1, § 10b B4, § 15b B1 en § 16b3; en Schöfeld5, §84 en 89). Omgekeerd kan het dan natuurlijk ook gebeuren dat feminina die niet op -e eindigen voor masculina gehouden worden: arbeit, list, lust, lucht, cust enz. (zie Van Loey 1, § 14, Opm. 5), wat blijkt uit het feit dat ze in de genitief veelal een -s aannemen (verg. Schönfeld5, § 84, § 90, Opm. 3 en § 92a) of met m.-vormen van adnominale woorden verbonden worden(1). Maar, zegt Van Loey terecht, in teksten uit de 15e eeuw is het de vraag ‘of genuswisseling in het spel is dan wel mislukte archaïserende flexie’ (1, § 14, Aant. in fine). Bij vormen als der bruuts (15e e.; zie Van Loey 1, § 14, Opm. 2 met de Aant.) en des bruyts oore (Van Helten, Vondel's Taal, § 65) zal men ongetwijfeld - met o.m. Kollewijn (Opstellen3 42), Van Helten (Ts. 20, 302), Stoett (Synt. § 94, Opm. 3) en Royen (B.V. 2, 97) - aan de tweede mogelijkheid moeten denken, al moet men m.i. toch niet zonder meer de mogelijkheid uitsluiten dat de -s genitief-exponent werd van de zich in een de-klasse hergroeperende nomina.

De apokopering van de slot-e (hane > haan; tonge > tong), die in Holland ‘al voor de tijd kort na 1300 te bewijzen’ is (Schönfeld5, § 81), kan uiteraard ook het verdwijnen van het genusverschil tussen de m.- en f.-substantiva verder in de hand werken.

Op de adnominale woorden is de onzekerheid bij de nomina natuurlijk ook invloed gaan uitoefenen, temeer omdat het apokoperen van de slot-n na toonloze vokaal ook sommige buigings-ennetjes kon treffen (goeden; dezen)(2). Het relatiefpartikel die, dat in alle funkties in deze vorm optreedt(3), beïnvloedt de dien-vorm van het aanwijzend vnw. en het bep. lidwoord, zodat men ‘sporadisch in oudere, vaak in jongere teksten’ (Van Loey 1, § 32d) ook die aantreft. Ook wien raakt door analogie ‘eind 15de eeuw’ (Van Loey 1, § 35d en e) z'n -n wel eens kwijt(4). Dat genustwijfel daarbij ook wel een rol kan spelen, wordt bewezen door het feit dat dien ook wel eens bij feminina voorkomt (Van Loey 1, § 32d), iets dat ook m.b.t. wies en wien gezegd kan worden (Stoett3, § 50). Biezonderheden zouden hier uiteraard zeer welkom zijn, maar ‘er ontbreekt nog een studie over de geografie, de chronologie en de syntaxis van de pronominale vormen’ zegt Van Loey 1, § 28, Aant.; Schönfeld meent (§ 84) desniettegenstaande toch te mogen besluiten dat ‘er op dit gebied reeds in de 16de eeuw volkomen onzekerheid’ heerst.

Het is natuurlijk jammer dat we niet weten of deze gevallen van deflexie en genuswisseling (of -synkretisme?) zich over het hele taalgebied in dezelfde mate hebben voorgedaan. Maar hoe dan ook, in Noord en Zuid kan de evolutie toch niet in alle opzichten parallel geweest zijn, vooral niet omdat het drieklassensysteem zich per slot van rekening in het Zuiden wist te handhaven, zij het dan, zoals Heeroma (a.w. 12) zegt ‘onder opoffering van de naamvalsverschillen’. Dit betekent dat het nomen ook in het Zuiden slechts zijn onverbogen vorm zou behouden hebben, en dat van de adnominale woorden ook één vorm drager werd van alle funkties(5). Algemeen wordt aangenomen dat in Noord en

[p. 128]

Zuid de akkusatiefvorm veralgemeend werd en dat de buigings-n ‘onder bepaalde fonetiese omstandigheden als funktieloos sandhi-verschijnsel’(1) deze verschuiving overleefde. ‘Funktieloos’ moet hier dan pregnant opgevat worden in de zin van: ‘niet een funktie (d.i. casus) aanduidend’, want het ligt voor de hand dat deze -n wel als genus-indicator kon blijven of gaan funktioneren(2). Maar niet alleen aan deze indicator kan het drieklassensysteem in het Zuiden zijn voortbestaan te danken hebben - alle de-znw. waarmee geen den-vorm verbonden kon worden, zouden dan één groep hebben kunnen vormen, en dat is in Holland wel, in het Zuiden niet gebeurd! Ook andere adnominale vormen moeten in Zuid-Nederland dus meegeholpen hebben aan de instandhouding van het genusonderscheid tussen de-woorden. En die ontbreken - getuige de toestand in de moderne dialekten - inderdaad niet: ‘vormverschillen bij het onbepaalde lidwoord en bij de attributieve voornaamwoorden beslissen onmiddellijk over het genus van het substantief. Ook adjektiefvormen doen dat wel, maar met allerlei uitzonderingen’, zo formuleert Royen het in Eenheid ondanks diep verschil(3). Uit zijn eigen moedertaal, het Zuidlimburgse Valkenburgs, geeft hij bovendien de volgende voorbeelden:

eine sjtool (stoel m.) ein bank(f.) ei bèd (n.)
mine sjtool (stoel m.) min bank(f.) mî bèd (n.)
dè sjtool (stoel m.) die bank(f.) dat bèd (n.)
deze sjtool (stoel m.) dees bank(f.) dit bèd (n.)(4)

Dergelijke vormverschillen treft men tot vandaag in alle Zuidnederlandse dialekten aan: zie b.v. Teirlinck, Klank- en Vormleer van het Zuid-Oostvlaandersch Dialect [1924], § 287: ne frāk, ne pot; en eere, en kāse; e fluitse, e graan; Goemans, Leuvensch Taaleigen [1954] i.v. een (blz. 179): m. ne of nen; vr. en; o. e of en: ne man, nen a:ve (oude) man; en vra, en a:vra; ə kint, en onuəzel kint; en Pauwels, Het Dialect van Aarschot en Omstreken [1958], blz. 319: ‘Het onbep. lidw. (een) heeft drie gewone buigingsvormen: ə, ən, nə(n): ə wordt gehoord vóór een subst. (of een als subst. gebruikt woord) onz. enk., ən vóór een subst. vrouw. enk. ..., nə(n) vóór een subst. man. enk.’. Voor de attributieve voornaamwoorden geldt overal precies hetzelfde. Het zijn deze vormverschillen die ervoor gezorgd hebben dat de toestand in het Zuiden niet in dezelfde richting is geëvolueerd als in het Noorden en die nu nog de nominale drieledigheid in stand houden: de substantieven zijn immers in de meeste gevallen vergezeld van een lidwoord of (en) een bijvoeglijk woord, zegt Pauwels (a.w. 259), en daardoor ‘komt het genus van het subst. telkens weer op hoorbare wijze tot uiting, m.a.w. de dialectspreker kan haast nooit een subst. gebruiken zonder verplicht te zijn hieraan een genus toe te kennen’. Dat is het ‘geheim’ van het ‘genusgevoel’ in Zuid-Nederland! Zodra de kennis van dit geheim

[p. 129]

verzwakt (bij het opgeven van dialektgebruik b.v.), verslapt ook het ‘gevoel’ voor de drieledigheid in de nominale klassifikatie en worden dezelfde ontwikkelingen, verschijnselen en feiten mogelijk als in het Noorden(1).

2.2.2. Pronominale aanduiding.

In verband met de pronominale aanduiding is, na wat Stoett er in zijn Syntaxis over meegedeeld heeft, bij mijn weten nog weinig of geen verder onderzoek verricht, zodat we ook op dit gebied voor talloze vraagtekens blijven staan.

De verschuivingen die zich in Holland in de 14e eeuw in de drieledige nominale groepering beginnen voor te doen, hebben uiteraard twijfel, onzekerheid en tenslotte ook veranderingen teweeggebracht bij de anaforische pronomina. En in het Zuiden heeft anderzijds - getuige ook weer de huidige toestand in de Zuidnederlandse dialekten - de stabiliteit bij de adnominale vormen vanzelfsprekend meteen gezorgd voor het behoud van het parallellisme tussen adnominale flexie, nominale groepering en pronominale aanduiding: Royen heeft daar herhaaldelijk de aandacht op gevestigd(2). Maar we zouden zo graag meer biezonderheden kennen! Zo zou het b.v. wel interessant zijn om te weten waar, wanneer en door wie het personale ‘van den derden persoon mann. ... ook gebruikt (wordt) voor personen van het vrouwelijk geslacht’ (Stoett, Syntaxis3 § 31.) Is dat misschien in de middeleeuwen al in Brabant het geval, waar in sommige moderne dialekten ‘vrouwelike personen soms met hij aangeduid’ worden, zoals Royen meedeelt in N. Tg. 27, 163 [1933]? (Van de bekende Kempenaar E. van Hemeldonck hoorde ik enige tijd geleden dat men in de streek van Turnhout van een in de keuken werkende boerin zegt: ze is in de keuken; is zij echter op het land bezig, dan luidt het: hij is op den akker). Is verder het pronominale gebruik, door Kloeke in Drente gekonstateerd (zie Ts. 39, 238-273 [1920] inz. 266), inderdaad, zoals Kloeke zelf oppert, een jonge ontwikkeling of is het juister om er met Van Ginneken (Hand. 11e Nedl. Philologencongres, 26 [1925]) een reeds zeer oude toestand in te zien? In verband met de situatie in Twente, waarover Kloeke het eveneens heeft (in a.w. 271), zij hier verwezen naar Nuijtens, De Tweetalige Mens 189-195 en 218-219, die op de sterke verbondenheid wijst van de pronomina met de sociale struktuur van een taalgemeenschap en meteen ook een lange traditie vooropstelt.

Het omgekeerde, zo zegt Stoett, § 32, doet zich eveneens voor: ‘het pron. si wordt somtijds gebezigd met betrekking tot een mann. of een onz. zaaknaam, vooral in de 15de eeuw’. Stoett steunt hier op een artikeltje van Van Helten in Ts. 10, 210-211 [1891], waaraan ook Kollewijn in zijn Geschiedenis van de Geslachten [1891] zijn voorbeelden al had ontleend. Meer gegevens ontbreken nog steeds! Over een eventueel verband met een dergelijk gebruik van se in Holland, door Spiegel e.v.a. passim geschreven(3),

[p. 130]

door Ampzing in 1628 gesignaleerd(1), geprezen en nagevolgd(2) en in 1774 ook nog door Moerbeek als gewoon voorgesteld(3), tasten we dus nog altijd in het duister...

Ook het possessieve sijn, verklaart Stoett § 78, kan ‘betrekking hebben op een vrouw. znw. ..., hetzij het als reflexief of niet als zoodanig moet worden opgevat’. Hij verwijst daarbij naar ‘het got. seins (dat) voor alle genera en numeri werd gebruikt’ (ib.)(4). Royen refereert aan het ogm. reflexieve pronomen van de 3e persoon, zegt dat er in het mnl. nog sporen van dit genus- en numerusloze sijn aangetroffen worden, maar dat het in de 13e eeuw reeds verdrongen is bij ‘alle meervoudige antecedenten, alsmede bij het vrouwelik enkelvoud’(5). Ook de formulering van Van Loey (1, § 30, Opm. 1) dat men i.p.v. hare ‘nog wel sijn’ vindt, suggereert een vroegmiddelnederlandse toestand. Van Loey voegt er evenwel nog aan toe: ‘vooral Vlaams’. En dan gaat men zich vanzelfsprekend afvragen waar het dan nog voorkwam, of het in het Vlaams misschien langer is blijven bestaan, waarbij men dan weer denkt aan de vraag van Royen(6) naar relikten in de moderne dialekten en aan moeder zen schorte, dat Gezelle vermeldt in Hottentotsch Vlaamsch(7) en dat men (evenals dergelijke verbindingen: Greta ze(n) kindje; Rosa z'n auto) ook nu nog in West-Vlaanderen kan horen(8). We komen dan ook met Royen tot de volgende konstatering: ‘In zake het possessivum zijn moet men ongetwijfeld rekening houden met de mogelikheid, dat dit pronomen in dialekten nog de ononderbroken voortzetting is van het oorspronkelik éne reflexiviese derde-persoons-possessief; juist gelijk zich nog altijd als indifferent reflexief dienst doet bij hij: zij: het en bij het meervoud’(9).

Bestaat er, zo zou men tenslotte nog willen vragen, enig verband tussen dit zijn en het hierboven besproken gebruik van hij/hem m.b.t. vrouwelijke personen? Komen beide verschijnselen in dezelfde streek en in dezelfde tijd voor? Zijn ze samen verdwenen of is het ene hier of daar langer blijven voortbestaan dan het andere?

Er blijken dus nog heel wat leemten te bestaan; en dat niet alleen in onze kennis van de pronominale systematiek in het Middelnederlands, maar evenzeer in hetgeen we weten over dezelfde elementen in de dialekten. Reeds in 1935 stelde Royen de vraag: ‘Wanneer zullen zuidnederlandse dialektkenners eens grondig onderzoeken, waar wel en waar niet parallellisme bestaat tussen het genus der zelfstandige pronomina en dat van naamwoorden?’(10). Herhaaldelijk heeft Royen trouwens nadien nog op pronominaal onderzoek aangedrongen en zelf heeft hij enorm veel materiaal aangesleept. Al moeten we met Van Haeringen(11) betreuren dat Royen zich ‘bijna uitsluitend’ bezig heeft

[p. 131]

gehouden met ‘wat bij uitstek schrijftaal moet heten’, zijn verdiensten zijn in dit verband toch wel biezonder groot te noemen. Nuijtens stelt in 1962 in zijn dissertatie volkomen terecht vast dat Royen, samen met Kruisinga en Van Haeringen, tot de weinige moderne linguïsten behoort die na het bloeitijdperk van de indogermanistiek nog enige aandacht hebben besteed aan de pronomina (a.w. 172). Nuijtens is dan ook van oordeel dat de moderne taalwetenschap de pronomina al te veel heeft verwaarloosd en zich blijkbaar zo weinig in ‘de microstructuur van de pronomina’ (ib.) heeft verdiept, dat haar definities en omschrijvingen zelfs niet veel verschillen ‘van wat Dionysius Thrax en Apollonius Dyskolos over het wezen van het voornaamwoord hebben gezegd’ (a.w. 174). Het feit evenwel dat de existentiële fenomenologie, de antropologie en de psychosociologie zo veel belangstelling hebben voor de rol van de persoonlijke voornaamwoorden, wijst op hun grote betekenis als exponenten van ‘sociale en culturele verhoudingen’ (a.w. 175). De vele pronominale problemen verdienen dan ook ten zeerste de aandacht van de taalkundige, betoogt Nuijtens (ib.) en hij adstrueert zijn opinie met een uitspraak van L. Hjelmslev, die in zijn Principes de Grammaire générale p. 331 schreef dat ‘l'étude du pronom est la partie la plus urgente des études grammaticales. Il importe avant tout de trancher ce problème. Sans une solution sur ce point, la grammaire générale ne peut pas entrer en existence’.

3. De drieledige klassifikatie in het Zuiden

3.1. Geografische verscheidenheid

Als we op grond van het weinige dat we weten toch mogen aannemen dat er enige gelijkenis bestaat tussen het Middelnederlandse nominale drieklassensysteem en het Zuidnederlandse, dan heeft dit laatste ons met betrekking tot het eerste nog iets belangrijks te leren. Het is immers zo, dat er in het Zuidnederlandse taalgebied - alleen het Belgische gedeelte daarvan komt hier ter sprake, omdat alleen dit stuk bij het verder te bespreken onderzoek werd betrokken - binnen het systeem van de drieledigheid vrij aanzienlijke geografische verschillen bestaan, d.w.z. dat niet ieder woord in ieder gewest hetzelfde genus heeft. Ieder dialekt heeft per slot van rekening zijn eigen klassifikatie! Een eenvoudige vergelijking van het genus dat bij verschillende woorden in een aantal Zuidnederlandse idiotika is opgegeven, brengt blijkens het werk van Van Beughem(1)

[p. 132]

deze verscheidenheid reeds aan het licht. In Pauwels' Bijdrage tot de kennis van het geslacht der substantieven in Zuid-Nederland [1938] vindt men heel wat exaktere gegevens over meer dan 400 substantieven, waarvan het genus in 87 plaatsen is opgetekend, naar aanleiding van een enquête door de Zuidnederlandsche Maatschappij voor Taalkunde in 1872 ondernomen. Pauwels wist dit materiaal op een overzichtelijke manier te ordenen en mede dank zij het grote aantal kaarten dat hij tekende, slaagde hij erin een uiterst betrouwbaar beeld op te hangen van de toestand in de tweede helft van de 19e eeuw. Gegevens van recentere datum treft men aan in mijn reeds eerder genoemde verhandeling, waarin een lijst is opgenomen van 960 substantieven waarvan het genus werd opgetekend in 111 plaatsen. Zowel voor 1872 als voor 1957 geldt trouwens dat er geen uniformiteit bestaat. De kaartjes die Pauwels aan zijn Bijdrage toegevoegd heeft, geven een zeer overzichtelijk beeld van deze verscheidenheid. Kaart 27 b.v. toont aan dat nier overwegend f. is, maar m.(1) in de vierhoek Antwerpen-Putte-Hoogstraten-Lichtaart; m. ook in een vierkant rond Brussel (Aalst en Mechelen zijn de noordelijke eindpunten; de N.-Z.-lijnen lopen in het W. langs Geraardsbergen en in het O. tussen Tervuren en Leuven door); m. verder nog in de streek van Maaseik en Bree en in een vierhoekje rond Hasselt, midden in het Limburgse f.-gebied dus! Kalk, leem, marmer, mastik, pik en vernis zijn onzijdig ten westen van een lijn die grosso modo West-Vlaanderen van Oost-Vlaanderen scheidt, maar Kortrijk bij het oostelijke deel laat liggen; ten oosten van die lijn zijn genoemde woorden maskulien (kaart 1). Eikel, fabel en plak zijn m. ten westen en f. ten oosten van lijnen die ongeveer de Schelde volgen en verder ten westen van Aalst naar Geraardsbergen toe lopen (kaart 3). Dezelfde lijn vindt men ongeveer op kaart 4 i.v.m. beet, meloen, pap, patent, sleet en toot. Sommige znw. vertonen een vrij homogeen beeld: in bijna alle gewesten zijn ze b.v. maskulien, in een enkele streek f. of n. Zo is maag b.v. overal f., maar in Limburg m. Een woord als macadam is bijna overal m., maar in St.-Niklaas, Zele, Antwerpen, Schelle, Heffen, Opwijk, Groot-Bijgaarden en Pamel geeft men f. op, plaatsen die overigens blijkbaar ook weer dicht genoeg bij elkaar liggen om één gebiedje te vormen. Andere zijn grilliger: zie b.v. kaart 11 bij Pauwels (bijl, knop en ruggegraat) en kaart 23: suiker en scherf; saffraan is f. in Zuid-Oost-Vlaanderen, elders m., maar volgens de lijst van 1872 n. in West-Vlaanderen (behalve in het Zuid-Oosten), wat bevestigd wordt door gegevens uit het materiaal van Willems(2), waarin men n. opgegeven vindt voor Kortemark, Torhout, Veurne; en ook uit mijn lijst van 1957, waarin n. is opgetekend voor Gistel, Izegem en Veurne. Voor Kortrijk, dat volgens Pauwels' lijst m. is, geeft Willems evenwel n. op, en in 1957 tekent een medewerker f., een andere m. op. Ook voor Roeselare en Torhout wordt in 1957 f. opgegeven. Voor Izegem geeft Pauwels m. (ook voor Tielt), 1957 echter n. Uit een dergelijke toestand spreekt een duidelijke onzekerheid binnen eenzelfde gewest! In 1957 wordt televisie in 76 verspreide plaatsen m. geacht; in 33 eveneens over het hele onderzochte gebied verspreid liggende plaatsen

[p. 133]

evenwel f.: onzekerheid bij een vrij jong woord, invloed van het Frans of van de school? Ieder woord roept weer andere vragen op... Het is echter niet de bedoeling ons hier verder met deze dialektische verschillen bezig te houden. Het was er ons immers alleen maar om te doen, aan een paar voorbeelden te demonstreren hoe reëel die inderdaad zijn; en daardoor ook duidelijk te maken dat geografische verscheidenheid ook in het Middelnederlandse drieklassensysteem aanwezig geacht moet worden(1). Uit een vergelijking van andere gegevens met latere blijkt bovendien ook dat zelfs een miniem tijdsverschil voldoende kan zijn om een wisseling van het genus van een bepaald woord te laten plaatsvinden. Het zoëven besproken saffraan b.v. is in W.-Vl. nu niet algemeen meer n., wat in 1872 nog wel het geval was. Goemans geeft voor trommel en verf f. op, terwijl die woorden nu in Leuven m. zijn. Pauwels had voor Aarschot de beschikking over twee door verschillende personen ingevulde lijsten uit 1872 en vergeleek deze met gegevens uit 1922. Zodoende kon hij vaststellen dat schorseneer, -loon, panorama, eikel, limonade, pantalon, preek, saucijs, tij, trede, waarborg, zwaluw, journaal, piëdestal, senaat en vernis in 1922 zonder enige twijfel een ander genus hadden dan in 1872(2). Op het feit dat uit deze gegevens ook een voorkeur voor het masculinum duidelijk spreekt, komen we verderop terug(3).

3.2. Verschuivingen

Hier willen we er nog even de aandacht op vestigen dat de door Van Haeringen beschreven pronominale toestand in het moderne Noordnederlands(4) niet eerst een overgang van drie naar twee klassen mag doen veronderstellen. Ook in de Zuidnederlandse dialekten speelt nl. de sexus-kategorie een rol, zodat we het niet uitgesloten moeten achten dat het huidige Noordnederlandse pronominale aanduidingssysteem reeds ontstaan is, toen de nominale klassifikatie nog drieledig was. Nominale hergroepering en pronominale verschuivingen kunnen dan ook in nauw verband met elkaar tot ontwikkeling zijn gekomen(5).

Ook over deze omstandigheid zijn we weer goed ingelicht dank zij de uitvoerige en grondige beschrijving die Pauwels van het dialekt van Aarschot heeft gegeven. Zijn konklusies vertonen opvallend weinig verschil met wat Van Haeringen vaststelt: ook in Aarschot - en dit geldt ook voor Leuven en waarschijnlijk ook voor de rest van Zuid-Nederland - zijn het niet-emfatische personale haar (ør) (a.w. 337) zowel als de emfatische vormen van het persoonlijk voornaamwoord (hij, hem; zij, haar) alleen toepasselijk op personen (a.w. 339). Het possessivum ør is slechts verbindbaar met vrouwelijke persoonsen diernamen in het enkelvoud. De ‘genitief in den dop’(6) (vader z'n hoed; moeder haar schort) komt vrijwel uitsluitend bij personen en dieren voor (273). In het drieklassen-

[p. 134]

systeem vormen de persoonsnamen dus een grammatische kategorie die door haar verbindbaarheid met de emfatische vormen van het pronomen (en in het mv. met hen tegenover ze!) onderscheiden is van de kategorie der niet-persoonsnamen. Anderzijds zijn persoonsen diernamen gegroepeerd op grond van het criterium dat ze levende wezens noemen tegenover de zaaknamen. Het geslacht speelt dus in de Zuidnederlandse dialekten precies dezelfde rol als in het Noorden(1). Ook bij gemeenslachtige znw. is dat het geval: bij de onzijdige communia wordt ook het possessivum dwingend naar het geslacht gekozen, terwijl dat met het personale niet noodzakelijk het geval is. Hier kan dus het genus soms prevaleren, maar dan is dat ofwel het gevolg van de aanwezige gevoelswaarde, ofwel van de aanwezigheid van een duidelijk genusaanduidend adnominaal woord. Men zegt b.v. gemakkelijker: er is een ventje aan de deur geweest, maar hij komt straks even terug dan Het ventje kon het niet meer verkroppen. Hij was helemaal ontmoedigd. In dit laatste geval is het ongetwijfeld gewoner. Vergelijk ook: Marieke, die haar pop heeft laten vallen... met Het kleine Marieke, dat haar pop...: haar is in ieder geval gedetermineerd door het geslacht.

De omstandigheid dat zij en haar zo sterk aan het vrouwelijk geslacht gebonden zijn, is zonder enige twijfel ook van invloed op verschuiving in de nominale groepering naar het masculinum toe. Van de 16 door Pauwels opgetekende substantieven waarvan het genus in 1922 anders was dan in 1872 werden er niet minder dan 13 maskulien, 2 onzijdig en slechts één enkel feminien (a.w. 266). Op zichzelf zegt dit nog weinig, maar aan de hand van uitvoerig materiaal heeft Pauwels ook aangetoond dat dit volkomen in overeenstemming is met de algemene tendens om bij het klassificeren van een nieuw substantief aan de maskuliene groep steeds de voorkeur te geven, behalve ‘in de zeldzame gevallen’ waarin men bij een parallel woord kan ‘aanhaken’, naar analogie dus met woorden die een feminien kenmerk dragen (-heid, -ing b.v.), of bij ontlening aan het Frans (a.w. 254). Slechts de maskuliene kategorie is nog volledig produktief(2). Dat die numeriek zeer sterke groep(3) ook aantrekkingskracht gaat uitoefenen op ‘substantieven of gesubstantiveerde taalelementen die geen duidelijk historisch genusmerk dragen’ en ‘alle nieuwe indringers, van waar ze ook komen’ (zie a.w. 256-258) naar zich toetrekt, is dan ook vanzelfsprekend. De feminiene groep wordt meer en meer met de vrouwelijke geïdentificeerd, d.w.z. dat de woorden die geen seksueel-vrouwelijke wezens noemen, er geleidelijk aan als steeds minder op hun plaats zijnde gevoeld worden. Misschien merkt men dat in de dialekten nog niet zo dadelijk, maar bij Zuidnederlanders die A.B.N. gaan spreken, komt dit evolutieprincipe helder aan het licht. Het gebeurt dan ook herhaaldelijk dat ze ervan afzien haar te gebruiken, waar het volgens de regels van hun moedertalige drieklassensysteem zou moeten, en dat er derhalve diskongruentie ontstaat tussen het genus van het

[p. 135]

nomen en het pronomen dat ernaar verwijst. Zoals al eerder is betoogd(1), verzwakt de nauwkeurigheid van het genusgevoel zodra het genus niet meer ‘op hoorbare wijze tot uiting komt’ bij de adnominale woorden. Bij overschakelen van dialekt naar A.B.N. is dit uiteraard het geval (al zijn ‘dienen auto stopte niet’ en derg. geen uitzonderlijke taaluitingen bij A.B.N.-sprekers!), zodat ‘vergissingen’ mogelijk worden - werkelijke vergissingen; maar ook genusontleningen uit het dialekt(2) of uit het Hollands; of analogische genustoekenning naar het Frans(3) of ten gevolge van ‘bijgedachten’ zoals Royen placht te zeggen(4)!

Als men in Piet van Aken, De Wilde Jaren [1958] aantreft J. plooide de krant dicht, smeet hem onderarms naar B. toe (32), de krant, rolde hem op en stak hem in zijn zak (54)(5) en streek een lucifer af, liet hem pas in de asbak vallen toen hij zijn vingertop schroeide (72), dan is men er vrijwel zeker van dat hem en hij hier Hollandse import zijn, vooral omdat krant en lucifer geen Zuidnederlandse dialectwoorden zijn. Hetzelfde geldt wellicht ook voor de kat waarvan Marnix Gijsen schrijft: Nu en dan trachtte hij... naar beneden te klauteren, maar hij gaf zijn plan onmiddellijk op (De Kat in den Boom 7 [1952]) - of staan hij en zijn hier alleen maar, omdat Nino een kater is(6)? Maar kan er ook Hollandse invloed in het spel zijn in De Brusselse ‘terrassencultuur’ ... bezit ook zijn charme (Van Haegendoren(7), Noord-Zuid-Verbinding 94 [1959]; Wanhoop... toont zijn bebloede handen (Vandeloo, Het gevaar 58 [1960]); ook nu de zon zijn groeiende staart over de bergkruin sleept (Pieters in D.W.B. 106, 323 [1961]); Ze houden hun hand luisterend aan een oor en brengen hem dan weer als een trechter voor de mond (Vandeloo in D.W.B. 107, 382 [1964]); en De isoglosse van hun...; in het Noorden ligt hij even benoorden de Demer (Van Loey, Het bezittelijk voornaamwoord hun 4 [1958])(8)? Misschien wel - wie weet? Wellicht is

[p. 136]

ook soep op-zijn-fijnst, dat men in maart 1964 enkele keren in een advertentietekst in de Vlaamse kranten kon lezen, ook wel door een of andere Hollandse (of verhollandste) copywriter bedacht. Franse invloed lijkt me in dit geval althans weinig waarschijnlijk, terwijl ik die in de volgende gevallen aannemelijker acht: son/sa kan m.i. gemakkelijk een vertaler ertoe bewegen, zijn neer te schrijven waar haar ‘regel-matig’ zou zijn. Verg. b.v. dat zo'n ziekte zijn tijd en zijn verloop moet hebben (avoir son temps) (uit een brief van een Leuvense Brusselaar(1); 24 mrt. 1961). Grote Handelsfirma... zoekt voor zijn afdeling Publiciteit een Copywriter (advertentie in De Standaard 9 feb. 1963, blz. 14); De personeelsdirektie van ACEC zoekt Licentiaat... om zijn selektie-afdeling te leiden (ib. blz. 16); Amerikaanse Petroleum-Maatschappij... zoekt voor de verkoop van zijn merk smeeroliën Agenten (ib. 2 april 1964, blz. 10). De son côté kan eveneens licht van zijn kant worden: van zijn kant is de Algerijnse regering van mening (B.R.T. 12 jan. 1961, 9 u.) en de Uno van zijn kant zou... (id. 12 okt. 1961, 13 u.). Bestaat er ook verband tussen ‘à son tour’ en ‘de nier wordt op zijn beurt klein gesneden’? Nier is in West-Vlaanderen overal f.(2), zodat de Brugse kok die ik dit zinnetje (via de radio) hoorde zeggen, hier zeker geen dialekt gebruikte. Of staan we hier voor enkele van die vaste verbindingen ‘die door hun frequentie iets van een samenstelling krijgen’(3) en zo zelfstandig worden dat men het niet meer nodig óf mogelijk acht zorg te dragen voor kongruentie met het genus(4)? Tot dit type behoren: die fles stond daar op z'n kop, dat ik te Roeselare optekende uit de mond van een A.B.N.-spreker(5); de hele situatie werd op z'n kop gezet (B.R.T. 26 aug. 1962, 21 u.); is tussenkomst van het fonds op z'n plaats (id. 12 feb. 1962, 12.30 u.); enige voederreserve is altijd op z'n plaats (id. 9 apr. 1962, 12.30 u.); we moeten die kast nog op z'n plaats zetten (gehoord te Leuven 12 mei 1962). Ook in z'n geheel sluit hierbij aan: is de lustrumviering in zijn geheel een succes te noemen (Zinzen in Germania 8, 3, 4 [1961]); in zijn geheel heeft de pauselijke toespraak (Grootaers in De Maand 4, 542 [1962]); totaal wordt de route in zijn geheel 3-5 × ... gereden (Standaard 4 juni 1963, blz. 11); en de kast is in z'n geheel gemaakt van... (B.R.T. 22 mrt. 1964). En er zijn er nog meer, de ene wellicht iets minder ‘vaste verbinding’ dan de andere, soms wellicht onder vreemde en soms misschien onder dialektische invloed - over de interpretatie kan meningsverschil bestaan - maar steeds in strijd met wat men in verband met het genus van het substantief zou verwachten:

[p. 137]

nadat de krachtproef in Kongo z'n beslag heeft gekregen (B.R.T. 9 sept. 1960, 8 u.); de crisis zal nu z'n beslag krijgen op het politieke vlak (id. 7 aug. 1964, 8 u., 9 u. en 13 u.!); de Brusselse bevolking zal de gelegenheid krijgen om z'n sympathie te betuigen (id. 28 jan. 1961, 18.30 u.); dat de bevolking zijn aanhankelijkheid zal willen betuigen (Goosens, B.R.T. 28 nov. 1960); de meerderheid van de agenten is op z'n post gebleven (minister Segers, B.R.T. 30 dec. 1960, 19.30 u.); m'n stemming kwam op z'n hoogtepunt - 'k wil zeggen: mijn spanning op z'n hoogtepunt (uit de mond van een Westvlaams A.B.N.-spreker, 14 dec. 1961); F. zal de keramiek in z'n historisch kader situeren (uit beschaafd sprekende Leuvense mond 29 sept. 1961); de subjektiviteit van de kunstenaar heeft bij hem zijn hoogste uitdrukking gekregen (Wildiers in Standaard der Lett. 29 dec. 1962, blz. 1); de diepere fundering... komt in dit geschrift zeer weinig tot zijn recht (id. ib.); de tegenwoordige ontbinding... vindt zijn eerste oorzaak in de verzwakking der formele disciplines (V.d. Voorde in West-Vlaanderen 66, 396 [1962]); vindt de onenigheid z'n oorsprong in... (B.R.T. 16 aug. 1963, 8 u.); een realiteit die uit z'n verband gehaald is (id. 11 juli 1964); een taalwet die z'n uitwerking mist (id. 16 feb. 1965); de inspanning dreigt z'n effekt te verliezen (18 feb. 1965) enz. enz. tot dat de belangstelling z'n dieptepunt bereikt heeft (id. 5 apr. 1963, 19 u.). Toch durf ik het aan, nog even aandacht te vragen voor z'n eigen in de volgende zinnen(1): iedere afdeling betaalt voor z'n eigen mensen (gehoord te Leuven, 12 mei 1962); iedere stad heeft z'n eigen kengetal (id.); elke periode heeft z'n eigen eisen en z'n eigen moeilijkheden (B.R.T. 20 juni 1962, 18 u.); nu heeft iedere kongregatie zijn eigen instituut voor late roepingen (id. 22 sept. 1963); en ook de Franse batiskaaf heeft z'n eigen diepterecord gebroken (id. 25 juli 1962, 13 u.)...

Maar ook zonder dat er sprake kan zijn van vast verband gebruikt de B.R.T. wel eens z'n bij feminienen: de Uno, de weermacht, de uitgave, de variëteit, de regering, de televisie, de depressie, de storing en de stad met z'n historisch verleden (11 juli 1962, 19.45 u.); de fiskale hervorming en z'n invloed op het bedrijfsleven (27 juni 1962, 9 u.); de Vlaamse club heeft gisteren z'n ere-voorzitter gehuldigd (19 feb. 1963, 19 u.) dat de Luikse Club al z'n wedstrijden wint (P. Theys, 10 jan. 1965); als de maan z'n licht ontsteekt (24 mrt. 1964); dat de Sowjet-Unie z'n voorsprong behoudt (20 mrt. 1965) en de rijksuniversiteit die z'n studenten recruteert (Studio Gent 25 feb. 1964, 19 u.). Voor wie geneigd mocht zijn al deze citaten uit dezelfde hoek - ik zeg niet: ‘bron’, omdat het wel niet steeds dezelfde reporter of medewerker is geweest die ze bedacht! - toch te wantrouwen, volgen er hier nog enkele uit De Standaard: spreekt de leiding van het KVHV ... zijn misnoegen uit over... (20 apr. 1961); dat een grondige historische studie nu zijn derde druk beleeft (30 dec. 1962, blz. 1); bijna de, helft... laat door de week zijn auto thuis (31 dec. 1962, blz. 3); het kontrakt dat de klub bindt met zijn sekretaris (3 juni 1963, blz. 13); heeft de verdediging... zijn vroegere zelfzekerheid teruggevonden (30 aug. 1963, blz. 13); de Landelijke Bediendencentrale heeft intussen langs zijn afgevaardigden... er op aangedrongen (30 okt. 1963); de atoomklok zal... driemaal per etmaal zijn signalen uitzenden (id.); kwam de muis uit zijn holletje (16 apr. 1965, blz. 1). Uit beschaafd-sprekende mond hoorde ik te Antwerpen: iedere familie heeft z'n geschiedenis (10 juli 1961) en te Roeselare: iedere provincie moet nu z'n universiteit hebben (18 nov. 1961 en 21 juni 1964). In De Zondagsvriend van 12 juli 1962

[p. 138]

viel mijn oog op een aspekt van de liefde in zijn meest gesublimeerde vorm (blz. 55); en uit Germania tekende ik de volgende zin op van J. Alieen: bewust liet ik de trage stilte zijn prooi besluipen (jrg. 8, nr. 3, blz. 55 [1961]) en ook nog dat de raket zijn trappen niet te vroeg verliest (jrg. 9, nr. 1, blz. 1 [1961]). De Nieuwe van 7 mei 1965 had het blz. 1 over elke Europese mogendheid die zijn belang zag in... Helemaal in de kulturele sfeer zitten we met Dietsche Warande en Belfort waarin L. Geerts schrijft de Oidipoesbewerking... verliest weinig of niets van zijn oorspronkelijke strakheid (jrg. 107, 275 [1962]) en P. Thomas beweert dat de voorstelling van de dood daardoor zijn verschrikking verliest (ib. 579); ook met de Verslagen en Mededelingen van de Kon. Vla. Ak. voor Taal en Letterkunde, waarin J. Kuipers het heeft over een bekering die in al zijn erotische variaties beschreven wordt (1960, blz. 384). Met de Versmoorde Goden van H. Teirlinck vragen we ons tenslotte af: Is het niet normaal dat een moederloze jeugd zijn verlatenheid bevrijdt in een asociale samenscholing? (blz. 255 [1961]) en we besluiten met een citaat uit Taal en Tongval 15, waarin J.L. Pauwels, een artikel van E. Uhlenbeck besprekend en een taaluiting krijgt zijn specifieke betekenis niet alleen door... (blz. 197 [1963]) schrijvend, zonder enige twijfel volkomen onbewust aan Hollandse invloed uiting heeft gegeven!

Vooral deze laatste aanhalingen hebben wel bewezen dat dit z'n-verschijnsel in het Zuiden niet alleen een gevolg is van (journalistieke) slordigheid. Als men het ziet in verband met wat hierboven over de produktiviteit van de maskuliene kategorie en over de ‘vrouwelijkheid’ van het possessieve haar is gezegd, dan is het duidelijk dat we hier voor de eerste symptomen staan van onzekerheid en twijfel over het genus van de-woorden en dat deze twijfel het voortbestaan van de feminiene groep begint te ondermijnen. Ter vergelijking is dit moderne proces in verband met de vroegnieuwhollandse verschuivingen dan ook biezonder aangewezen.

3.3. Hyperkorrekte vormen

Talrijke hyperkorrekte haar's - ‘angstfouten’! - brengen de bevestiging van de onzekerheid waarin de taalgebruikers zich herhaaldelijk bevinden(1). Als ze niet bang geweest waren om zich te vergissen, zouden ze zeer waarschijnlijk geen ‘fout’ hebben gemaakt. (‘Hypercorrecte vormen... zouden niet kunnen bestaan, als de taalgebruikers de ene vorm niet beter vonden dan de andere, of als ze tijdens het spreken of schrijven niet met de waardering van anderen rekening hielden’ zegt Stutterhem(2)). Ik laat een hele reeks B.R.T.-citaten nu maar onvermeld (er werd o.m. in gesproken over: de nationale omroep, Radio Moskou, het dagblad Le Peuple, het Algemeen Christelijk Vakverbond, het Angela-koor uit Mechelen, het spoorwegpersoneel, het Belgisch Hopinstituut, het comité, het conservatorium, de Nationale Raad van de K.A.V., een gebied van hoge luchtdruk, enz. enz.), schuif haar bij het Rode Kruis in de schoenen van La Croix Rouge en bij de boot en het schip (Carlier in D.W.B. 106, 27 en 28 [1961] en 107, 153-179 [1962]) wijt ik het aan

[p. 139]

invloed van het (Engelse) zeemanstalige gebruik om de vaartuigen te vervrouwelijken. (‘I'm married with my ship’ hoorde ik een Britse zeeman beweren!)(1). Zonder kommentaar citeer ik dan Carlier, Piraten 32 [1960]: Hij reikt me de kijker aan. Ik richt haar op het scheepje’; Van Haegendoren: door uw gemeentebestuur er toe aan te zetten aan de Stichting haar steun te verlenen (circulaire april 1961); Germania: een geslacht... dat sinds 1743 haar germanist prepareerde (jrg. 9 nr. 1, blz. 17 [1961]); Wildiers in De Standaard: Zijn geest beweegt zich in die wereld... als in haar natuurlijk milieu (St. d. Letteren 5 mei 1962, blz. 2); Walgrave in D.W.B.: De beroemde brief... bereikt haar climax op... (106, 657 [1961]); Pieters in a.w. 106, 327: dat elke waterloop tenslotte haar weg naar de zee vindt en eveneens in D.W.B. Van Wayenbergh: (die dingen) schenen Laken ver af te sluiten van de stad en haar tot een echte buitengemeente te vereenzamen (107, 561 [1962]); en tenslotte uit De Standaard: Hopelijk zal het sportkomitee bij haar uitspraak (17 nov. 1961, blz. 11); Het bestuur... omstandigheden geheel onafhankelijk van haar wil (30 apr. 1962, blz. 6); het parket maant het publiek tot opletten en roept haar medewerking in (17 dec. 1962, blz. 7); dat het elftal van D. ver beneden haar waarde speelde (3 mrt. 1964) en uit De Zondagsvriend van 3 jan. 1963, blz. 55 nog: het leven met al haar intensiteit...(2). - Hoe is het mogelijk, vraagt men zich allicht af! Taal is wanorde en chaos - taal is ontwikkeling en leven, moeten we met Kloeke (Ts. 69, 180-183 [1952]) antwoorden en bovendien uiting geven aan ons ‘interesseloses Wohlgefallen’ (id. ib. 311), omdat ‘wanorde minstens van evenveel belang (is)... als de constatering van linguïstische wetmatigheid’ (id. in Opstellen aangeboden aan Dr. F.K.H. Kossmann 73 [1958]). Ook Stutterheim heeft ons de raad gegeven dergelijke ‘misstappen en misverstanden’ met veel aandacht te behandelen, omdat ‘ze ons heel wat kunnen leren over het systeem van een bepaalde taal’(3). Anderzijds heeft Michels ervoor gewaarschuwd dat er ‘vergissingen, versprekingen en verschrijvingen’ zijn ‘meer voor de psychologie dan voor de taalkunde opmerkenswaardig’ en dat er misgrepen zijn ‘die in genen dele kunnen gelden als kiemen van een komende ontwikkeling’. Maar ik ben het volkomen met hem eens dat toch ‘behoedzaamheid geraden is’(4). Naar aanleiding van wat in de noordelijke gewesten van het Nederlandse taalgebied is gebeurd, kan men in de moderne Zuidelijke verschijnselen

[p. 140]

zonder enige twijfel ‘kiemen van een komende ontwikkeling’ zien. Daarom ook heb ik hier zo uitvoerig aandacht geschonken aan wat er zich op pronominaal gebied momenteel in Zuid-Nederland afspeelt. Ik acht bovendien de omstandigheden waarin deze taalverschijnselen voorkomen, van een zo grote overeenkomst met die waarin zich in het Noorden de overgang van het drie- naar het tweeledige nominale klassifikatiesysteem heeft voorgedaan, dat ik niet aarzel tussen de taalverschijnselen zelf een duidelijke parallellie te veronderstellen. Naar ik hoop, zal ik verderop dan ook de hierboven verzamelde - overigens veel te toevallige - gegevens kunnen gebruiken om in zes- en zeventiende-eeuwse Hollandse pronominale problemen enig licht te helpen doen schijnen. Ook met het oog daarop waag ik het, hier nog ten allerlaatste enkele gevallen van hij- en hem-gebruik te berde te brengen, vooral omdat ze zo schaars zijn bij feminienen uit het A.B.N.

P. de Smet schrijft in D.W.B. 105 [1960] over een spiraal: langzaam kwam hij in beweging... steeds sneller draaide hij rond (blz. 576) en verderop ook: Hij snijdt de spiraal. Zet hem boven op het glas (580); Van een kroniek van de dag wordt verwacht dat hij (diftongisch uitgesproken) geestig of luimig zou zijn (B.R.T. 18 okt. 1960); in De Maand 5, 541a [1962] schrijft Grootaers over een toespraak: vanaf de eerste rustige lektuur heeft hij op de meesten de indruk gemaakt van een bevrijding. Weerman Armand Pien zegt van een anticycloon wel eens: hij versterkt zich boven Duitsland waarbij ik dan wel aan ‘un anti-cyclone’ durf te denken; maar Franse invloed is zeker ten enenmale vreemd aan de basiliek: hij staat voor vier vijfden op het grondgebied van Ganshoren, maar iedereen noemt hem ‘van Koekelberg (Standaard 14 apr. 1964). Is basiliek in Brussel misschien m.? En mars: wij vinden hem nutteloos - alleen daarom is hij niet helemaal nutteloos (M. Ruys in De Standaard 2 okt. 1962, blz. 1)? Zeep is m.i. in Leuven f., maar toch hoorde ik een familielid zeggen: heb ik 'm besteld [1961]. Formeel beschermd tegen ‘misgrepen’ zou men tentoonstelling en vertaling achten, maar toch stelde een beschaafd-sprekend Leuvenaar op 25 apr. 1962 vast: 't was een mooie tentoonstelling, maar ze hadden hem slecht ingericht en toch schreef men in De Standaard van 20 mei 1962, blz. 2: de Nederlandse vertaling in houtskool te laten aanbrengen, ten einde hem te toetsen aan... Één foto ontbrak en hoewel..., werd hij niet gevonden (ib. 7 okt. 1963); (sigaret) laat u hem dan niet halverwege uit gaan om hem later opnieuw op te steken (De Standaard 8 dec. 1964) en de stevige linguïstische basis waarop de formule stoelt, maakt hem tot de meest objektieve meetmetode die wij... bezitten (Van Hauwermeiren in Leuv. B. 52, 13 [1963]) laat ik het rijtje afsluiten. Het zijn er niet veel, maar ik hoop verderop nog te kunnen verklaren waarom dat ons niet hoeft te verwonderen(1).

4. Besluit

Gelet op hetgeen we in verband met het drieledige nominale klassifikatiesysteem en de pronominale aanduiding in de Zuidnederlandse dialekten en in het taalgebruik van Zuidnederlanders die zich van het A.B.N. bedienen, sporadisch en terloops hebben

[p. 141]

waargenomen - want van systematisch onderzoek is er geen sprake - en rekening houdend met de o.m. door Van Helten, Stoett en Van Loey gesignaleerde ‘Middelnederlandse’ tekenen van twijfel, onzekerheid en verandering, mogen we nu wel aannemen dat er binnen het chronologisch en geografisch gedifferentieerde ‘Middelnederlandse’ nominale klassifikatiesysteem verschillende evolutietendenties kunnen gewerkt hebben; dat met name in de Hollandse dialekten - waarin, zoals de 16e- en 17e-eeuwse toestand wel aantoont, een sterke neiging tot deflexie werkzaam is - het ontstaan van ‘het geslacht’(1) als grammatische kategorie tegelijkertijd met het voortschrijden van de deflexieverschijnselen niet uitgesloten geacht hoeft te worden en dat daardoor (in omstandigheden die opvallend veel gelijkenis vertonen met de Zuidnederlandse toestand van nu: het totstandkomen en het ingebruiknemen van een boven de dialekten geldende omgangstaal) zowel het samenvallen van alle niet-neutrale woorden in één grammatische klasse (de-woorden), als een grondige wijziging in de syntaktische valentie van de anaforische en reflexief-possessieve pronomina ten zeerste bevorderd kon worden. Naarmate de vervrouwelijking van de feminiene pronomina zich uitbreidt, worden ze ongeschikt voor gebruik in verband met niet-vrouwelijke feminiene woorden; de leegkomende plaatsen worden uiteraard geleidelijk ingenomen door de maskuliene pronomina, die zoals we hebben kunnen vaststellen, in het algemeen veel minder gebonden zijn aan mannelijke persoonsnamen(2).

In het Middelhollands kunnen dus symptomen van de latere toestand aanwezig zijn en a fortiori kan dat dus in verband met het Hollands van de 16e en 17e eeuw aangenomen worden. Met betrekking tot het Middelhollands moet het hier bij deze spekulatieve, hoofdzakelijk op vergelijking met de moderne Zuidnederlandse toestanden berustende beschouwingen blijven. Maar de vroege geschiedenis van het Nieuwhollands wilde ik gaarne op het stuk van genus en flexie - in het licht van wat ik op deduktieve manier aanvaardbaar meen te hebben gemaakt - in het volgende hoofdstuk aan een grondig onderzoek onderwerpen.

We zijn nu gewaarschuwd dat we niet statisch en globaal mogen denken, onze aandacht daarentegen moeten richten op een ruim, chronologisch en geografisch zeer verscheiden terrein. We moeten er ons blijkbaar ook voor hoeden, flexie en deflexie enerzijds en genuswisseling anderzijds te veel als een oneindige reeks van geïsoleerde, afzonderlijke vormveranderingetjes te beschouwen, een open oog daarentegen hebben voor de aan deze gegevens uit het taalgebruik ten grondslag liggende ‘drijfveren’(3) en evolutietendensen. Flexie, deflexie en genuswisseling blijven - zo is ons nu duidelijk geworden - duistere verschijnselen als men ze niet in verband brengt met (het leven en het bewegen van) het pronominale systeem. Heeft men daar evenwel oog voor, dan is het niet uitgesloten - dit hoop ik verderop ten minste te bewijzen - dat men in de ‘onbeschrijfelijke grilligheid’ van buigingsvormen en pronominaal gebruik in het vroege Nieuwhollands toch de lijnen van een systeemontwikkeling kan ontwaren. ‘Wat chaos leek is kosmos voor wie zien en horen kan’: tot dit besluit hoop ik tenslotte met Royen (Buigingsverschijnselen 3, 2, 113 [1963]) te mogen komen.

[p. 142]

Dat men er vroeger bij mijn weten niet in geslaagd is de voornaamste ingrediënten van de zeventiende-eeuwse heksenketel te bepalen, moet m.i. dan ook aan het veronachtzamen van de genoemde metodologische eisen geweten worden. Zo staan b.v. de resultaten van het geduldige speurwerk van Kolthoff (Het Substantief in het Nederlandsch der 16e eeuw [1894]) en Van Halteren (Het Pronomen in het Nederlands der zestiende eeuw [1906]) geenszins in verhouding tot het gepresteerde werk, omdat genoemde auteurs zich uitsluitend bezig gehouden hebben met (buigings)vormen, óók in het hoofdstuk dat (bij Kolthoff) over het genus der substantieven handelt, terwijl juist het verband tussen de in beide studies behandelde woordklassen volkomen uit het oog verloren werd. Bovendien zijn de bronnen waaruit beide pioniers hun materiaal putten, zo verschillend, dat de herkomst van de gegevens een zeer gedifferentieerde beschrijving noodzakelijk zou gemaakt hebben. Kolthoff en Van Halteren behandelden echter materiaal uit Antwerpen, Brugge, Gent, Leiden, Delft en Amsterdam, uit De Casteleyn, Marnix van St.-Aldegonde, Houwaert, Coornhert, R. Visscher en Erasmus alsof het volkomen gelijkwaardig was, als ‘het Nederlandsch der 16e eeuw’! Zelfs een man als Kollewijn, die er in verband met ‘het Middelnederlands’ wel op aandringt dat rekening zou gehouden worden met de tijd en de plaats van herkomst van het verzamelde materiaal(1), maakt voor wat het Nieuwnederlands betreft, evenmin onderscheid tussen Noord en Zuid, tussen spreek- en schrijftaal, tussen Marnix, Cats, Heinsius, de Twe-spraack, Hooft en Vondel. Alles draaide in de milieus die voor genus en flexie interesse betoonden, zodanig om de buigings-n, dat ook Kollewijn, die het nochtans met Buitenrust Hettema(2) eens was over het feit dat in een tijd waarin de flexie blijkbaar op losse schroeven is komen te staan, in verband met het genus der bepaalde woorden niet de attributieve woordvormen, maar wel de anaforische of reflexief gebruikte pronomina de beslissende faktor kunnen zijn, uit de auteurs die hij onderzocht, slechts buigingsverschijnselen optekende. Het resultaat van deze en dergelijke onderzoekingen is steeds de konstatering dat vele woorden ‘evengoed mannelik als vrouwelik worden gebruikt’(3). (Ook de ‘taalkundige’ inleiders van gouden-eeuwse tekstuitgaven komen herhaaldelijk tot deze konklusie)(4).

Het principe ‘dat de nominale groepering, voor zover deze kenbaar is aan de formele verschillen bij het artiekel en de andere adnominale woorden, in zeer veel gevallen niet parallel loopt met de pronominale aanduiding der klassen’ (Royen, Jongere Veranderingen 93), wordt in beschouwingen over het genus nog steeds over het hoofd gezien(5). Vandaar dat men ‘in die woeste baaierd’(6) nog steeds voor vele vraagtekens staat, dat sommigen ook nu nog kunnen beweren dat ‘het gevoel voor geslachtelijke onderscheiding

[p. 143]

der nomina algemeen (is) in de zeventiende eeuw’ en dat ‘de buiging daar getuigenis van aflegt’ (Caron, in Trivium nr. 1, dl. 1, L [1953]), terwijl anderen volhouden dat er toen in Holland ‘geen of zo goed als geen verschil meer (bestond) in de verbuiging van mannelike en vrouwelike woorden’ (zoals Kollewijn meer dan 70 jaar geleden al beweerde)(1), ja zelfs verzekeren ‘dat in de tijd van Bredero het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk in het Hollands sinds lang niet meer bestond’(2). In ons eerste deel hebben we, op grond van de bestudering van spraakkundige beschouwingen uit de betrokken periode zelf, aangetoond dat het gelijk zeker aan de kant van Kollewijn en De Vooys gelegen is.

In de voorafgaande bladzijden hebben we de faktoren besproken die bij een overgang van een drieledige naar een tweeledige nominale klassifikatie in het Nederlands werkzaam kunnen zijn (zoals we die in de Zuidnederlandse dialekten en bij de overgang naar het A.B.N. in aktie kunnen zien). We hebben de voor- en de nageschiedenis van de Hollandse evolutieperiode geschetst. Nu rest ons nog de taak tussen beide de verbindingslijnen aan te brengen en daardoor dit braakliggende terrein van onze historische grammatika hopelijk veel toegankelijker te maken. Dat doen we dan in de volgende paragrafen.