|
|
|
| | | | | |
Infinitiefconstructies bij Verba Sentiendi
W. de Geest
1
| |
1.
Traditionele grammatici als
den Hertog en
Poutsma ontleden zinnen als
(1) Ik hoor Kaatje zingen.
(2) Ik zag hem komen.
(3) Ik ruik de aardappelen aanbakken.
(4) Hij voelt het hart kloppen.
als enkelvoudige zinnen. Voor den Hertog zijn de infinitieven te
beschouwen als gevallen van bepaling van gesteldheid. Zij vermelden het
resultaat van een door het gezegde uitgedrukt waarnemen en kennen dit resultaat
aan de bepaalde zelfstandigheid toe. (C.H. den Hertog, 1915- 19, p. 60-61) Voor
Poutsma zijn de infinitieven ‘Predicative Adnominal Adjuncts denoting an
attribute of an object (a person or a thing) in which it is perceived or
discovered to be’. (H. Poutsma, 1928, p. 339-378) Voor beide auteurs zijn
de infinitieven een complement bij het direct object van de enkelvoudige
zin.
Jespersen rekent dergelijke accusatieven cum infinitivo
tot de categorie der ‘dependent infinitival nexus-objects’. (O.
Jespersen, 1937, p. 53 sqq.; 1961, p. 278 sqq.) Aan de basis van dit voorstel
ligt de opvatting volgens welke het object samen met de infinitief te
beschouwen zijn als een geheel, een ‘nexus’ (t.o.v.
‘junction’) De hele nexus is direct object van het hoofdwerkwoord.
Binnen de nexus zijn respectievelijk ‘Kaatje’,
‘hem’, ‘de aardappelen’ en ‘het
hart’ te beschouwen als subjecten van de infinitieven. Volgens deze
interpretatie krijgen de zinnen (1) tot (4) dus de status van samengestelde
zinnen.
Met de vermelding van deze controversionele opvattingen is meteen
ook het probleem gesteld van de constituentenstatus van wat traditioneel
accusativus cum infinitivo heet. Het is mijn bedoeling na te gaan of met een
analyse die gebruik maakt van het transformationeel- generatief model dit
probleem niet tot een meer bevredigende oplossing kan worden gebracht. Dat de
weliswaar vooruitstrevende ‘Nexus - Junction’-theorie van Jespersen
ontoereikend is omdat ze te algemeen is en te impliciet werd geformu- | | | | leerd, is
reeds betoogd door
Peter S. Rosenbaum (1967a p. 109-114) en door
Pieter A.M. Seuren (1969, p. 139-140).
| |
2.
Ik wil eerst aantonen tot welke inconsequenties de door
den Hertog en
Poutsma voorgestelde interpretatie leidt van zinnen als
(1) tot (4). De analyse van b.v. (1) als enkelvoudige zin impliceert dat er een
predikaat is bestaande uit drie delen: het verbum sentiendi, een object en een
bepaling van gesteldheid, c.q. een infinitief. Men zou voor deze analyse een
herschrijfregel kunnen bedenken waarbij ‘Predikaat’ als volgt wordt
ontwikkeld:
(5) Predik → V + NC + V.
Deze ad hoc formalisering zou dan voeren tot het diagram:
(6)

Het voordeel van diagram (6) is dat het enerzijds de consequente
weergave is van den Hertogs en Poutsma's hypothese en dat het anderzijds ook
duidelijk maakt hoe inconsistent ze is.
Indien men binnen het subject-object model met
Chomsky (1965, p. 71) aanvaardt dat de herschrijfregels
ook impliciet de functionele relaties aanwijzen, dan geldt in diagram (6) voor
‘ik’ de subjectsconfiguratie [NC,Z] en voor ‘horen
Kaatje zingen’ de predikaatsconfiguratie [Predik, Z]. Dit betekent
dat ‘ik’ subject is van de zin ‘Ik hoor Kaatje
zingen’ en dat ‘horen Kaatje zingen’ predikaat is
van dezelfde zin. De objectsrelatie wordt als volgt uitgedrukt: [NC, Predik],
wat impliceert dat ‘Kaatje’ object is van ‘horen
Kaatje zingen’. Voor de hoofdwerkwoordrelatie geldt [V, Predik] en
dit zou betekenen dat ‘horen’ en zingen' beide
hoofdwerkwoorden zijn in het predikaat ‘horen Kaatje
zingen’.
Het is duidelijk dat noch den Hertog noch Poutsma ooit hebben
beweerd dat ‘Kaatje’ zowel object van
‘horen’ als van ‘zingen’ is en dat er in
het predikaat twee hoofdwerkwoorden zijn. Deze ongerijmdheid is enkel de
con- | | | | sequentie van een formalisering die nochtans op zeer getrouwe
wijze hun hypothesen t.a.v. de drieledige structuur van het predikaat
weerspiegelt. Dat de formalisering klem raakt is te wijten aan de onvoldoende
explicietheid van hun analyse. Stellen dat ‘Kaatje’ object
is van ‘horen’ en dat ‘zingen’ bepaling
van gesteldheid is bij ‘Kaatje’ volstaat niet. De ware aard
van de relatie tussen ‘Kaatje’ en
‘zingen’ blijft daarbij volledig in het duister. En het is
juist deze informatie die nodig is voor een consistente formele descriptie die
wil uitsluiten dat ‘Kaatje’ ook object is van
‘zingen’ en dat ‘zingen’ ook
hoofdwerkwoord is binnen het predikaat.
| |
3.
Het is niet moeilijk om binnen de transformationeel- generatieve
theorie die o.m. steunt op het essentieel onderscheid tussen dieptestructuur en
oppervlaktestruktuur, een alternatieve analyse voor de zinnen (1) tot (4) te
bedenken. Het feit dat in deze zinnen slechts één persoonsvorm
voorkomt, hoeft niet noodzakelijk een reden te zijn om te besluiten tot hun
status van enkelvoudige zinnen (cf.
A. Kraak en
W.G. Klooster, 1968, p. 90- 92). Een tot de
dieptestructuur doorstotende analyse van (1)-(4) voert tot het inzicht dat deze
zinnen beter kunnen worden geïnterpreteerd als samengestelde zinnen. Een
van de voordelen van deze interpretatie is dan alvast, zoals ook
Jespersen opmerkte, dat er binnen de ingebedde zin een
subjects- predikaatsrelatie kan worden gelegd tussen resp.
‘Kaatje’ en ‘zingen’,
‘hij’ en ‘komen’,
‘aardappelen’ en ‘aanbakken’ en
‘het hart’ en ‘kloppen’.
Een dergelijke analyse levert blijkbaar geen moeilijkheden op t.a.v.
de explicitering van de constituenten waaruit de ingebedde zin bestaat, de aard
van de relatie tussen de matrix en die ingebedde zin blijft echter vooralsnog
onbepaald.
Het is o.m. omdat Jespersen ‘dependent infinitival nexus -
object’-interpretatie over de aard van deze relatie geen uitspraak doet,
dat ze als ontoereikend werd afgewezen door Rosenbaum.
In
Rosenbaum (1967a, p. 124, sub A. 6.2) worden
o.m. de verba feel, overhear en see gerekend tot de klasse
waarbij ‘transitive verb phrase complementation’ optreedt en
waarbij gebruik wordt gemaakt van een ‘progressive complementizer’.
Hiermee is een eerste mogelijke oplossing gesuggereerd t.a.v. de aard van de
relatie tussen matrix en ingebedde zin. Er wordt gesteld dat de ingebedde zin
rechtstreeks afhangt van de VC van de hoofdzin. VC-complementering wordt
mogelijk gemaakt door de volgende herschrijfregel: | | | |
(7)

2
Aan zin (4) in Engelse versie, zou na insertie van de
‘progressive complementizer’ volgens deze analyse het volgende
diagram beantwoorden:
(8)

Tegen de interpretatie van (1)-(4) als samengestelde zinnen met
VC-complementering werden principiële bezwaren aangevoerd door
F. Bowers (J.L. (1968), 4. p. 83-88) en door
H.W. Wagner (J.L. (1968), 4. p. 89-91). De argumenten
ten voordele van die interpretatie, nl. het speciale gedrag van dergelijke
constructies met VC-complementering onder passivisering en in
‘pseudo-cleft’- parafrases
3 worden door hen geacht
onvoldoende overtuigend te zijn. Bij
Rosenbaum zelf (1967a, p. ix) kan
men trouwens het volgende lezen: ‘…the number of clear cases of
verb phrase complementation has diminished to the point where their general
existence becomes questionable.’ Verder dient ook nog vermeld de
gedeeltelijke incongruentie van Rosenbaums behandeling van de verba sentiendi.
Waar, zoals gezegd, feel, overhear, see op p. 124 tot de klasse
werkwoorden met ‘transitive verb phrase complementation’ worden
gerekend, staat op p. 120 (ibid.) dat feel, hear, see behoren tot de
groep waarbij ‘object noun phrase complementation’ optreedt, met'
‘that’ complementizer'.
Ik aanvaard met Bowers en Wagner dat de notie van VC-
complementering in het descriptief apparaat van een
transformationeel-generatieve grammatica gerust kan worden gemist en dat de
formele beregeling eenvoudiger wordt indien men alle ingebedde zinnen vanuit
een NC genereert. In het nu volgende deel van deze bijdrage ga ik er van uit
dat er bij verba sentiendi steeds sprake is van NC-complementering, zodat de
ingebedde comple- | | | | mentaire infinitiefconstructies steeds rechtstreeks
worden gedomineerd door een NC.
| |
4.
De meest voor de hand liggende analyse voor zinnen als (1)-(4)
binnen de NC-complementering hypothese, waaraan b.v. ook Kraak en Klooster
denken (1968, p. 92), is de volgende subject-predikaatsrelaties te leggen:
‘Ik zag je broer optreden’ ← ‘Ik zag je broer;
hij trad op’ of ‘Ik hoor je naam afroepen’ ←
‘Ik hoor je naam; hij wordt afgeroepen of men roept hem
af’.
Een diagram als (9) zou voor zin (1) een adequate voorstelling zijn
van zo'n analyse.
(9)

Om ongrammaticale zinnen van het type:
(10) *Ik hoor Kaatje Annik zingen.
uit te sluiten, -zinnen dus waarin de objects-NC van de matrix en de
subjects-NC van de ingebedde zin niet referentieel identiek zijn-, bestaan er
twee mogelijkheden. Ofwel kan voor de klasse der verba sentiendi een
dieptestructuur-restrictie worden geformuleerd die bepaalt dat bij de verba die
twee NC-en noodzakelijk referentieel identiek moeten zijn. M.a.w. er zou met
het daarvoor door
George Lakoff (1965) ontworpen apparaat aan de verba
sentiendi in het lexicon een kenmerk worden toegevoegd dat bepaalt dat zinnen
met die verba sentiendi aan de structurele beschrijving SB van de
‘Identieke NC Deletie’ moeten beantwoorden en dat de T-regel dus
moet worden toegepast. De markering in het lexicon zou hiervoor dan zijn: [m SB
(ID.NC Del.)]. | | | |
Een andere oplossing is met
Chomsky (1965, p. 138-139) te aanvaarden dat
‘Identieke NC Deletie’ een verplichte transformatie is met een
filtereffect. Indien door de basis een reeks als (10) wordt gegenereerd waarop
deze transformatie niet kan worden toegepast, dan zou de reeks automatisch als
ongrammaticaal worden afgewezen.
4
Ofschoon deze alternatieve oplossingen een analyse als in (9)
aanvaardbaar maken, wil ik niettemin stellen dat ze inadequaat is en derhalve
moet worden afgewezen. Ik zal deze stelling door middel van een drievoudige
argumentatie trachten te adstrueren.
| |
5.1
Naast zin (1) zijn ook mogelijk
(11) Ik hoor Kaatje een liedje zingen.
(12) Ik hoor een liedje zingen (door Kaatje).
Binnen de voor (1) in (9) voorgestelde analyse zou aan (11) het
volgende diagram beantwoorden:
(13)

Door toepassing op (13) van ID.NC Del. kan (11) inderdaad moeiteloos
worden gegenereerd. Een zin als (12) met gepassiviseerde ingebedde zin kan
echter nooit met een analyse als in (9) en (13) worden beschreven. Deze analyse
voert integendeel tot een wel zeer onverwacht resultaat, nl. dat de nochtans
grammaticale zin (12) eigenlijk ongrammaticaal zou moeten zijn. Deze uitspraak
berust op de volgende overwegingen:
gesteld dat: | | | |
| a. | bepaalde transformaties cyclisch zijn; d.w.z. dat men voor
dergelijke transformaties voor elke Z in het diagram en in de volgorde van
onder naar boven, nagaat of hun structurele beschrijving niet voorkomt in de
aanwezige dieptestructuur (zie J.R. Ross, 1967a, p. 1669-1682); |
| b. | de passief transformatie en de ID.NC Del. beide cyclisch zijn; |
| c. | ID.NC Del. komt voor passieftransformatie; zie Rosenbaum (1967a, p. 6 en ‘Summary of Rules of English Syntax, M.I.T., Nov. 24, 1967); |
dan volgt hieruit
| a. | dat de ingebedde zin Z' de eerst cyclus is; |
| b. | dat daarop de SB van ID. NC Del. niet van toepassing is, maar wel
deze van de passief transformatie; |
| c. | dat na toepassing van de passief transformatie op Z' in de
volgende cyclus Z de voorwaarden voor ID.NC Del. niet langer meer vervuld zijn,
zodat de transformatie blokkeert en een ongrammaticale zin ontstaat. |
Een en ander moge blijken uit het diagram (14) waarin de ingebedde
zin Z' werd gepassiviseerd.
(14)

De objects-NC van de matrix en de subjects-NC van de passieve
ingebedde zin zijn nu niet langer meer identiek. Daar het proviso
sub4 was dat de verba sentiendi een positieve absolute uitzondering
vormden op ID.NC Del. en bijgevolg aan de SB ervan moesten beantwoorden, ofwel
dat die trans- | | | | formatie een filtereffect zou hebben, moet (14)
onvermijdelijk leiden tot een ongrammaticale zin, nl.:
(15) *Ik hoor Kaatje een liedje wordt gezongen (door
Kaatje).
Dit is echter duidelijk in tegenspraak met de in zin (12)
geobserveerde feitelijke toestand, waarbij de passieve lezing van de ingebedde
zin voor de hand ligt. Het is immers goed mogelijk deze zin, nl. ‘Ik
hoor een liedje zingen (door Kaatje)’ te parafraseren als
‘Ik hoor dat door Kaatje een liedje wordt gezongen’. Het
feit dat in de samengestelde zin met infinitiefconstructie (12) het passief
hulpwerkwoord uitvalt kan niet betekenen dat de ingebedde zin niet passief zou
zijn. Hoe zouden anders het agens ‘door Kaatje’ in (12) en
de duidelijke passieve DAT-zin in de parafrase te verklaren zijn? Het geheel of
gedeeltelijk uitstoten door de infinitiefconstructie van de passieve kenmerken
in de uiteindelijke oppervlaktestructuur is vermoedelijk op rekening te brengen
van vrij late ‘oppervlakkige’ morfonologische transformaties.
5
| |
5.2
Tegen de analyse die aan de basis ligt van de diagrammen (9) en (13)
en waarbij wordt uitgegaan van de veronderstelling dat de dieptestructuur voor
de zinnen (1) en (11) resp. (16) en (17) is:
(16)
| ik horen Kaatje | [ | Kaatje zingen | ] |
| | Z | | Z |
(17)
| ik horen Kaatje | [ | Kaatje zingen een liedje | ] |
| | Z | | Z |
zal nu een tweede argument worden aangevoerd dat te maken heeft met
de volgende observaties.
Naast de met zin (1) qua structuur vergelijkbare zin (18) is er ook
de met (18) verwante zin (19).
(18) Ik hoor mijn dochtertje zingen.
(19) Ik hoor dat mijn dochtertje zingt.
Deze verwante zinnen hebben een andere betekenis dan zin (20).
(20) Ik hoor mijn dochtertje dat zingt.
Dit betekenisverschil wordt duidelijk wanneer men de volgende zinnen
waarin exclusieve disjunctie optreedt met mekaar vergelijkt.
(21) Ik hoor mijn dochtertje zingen of mijn dochtertje piano
spelen.
(22) Ik hoor dat mijn dochtertje zingt of dat mijn dochtertje
piano speelt.
(23) Ik hoor mijn dochtertje dat zingt of mijn dochtertje dat
piano speelt.
Past men hierop conjunctiereductie toe, dan krijgt men:
(24) Ik hoor mijn dochtertje zingen of piano spelen.
(25) Ik hoor dat mijn dochtertje zingt of piano speelt.
(26) *Ik hoor mijn dochtertje dat zingt of piano
speelt. | | | |
De ongrammaticaliteit van (26) heeft natuurlijk te maken met het
feit dat in zin (23) niet over één en hetzelfde dochtertje, maar
over twee dochtertjes wordt gesproken. Conjunctiereductie is in (26) onmogelijk
omdat de NC-en niet identiek zijn. In de zinnen (21) en (22) is dit wel het
geval, zodat ze na conjunctiereductie normaal resp. (24) en (25) opleveren. Dit
verschil houdt duidelijk verband met het feit dat (18) en (19) gevallen zijn
van NC-complementering, terwijl (20) een voorbeeld is van een restrictieve
relatieve zin.
De vraag is nu of de analyse die voor (9) en (13) werd gebruikt en
die de reeksen in (16) en (17) opleverde, dit verschil tussen enerzijds (18) en
(19) en anderzijds (20) op een adequate wijze kan verklaren.
Indien men voor (18) dezelfde analyse aanhoudt als in (9) dan volgt
hieruit dit diagram:
(27)

Voor de restrictieve relatieve zin, nl. (20) moet het diagram
evenwel absoluut hetzelfde zijn, zodat er een principieel onmogelijke toestand
ontstaat. Twee semantisch verschillende oppervlaktestructuren als (18) en (20)
kunnen immers niet éénzelfde gemeenschappelijke dieptestructuur
hebben.
T.a.v. het aldus gestelde probleem zijn er m.i. drie mogelijke
oplossingen denkbaar, nl.:
(28)
a. NC-complementering en vorming van een restrictieve relatieve
bijzin vergen een verschillende opstelling van de constituenten onder NC; (In
dit geval zou de analyse voor (18) en (20) inadequaat zijn omdat ze deze
verschillen over het hoofd zag.) | | | |
b. er hoeft geen fundamenteel verschillende opstelling van de
constituenten te zijn onder NC om het onderscheid tussen NC-complementering en
vorming van een restrictieve relatieve zin te verklaren, maar (27) is niet de
dieptestructuur van (20); (In dit geval zou (20) hier verkeerd geanalyseerd
zijn.)
c. er hoeft geen fundamenteel verschillende opstelling te zijn (zie
b), maar (27) is niet de dieptestructuur van (18). (In dit geval zou (18) hier
verkeerd geanalyseerd zijn.)
De oplossing (28) a refereert aan een stelling die men kan
aantreffen bij
Jacobs en
Rosenbaum (1968, Ch. 7, en vooral p. 49) volgens welke
NC-complementering alleen maar mogelijk is indien de ingebedde zin optreedt
onder een NC naast ‘Det’ en ‘N’, dus in deze
configuratie:
(29)

Daarentegen zou een restrictieve relatieve zin alleen maar kunnen
optreden indien de Z' gedomineerd is door NC; maar staat naast een NC, dus in
de volgende configuratie:
(30)

Een zin als (18) met NC-complementering zou dus niet de
dieptestructuur (27) hebben, maar:
(31)

| | | |
Daarentegen zou voor de zin (20) de dieptestructuur (27) wel
degelijk geldig zijn.
Hiertegenover stel ik dat dit voorstel weinig vruchtbaar lijkt
6 en dat het trouwens geen verklaring biedt voor het volgende
feit.
Laat de dieptestructuur voor (18) inderdaad (31) zijn. Zij moet dan
ook (19) kunnen verklaren. Nu is het zo dat de insertie van de conjunctie DAT
gebeurt via een vroege cyclische transformatie. In het Engels kunnen nog andere
‘complementizers’ worden ingevoegd op dit ogenblik, b.v.
‘for-to’ of ‘Poss-ing’. Voor het
Nederlands is het niet duidelijk of er naast DAT-insertie nog andere
mogelijkheden zijn. Hoe dan ook, zowel in het Engels als in het Nederlands
blokkeert de aanwezigheid van de conjunctie DAT de ID. NC Del., en dit is een
cyclische transformatie die later moet komen. Indien men in (31) DAT insereert
voor de ingebedde zin, dan is ongeacht de opstelling van de andere
constituenten onder de NC die ook de Z' domineert, de deletie van de identieke
NC in Z' onmogelijk geworden, zodat alleen de ongrammaticale zin:
(32) *Ik hoor mijn dochtertje dat mijn dochtertje zingt.
mogelijk is, i.p.v. de normale zin ‘Ik hoor dat mijn
dochtertje zingt’. Ik wil er terloops op wijzen dat de analyse die ik
als uitgangspunt nam voor (1) en (11) nu reeds voor de tweede maal ten onrechte
ongrammaticale structuren aanwijst i.p.v. normale, bestaande Nederlandse
zinnen.
Op grond van de hierboven ontwikkelde redenering moet m.i. (28)a als
mogelijke oplossing worden afgewezen.
De oplossing geformuleerd in (28)b die aan het voorstel
Jacobs/Rosenbaum voorbijgaat, ontkent de
juistheid van (27) als dieptestructuur van de zin met restrictieve relatieve
bijzin. Dit is een onhoudbare stelling omdat in een groot deel van de
vakliteratuur juist deze oplossing als de enig adequate wordt voorgesteld.
7
Terecht trouwens, want een andere basis voor de introductie van een relativum
dat nauw aansluit bij het antecedens is anders moeilijk denkbaar.
De oplossingen (b) en (c) sub (28) sluiten mekaar uit. Indien de
analyse voorgesteld in (27) juist is voor zin (20) dan is ze per definitie
onjuist voor zin (18). Er kan onmogelijk in de basis van een zin als (18) in de
matrix een ob- | | | | jects-NC toegelaten worden zodat bij toepassing van de
ID. NC Del. een identieke subjects-NC in de ingebedde zin wordt gedeleteerd.
ID. NC Del. is een cyclische transformatie die steeds optreedt voor de
postcyclische Relatiefzin - vorming transformatie. Ze zal noodzakerlij kerwijze
in gevallen van complementering zonder DAT de identieke subjects-NC uit de
ingebedde zin deleteren. Indien voor een zin als (18) binnen de betwiste
analyse, daartoe normaal de voorwaarden altijd vervuld zijn, kan bijgevolg
nooit een restrictieve relatiefzin als (20) worden gegenereerd. En ook dit is
weer in strijd met de feitelijke toestand. Het enig mogelijke alternatief is
een analyse voor (18) die de toepassing van ID. NC Del. ontwijkt.
| |
5.3
Een derde argument tegen de betwiste analyses wil ik ontlenen aan de
volgende observaties. Men vergelijke de zinnen (33)a tot (35)a met resp. de
zinnen (33)b tot (35)b.
(33)a *Ik zie geloof.
(34)a *Ik zie liefde.
(35)a *Ik hoor overredingskracht.
(33)b Ik zie geloof wonderen verrichten.
(34)b Ik zie liefde uit haar blikken stralen.
(35)b Ik hoor overredingskracht in haar stem klinken.
Het is duidelijk dat wanneer men, steeds binnen de analyse voor (1)
en (11) als in (9) en (13) de zin (33)b als volgt beschrijft:
(36)

| | | |
het eigenlijk irrelevant zou moeten zijn of er onder de objects-NC
van de matrix naast ‘geloof’ nog een ingebedde zin optreedt
of niet. De structuur van de matrix zonder complementering moet natuurlijk
steeds een grammaticale zin opleveren. Dit is des te meer zo omdat binnen het
besproken formele descriptieve voorstel het de objects-NC van de matrix is die
in de oppervlaktestructuur wordt gerepresenteerd. De subjects-NC van Z' wordt
immers steeds gedeleteerd. En nochtans zijn de matrixstructuren (33)a tot (35)a
juist niet grammaticaal.
Dit nogal semantisch geaard argument wijst in een resoluut andere
richting. Het doet het vermoeden rijzen dat de complementaire structuur en
niets anders dan die structuur het object is van het verbum sentiendi. De
selectierestricties tussen het hoofdwerkwoord en het object betreffen niet de
vermeende objects-NC, ze dienen te worden gespecificeerd in functie van de
betekenis van de hele complementaire structuur.
Deze stelling vindt steun in een zin als:
(37) Ik hoorde de boer een varken slachten.
8
Wie dit zegt hoorde waarschijnlijk niet de boer maar het varken.
Een zin als:
(38) *Ik proef de soep koken.
is ongrammaticaal ofschoon ik wel degelijk de soep kan proeven. Bij
het proeven van aan de kook zijnde soep liggen de zaken wel wat moeilijker.
‘Proeven’ verdraagt hier gewoon niet het complement
‘soep koken’ in zijn geheel.
| |
6.
Het voorlopig bilan van de tot nog toe gepresenteerde observaties en
beschouwingen is dat het onmogelijk is zinnen als (1) tot (4) te beschrijven
als reeksen waarin de subjects-NC van de ingebedde zin reeds wordt
geïntroduceerd als objects-NC van het verbum sentiendi in de matrix. Deze
procedure veronderstelt vooreerst de noodzakelijke ingreep van ID. NC Del.. Bij
gepassiviseerde ingebedde zinnen blokkeert deze transformatie en nochtans zijn
er zinnen als ‘Ik hoor een liedje zingen’ mogelijk. Waar de
transformatie wel werkt bestaat er geen kans meer om relatieve zinnen te
krijgen en nochtans komen deze voor, getuige ‘Ik hoor mijn dochtertje
dat zingt.’ Verder lijkt het met die procedure ook vanzelfsprekend
dat alleen de matrix, met zijn objects-NC en zonder complementaire structuur,
alvast steeds een grammaticale zin zou opleveren, doch ook dit blijkt niet
altijd het geval te zijn, getuige (33)a tot (35)a. | | | |
Een middel om al deze moeilijkheden te vermijden biedt de analyse
die door
Jacobs en
Rosenbaum (1968, Ch. 21, pp. 171-177) wordt voorgesteld
en waarbij de NC die de ingebedde zin domineert wordt herschreven tot HET + Z'.
Volgens dit voorstel heeft dit pronomen HET in de dieptestructuur de status van
een abstracte ‘proform’, het kan in de uiteindelijke
oppervlaktestructuur door andere constituenten worden gerepresenteerd.
Toegepast op een zin als (1) levert deze analyse het volgende diagram op:
(39)

Dat er op deze dieptestructuur inderdaad nog transformaties moeten
worden toegepast moge blijken uit de ongrammaticale zin (40) die zou ontstaan
indien ze rechtstreeks als oppervlaktestructuur werd gerealiseerd. (De lezing
met ‘het Kaatje’ als één groep wordt hierbij
uitgesloten.)
(40) *Ik hoor het Kaatje zingen.
De aard en de volgorde van de transformaties die nodig zijn om
reeksen als (40) te vermijden werden door Rosenbaum (1967a)
uitvoerig behandeld. Cruciaal voor de verklaring van zin (1) uit (39) is het
door hem ontworpen begrip ‘Vacuous Extraposition’
9 (Rosenbaum
1967a, p. 61). Tegen deze hypothese werd echter door
Lakoff, (S.d., p. I-22 sqq). op afdoende wijze
geargumenteerd. Hij verwerpt de Extrapositie-transformatie en stelt voor de
‘pro- form’ HET op de volgende wijze te vervangen, (zie Summary of
Rules of English Syntax, Nov. 24, 1967, M.I.T.) | | | |
(41)

10
De bedoeling van deze transformatie, a.h.w. met een dubbele basis,
is in A/ de constituenten van de matrix aan te duiden waarin het resultaat van
de transformatie op B/ moet worden opgenomen. Indien nu onder een NC een HET
voorkomt dat wordt gevolgd door een ingebedde zin, dan moet, volgens de S.W. i)
HET vervangen worden door het subject van de ingebedde zin. Daarna wordt,
volgens S.W. ii) de rest van de ingebedde zin Z[608]Z toegevoegd aan de
VC (2) van de matrix. Deze stap maakt gebruik van wat men gewoonlijk
‘Chomsky Adjunction’
11 noemt. Het resultaat van een en ander is zichtbaar in het
volgende diagram: (enkel de relevante cijfers van de S.B. werden aan de
constituenten toegevoegd.)
(42)

| | | |
In het voordeel van deze transformatie die het subject uit de
ingebedde zin optilt naar de matrix, pleit de vaststelling dat het nu mogelijk
is het optreden van reflexivisering te verklaren in zinnen als:
(43) Hij ziet zich voor het uitstalraam staan.
Indien de translatie van het onderwerp niet mogelijk was, nl. uit de
ingebedde zin van een dieptestructuur als voor (43)
| ‘Hij ziet | [HET[hij staan voor het uitstalraam | ]]’ |
| | NC Z | Z NZ |
zodat het
als een met het matrix-subject referentieel identieke constituent onder
éénzelfde Z terechtkomt, dan zouden de voorwaarden voor
reflexivisering niet vervuld zijn. De ‘HET - Vervanging’
transformatie zorgt er trouwens ook voor dat het mogelijk wordt de
objectsvormen van pronomina te verklaren in oppervlaktestructuren als:
(44) Zij hoort ons komen.
Enkel indien het subject van de ingebedde zin in de matrix kan
worden opgenomen als object, kan voor een morfonologische beregeling worden
gezorgd die aan het bewuste pronomen ook een objectsvorm zal toekennen.
| |
7.
De gesignaleerde voordelen van de ‘HET - Vervanging’
transformatie beletten
Paul en Carol Kiparsky (1968) echter niet deze
transformatie af te wijzen. Zij stellen voor dat de tot nog toe behandelde
gevallen van inbedding in zinnen als (1) tot (4) zouden worden beschreven
d.m.v. een regel die NC herschrijft tot Z'. Enkel indien het hoofdwerkwoord tot
de klasse behoort van verba waarbij de waarheid van het complement wordt
voorondersteld, zou de NC die de ingebedde zin domineert dienen te worden
ontwikkeld tot FEIT + Z'. Ze maken voorbehoud tegen de premissen van de
‘HET - Vervanging’-transformatie, omdat daarbij geen onderscheid
wordt gemaakt tussen een HET dat ze beschouwen als betekenisleeg stopwoord en
een HET dat in de plaats komt van de abstracte constituent FEIT,
geïmpliceerd door de klasse der zogenaamde ‘feitelijke’
werkwoorden.
Een betekenisleeg, expletief HET resulteert volgens hen uit een
extrapositie; men treft zo'n HET aan in een zin als:
(45) Het is waarschijnlijk dat Jan komt.
die dezelfde dieptestructuur heeft als:
(46) Dat Jan komt is waarschijnlijk. | | | |
Daartegenover staat dan de volgende observatie die een argument is
voor het aanvaarden van een ‘feitelijk’ HET:
(47) Ik betreur het dat Jan komt.
Zin (47) is synoniem met:
(48) Ik betreur het feit dat Jan komt.
In zinnen die geen ‘feitelijk’ verbum bevatten, waarbij
de waarheid van de complementering dus niet wordt voorondersteld en waarin ook
geen aanleiding bestaat tot een met extrapositie gepaard gaand expletief HET,
kan volgens de
Kiparsky's bijgevolg geen HET optreden. Dit wordt
bevestigd door de ongrammaticale zin:
(49) *Ik hoor het dat Kaatje zingt.
Daartegenover staat echter wel:
(50) Ik betreur het dat Kaatje zingt.
Binnen de hypothese van een configuratie als:
(51)

waarop de ‘HET - Vervanging’-transformatie inhaakt, was
er geen geredelijke verklaring voor de ongrammaticaliteit van (49), tenzij ten
koste van een bijkomende transformatie, nl. ‘HET Deletie’. De
procedure om (49) uit te sluiten was daar dan de volgende. De
‘pro-form’ HET wordt gedeleteerd indien hij niet kan worden
vervangen door de ‘HET - Vervanging’ transformatie (die enkel
opereert indien voor het Engels ‘for - to’ of ‘Poss -
ing’ complementizers in de S.B. aanwezig zijn (cf. voetnoot 9) en
indien er later geen extrapositie optreedt, dus wanneer hij onmiddellijk voor
een ingebedde zin blijft staan. Voor (49) zijn al deze voorwaarden inderdaad
vervuld. Met het voorstel van de Kiparsky's wordt de beschrijving echter
eenvoudiger. In het concrete geval van (49) rijzen er geen problemen, HET hoeft
niet te worden gedeleteerd, omdat het er gewoon niet kan staan.
Is de verklarende kracht van deze analyse groot genoeg om ook de
observaties die ik m.b.t. (43) en (44) presenteerde aan te kunnen?
Voor de Kiparsky's is de overheveling van het subject van de
ingebedde zin naar de matrix, waar het objectsfunctie krijgt, gewoon het gevolg
van wat zij ‘subject raising’ noemen. Een formele beregeling van
deze transformatie geven zij niet. Daartegenover staat dan wel dat met dit
voorstel een zienswijze gepaard gaat die de belofte inhoudt van een in hoge
mate vereenvou- | | | | digde behandeling van complementaire constructies
niet alleen voor het Engels, maar ook voor het Nederlands.
De
Kiparsky's achten de ingewikkelde beregeling van de
diverse soorten complementizers (zie
Rosenbaum 1967a) totaal overbodig. Voor de
infinitiefconstructies verwerpen zij de door Rosenbaum voorgestane
veralgemeende ‘for-to’ complementizer.
12Infinitieven in de
oppervlaktestructuur resulteren volgens hen uit infinitieven in de
dieptestructuur, wanneer deze in de ingebedde waarin ze optreden op de een of
de andere manier hun subject kwijtraken. Een van de middelen daartoe is ID. NC
Del.. Een andere aanleiding daartoe is ‘Subject Raising’.
Volgens
Ross (1967b) is het wegens ‘complex
noun phrase constraint’ onmogelijk dat transformaties uit een ingebedde
zin constituenten zouden weghalen indien de ingebedde zin samen met een NC door
een hogere NC wordt gedomineerd. Bij ‘feitelijke’ werkwoorden is
dat zo, dus kan daar b.v. geen ‘Subject Raising’ of ID.NC Del.
optreden, en bijgevolg zijn infinitiefconstructies dan evenmin mogelijk.
Zoals ik reeds in voetnoot 9 signaleerde is het voor de beschrijving
van het Nederlands niet zo meteen duidelijk welke complementizers zouden moeten
worden gekozen als equivalenten voor ‘for-to’ en
‘Poss-ing’. Met het voorstel van de Kiparsky's vervalt dit
probleem. Infinitieven resulteren, zowel in het Engels als in het Nederlands,
uit dieptestructuren met ingebedde zinnen waarin het verbum geïsoleerd
raakte.
Voor zinnen als (1) stel ik derhalve voorlopig de volgende analyse
voor:
(52)

| | | |
Na toepassing van ‘Subject Raising’ krijgen we (zie de
pijl in (52))
(53)

Na toepassing van de regel van ‘Tree Pruning’ (zie
Ross, 1966) wordt dat:
(54)

De ingebedde zin werd gereduceerd tot een alleenstaande infinitief
omdat zijn subject aangetrokken werd door de matrix. Er is geen basis meer
voorhanden om een congruentie met het onderwerp tot stand te brengen, het
verbum zal dus onvervoegd blijven in de oppervlaktestructuur.
| |
8.
Deze behandeling van de infinitieven is zo origineel dat daarmee een
heel stuk van de descriptie voorgesteld door
Rosenbaum (1967a) kan wegvallen; ze
stimuleert ook tot de volgende nog algemene en voorzichtige hypothesen i.v.m.
complementaire constructies. | | | |
Indien in het derivatie proces een ‘feitelijk’ werkwoord
wordt gekozen dan wordt de eventuele complementaire structuur Z' geregeerd door
het abstracte element FEIT, beide zijn gedomineerd door NC, zoals afgebeeld
in:
(55)

Het optreden van FEIT maakt omwille van de ‘complex noun
phrase constraint’-regel van
Ross (1967b) transformaties onmogelijk die
uit de ingebedde zin constituenten willen verwijderen. Infinitieven kunnen in
zo'n geval niet optreden. Voor de verdere implicatie van de aanwezigheid van
FEIT in het Engels wordt verwezen naar
P. en C. Kiparsky (1968). Factieve constructies in het
Nederlands zijn voor zover ik weet nog niet speciaal onderzocht.
Essentiële afwijkingen tussen het Nederlands en het Engels lijken evenwel
weinig waarschijnlijk.
Complementaire constructies die afhangen van
‘niet-feitelijke’ verba verschijnen in het diagram als ingebedde
zinnen die rechtstreeks worden gedomineerd door een NC, als in (56):
(56)

Een aantrekkelijke hypothese is het daarbij te veronderstellen dat
een van de vroege cyclische transformatieregels moet zorgen voor DAT-insertie.
Dit is de enige ‘complementizer’ die op deze wijze moet worden
geïntroduceerd. Een proviso daarbij is dat DAT-insertie enkel optreedt bij
rechtsstreeks door NC gedomineerde ingebedde zinnen. Het element DAT dat samen
met FEIT optreedt is wezenlijk verschillend en moet op een andere manier worden
gegenereerd. Een ander proviso is dat DAT-insertie optioneel of verplicht is.
Sommige werkwoorden zullen daarvoor dan moeten worden gemarkeerd.
Indien er geen DAT-insertie optreedt is de weg vrij voor
infinitiefvorming. Met de Kiparsky's kan worden aanvaard dat daartoe
automatisch aanleiding bestaat indien het verbum van de ingebedde zin in de
dieptestructuur subjectloos is geworden. Hun voorstel biedt echter geen
verkla- | | | | ring voor het verschil tussen ‘to-
infinitives’ en ‘bare infinitives’ in het Engels. Ook in het
Nederlands zijn infinitieven met of zonder TE mogelijk, blijkens:
(57) *Ik hoor Kaatje te zingen maar (1)
(58) *Ik mik de aardappelen aan te bakken. ,maar (3)
(59) Ik verzoek Jan te komen,
(60) *Ik verzoek Jan komen.
(61) Hij belooft aanwezig te zijn.
(62) *Hij belooft aanwezig zijn.
Ik meen dat het al of niet optreden van TE, resp TO in het Engels,
13 te maken heeft met een verschijnsel dat kan worden
geobserveerd in de volgende zinnen.
(63) Ik hoorde dat Kaatje zong.
(64) *Ik hoorde dat Kaatje zingt, (horen ≠
vernemen)
Zin (63) is synoniem met (65), voor zin (64) is dat niet het
geval.
(65) Ik hoorde Kaatje zingen.
Dit zou kunnen betekenen dat er bij verba sentiendi
simultaneïteit moet zijn in de matrix en de ingebedde zin. Bij verba als
‘verzoeken’ en ‘beloven’ bevat de met
TE-infinitief equivalente DAT-constructie steeds een futurum.
(66) Hij belooft dat hij aanwezig zal zijn.
(67) *Hij belooft dat hij aanwezig is. (tenzij met pres.
futurum interpretatie)
(68) Ik verzoek dat Jan zou komen, (hier is ook nog een
optatief element in het spel)
(69) *Ik verzoek dat Jan komt. (tenzij met optatieve en
futuriële implicatie) M.b.t. de tijd van de matrix zijn de ingebedde
zinnen in (59), (61), (66) en (68) steeds futurieel.
Indien kan worden aanvaard dat de simultaneïteit van matrix en
ingebedde zin bij verba sentiendi een inherente eigenschap is, dan zou men
kunnen denken aan zoiets als een deletie van de identieke tijdsindicatie in de
ingebedde zinnen die van verba sentiendi afhangen. Deze ID. Tijd Deletie zou
dan normaal leiden tot infinitieven zonder TE. Indien er bij die van verba
sentiendi afhangende complementaire constructies DAT- insertie optreedt, dan
zou deze simultaneïteit er kunnen voor zorgen dat er altijd zinnen als
(70) en (71) optreden en nooit zinnen als (72) en (73).
(70) Ik hoor dat Kaatje zingt.
(71) Ik voel dat het hart klopt. | | | |
(72) *Ik hoorde dat Kaatje zingt.
(73) *Ik voel dat het hart klopte.
Daarentegen zou het futuriële karakter van de ingebedde zin
t.o.v. de matrix, als in (59), (61), (66) en (68) normaal steeds leiden tot
infinitieven met TE.
Een tegenargument vormen zinnen als
(74) Hij beweert Frans te verstaan.
(75) Hij meent het probleem te begrijpen.
(76) Hij verklaart de uiteenzetting te verstaan.
waar aan simultaneïteit van matrix en ingebedde zin kan worden
gedacht. Wel dient hierbij te worden opgemerkt dat zin (74) uiteraard ook
alludeert op vroegere of toekomstige situaties. In (75) en (76) ligt het voor
de hand te denken aan een perfectieve interpretatie, trouwens (77) en (78) zijn
goed mogelijk naast resp. (75) en (76).
(77) Hij meent het probleem begrepen te hebben.
(78) Hij verklaart de uiteenzetting verstaan te hebben.
Dergelijke varianten kunnen echter niet optreden naast (70) en (71).
Zodat voor gevallen als (74)-(76) een delicatere analyse misschien toch nog in
staat zou kunnen zijn het algemene principe te redden van de
simultaneïteit en de daaruit voortvloeiende ID. Tijd Deletie. De
infinitieven zonder TE zouden op deze manier voorspelbaar worden.
| |
9. Postscriptum
De problemen i.v.m. de beschrijving van complementaire constructies
bij verba sentiendi lijken hiermee overigens nog verre van opgelost.
De noodzakelijkheid van b.v. een nauwkeuriger differentiatie van die
verba blijkt reeds uit de volgende observaties.
(79) Op de speelplaats zie ik mijn kinderen nooit meteen.
(80) Ik voelde de pijn aanvankelijk niet.
In de zinnen (79) en (80) wordt de simultaneïteit van matrix en
ingebedde zin op expliciete wijze genegeerd. Het verbum sentiendi kan hier niet
de betekenis hebben van gewoon waarnemen; men zou het veeleer omschrijven als
‘uit het waargenomene opmaken’. Van dit verschil tussen zuivere
perceptie en cognitief verwerkte perceptie, dat door verba sentiendi kan worden
uitgedrukt, getuigen ook deze syntactische observaties.
(81) Ik zie dat de prunus bloeit. | | | |
(82) Ik zie dat de prunus bloeide.
Voor zin (81) is zowel een lezing mogelijk met
‘zien’ = ‘zuiver visueel percipiëren’ als
met ‘zien’ = ‘uit het geziene opmaken’. Voor
(82) is enkel de lezing met ‘zien’ = ‘uit het geziene
opmaken’ mogelijk. Alleen (81) is synoniem met (83), voor (82) is dat
niet het geval.
(83) Ik zie de prunus bloeien.
Nog andere voorbeelden van zinnen met complementaire constructies
bij verba sentiendi, waarbij geen simultaneïteit meer optreedt en waarmee
geen infinitiefconstructies kunnen correleren, zijn:
(84) Ik ruik dat de aardappelen aanbakten.
(85) Ik zie dat je de kamer schoonmaakte.
Op zichzelf beschouwd zijn deze feiten wellicht nauwelijks het
vermelden waard.
Het bedoelde semantische onderscheid is overigens welbekend. Indien
echter blijkt dat deze semantische verschillen verband houden, niet enkel met
de syntactische verschijnselen gesignaleerd in (81) tot (85), maar ook met nog
anders geaarde syntactische fenomenen, dan is verder onderzoek in elk geval
verantwoord. T.a.v. van dergelijke verdere syntactische implicaties wil ik tot
besluit de volgende, voorlopig geformuleerde hypothese voorstellen:
(86)
het onderscheid tussen verba sentiendi α, die een zuiver
waarnemen uitdrukken, en verba sentiendi β, die een cognitief gekleurd
percipieren uitdrukken, houdt wellicht verband met:
-a- het al of niet bestaan van de mogelijkheid in de matrix-zin het
hoofdwerkwoord (c.q. het verbum sentiendi) te deleteren;
-b- het al of niet gespecificeerd zijn van de complementaire
constructie die van de matrix-zin met verbum sentiendi afhangt.
Deze hypothese schijnt steun te vinden in de volgende
observaties.
Indien in een gesprekssituatie zowel de spreker A als de
toebesprokene B een voor beiden bekend geluid horen, dan zou een
communicatie-eenheid die uit deze situationele samenhang resulteert niet de zin
‘Ik hoor Kaatje zingen’ zijn, doch veeleer
(87) Kaatje zingt. | | | |
Indien echter in een gesprekssituatie A en B beiden een geluid horen
dat voor A gedeeltelijk ongespecificeerd is, doch waarvan A vermoedt dat het
voor B helemaal gespecificeerd is, dan kan deze situatie resulteren in een
vraag als in zin (88).
(88) Hoòr je Ka(')atje zi(')ngen?
Indien A weet dat ‘Kaatje’ het geluid
voortbrengt, zal de klemtoon in (88) op ‘zingen’ vallen;
indien voor A het geluid zeker een ‘zingen’ is, zonder dat
hem evenwel bekend is wie zingt, dan zal de klemtoon op
‘Kaatje’ vallen. In (88) kan het verbum sentiendi niet
worden gedeleteerd, het drukt een cognitief gekleurd percipiëren uit. Men
zou de zin kunnen parafraseren als:
(89) ofwel als (90).
(89) Kun jij uit wat je hoort opmaken of wat Kaatje doet zingen
is?
(90) Kun jij uit wat je hoort opmaken of wie zingt Kaatje is?
Indien in een gesprekssituatie A waarnemer is en B misschien
medewaarnemer, indien het door A gehoord geluid voor A gespecificeerd is en
indien A weet dat het geluid dat hij hoort ook voor B bekend zal zijn als hij
het vermeldt, dan kan hieruit de volgende vraag resulteren:
(91) Hoór je Kaatje zingen?
Dit keer valt de klemtoon op ‘hoor’. Mogelijke
parafrases hiervoor zijn dan:
(92) Hoor je ook Kaatje zingen?
(93) Ik hoor het verwachte zingen van Kaatje, hoor je het ook?
Het verbum sentiendi ‘horen’ is hier gerealiseerd
als verbum sentiendi α en het refereert aan een zuiver waarnemen.
In de lezing (88) was ‘horen’ verbum sentiendi
β (V.S. β), daarmee hing samen een gedeeltelijk ongespecificeerd zijn
van het complement. In de lezing (91) is ‘horen’ V.S.
α, het complement is gespecificeerd. Dat in (91) geen V.S. Deletie
optreedt als in (87) is te wijten aan de onzekerheid van de spreker A t.a.v.
B's medeweten. De deletiemogelijkheden van het V.S. schijnen dus verband te
houden met de voorwaarde dat er een V.S. α in de matrix is; V.S. β
worden echter niet gedeleteerd. Verder treden V.S. α op met
gespecificeerde complementen; V.S. β treden enkel op met ongespecificeerde
complementen.
Of deze hypothese inderdaad waarde heeft zal uit verdere verificatie
moeten blijken. Het is de bedoeling daarover in een latere bijdrage verslag uit
te brengen.
| | | | | |
Bibliografie
| Bowers, Frederick |
| ‘English Complex Sentence Formation’ in Journal of
Linguistics, 1968,4, p. 83-88 |
| Chomsky, Noam A. |
| Aspects of the Theory of Syntax, M.I.T. Press, Cambridge,
Mass. 1965 |
| Hertog, C. H. den |
| De Nederlandsche Taal, Practische Spraakkunst van het
hedendaagsche Nederlandsch, vierde druk, W. Versluys, Amsterdam
1915-1919 |
| Hornby. A.S. |
| A Guide to Patterns and Usage in English, zevende druk,
Oxford University Press, London 1961 |
| Jacobs, Roderick A. en Rosenbaum, Peter S. English
Transformational Grammar, Blaisdell, Waltham, Mass. 1968 |
| Jespersen, Otto |
| Analytic Syntax, Levin & Munksgaard, Kopenhagen 1937 |
| A Modem English Grammar on Historical Principles, V, G. Allen
& Unwin Ltd., Londen; E. Munksgaard, Kopenhagen 1961 |
| Kiparsky, Paul en Carol |
| ‘Fact’ (te verschijnen in Bierwisch en Heidolph; eds.
Recent Advances in Linguistics, Mouton) |
| Kraak, A. en Klooster, W.G. |
| Syntax is Stam-Kemperman NV, Culemborg 1968 |
| Lakoff, George P. |
| On the nature of Syntactic Irregularity, Report No
nsf-16 of Harvard University Computation Laboratory, 1965 |
| Universals of Linguistic Form: Some Methodological Remarks,
1965 (niet gepubliceerd typoscript) |
| Overdiep, G.S. |
| Stilistische Grammatica van het Moderne Nederlands. W.E.J.
Tjeenk Willink, Zwolle 1937 |
| Poutsma, Hendrik |
| A Grammar of Late Modem English I a, tweede druk. P.
Noordhoff, Groningen 1928 |
| Rosenbaum, Peter S. |
| The Grammar of English Predicate Complement Constructions,
M.I.T. Press, Cambridge, Mass., 1967 |
| ‘Phrase Structure Principles of English Complex Sentence
Formation’, in: Journal of Linguistics 3, 1967, p. 103-118; ook in
David A. Reibel en Sanford A. Schane (eds) Modern Studies in English,
Prentice Hall, Englewood Cliffs, 1969, pp. 316-330 |
| Ross, John Robert |
| ‘A Proposed Rule of Tree-Pruning’, in Mathemarical
Linguistics and Automatic Translation, Harvard University Computation
Laboratory, Report No nsf-I7, 1966, pp. iv- i tot
iv-18; ook in David A. Reibel en Sanford A. Schane (eds) Modern
Studies in English, Prentice Hall, Englewood Cliffs, 1969, pp. 288-299 |
| ‘On the Cyclic Nature of English Pronominalizations’,
in: To honor Roman Jakobson, Mouton, 's-Gravenhage 1969, pp. 1669-1682;
ook in David A. Reibel en Sanford A. Schane (eds) Modern Studies in
English, Prentice Hall, Englewood Cliffs, 1969, pp. 187-200 |
| Constraints on Variables in Syntax, unpublished Diss. M.I.T.
1967 |
| Seuren, Pieter A.M. |
| Operators and Nucleus, a Contribution to the Theory of
Grammar. Cambridge University Press, Cambridge 1969 |
| Smith, Carlota S. |
| ‘Determiners and Relative Clauses in a Generative Grammar of
English’, in: Language 40, 1964, pp. 37-52; ook in David A. Reibel
en Sanford A. Schane (eds) Modern Studies in English, Prentice Hall,
Englewood Cliffs, 1969, pp. 247-263 |
| Wagner, K. Heinz |
| ‘Verb Phrase Complementation: a Criticism’, in
Journal of Linguistics 4, 1968. p, 89-91 |
|
1Deze bijdrage is het eerste resultaat van
een onderzoek waarvoor ik de steun van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs
en Wetenschappen mocht genieten. (Stipendia in 1967 en 1968 in uitvoering van
het Belgisch-Nederlands Cultureel Akkoord) Ik dank Dr.
A. Kraak, Dr.
P.A.M. Seuren, Drs.
W.G. Klooster en Drs.
Y. Putseys voor hun waardevol commentaar bij een
vroegere versie van dit stuk. Ook de stimulerende vakdiscussies die ik met hen
en met Drs.
R. Dirven over het onderwerp had, waren voor mij een
belangrijke hulp. Voor de inhoud van wat volgt, draag uiteraard alleen ik
echter de verantwoordelijkheid.
2In
Rosenbaum (1967 a, p. 1) wordt de
herschrijfregel nog als volgt geformuleerd:
Ik refereer aan de m.i. correctere formalisering in Rosenbaum
(1967 b). In de Nederlandse versie van deze regel staat
‘PNC’ voor ‘prepositionele nominale
constituent’.
3Zie o.m. Rosenbaum (1967 b, pp.
317-319) en
Roderick A. Jacobs en
Peter S. Rosenbaum (1968, pp. 192-198) voor een
duidelijke voorstelling van deze argumenten.
4Dat er in het Engels echter grammaticale
zinnen zijn die met dit filter ten onrechte zouden worden geweerd moge o.m.
blijken uit:
(a) I expect him to be there at 2 o'clock.
I want him to come.
I hate him to interfere.
naast (b) I expect to be there at 2 o'clock.
I want to come.
I hate to interfere.
Voor kritiek op dit filtereffect van transformaties zie ook
Seuren (1969) p. 51 sqq.
5Analoge gevallen zijn:
Ik hoor Jan afkraken.
Ik zie de jongen aftroeven.
Ik zie het varken slachten.
6Cf. trouwens de uitspraak van de auteurs:
‘Actually, these arguments are far from conclusive. All that they really
show is that relative clauses and noun phrase complements (sic) constructions
have distinctly different properties. But they do not prove that these
constructions have the phrase structures, attributed to them in the preceding
pages…. The structure proposed, then, for relative clauses in only
tentative. Most probably it is not correct. (Jacobs en Rosenbaum, 1968, p.
49)
7Zie o.m.,
Carlota S. Smith (1964) en
Noam Chomsky (1965) pp. 129-131 en 137- 138.
8Persoonlijke mededeling van Dr.
P.A.M. Seuren. (17-10- '69)
9‘Vacuous extraposition’ wijzigt
de syntactische structuur zonder de lineaire volgorde te veranderen.
Gegeven is de volgende formalisering voor de Extrapositie
transformatie:
|
S.B. |
X |
- |
HET |
- |
Z |
- |
Y |
|
|
|
1 |
|
2 |
|
3 |
|
4 |
OPT |
|
S.W. |
1 |
|
2 |
|
4 |
|
3 |
→ |
Indien in de S.B. de variabele Y = 0, dan neemt Rosenbaum aan
dat voor een dieptestructuur als (39) de transformatie nog van toepassing is.
De extrapositie is dan wel leeg, maar ze sorteert het volgende effect: de
ingebedde zin staat niet langer meer onder NC naast HET, maar komt onder VC,
zoals wordt afgebeeld in het op de volgende pagina afgebeelde diagram.
Volgens
Rosenbaum is daarop dan ‘HET-Vervanging’
van toepassing, wat zou voeren tot
De knoop Z' werd hierboven gedeleteerd overeenkomstig regel van
‘Tree-Pruning’ (Ross, 1966). Zie voor een ander
voorbeeld paragraaf 7, observatie (54) in dit stuk.
10Bij de formalisering van de
‘HET-Vervanging’ transformatie voor het Engels is een voorwaarde in
de S.B. /B de aanwezigheid van de ‘complementizers’
‘ for-to’ of ‘Poss- ing’. Vandaar nr. 6 in
die S.B.. Bij that-complementizer werkt de transformatie niet. Het is
mij niet duidelijk waarmee deze ‘complementizers’ in het Nederlands
overeenstemmen. Daarom vertaalde ik ze hier niet. In het diagram (42) heb ik ze
vervangen door een vraagteken.
11‘Chomsky Adjunction’ verschilt
van ‘Daughter Adjunction’. In de noot 8 is het diagram dat na
toepassing van ‘Extrapositie’ ontstond een voorbeeld van
‘Daughter Adjunction’. De uit de NC geplaatste Z' komt onder VC. In
(42) rechts komt de Z' niet onder de oorspronkelijke VC, aangeduid met het
cijfer 2. De Z' komt onder een hogere, nieuwe VC, die nu de oorspronkelijke VC
en de Z' domineert
De VC in een rechthoekje is het resultaat van ‘Chomsky
Adjunction’. Bij ‘Daughter Adjunction’ gaat de
oorspronkelijke structuur verloren, bij ‘Chomsky Adjunction’
ontstaat een nieuwe knoop, de oorspronkelijke structuur blijft echter
bewaard.
12Volgens
Paul en Carol Kiparsky (1968) is het optreden van
‘ for- to’ in het Engels beperkt tot de klasse van predikaten
die ‘emotieve’ complementaire structuren bij zich kunnen hebben.
Deze predikaten ‘express the subjective value of a proposition rather
than knowledge about it or its truth value.’
13Voor een overzichtelijke behandeling van de
infinitiefconstructies in het Engels zie o.m.
A.S. Hornby (1961), waar de ‘bare
infinitives’ besproken worden op pp. 25-26.
G.S. Overdiep (1937) besteedt in § 195-218 ruime
aandacht aan infinitiefconstructies in het Nederlands. De in deze bijdrage
voorgestelde hypothese werd nog niet op concordantie met deze beschrijving
getoetst.
|
|