|
|
|
| |
| | | |
Jan van der Veen (1587-1659)
Hoe Grol, de loze hoer, haar geest korts heeft gegeven,
Dat heeft een geuzenpen op paaps papier beschreven.aant.
Grol, dat loze papenhoertje,
Schelmenvoedster, dievenmoertje,
Teelster van de guiterij,
5
Ligt zo deerlijk op haar sterven,
't Beste dat men bij haar vindt,
Want hij is haar liefste kind.
Al haar bloedverwanten wenen,
10
Al haar vrienden droevig stenen.
Och! Wat is er een geklag!
Och! Wat is er een gewag!
Roept toch haastig de geburen,
't Zal met haar niet lang meer duren.
15
O! Daar geeft ze nog een zucht.
Staat zo na niet, geeft haar lucht!
Voelt de pols, die slaat zo zwakjes.
Leken-Jasper, loop toch strakjes
Om de priester, om de paap,
Loop toch heen, haal broer Cornelis
Met zijn witgebakken melis
En zijn ander goochelspel,
Want bij 't puikje van de hoeren,
25
Want bij 't droesje van de boeren,
Want bij 't pit van alle kwaad
Schier de wind de aars uit gaat.
Ziet, hoe is 't gelaat vervallen!
Wie mag trotsen op zijn wallen,
30
Op zijn schoonheid, op zijn kracht,
| | | |
Op de diepte van zijn gracht,
Op zijn loosheid, op zijn lagen,
Op zijn jonkheid, op zijn dagen,
Op zijn vechten, op zijn moed,
35
Op zijn rijkdom, op zijn goed,
Op zijn welgestelde woning,
Op zijn prins of op zijn koning?
Hogemoed komt voor de val,
En de dood vernielt het al. De dood spreekt:
40
Och, och! Daar geeft ze haar geest,
Dat boos gekroonde beest!
Heeft nu de ziel gespogen.
Daar helpt geen slag of stoot.
45
Zie daar! De hoer is dood.
Als er iemand wilde weten
Hoe de krankheid heeft geheten
Waaraan Grol het leven liet:
't Was de brandziekt', anders niet.
|
|
|