|
|
|
| |
Johannes Vollenhove (1631-1708)
Bruiloftsfeest
Van de hoogedele en welgeboren heer Rutger van Haarsolte, heer te Westerveld en Wolfshagen, dijkgraaf van Salland en landrentmeester van het graafschap Lingen, en de hoogedele en welgeboren joffer Lebuwyne van IJsselmuiden, dochter van de Rollekateaant.
Cunctus pelagi cecidit fragor
Van de volheid, dicht en vol
Welig ooft gepropt en koren,
Naast het zegenrijke Zwol
5
Te verheffen op mijn cyter,
Door de gunst van Utrechts mijter,
Lustvertrek in uwen tijd,
Oude bisschopshof der heren
10
Van het Neer- en Oversticht:
Nu eens blij aan 't kwinkeleren!
't Lust me u een feestgedicht
Voor te zingen, nu uw straten
| | | |
Groen bestrooid met bruiloftpalm
15
En van blijdschap uitgelaten
Overeind staan, op de galm
Die 't gewenste trouwverbond
Van Haarsolte groet met rijmen.
20
Heer Haarsolte, niet gewond
Door een dartele vlammenstoker,
Meer vermag dan toorts of koker.
De edele bruid veel schoner staat
25
Met de pracht van kuise zeden,
Dan juweel of bruidsgewaên
Die van boven tot beneden
Stijf van goud en parels staan.
Wakkere deugd is eêl gesteente,
30
Leent van buiten geen getooi.
Dus, juicht adel en gemeente
Op het slot van Godefrooi,
Tot een borstweer dezer landen
Trots volbouwd, en waar de Fries,
35
Toen het fel met ijzeren tanden
Van zich beet, met groot verlies
Storm op storm zijn hoofd kwam stoten!
Nog braveert dit zelfde slot
Sterke steên en vaste sloten
40
Met een deerlijk overschot
Van zijn muur, nu IJsselmuiden
Met de zorgen van een drost
Hier voor landen waakt en luiden,
En zo vast staat als een post.
45
Zo klinkt over alle daken
Hem ter eer een blijde groet
Van zijn naaste bloed, aan 't blaken
| | | |
Door een zuivere minnegloed;
Gloed waardoor we zien gesmolten
50
d'Eelste stammen ondereen:
IJsselmuiden en Haarsolte,
De eer van Ridderschap en Steên.
Vollenhove en Salland paren,
55
Wat het Zwolse Diep de baren
Van de Zuiderzee vertelt,
En de Vecht het Zwarte Water,
Waar hij zijne kruik in giet.
Dat verneemt men aan 't geschater
60
In de biezen, onder 't riet.
Heel het zeevolk, zoet op spelen,
Groet met spel deez' bruiloftsfaam,
Tritons, die van toon verschelen,
Zich trompettend buiten aêm.
65
Blanke zeemeerminnen schieten
Op die zeegalm uit de droom.
En de nimfen van de vlieten
Vlechten in de kille stroom
Heet van ijver groente en lover
70
Aan een bruiloftskrans van wier.
Nu zijn alle stormen over.
Geen gedruis verneemt men hier
Van de zeestorm, die met buien
75
d'Oren opsteekt uit het zuien
Dat de wereld kraakt van schrik,
Mengelt oceaan en wolken,
Akkervrucht verdrinkt en vee,
Streken lands misschept in kolken,
80
Vloten slingert over zee.
In de zeescha, korts geleden,
| | | |
Zal de dijkgraaf dra voorzien,
Wel gewoon d' oplopendheden
Van de Zuidzee 't hoofd te biên
85
Met geweld van zoden, heggen,
Plank en paalwerk, dijk en dam.
Maar de winden gaan nu leggen
En de zee, voorheen zo gram,
Zwijgt, of ruist met zachte baren,
90
Net alsof ze, blij van geest,
't Huw'lijk, de eerstof van mijn snaren,
Eerde met een bruiloftsfeest.
Als de lent' het land beschildert,
Dat van kruid en bloemen zwelt,
95
Nu door winterweer verwilderd,
Hoe ontluikt dan Westerveld!
Dat al uitziet met verlangen
Als een huisvoogdes te ontvangen
100
In een schoner zonneschijn;
Waar de wind slechts blaast met geuren,
Rozenkleur schakeert met kleuren
En hen toelacht uit de wei;
105
Waar het room en honing druppelt,
Als zij aan de waterkant,
Die van wildzang leeft en huppelt,
Gaan, gevlochten hand in hand;
Waar, zodra de Meizon schijne,
110
't Zingen aangaat, zoet en eel:
Juicht het ganse lustprieel.
Schoon dan op Haarsoltes schouderen
't Zware pak van landzorg rust,
115
Naar het voorbeeld van zijn ouderen
| | | |
Draagt hij al die last met lust,
Langzaam oud en afgesleten,
Wat hij niet een Jeugdgodin,
Klucht en dromen van poëten,
120
Heeft te danken, maar zijn min.
Waar hij minzaam wordt bejegend
En 't vermoeide brein verkwikt,
Als het veld, met dauw gezegend,
Voor het flauw van hitte stikt.
125
Edel paar, o trouwgenoten!
Met twee zielen zing nu elk
Door de trouw ineen gegoten,
Dat uw blijdschap nooit verwelk'.
Uwe min moet stenen muren
In geluk en kracht verduren.
En 't rood veld, bezaaid met starren
Geeft hierop een schoner glans.
135
Dies de nadruk zal niet marren
Van die wens, in 's hemels trans,
Door de hoogste feestgenoten
Toegestemd en vast besloten.
|
|
|