|
|
|
| |
Titia Brongersma (?-?)
Lof op 't hunebed, of de ongemene, opgestapelde steenhoop te Borger in Drenteaant.
'k Sta als verbaasd deez' steenmijt aan te schouwen.
't Schijnt dat weleer het dappere Hunnenschap
Daar heeft gewild een denk-plaats op te bouwen
Om zo te streven op de eretrap.
5
Neen, 't is 't gestapel waar een drom van reuzen
Door wraak gehitst het godendom bestreed,
Doch die men zag tot mortel zelfs verkneuzen
Door 't bliksemvuur van Mulciber gesmeed.
Of 't zijn alleen getorste pyramijden,
10
Of tomben, want dit grove berggewas
| | | |
Besluit in haar gewelfsel van voortijden
Nog, als bewijs, geheiligde offer-as.
Neen, 't is veeleer Natura's marmeren tempel,
Waarin zij wil dat men haar godheid eert,
15
En aan de voet haars negentallige drempels
Niets anders dan een lofgezang begeert.
Laat Thebe vrij nog pochen op haar muren,
Die schier in 't hoog bereikten 't wolkgespan,
Dit rotsgevaart zal langer kunnen duren.
20
Geen kracht, hoe groot, haar force kwetsen kan.
Kom nimfjes, en gij Drentse herderreien!
Bepronk met loof dit Borger steenpaleis!
Wil top en kruin met bloemen overspreien.
Schenk aan Natuur daarvan haar deel en eis.
25
Ik neurie dan met hese en schorre tonen
('t Zij wat het wil) tot roem der wondere grot
Een loflied en bereid de eiken kronen,
Waarmee 'k bepruik het grote keienslot.
|
|
|