|
|
|
| |
Titia Brongersma (?-?)
Op de ongemene plezierige wandelplaats, de Singel, buitenom de stad Leeuwardenaant.
O weeld'rig iepenwoud, begrondigd in uw paden,
Met wat een hartelust heb ik u vaak betreên,
En in uw galerij veel uren doen besteên,
Om daar in 't boomprieel mijn suffe geest t' ontladen!
5
Uw kruinen, die zo steil tot aan de wolken schieten,
Bekransen vaak mijn hoofd, zodat deez' puikwarand'
De palmengaarde trotst van keizer Ferdinand,
Waar 't Friese jufferdom haar vreugd komt door genieten.
Maar schoon deez' wandelbaan en effene bosschage
10
Dat Leeuwards vesten kroont en grachteboorden siert,
Niet naar waardij van mij kan worden belaurierd,
Vergun dan dat ik u van eigen telg-pluimage
Bereid een lof-festoen, die ik ten toon mag rijgen
Aan Oldehove's spits, om uwe Singeltuin
15
Te stellen op haar troon; en dat ik uitbazuin
Uw roem, die groter is als 't opperhof der Phrygen.
Wast dan als ceders en groei op tot populieren!
Stort amberdropjes uit, bedruip uws stichters hand
Die in zo juist een rij uw tronken heeft geplant
20
En doet uw schoonheid met een Fenixvlerk bezwieren.
|
|
|