|
|
|
| |
| | | |
E. Wolff-Bekker (1738-1804)
Gedeelten uit Beemster winter-buitenleven. Twee brievenaant.
Brief 2
Wij hebben puur al zomerwegen.
Dat scheelt wat bij de laatste keer
Dat ik u schreef. 't Was: regen, regen,
En alle dagen 't ouwe weer.
5
Met wand'len was geen heil te halen,
Zoals ik u ook heb verteld.
De zon deed hare held're stralen
Niet schijnen over 't natte veld,
Maar bleef gestaag ons oog ontduiken.
10
Ik zag haar somtijds in geen week.
De weg was niet om te gebruiken,
Die toen een modderpoel geleek.
Men zag fargon noch sjees noch wagen,
Zodat ik wel, met reên niet klein,
15
Aan u kon schrijven in die dagen:
‘Ik zit in het slijk zeer onrein.’
Deez' schone Beemster, die elk roemde,
Die men bezocht van alle kant,
Die men Noordhollands lusthof noemde,
20
Dit fraai geboomt, dit heerlijk land
Dat zoveel vreugde kon verlenen
Zag, in dit treurig jaargetij,
Al zijn bekoorlijkheên verdwenen.
't Was uit: geen mens kwam er meer bij,
25
Tenminste niet in al die weken
Waarvan gij reeds 't verhaal ontving.
Want, om eens met ons volk te spreken,
't Was ‘onbeweeglijk’ waar men ging.
Er was geen wagen door te trekken
| | | |
30
Dan stapvoets. 'k Zag het willig paard
Zich meermaal uit elkander rekken
Met vrachtjes nauwelijks noemenswaard
Die men naar Purmerend zou voeren,
Of die de Oosthuizer had gekocht.
35
En onze goeie Beemsterboeren
Vernamen wat op zulk een tocht!
Nu zult gij zeker al bespeuren
Waarom ik van de winter hou,
En 'k wed gij dit niet af zult keuren.
40
'k Ontken 't geenszins (o ja, mevrouw!),
'k Ben smorelijk verliefd op bloemen.
'k Bemin met drift het vrije land.
'k Zal steeds een roosje schoner noemen
Dan de allerschoonste diamant.
45
't Is waar, al wat mijn oog verrukte
Toen blonde lente trad door 't groen,
En ik het eerste bloempje plukte,
Gekweekt door dat bemind seizoen;
Al wat aan 't wenslijk buitenleven
50
De milde en rijke zomer gaf;
Al wat de herfst ons had gegeven,
Nam ons de strenge winter af.
Er zijn geen blaadjes aan de bomen.
Geen vogeltje vloog hier omtrent,
55
Was 't niet om 't kostje te bekomen.
Maar 'k heb die diertjes dat gewend
En strooi, met hun gebrek bewogen,
Voor onze vensters telkens wat,
Of deel uit vriendelijk mededogen
60
Hun mee van kleine pietsjes schat.
Men ziet geen enkel grasje groeien.
Het ganse veld is doods en naar.
Men ziet geen enkel bloempje bloeien.
| | | |
Dit alles is maar al te waar.
65
Wat wil dat nu toch anders zeggen,
Dan dat het thans geen zomer is?
'k Heb daar niets tegen in te leggen;
Ik ondervind dat zeer gewis.
Ik ken zijn woedende onweervlagen
70
Zo goed als enig mens die kent.
Ik weet wel dat hij alle dagen
Ons juist geen zachte koeltjes zendt,
Noch zulk een lief uitlokkend weder
Als heden onze geest verblijdt.
75
Zijn storm slaat menigwerf terneder
't Geboomte dat hij scheurt en splijt
En doet op zijnen wortel beven,
Terwijl een rukwind loeit en giert
En dwarrelt door deez' fraaie dreven,
80
Nu te enenmaal door hem ontsierd.
En zelfs op zijn verschrik'lijk woeden
De pastorie vast beeft en kraakt.
Maar, kan ik mij daar niet voor hoeden?
En hoe gezond en zuiver maakt
85
Hij dan voor ons de lucht met enen!
Besefte men dit eens terdeeg,
Onmoog'lijk was het, zou ik menen,
Dat hij ooit die verwijten kreeg,
Hem door mijn broeders de poëten
90
Zo onbesuisd naar 't hoofd gegooid!
'k Bemoei mij niet meer met die heren!
'k Heb daar te lang mijn tijd verpraat.
Waar zijn nu 's winters norse buien?
Zie hoe de zon haar stralen spreidt
95
En praalt, in 't altoos zachte zuien,
Met onbeschrijfb're majesteit.
| | | |
Hoe dierbaar is nu hare luister!
Hoe koesterend haar verwarmend licht!
En is het 's avonds spoedig duister?
100
De blanke maan streelt ons gezicht
En maakt ons menigmaal genegen
Om eens te treden door het veld,
Terwijl hij schijnt op land en wegen,
Door 't schitterend sterrenheir verzeld.
105
Dan loeien door deez' brede linden,
Die voor mijn lage woning staan,
Geen geselende noordenwinden.
Dan schuift geen wolkje voor de maan.
Zij blikkert door de ontblade bomen
110
En blinkt door alle takjes heen.
Nu kan ons volk weer samenkomen.
Nu komt het veeltijds ook bijeen.
De winter heeft vermaak'lijkheden,
Vooral hier op het stille land.
115
Wij smaken die in grote steden
Allenig op een andere trant
Dan in het eenzaam buitenleven.
Hierin bestaat heel 't onderscheid.
Men kan hier geen concerten geven,
120
Hoezeer muziek de smaak thans vleit.
Geen assembleezaal staat hier open,
Het lijkt er niets ter wereld naar.
Men kan niet naar de schouwburg lopen,
Noch naar de Duitse Opera.
125
Noch wordt hier groot salet gehouwen.
Men kent hier op het best de kaart,
Vooral tenminste onze vrouwen.
En nooit ziet men een sledevaart
Door lieve poppeheertjes rijen
130
(Zo hondjesachtig opgeschikt!).
| | | |
Wat weten wij van danspartijen?
('k Zeg juist niet dat men daarvoor schrikt!)
Van al die kostelijke zaken
Wordt hier het minste niet gezien.
135
Maar of zij echter zich vermaken,
Vraag dat eens aan mijn hupse liên!
Wat weten zij van tijdvervelen?
En, wat u zeer wel is bewust,
't Staat maar aan mij daarin te delen,
140
Doch daarin heb ik zelden lust.
'k Hoef nu niet op een plank te lopen
Als ik op 't schelppad wezen wil.
De sloten zijn, 't is waar, nog open,
Maar, houdt de wind zich nog wat stil,
145
Dan zal 't wellicht geen week meer lijen,
Of 't jonge volk komt op de baan.
't Zal weergaloos zijn om te rijen.
Ik zie alreeds de molens staan.
‘Het hoeft niet een duim meer te dalen,’
150
Was 't antwoord toen ik ernaar vroeg,
‘Het winterpeil is al gemalen.
Het water staat al laag genoeg.
Het hinderde ons ook niemendallen
Als 't lage land wat onder lag!’
155
Daar is vannacht wat sneeuw gevallen,
Zoals ik bij mijn opstaan zag.
Ei! 't Windje schiet naar 't oosten henen.
Het luchtje is helder als een glas.
Wij krijgen ervan, zou ik menen!
160
Bij elke voetstap kraakt het gras.
't Is rondom droog. 'k Hoef niet te schromen
Of ik ook in het slijk zal treên.
De rijp kristalt de stam der bomen
| | | |
En schiet al om de takjes heen.
165
'k Beschouw dit alles zeer aandachtig.
Hoe heerlijk stijgt de zon omhoog!
Dat 's wonderbaarlijk schilderachtig!
Het schittert alles in mijn oog.
Wel inderdaad, dat heet met reden
Nu liggen alle sloten toe
Waardoor de Beemster wordt gesneden.
En 's morgens is 't misschien ook waar.
Wat zijn de kinders nu tevreden!
175
Zij glissen al eens hier en daar.
Men haalt de schaatsen uit de hoeken,
Of loopt om nieuwe naar de stad.
Men gaat een leertje, een touwtje zoeken.
Men slijpt de roestige ijzers glad.
180
En nauwelijks hebben zij de vrijheid
Om te gaan zien hoe 't ijs al is,
Of elk betoont een grote blijheid.
In 't eerst gaat het wat ongewis,
Totdat ze verder, verder glijen.
185
De grootste waaghals gaat al voor
En roept: ‘'t Is wèrelds mooi te rijen!’
Zakt hij er bij geluk niet door,
Dan wint hij dadelijk hun vertrouwen,
En elk om 't gauwste naar de baan.
190
De meisjes die dit vast beschouwen,
Die binden ook de schaatsjes aan.
Zij scholen echter dicht bijenen
En gaan niet uit de Kerkesloot.
De vrees is nog niet heel verdwenen,
195
Maar het verlangen veels te groot
Om 't nog tot morgen uit te stellen.
| | | |
Dat kon onmogelijk geschiên!
Wat zullen hen de jongens kwellen,
Zodra die hun bevreesdheid zien.
200
'k Sta onderwijl dicht aan het kantje,
En wijl ik gek met kinders ben,
Leen ik wel bij geval een handje
Aan 't kind dat ik 't bijzonderst ken,
Indien het niet op gang kan raken.
205
Geen van dat goedje is schuw voor mij.
Hun zoet gesnap kan mij vermaken.
Patrijsje is ook van de partij,
Maar durft in 't eerst op 't ijs niet springen.
Hij loopt al blaffend om mij heen,
210
En door mooi praten of met dwingen
Komt hij bij mij, gans niet tevreên.
Zijn vrees begint allengs te minderen.
Hij loopt al sullend over 't ijs,
En morgen vliegt hij met de kinderen
215
Al mee. Elk speelt toch met Patrijs.
Dan is het: ‘Verder niet te rijen,
Jij kleine meid, kom, hier weer heen!
Daar is een wak, dat moet je mijen!
Zeg, waarom rij jij zo alleen?’
220
De jongens, die als vogels zweven,
Die weten niet meer van gevaar
En maken ook zo vrij wat leven,
Terwijl ze dwarrelen door elkaar.
Zie ik er hier of daar een vallen,
225
En hoor ik dat het juichen duurt,
Dan denk ik: ‘O, dat 's niemendallen.’
Intussen komt er uit de buurt
Zo de een en ander ook eens kijken
Of 't nog zo wat ‘benierlijk’ gaat,
| | | |
230
Of onze maats te verre wijken,
En 'k raak met ere aan de praat.
Ik moest een echte steiloor wezen,
Gaf ik mijn luitjes geen bescheid.
Of het gelaakt wordt of geprezen,
235
Ik leef in mijn eenvoudigheid.
'k Ben recht geschikt voor 't buitenleven.
Dat ongemaakte is juist mijn zaak.
Wie zich hier zotte airs zou geven,
Had hier noch achting, noch vermaak.
|
|
|