Deze studie is voortgekomen uit nieuwsgierigheid naar het leven van voc-dienaren, in de eerste plaats naar dat van degenen in de lagere rangen. Twee vragen dienden zich daarbij aan: wat waren dat voor mensen en hoe hebben ze hun dienstverband beleefd? Het beeld dat in de geschiedschrijving van hen bestaat is ongunstig. Het zouden armoedzaaiers zijn, gedroste soldaten, leeglopers, bankroetiers en anderszins lieden die niet wilden deugen. Om de juistheid van dit beeld te toetsen heb ik mij gericht op het onderzoek naar Duitsers die dienst hebben genomen bij de voc, omdat vooral zij veel autobiografische geschriften hebben nagelaten en omdat de meesten van hen aanmonsterden in een lage rang. De eerste stap was dan ook een uitvoerig bibliografisch onderzoek naar deze bronnen. Dit resulteerde in een veel groter bestand dan in de literatuur bekend was, namelijk in 79 teksten van 47 auteurs. Dat betrof 14 handschriften, 35 eerste drukken en 30 herdrukken. Om deze bronnen zo goed mogelijk te benutten heb ik geprobeerd de traditie van dit soort teksten te reconstrueren. De meeste vertonen zowel trekken van het reisverslag als van de autobiografie. Beide tradities komen samen in het ‘autobiografische reisgeschrift’.
Het hoogtepunt van de populariteit van deze Oost-Indische reisbeschrijvingen in Duitsland lag tussen 1660 en 1740. Ook de productie van andere boeken over Azië, landbeschrijvingen en avonturenromans die in de Oost speelden, nam in Duitsland vanaf de jaren zestig van de zeventiende eeuw een hoge vlucht.
De 47 behandelde auteurs vertonen sterke overeenkomsten. Het waren mensen die geen universitaire opleiding hadden en ook niet uit de hogere standen van de maatschappij afkomstig waren, maar die wel konden lezen en schrijven en een behoorlijk observatievermogen paarden aan een zekere mate van zelfreflectie. Gemiddeld op hun zeventiende jaar verlieten ze het ouderlijk huis. Ze hadden doorgaans een ambachtelijke opleiding achter de rug en waren vooral afkomstig uit de lutherse steden en staten van Midden-Duitsland. Gemiddeld waren ze 24 jaar toen ze aanmonsterden bij de voc. Dat dit soort ‘ungelehrte’ mensen hun autobiografie schreven was een in Europa wijder verbreid verschijnsel. Hun eenvoudige afkomst, hun geringe opleiding en hun niet-literaire stijl werden aangevoerd als garantie voor de betrouwbaarheid van hun reisverslagen.
De bestudeerde teksten zijn in structuur chronologisch van opzet; inhoudelijk hebben ze een sterk element van zelfrechtvaardiging. Over het algemeen schetsen ze een beeld van de auteur als een moedig, onderne-
mend en godvruchtig mens. Ze onderscheiden zich duidelijk van fictionele teksten zoals avonturenromans. Voor zover te controleren zijn ze zeldzaam goed in overeenstemming met gegevens uit andere bronnen.
Wat uit dit soort bronnen valt af te leiden is in de eerste plaats het perspectief van de auteur en zijn persoonlijke beleving van het beschrevene, zoals de scheepsreis en het leven in Azië. Dat is informatie die uit geen andere bron, behalve de brief, is af te leiden. Wat bij die beleving opvalt is de voortdurende bedreiging waaraan mensen blootstonden, zowel in Europa (het risico van beroving, slecht gezelschap, verkeerde herbergen, de kans op verdwalen), aan boord van de schepen (zware tucht, stormen, schipbreuk, piraten, slecht voedsel, gebrek aan drinkwater, ziektes) en in Azië (het moordende klimaat, ziektes, militaire acties). Dat alles werd ondergaan zonder enige rechtszekerheid en in het besef dat er zich - zeker in een vreemd land - niemand om hen bekommerde. De teksten leren iets over de strategieën waarmee deze mensen probeerden te overleven. Daaronder vallen het zoeken van een betrouwbare kameraad, zowel op de schepen als aan land in Azië, om samen sterk te staan tegenover een vijandelijke wereld, het zoeken van protectie bij een hogergeplaatste die misschien voor promotie zou kunnen zorgen, en niet in de laatste plaats het vertrouwen in God. Ten tweede bevatten deze teksten feitelijke informatie die nieuw is, of die bekende gegevens nuanceert dan wel aanvult.
Bij de beweegredenen om op reis te gaan heb ik een onderscheid gemaakt tussen het motief om van huis te vertrekken en het motief om aan te monsteren bij de voc. De oorlog heeft velen van huis verjaagd, ofwel omdat stad en land werden verwoest, ofwel omdat men op de vlucht sloeg voor ronselaars die op jacht waren naar weerbare jongemannen voor het een of andere leger. Daarnaast lag het voor ambachtsgezellen in de lijn der verwachting dat ze na hun opleiding een aantal jaren op Wanderschaft gingen. Op deze reizen kwamen ze soms jongemannen tegen die naar Nederland trokken om daar dienst te nemen bij de voc. Anderen besloten pas in Nederland aan te monsteren, en weer anderen raakten door geldgebrek in handen van zielverkopers die hen aan zich bonden, en er weliswaar voor zorgden dat ze een betrekking bij de voc kregen, maar ook dat ze diep in de schulden raakten. Een aantal geeft grif toe dat ze uit ‘Geldmangel’ hebben aangemonsterd, zoals het traditionele beeld wil. Maar ook andere motieven hebben een rol gespeeld, zoals nieuwsgierigheid. Een aantal van hen had immers een baan, anderen bezaten geld en vaak zoveel dat ze, wachtend op de schepen waarmee ze zouden uitvaren, hun logies en hun uitrusting konden bekostigen. Zij lieten ook geen schuldbrief opstellen. Dat wijst dus niet op een overhaast vertrek, op een noodsprong om te ontkomen aan een uitzichtloze situatie in Europa.
Drie conclusies betreffende het Duitse lagere personeel dringen zich op. Ten eerste moet het beeld van de buitenlanders die aanmonsterden genuanceerd worden. Het waren lang niet allemaal armoedzaaiers. En bovendien: als ze arm waren, wil dat niet zeggen dat ze onontwikkeld waren, van lage komaf, of dat zij moreel niet deugden. Die zaken worden te vaak verward.
Ten tweede blijkt dat onder degenen die als militair aanmonsterden maar een minderheid werkelijk militaire ervaring bezat. Er zijn geen aanwijzingen dat juist soldaten aanmonsterden; het is dan ook beter te spreken van mannen die aanmonsterden in de rang van soldaat.
Ten derde: Duitsers die dienst namen bij de voc hadden het op verschillende punten moeilijker dan Nederlanders. Zij hadden in Nederland een slechte naam, ze spraken en schreven de officiële taal, het Nederlands, niet, ze mochten hun godsdienst (lutheranisme) niet openlijk belijden, ze werden geweerd uit hogere ambten en het was voor hen moeilijk daar protectie te vinden omdat in de hogere rangen weinig Duitsers doordrongen.
De meeste in dit boek bestudeerde Duitsers voeren uit als soldaat. Juist zij liepen het risico door ziekte eerder te sterven dan de matrozen of degenen met een hogere rang, zowel op de schepen als in Azië. Voor allen was het Oos-Indisch avontuur een hachelijke, gewaagde onderneming, waarvan zij bij aanvang de consequenties niet konden overzien.
Het leven in dienst van de voc was voor de Duitsers totaal anders dan ze gewend waren, in een ander klimaat en met lossere zeden dan thuis. Aan boord van de schepen bepaalden enkele variabelen de waardering van de reis: de duur, de kwaliteit en de distributie van voedsel en drank, het uitbreken van ziektes, de kwaliteit der officieren, de staat van het schip en de duur en hevigheid van stormen en windstiltes. Men vond het scheepsleven zwaar, maar in het gunstigste geval niet onoverkomelijk. Uit de opmerkingen van de auteurs blijkt dat de soldaten de zeelieden beschouwden als een ander slag mensen: ruwer, met een eigen levensstijl, eigen grappen en gewoontes, en vooral zeer goddeloos.
De Aziatische samenleving werd als vreemd en anders ervaren, maar zeker niet als iets waarop in principe moest worden neergekeken. Gefascineerd zijn de auteurs door godsdienst en seksualiteit. Keer op keer wordt geschreven over de heidenen en hun merkwaardige gewoontes. Maar de oordelen lopen sterk uiteen: van een absolute veroordeling van dat heidendom, via een zeker medelijden met deze volkeren die ‘de ware religie’ nog niet gevonden hadden, tot bewondering voor hun vroomheid, die groter is dan die der christenen. Wat betreft de seksualiteit is men geobsedeerd door polygamie en door een vrije seksuele opstelling van inlandse vrouwen. Er bestonden vriendschappelijke contacten met Aziaten, men leerde een of meerdere Aziatische talen. Meer systematische aandacht ging vooral uit
naar de natuur, naar vruchten en planten en de bruikbaarheid daarvan en naar dieren, hun uiterlijk, gewoontes en gevaarlijke kanten.
Ook voor het leven in Azië gold dat het van een aantal factoren afhing of men er met afkeer dan wel met waardering over sprak. De rang, de plaats waar men gestationeerd werd, de gezondheid van die plek en de mogelijkheid om iets extra's te verdienen bepaalden de mate waarin men het kon uithouden. Van loyaliteit aan de voc is weinig te merken. Drie voorwaarden waren beslissend om het Oost-Indisch avontuur succesvol te laten verlopen: gezondheid, protectie van hogergeplaatsten en een betrouwbare kameraad.
Het beeld van de vrolijke, ongebonden Oost-Indiëvaarder die na terugkeer de bloemetjes buitenzette, heeft vermoedelijk betrekking op de zeevarenden, dat wil zeggen op die zeevarenden die dit als hun hoofdberoep zagen en niet als een tijdelijk avontuur. Zij vormden in maatschappelijk opzicht een heel ander slag mensen dan degenen die als militair, als ambachtsman, bestuurder of klerk hadden gediend. Hun leven speelde zich af op zee. Het verblijf aan land was altijd tijdelijk, het verzamelen van een kapitaal had weinig zin, omdat het niet op hun levenspad lag zich blijvend te vestigen, een huis te kopen of te trouwen. Voor hen was het geen probleem om de uitgekeerde gage er snel en grondig doorheen te jagen.
Voor anderen, vooral de soldaten, lag dat anders, die moet men eerder zien als gastarbeiders overzee. Zij waren vertrokken met het idee een beperkt aantal jaren in dienst van de voc te werken en geld te verdienen, om daarna terug te keren en een burgerlijk bestaan op te bouwen. Het feit dat ze bijna allemaal ziek terugkwamen of na verloop van tijd alsnog ziek werden, wijst er al op dat hun terugkeer niet zo feestelijk verlopen kan zijn.
Om, eenmaal terug in Duitsland, weer opgenomen te worden in de maatschappij moest aan minstens twee voorwaarden zijn voldaan: men moest een goede betrekking krijgen en een gunstig huwelijk sluiten. Hierbij speelden geld en goede connecties een doorslaggevende rol. De na terugkeer uitgekeerde gage van degenen die in de lagere rangen hadden gediend beliep gemiddeld enkele honderden guldens, in enkele gevallen tot een paar duizend gulden. Samen met de opbrengst van de verkoop van mee teruggevoerde goederen was dat nog altijd meerdere malen het jaarsalaris van een geschoolde ambachtsman. Wie geld had kon zich een huis veroorloven, het burgerschap van een stad kopen, zich in het meestergilde laten inschrijven en was bovendien een aanvaardbare partij voor een huwelijk.
Een bijzonder instrument tot sociale integratie lag in de avontuurlijke reis die zij hadden ondernomen. De gerepatrieerde Oost-Indiëvaarder had iets wat geen enkele ambachtsman die in Duitsland gebleven was bezat: zijn exotische, buiten-Europese ervaringen. Hij kon zijn verhalen vertellen aan het hof van de landvorst of bij een burgemeester, hij kon hun zijn handgeschreven reisverslag schenken of zijn gedrukte avonturen aan hen opdra-
gen. Het schrijven van een Oost-Indisch reisverhaal was een heel bijzonder instrument tot maatschappelijke integratie. Wie zijn boek opdroeg aan de landvorst of het stadsbestuur - die daar eerst toestemming voor moesten geven - kon een wederdienst verwachten. Dit gebeurde bijvoorbeeld in de vorm van de schenking van een ambt. Eenzelfde functie vervulde het vereren van de vorst of het bestuur van de stad met een exotisch geschenk. Het Oost-Indisch reisverslag betekende dus veel meer dan alleen een tekst voor vrienden, verwanten en het nageslacht. Het vervulde een praktische functie bij de reïntegratie in het vaderland. Het was een uitvoerige aanbevelingstekst, een uitzonderlijk curriculum vitae.
In het algemeen kan men stellen dat de fantasieën over en de beleving van Azië in de zeventiende eeuw veel positiever waren dan in de achttiende eeuw. Azië krijgt in de achttiende eeuw een slechte naam, de toon van de verslagen wordt bitter. Stond in de vroegere tijd nieuwsgierigheid, de aantrekkingskracht van verre landen en vreemde volkeren, of de aanschouwing van Gods schepping in al haar veelvormigheid op de voorgrond, later, in de achttiende eeuw, verdwijnen dergelijke kleurrijke perspectieven en komt er een cynischer beeld naar voren. Azië is dan een gebied waar geld, hebzucht, nepotisme, ziekte en dood het leven bepalen. Al omstreeks 1720 neemt de animo van Nederlanders af, en later in de eeuw worden de berichten van de Duitsers die gegaan zijn steeds somberder. Vaak wordt het dienstverband met de voc vergeleken met slavernij. Niet langer stapt men in het wonderlijke avontuur van het ‘Irdisches Paradis’, maar scheept men zich in, met een gerede kans het er niet levend af te brengen, op weg naar het ‘Kirchhof der Europaër’.