terug  begin  verder
[p. 298]

Bijlage 2
Historiografie: studies over reisverslagen van Duitsers in dienst van de voc

Over de geschiedenis van het reizen, over Europese reisverslagen, of zelfs alleen Duitse reisverslagen is veel geschreven. Het valt buiten het kader van dit boek om daar een overzicht van te geven. Hieronder bespreek ik uitsluitend de literatuur die specifiek handelt over de reizen en reisverslagen van Duitsers in dienst van de voc.1 Achtereenvolgens komen Nederlandstalige, Duitstalige en Engelstalige publicaties aan bod.

Nederlandstalige publicaties

De vroegste belangstelling voor Duitsers bij de voc dateert van de laatste decennia van de vorige eeuw en manifesteerde zich in verspreide tijdschriftartikelen. Historici die zich qualitate qua met de geschiedenis van de voc en van Nederlands-Indië bezighielden, vonden het een curieus onderwerp. Zo publiceerde de oud-voorzitter van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen N.P. van den Berg in 1872 het artikel ‘Vijf jaren op Banda (1633-1638)’, dat gewijd was aan Johan Sigmund Wurffbain uit Neurenberg. Van den Berg baseert zich op het in 1686 postuum uitgegeven verslag van Wurffbains reizen en verhaalt op een anekdotische wijze vooral over de gruwelijke terechtstellingen op Banda die Wurffbain tijdens zijn verblijf aldaar heeft meegemaakt.2

In 1888 verscheen in het Tijdschrift voor Nederlandsch Indië ‘Duitschers in Indië’ door A. Haeger. Hij beschreef de toevloed van buitenlandse, vooral Duitse gelukzoekers naar Oost-Indië en het feit dat ‘vele van deze avonturiers... hunne lotgevallen uitvoerig medegedeeld’ hebben. Hij noemt ze ‘soms zeer interessant’ omdat ze ‘eene zeer getrouwe schildering der toenmalige toestanden uit eigen aanschouwing’ geven. Wel misten deze mensen, aldus Haeger, het inzicht om de buiten hun gezichtskring liggende toestanden naar waarheid te schilderen. Bovendien verhaspelden ze de namen wel eens en komt ‘door de bekrompenheid der schrijvers veel fabelachtigs en bijgeloovigs voor, waarover wij tegenwoordig moeten glimlachen’. Hier wordt dus voor het eerst de nadruk gelegd op het belang van de directe waarneming, van de ooggetuige. Haeger verdiept zich als eerste serieus in deze buitenlanders en schetst in enkele scherpe beelden in wat voor ellendige omstandigheden ze moesten dienen. Ook hij beschrijft de uiteindelijk succesvolle carrière van Wurffbain. Haeger behandelt eveneens David Tappe, die hij een talentvol mens noemt, maar die hij ruw en verward vindt schrijven. Tappe, aldus Haeger, is lichtgelovig en het boek zit vol ‘femelarij en kwezelarij’. Toch is Tappe interessant vanwege de bijzonderheden die hij vertelt: hij maakt deel uit van een hofreis naar China en trekt mee op een veldtocht tegen de sultan van Mataram. Haeger vermeldt kort Schweitzer, die als soldaat en later als pennist in Batavia en op Ceylon diende. Ook noemt hij de lotgevallen van Elias Hesse, die als administrateur van de goudmijnen op Sumatra werkte, en hij vindt dat deze een nauwkeurige beschrijving van de Kaap geeft. Na de chirurgijn Frik passeert Johann Gottlieb Worm de revue, wiens avonturen werden opgeschreven door een predikant uit de buurt: ‘een vlijtige, maar

[p. 299]

verwarde en wijdloopige compilatie der beroemdste reisverhalen’. Na deze ‘dii minores gentium’ behandelt Haeger nog twee Duitsers die min of meer bekend zijn gebleven: Engelbert Kaempfer en Johann Wolfgang Heydt, en bovendien het Wurtembergs regiment, dat in 1786 uitvoer. Haeger, zelf een Duitser, die ook nog een aantal negentiende-eeuwse verdienstelijke Duitsers noemt, wilde met dit artikel aantonen dat in Indië voor iedereen de weg naar de hoogste betrekkingen openstond als het geluk hem maar diende.

Pas in 1902 wordt opnieuw een van de vele andere autobiografische geschriften van Duitse voc-dienaren onder de loep genomen. J.E. Heeres, hoogleraar koloniale geschiedenis te Leiden, behandelt in twee artikelen in De Navorscher het uitvoerige handschrift van de Elzasser Jörg Franz Müller, die tussen 1669 en 1682 de Compagnie diende als adelborst en van wie twee handschriften zijn nagelaten in de Stiftsbibliothek in Sankt Gallen. Heeres acht Müller een scherp observator, ‘over 't geheel geloofwaardig’, die alleen op ondergeschikte puntjes wel eens fouten maakt. Heeres geeft de fragmenten weer die ‘van geschiedkundige of ethnografische beteekenis’ zijn en die hij ‘òf belangrijk òf aardig’ vindt. Dat betreft een groot stuk van de heenreis en een beschrijving van de Khoikhoi aan de Kaap.3

Het duurt een aantal jaren voor de Duitsers in de Oost opnieuw gerichte aandacht kregen. Dat gebeurde kort na elkaar in de Bijdragen tot de Taal-, Land-, en Volkenkunde van Nederlandsch Indië. In deel 68 is een staatje opgenomen van zes Duitse reisbeschrijvingen.4 In deel 69 wijdt G.P. Rouffaer een kleine bijdrage aan het boekje dat de vader van Johann Sigmund Wurffbain in 1646 had uitgegeven, namelijk een extract van diens brieven uit Indië. De zoon was daar echter zeer ontstemd over en nam de hele oplage uit de handel. In deze jaren publiceert J. de Hullu, archivaris te Middelburg en later archivaris van de koloniale sectie van het Algemeen Rijksarchief, in hetzelfde tijdschrift over verschillende aspecten van het leven aan boord van Oost-Indiëvaarders, waarbij hij zich mede baseert op de teksten van deze Duitsers.5 Speciaal over de Duitsers die zich verdienstelijk hadden gemaakt op het gebied van kunst en wetenschap handelt een artikel dat S. Kalff in 1926 in het Koloniaal Tijdschrift publiceerde. Deze bijdrage is grotendeels een parafrase van Haegers artikel.

De tot nu toe genoemde artikelen verschenen over een periode van ruim een halve eeuw. Ze maakten deel uit van een reeks artikelen die gewijd waren aan zeventiende- en achttiende-eeuwse beschrijvingen van zeereizen, in de eerste plaats van Nederlandse zeelieden. Die verschenen in verschillende periodieken die zich zowel richtten op de algemene vaderlandse historie als op de maritieme en de koloniale geschiedenis. Deze verspreide publicaties handelden bijvoorbeeld ook over reisverslagen van Duitsers die niet naar de Oost maar naar de West gingen, of die in de Europese wateren bij de koopvaardij dienden.6 De Linschoten-Vereeniging, gemodelleerd naar de oudere Engelse zustervereniging de Hakluyt Society, liet bovendien vanaf haar oprichting in 1908 vrijwel jaar-

[p. 300]

lijks een gedegen ingeleid en geannoteerd Nederlandstalig reisverhaal verschijnen. Veel profijt konden de auteurs hebben van de twee bibliografieën van reisverhalen die P.A. Tiele in respectievelijk 1867 en 1884 had gepubliceerd. In 1919 verscheen bovendien Reizigers te Amsterdam. Beschrijvende lijst van reizen in Nederland door vreemdelingen vóór 1850 van J.N. Jacobsen Jensen. Dit is een uitstekende beredeneerde bibliografie waarin ook vele titels van zeevarende auteurs zijn opgenomen, onder wie een aantal Duitsers in voc-dienst.7

In 1930 verscheen het eerste deel van de fraai uitgegeven serie Reisebeschreibungen von Deutschen Beamten und Kriegsleuten im Dienst der Niederländischen West- und Ost-Indischen Kompagnien 1602-1797 (rdb). De samensteller van deze reeks was de kapitein ter zee b.d. S.P. l'Honoré Naber. Naber heeft een monument opgericht voor de Duitse schrijvende voc-dienaar. Na zijn vervroegde pensionering in 1914 wijdde hij zich geheel aan de maritieme historie. Hij was een nauwkeurig en productief auteur en publiceerde talloze artikelen en bijdragen betreffende de marine, de voc en de wic. Een hoogtepunt in dit oeuvre is de genoemde reeks, die zonder medewerking van de uitgever Wouter Nijhoff nooit tot stand had kunnen komen. Het is geen toeval dat Nijhoff medeoprichter en uitgever was van de Linschoten-Vereeniging. Naber zelf is daar driemaal voorzitter van geweest en heeft tien delen bezorgd. In de rdb zijn 13 delen verschenen, met in totaal 3 West-Indische en 11 Oost-Indische reizen. Naber voorzag elk deel van een inleiding en hij verantwoordde weglatingen; de uitgaven waren geïllustreerd met reproducties van de oorspronkelijke gravures. Het belang van dit soort teksten vatte hij in het voorwoord van het eerste deel in enkele punten samen. Ze konden bijvoorbeeld inzicht verschaffen in zaken waarover de Nederlanders doorgaans plachten te zwijgen, zoals straffen en vermaak, omdat die degenen die vertrouwd waren met het leven op de schepen en in Azië, onbeduidend voorkwamen.8 Uit de titel en ook uit het voorwoord blijkt dat Naber de reeks had willen voortzetten tot het einde der achttiende eeuw, waarmee de serie ongeveer 25 titels zou bevatten. Zover is het niet gekomen. De crisisjaren maakten voortzetting onverantwoord en in 1932 werd er een punt achter gezet. Naber was toen al ziek; hij overleed in 1936.

Na de rdb is nog maar één Nederlandse studie over Duitse Compagnie-dienaren verschenen: Buitenlandse getuigen van onze koloniale expansie van H. Terpstra uit 1940, een deel in de populair-wetenschappelijke Patria-reeks, die vele delen bevatte over de koloniale geschiedenis en over zeehelden.9 Terpstra was geschiedenisleraar te Hilversum en werkte mee aan de vijfdelige Geschiedenis van Nederlandsch Indië van F.W. Stapel. Hij benadrukt in zijn eerste inleidende hoofdstuk het belang van deze geschriften. Ze geven informatie die niet uit andere bronnen te halen is: over militaire activiteiten van de Compagnie, over de cultuurhistorische aspecten van het leven in Oost-Indië, en ze bevatten etnografische gegevens en talloze bijzonderheden over het leven op de schepen. Vervolgens behandelt hij de carrières van drie Duitse voc-dienaren in de zeventiende eeuw.10 In het laatste hoofdstuk benadrukt Terpstra nog eens welke ‘belangrijke getuigenissen van onze koloniale grootheid’ deze schrijvende Duitsers gegeven hebben. Ook gaat hij

[p. 301]

in op de functie die deze geschriften destijds hebben gehad. Het was ontspannings-lectuur met nuttige kanten. Het bood nieuwe informatie, maar sommige van de teksten werkten ook als waarschuwing aan het adres van degenen die al te lichtzinnig een reis naar de Oost wilden ondernemen. Ook getuigden de auteurs door middel van dergelijke geschriften van Gods grootheid. Terpstra gaat verder dan het louter behandelen van de levensloop van de auteurs, hij gaat ook in op stijl, illustraties, opdrachten en voorwoorden.

 

Na Terpstra's boek wordt in Nederland weinig meer over dit onderwerp gepubliceerd.11 Twee verklaringen dienen zich daarvoor aan. De Tweede Wereldoorlog zal een aversie hebben veroorzaakt om nog studie te doen naar de Duitse aanwezigheid op Nederlandse schepen en in de Nederlandse vestigingen in Azië. Daar komt bij dat de belangstelling voor de koloniale geschiedschrijving na de oorlog en na de onafhankelijkheid van Indonesië sterk verminderde.12 Pas in de jaren zestig, maar vooral aan het eind van de jaren zeventig, ontstond een hernieuwde interesse, met als zwaartepunten het negentiende-eeuwse beleid in Nederlands-Indië, de periode van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd en de voc. Een nuttig uitgangspunt vormde A Critical Survey of Studies on Dutch Colonial history van W. Ph. Coolhaas uit 1960 (tweede, uitgebreide druk 1980). Coolhaas bespreekt uitvoerig en in prijzende zin de delen van de Linschoten-Vereeniging. Aan de door Naber uitgegeven reeks Duitse reisbeschrijvingen hecht hij minder belang.13

Het onderzoek naar de voc nam vanaf de jaren zeventig een geheel andere weg dan de vooroorlogse ‘Hollandocentrische’ benadering. De voc werd ten eerste veel meer (ook en juist door Aziatische historici) in Aziatisch verband en vanuit Aziatisch perspectief bestudeerd. Ten tweede ontstond een sterke economisch-historische belangstelling voor de Compagnie. De aandacht ging uit naar de bedrijfsorganisatie, de aard en omvang van de handel, van het personeel en van de scheepvaart. De toenemende toegankelijkheid van het voc-archief trok vele onderzoekers uit binnen- en buitenland naar het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, waar dit 1200 meter lange archief berust.14 Een reeks bronnenuitgaven bood bovendien een schat aan informatie.15

Andere accenten in het voc-onderzoek, deels buiten de universiteiten, vooral in de jaren tachtig en negentig, betreffen de scheepsbouw. Deze belangstelling stond in direct verband met de scheepsarcheologie en de reconstructies van Oost-Indiëvaarders. Bij deze veranderde aandacht en benadering bestond weinig aandacht voor de persoonlijke belevingswereld van de voc-dienaar. Ook al werd het personeel kwantitatief onderzocht, vestigde de belangrijke heruitgave van De Hullu's artikelen door Bruijn en Lucassen in 1980 opnieuw de aandacht op de Duitse auteurs en werden in verschillende studies deze Duitsers wel eens aangehaald, ze bleven op de achtergrond.16 Frik, Von Wurmb en Von Wollzogen kregen enige aandacht in aan hen gewijde doctoraalscripties. R. van Gelder publiceerde in 1996 een artikel over de Saksische voc-soldaat Gottfried Preller en diens in handschrift

[p. 302]

bewaard gebleven reisverslag over de jaren 1727-1735.17 De belangstelling voor Nederlandstalige beschrijvingen van voc-reizen kende een opleving met name bij neerlandici met een historisch letterkundige belangstelling.18 De Linschoten-Vereeniging bleef Nederlandse reisteksten met een hoog autobiografisch gehalte uitgeven.19

Voor de studie van de voc in het algemeen en voor die van reisbeschrijvingen in dienst van de Compagnie in het bijzonder is nog een publicatie van groot belang: voc. A bibliography of publications relating to the Dutch East India Company 1602-1800 van John Landwehr. Deze zeer uitvoerige bibliografie bevat onder andere een hoofdstuk met 219 titels van reisbeschrijvingen, waarvan 48 door buitenlanders.

Samenvattend kan men stellen dat in Nederland de belangstelling voor de Duitse reisteksten vooral heeft bestaan tussen 1880 en 1940 binnen het grotere verband van belangstelling voor beschreven zeereizen. Dit alles binnen het kader van de dominante geschiedschrijving van nationalistisch-kolonialistische snit. Artikelen hierover en de bezorging van teksten lag in handen van historici die zich ofwel met de koloniale ofwel met de admiraliteitsgeschiedenis bezighielden, of met allebei. Zij concentreerden zich op zeventiende-eeuwse teksten. Het belang daarvan zagen ze in de vele bijzonderheden die vermeld werden en die niet uit andere bronnen te verkrijgen waren. Vermeende negatieve eigenschappen van deze teksten, zoals een slechte stijl, een rommelige compositie en goedgelovigheid deden aan het belang van deze verhalen niets af.

Duitstalige publicaties

Vóór de jaren zeventig van de twintigste eeuw valt er weinig te melden.20 In 1888 gaf de Verein für Erdkunde te Dresden in haar Festschrift de levensbeschrijving uit van Zacharias Wagner, die tussen 1638 en 1668 achtereenvolgens de wic en de voc heeft gediend. J. Prinz beschreef in zijn boek uit 1932 op basis van uitvoerig archiefonderzoek de geschiedenis van het Wurtembergse regiment dat de voc in 1786 naar de Kaap stuurde. De ondertitel luidt terecht Die Tragödie einer Söldnerschar. Een informatief artikel uit 1934 behandelt, mede gebaseerd op archiefmateriaal, zeven burgers uit Ulm die in de zeventiende eeuw in dienst van de voc naar de Oost zijn vertrokken.21 Onder hen bevond zich Christoph Frik wiens reisverhaal (Ulm 1692) in 1926 in een gemoderniseerde versie opnieuw was uitgegeven. In 1922 was in de serie Alte Reisen und Abenteuer een bloemlezing uit de beschrijving van Kaap de Goede Hoop door Peter Kolb uit 1719 verschenen.

Het nazistische klimaat in Duitsland beïnvloedde vanaf 1933 ook de geschiedschrijving. De Duitse aanwezigheid in Nederlands-Indië, op de Kaap en in Japan kreeg daarin grote aandacht. Het voorwoord van A. Schwägerls Das Ausland-deutschtum im Niederländischen Kolonialbereich uit 1937 liet niets te raden over. In een bewonderende paragraaf over de Nederlanders noemt hij ze ‘Stammverwandte und Blutsbruder, von gleichem germanischen Rassebewußtsein und Raumgefühl getragen’. De auteur behandelt de Duitse aanwezigheid in de Nederlandse koloniën aan de hand van de rdb en van delen van de Linschoten-Vereeniging. Hij roemt vele verdienstelijke Duitsers en dringt aan op een blanke, Duitse bevolkingstoename overzee, omdat anders het ‘Auslanddeutschtum’ te gronde zou gaan. Verwant met deze gedachtengang, maar minder expliciet, is het artikel van de Nederlander P.C. Bloys van Treslong Prins uit 1937. In ‘Die Deutschen in Niederländisch-Indien’, de gedrukte neerslag van een in Tokio gehouden lezing, stelt ook hij vast dat Nederlanders en Duitsers ‘eines Stammes’ zijn. Hij behandelt een hele reeks

[p. 303]

Duitse bestuurders, militairen, predikanten en chirurgijns in de periode van de voc en in de negentiende eeuw. Ook Lehnmann benadrukt in zijn boek uit 1938 de rol van Duitsers in Nederlands-Indië. In twee boeken, respectievelijk van 1938 en 1943, behandelt Moritz, zich baserend op veel archiefmateriaal, de rol van de talrijke Duitsers op de Kaap. Meißner en Donat schreven in respectievelijk 1940 en 1943 over Duitsers in Japan, waarbij ze de hele periode van de eerste voc-contacten tot aan de Tweede Wereldoorlog behandelden.

De ‘ungelehrte Reisen’ zijn lang in de vergetelheid gebleven. Historici toonden er weinig belangstelling voor omdat ze te subjectief zouden zijn, en voor literatuurwetenschappers vielen ze buiten de boot omdat ze niet tot de hoogstaande literatuur behoorden, de nadruk op waarheidsgetrouwheid legden en dus tot het domein van de non-fictie behoorden.22 Maar in de jaren zeventig komt de belangstelling voor Duitse reizigers, dus ook voor de ‘ungelehrte’ Duitse voc-dienaren en voor de koloniën in Azië weer op gang.23 De publicaties zijn heterogeen van karakter en vallen uiteen in diverse genres: biografische artikelen, heruitgaven van oorspronkelijke teksten, hertalingen, facsimiles en bibliografieën. Onderling vertonen ze weinig verwantschap. Sommige publicaties zijn voortgekomen uit een medische of botanische belangstelling, andere uit regionaal-historische interesse en weer andere uit de binnen de Duitse germanistiek sterk gegroeide belangstelling voor reisverslagen in het algemeen. De laatste jaren is ook de belangstelling vanuit de antropologisch-historische hoek toegenomen. De auteurs lijken elkaar en elkaars werk niet altijd te kennen, en daarbij komt nog de divergentie van de twee Duitslanden tussen 1945 en 1989. De Duitse studies waarin voc-dienaren een rol spelen zijn in de eerste plaats gericht op reisbeschrijvingen van India en Japan, of op individuele reizende auteurs. Duitsland kent geen wetenschappelijke traditie die zich op Indonesië richt.24

Het accent op India komt voort uit het feit dat daar relatief veel Duitsers naar toe getrokken zijn, hetzij al in de zestiende eeuw als agent van Duitse bank- en handelshuizen, hetzij als dienaren van de voc. Ook vele Duitse jezuïeten en lutheraanse missionarissen hebben er gewerkt en er over bericht. Bovendien hebben enkele individueel reizende Duitsers hun ervaringen in India te boek gesteld, zoals J.A. von Mandelslo en H. von Poser.25 Er verschijnen vanaf de jaren zeventig verschillende bibliografieën van Duitse Aziatische reisverslagen en de eerste daarvan zet al direct de systematische en kritische toon waaraan het Nederlandse en Duitse auteurs tot dusverre ontbroken had. In ‘Deutsche Reiseberichte über Indien vom 16. bis 18. Jh.’ schetst I. Itscherenska de mogelijkheden die deze bronnen bieden. Ze kunnen helpen bij de reconstructie van het ontstaan van het India-beeld, een beeld dat weer invloed heeft gehad op politieke en economische beslissingen. Bovendien zeggen ze veel over de geesteshouding van de auteur of zijn uitgever, en ze completeren de Indiase bronnen. Daar staat tegenover dat de schrijver vaak maar kort ter plaatse is geweest, de taal niet kent, niet alles uit eigen waarneming heeft leren kennen,

[p. 304]

lichtgelovig was en vaak het verhaal lang na aankomst heeft opgetekend. Men vindt er ook voorbeelden in van plagiaat, overdrijvingen en verzinsels. De auteur geeft een beredeneerd overzicht van tientallen Duitsers die Azië bezocht hebben, van de zestiende tot de achttiende eeuw, zelfstandig reizend of in opdracht van Duitse kooplieden, of in Nederlandse, Engelse en Deense dienst, en neemt ook verslagen van jezuïeten en lutheraanse missionarissen op. Er komen 21 Duitse voc-dienaren aan bod. Van hen is overigens één een Nederlander (Franck) en een andere is een fantast die schreef onder de schuilnaam Taurinius. Itscherenska beoordeelt hen op de informatie die ze geven op economisch en sociaal gebied, en spreekt de hoop uit dat historici die zich met de geschiedenis van India bezighouden deze bronnen zullen benutten.26

In 1980 verschijnt opnieuw een bibliografisch artikel over Duitsers in India. Kennelijk onbekend met de vorige publicatie stelt de auteur Übleis dat het onderzoek naar het beeld van buiten-Europese culturen in het voor-industriële Europa nog in de kinderschoenen staat. Maar anders dan de ddr-historica Itscherenska ziet hij hier vooral mogelijkheden voor de mentaliteitsgeschiedenis. De reisverhalen boden de geleerde wereld informatie over de buiten-Europese culturen en daarom is het instructief ze te ontsluiten. Bovendien kan men hierdoor opvattingen over ontwikkelingslanden kritischer - bedoeld is vanuit een historisch perspectief - benaderen. Daar komt nog bij dat ze belangrijke bronnen voor de Indiase geschiedenis leveren. Het grootste bezwaar vindt hij dat ze door de concentratie op concrete gebeurtenissen en door de chronologische opzet zo zelden tot algemene uitspraken over een cultuur komen. Beknopt analyseert Übleis aan de hand van 18 reisverslagen, waarvan 14 van voc-dienaren, de achtergrond van deze auteurs, hun reismotieven en hun opvattingen over de economie, de regeringsvorm en de religie van India. Ook de opstelling tegenover het andere ras en de militaire conflicten behandelt hij.

Een grondiger basis voor het onderzoek naar het Duitse India-beeld werd gelegd door Gita Dharampal-Frick met haar uitvoerige bibliografie ‘Frühe deutsche Indien-Berichte (1477-1750)’ uit 1984. Een speurtocht in 22 bibliotheken in Oost- en West-Duitsland, Oostenrijk en Engeland leverde ongeveer 350 titels op. Inbegrepen zijn oorspronkelijk Duitse titels, vertalingen in het Duits en Latijnse titels. Dit materiaal vormde de grondslag voor enkele artikelen van haar hand over het Duitse India-beeld en uiteindelijk voor haar grote studie Indien im Spiegel deutscher Quellen der Frühen Neuzeit (1500-1750) uit 1994. In dit solide, systematische werk beschrijft Dharampal haar bronnen. Het zijn alle gedrukte teksten: reisjournalen, brieven, dagboeken, kosmografieën, encyclopedieën, verhandelingen over godsdiensten, politiek, cultuur en economie en studies op het gebied van botanie, medicijnen en taalwetenschappen. Ze analyseert ze op vier thema's: het paradoxale beeld van India als paradijs en als reëel land, de beschrijvingen van de maatschappelijke structuur, politieke aspecten en observaties over religie. Over de geschriften van de Duitse voc-dienaren merkt ze op dat ze ‘eine der einflußreichsten Hauptquellen’ vormen waaruit ‘die breitere deutsche Öffentlichkeit ihr “Wissen” über Indien schöpfte’.27

Het tweede land waarover veel Duitse studies zijn verschenen is

[p. 305]

Japan. De Duitse aanwezigheid aldaar had een ander karakter dan in India. Op het Japanse schiereilandje Deshima waren de Europeanen per definitie voc-dienaren. Een reeks Duitsers heeft er gewerkt, onder wie zich enkele artsen en botanici bevonden die uitvoerig over Japan hebben gepubliceerd. Pas het artikel van Josef Kreiner ‘Deutschland-Japan - Die frühen Jahrhunderte’ uit 1984 maakte duidelijk hoeveel er vóór 1800 al door Duitsers over dit land was geschreven.28 Hij behandelt onder andere 17 Duitsers die in voc-verband op Deshima dienden en daar in een of andere vorm verslag van hebben gedaan. Allen uitten zich in bewonderende, enthousiaste zin, waarbij niet zelden een lichte kritiek op Europa en op de zelfverloochenende houding der Nederlanders doorschemert. De meest bekende Duitser op Deshima is Engelbert Kaempfer geweest, over wie dan ook veel gepubliceerd wordt. Maar ook aan het korte verblijf van Caspar Schmalkalden op Deshima, aan de chirurgijn Caspar Schamberger, de stamvader van de Japanse chirurgijnsschool KasuparuryĆ«-geka, aan de hovenier Georg Meister en zijn studies van de Japanse taal, en aan Zacharias Wagner werden artikelen gewijd.29

Enkele publicaties, elk gewijd aan één Duitse voc-dienaar, moeten nog worden genoemd. De eerste gaat over het geïllustreerde maar helaas inmiddels onvindbare handschrift van de Breslauer Heinrich Muche, die de Compagnie als soldaat diende in Japan, op de Molukken en op Java. De tweede is een vrij oppervlakkig medisch-historisch proefschrift over Frik. Ook de predikant Hoffmann, de chirurgijn Merklein en de opperkoopman Von Wurmb kregen korte artikelen. Tenslotte verscheen in 1985/1986 een voorbeeldige reconstructie van het leven van Martin Wintergerst, de broodbakker uit Memmingen, die als konstabelsmaat tussen 1699 en 1709 tweemaal in dienst van de voc naar Oost-Indië reisde en daarvan een uitvoerig verslag publiceerde.30 De auteur, Lauchner, baseert zich zowel op Wintergersts eigen relaas, waarbij hij kritisch de retorische elementen in de tekst ontleedt, als op historische bronnen. Na de anekdotische, de sociaal-economische, de medische en botanische benadering werd nu ook de literair-historische discipline bij de bestudering van deze teksten betrokken.

Opvallend is hoeveel Duitse voc-reizen in de jaren zeventig en tachtig opnieuw werden uitgegeven en zo weer integraal beschikbaar kwamen.31 Vooral de facsimile-editie uit 1980 van Olearius' Orientalische Reise-Beschreibunge, met een voortreffelijk nawoord van Dieter Lohmeier, moet hier worden genoemd. Aan het Wurtembergse Kaapregiment werd in 1987 in Stuttgart een tentoonstelling gewijd onder de titel Verkauft und Verloren, waarbij een catalogus onder dezelfde naam verscheen. In 1988 werd in Bamberg een grote expositie over de voc gehouden. De daarbij verschenen catalogus bevat een uitvoerig historisch overzicht van de Compagnie door F.S. Gaastra en hoofdstukken over deelaspecten, onder andere over de Duitse Compagnie-dienaren en hun geschriften.32

Het jaar 1994 vormt voorlopig het hoogtepunt op het gebied van de historische studies naar Duitse Oost-Indiëvaarders. Behalve het al genoemde boek van Dharampal verscheen ook Wilde Völkerkunde. Andere Welten in deutschen Reiseberichten der Frühen Neuzeit van Michael Harbsmeier. Deze mentaliteitshistorische studie analyseert de wijze van waarnemen van reizigers. Achtereen-volgens behandelt Harbsmeier reizen naar Jeruzalem, naar Ameri-

[p. 306]

ka, naar de Oriënt, naar de Oost en in Europa zelf. Uitvoerig komen de Duitse voc-dienaren die naar de Oost trokken aan bod. De derde studie uit 1994 is Die Reise nach Batavia. Deutsche Abenteuer in Ostasien 1609 bis 1695, van Peter Kirsch, een onderhoudend werk over het leven van Duitsers in de Oost, gebaseerd op 23 gedrukte zeventiende-eeuwse reisverslagen.33

In een kleine publicatie uit 1995 diepte Kirsch nog de lotgevallen uit van de twee Duitse mijnspecialisten Elias Hesse en Johann Wilhelm Vogel, die aan het eind van de zeventiende eeuw op Sumatra hebben gewerkt. Zeer onlangs verscheen van Horst W. Blanke Politische Herrschaft und soziale Ungleichheit im Spiegel des Anderen. Untersuchungen zu den deutchsprachigen Reisebeschreibungen vornehmlich im Zeitalter der Aufklärung (Waltrop 1997). Ook hier wordt een aantal Duitse voc-dienaren behandeld. Helaas kon dit gedetailleerde boek niet meer in deze studie verwerkt worden.

 

Samenvattend blijkt de bestudering door Duitse historici van oude reisverhalen naar de Oost zich pas na 1980 goed ontwikkeld te hebben. Reizen naar en in India en Japan krijgen zware accenten en ook China krijgt meer belangstelling, al zijn daar maar enkele Duitsers geweest.34 In de medische en botanische geschiedschrijving wordt het reisverhaal vaak als bron gebruikt.35 In dezelfde tijd is er een enorme wetenschappelijke belangstelling voor het reisverhaal op gang gekomen bij germanisten, die ook de studie naar Oost-Indische reizen sterk gestimuleerd heeft.36 Zozeer dat een van de specialisten op dit gebied opmerkt: ‘Seit den siebziger jahren is die Reiseliteraturforschung der Germanistik, gut subventioniert von den Instutitionen der Wissenschaftsförderung, fast ins Uferlose gewachsen...’37

Angelsaksische publicaties

Behalve Nederlandse en Duitse historici hebben zich, verspreid, ook enkele Engelse en Amerikaanse geschiedschrijvers met dit specifieke onderwerp beziggehouden. In 1929 verschenen de reizen van Frik en Schweitzer in Engelse vertaling.38 Deze is gebaseerd op een Engelse vertaling uit 1700, die zelf weer terugging op de Nederlandse vertaling uit 1692. De twintigste-eeuwse bezorger noemt de auteurs ‘shrewd and observant men’. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de in Ceylon en later in Zuid-Afrika wonende Engelsman Major R. Raven-Hart zich verdienstelijk gemaakt met de vertaling en heruitgave van een aantal teksten van Duitse voc-dienaren. In 1952 publiceerde hij Heydt's Ceylon, een vertaling van Ceylonese hoofdstukken van het grote geïllustreerde werk van Johann Wolfgang Heydt Allerneuester Geographisch- und Topographischer Schau-Platz uit 1744. Een jaar later bracht hij Germans in Dutch Ceylon op de markt, een boek met uittreksels uit Von der Behr, Herport, Schweitzer en Frik. Vervolgens richtte hij zich in een aantal Zuid-Afrikaanse tijdschriften op de passages die deze Duitsers over de Kaap hadden geschreven. Dit resulteerde in twee boeken: Johann Daniel Buttner's Account of he Cape, Brief Description of Natal, Journal extracts on East Indies (Kaapstad 1970), dat hij samen met G.S. Nienaber verzorgde, en Cape Good Hope 1652-1702: the first fifty years of Dutch Colonisation as seen by Callers (Kaapstad 1971).

In 1981 publiceerde E.U. Kratz een introducerende, maar desalniettemin zeer uitvoerige bibliografie van Duitstalige, voornamelijk wetenschappelijke artikelen over Indonesië, die begint met enkele schaarse berichten uit de zestiende eeuw en die doorloopt tot 1978. In hetzelfde jaar verscheen van zijn hand een artikel waarin hij dieper ingaat op de vroege Duitse reisverhalen: ‘The Journey to the East. 17th

[p. 307]

and 18th century German travel books as sources of study’. Met een bibliografie van ruim twintig titels is dit een uitstekende introductie op het genre en op de mogelijkheden en beperkingen ervan. Een artikel van W. Kuitert uit 1991 over Georg Meister weerspiegelt de botanische en horticulaire belangstelling voor deze voc-dienaar in Japan.

Als laatste Angelsaksische publicatie moet genoemd worden het monumentale meerdelige werk van Donald F. Lach, Asia in the making of Europe. Het eerste deel, A Century of Discovery, verscheen in 1965, het tweede, A Century of Wonder, in 1977. Het ambitieuze onderwerp van deze volumineuze reeks (de eerste twee delen bestaan uit vijf boeken) is de invloed die de Aziatische beschavingen hebben gehad op de westerse maatschappij en cultuur vanaf de renaissance. In het derde deel, A Century of Advance, gepubliceerd in 1993 en bestaande uit vier boeken, behandelt de auteur, nu bijgestaan door Edwin J. van Kley, alle geschriften over Azië die in de zeventiende eeuw in Europa werden gepubliceerd. Hij probeert deze teksten zo goed mogelijk af te zetten tegen het meest recente onderzoek en hij vermeldt wat de verschillende auteurs zelf hebben meegemaakt en wat ze hebben gehoord of overgeschreven. Lach stipuleert het belang van deze bronnen en benadrukt dat de auteurs veel minder bevooroordeeld waren dan dikwijls wordt aangenomen. Ze bieden materiaal over de ontwikkeling van de Europese cultuur zelf, en bovendien geven ze details over het alledaagse leven die niet in Aziatische bronnen te vinden zijn en bieden ze gegevens over aspecten van de Aziatische cultuur die niet langer meer bestaan.

In het eerste boek van deel iii is een het tweede gedeelte gewijd aan ‘The Printed World’. De Spaanse, Portugese, Italiaanse, Franse, Nederlandse, Duitse en Engelse literatuur over Azië wordt hier in extenso behandeld. Hoofdstuk vii biedt het meest volledige en meest kritische beredeneerde overzicht van wat een ontwikkelde Duitser in de zeventiende eeuw over Azië had kunnen lezen in het Latijn en in het Duits (al of niet vertaald), van jezuïeten, individuele reizigers, missionarissen en voc-dienaren. Lach meent dat die laatsten voor de zeventiende-eeuwer niet zo heel veel toevoegen aan het Azië-beeld, maar dat ze Azië wel dichterbij brachten door de levendige observaties uit de eerste hand over het dagelijks leven. Bovendien stonden ze afstandelijker en kritischer tegenover de Hollanders. Lachs monumentale, encyclopedisch opgezette werk bevat geen literatuur over de Nederlandse aanwezigheid in Azië van na 1987.

1De belangrijkste recente studies over Duitse reisteksten zijn Brenner 1989 en 1990, Bausinger e.a. 1991, en Griep (ed.) 1991.

2En passant noemt Van den Berg ook de reisverslagen van Schweitzer en Tappe en de landbeschrijving van Walbaum.
3De artikelen zouden vervolgd worden, maar daar is niets van gekomen. Wel publiceerde Heeres in 1903 nog een aanvulling in de Groningsche Volksalmanak. Voor de tekeningen van Müller heeft Heeres geen oog.
4Saar 1662, Von der Behr 1668, Herport 1669, Merklein 1663, Schreyer 1681 en Wurffbain 1686.
5Vier artikelen verschenen in 1913 en 1914 in de Bijdragen en één artikel in Vragen van den Dag in 1913. De vijf artikelen werden opnieuw uitgegeven door Bruijn en Lucassen 1980. De Hullu gebruikte de teksten van Müller, Hesse, Vogel, Tappe, Frik, Langhansz, Kolb, Barchewitz, Wurmb en Wollzogen.
6In 1913 bijvoorbeeld werd door de Linschoten-Vereeniging Schiffahrten van Samuel Brun uit Bazel uitgegeven. Brun maakte tussen 1611 en 1621 in Nederlandse dienst vijf maal een vaart op het Middellandse-Zeegebied en op Guinee. Een ander voorbeeld geeft J.N. Jacobsen Jensen in 1916 in Het Nederlandsche Zeewezen. Onder de titel ‘Van een Duitschen barbier op Hollandsche schepen in de 18e eeuw’ beschreef hij in twee artikelen de belevenissen van Adrian Gottlieb Volckart, die tussen 1717 en 1722 op de Middellandse Zee, naar Archangel en naar West-Indië voer.
7Jacobsen Jensen 1919; een supplement verscheen in 1936.
8Dat deze geschriften ook medisch-historische informatie verschaffen blijkt uit een Duitstalig artikel van Meyerhof en Rogge uit 1939 in het tijdschrift Janus. Hierin worden opmerkingen over de medische verzorging op de schepen en op de Aziatische vestigingen vermeld aan de hand van enkele tientallen reisbeschrijvingen, waaronder 22 Duitse. De auteurs ontlenen hun bestand aan de bibliotheken van Göttingen en Hannover, maar schijnen noch de reeks van L'Honoré Naber noch de werken van de Linschoten-Vereeniging gekend te hebben. Hun artikel was bedoeld als aanvulling op de studie van D. Schoute, De Geneeskunde in den dienst der Oost-Indische Compagnie in Nederlandsch-Indië (Amsterdam 1929).
9Terpstra baseerde zich op de 11 Duitse Oost-Indische reisverhalen uit de rdb, aangevuld met de teksten van Frik, Tappe, Langhansz, Vogel en Müller die al in eerdere publicaties waren genoemd. Hij voegt er één nieuwe auteur aan toe: Daniel Parthey.
10Namelijk Verken, Hesse en Wintergerst, alle drie gepubliceerd door Naber.
11In 1940 verscheen nog een onbeduidend artikel van A. Hulshof in het Haagsch Maandblad, die zich baseert op het boek van Terpstra. De luitenant-kolonel b.d. van het knil D. de Jongh publiceerde in 1950 Het Krijgswezen onder de Oostindische Compagnie, waarbij hij gebruikmaakte van de teksten van Schweitzer, Saar, Frik, Langhansz, Herport en Von der Behr.
12Zie hierover Wesseling 1994.
13‘Although their importance is not as great as that of the works of the Linschoten Society, they are well worth being mentioned.’ (Coolhaas 1980, p. 20).
14In 1992 verscheen de uitvoerig ingeleide inventaris van het voc-archief in druk (zie Meilink-Roelofsz).
15Dat betreft de Generale Missiven van Gouverneurs-generaal en Raden aan Heren xvii der Verenigde Oostindische Compagnie door W.Ph. Coolhaas en J. van Goor (Den Haag 1960-1988). Zij verschaffen een grondig inzicht in het Aziatisch bewind. Daarnaast is de driedelige uitgave Dutch-Asiatic Shipping in the 17th and 18th Centuries (das) een goudmijn van gegevens over schepen, personeel, goederen, de doorvoer van edelmetaal naar Azië en de opbrengsten der retourgoederen.
16Zie voor literatuur: Gaastra 1991.
17Schaling 1992 en Van der Stelt 1995; Van Gelder 1996b.
18In 1992 promoveerde M. Barend-van Haeften op de Oostindise Spiegel van Nicolaas de Graaff. In 1994 verscheen een nieuwe uitgave van de De geestige en vermaeckelijcke reysbeschryving naer Oost-Indien van Aernout van Overbeke. In 1996 werden bovendien maar liefst drie boeken gepubliceerd over Willem Bontekoe en zijn reisjournaal (zie o.m. Roeper). Het tijdschrift Indische Letteren en uitgeverij Terra Incognita, die zich op reisverslagen toelegt, komen hieruit voort.
19De verzamelde werken van Jacob Haafner (1992, 1995, 1997), van de Vlaamse voc-soldaat Carolus van der Haeghe (Parmentier en Laarhoven 1995) en van twee achttiende-eeuwse damesjournaals (Barend-van Haeften 1996).

20Coolhaas schreef dan ook dat het aantal studies op het gebied van de Nederlandse kolonialisme in het Duits ‘very small’ was (1980, ‘Introduction’).
21Schmidlin 1934.
22Brenner 1990, p. 1; Lauchner 1985/86, p. 113; Stewart 1978, pp. 10-11.
23Ik heb slechts twee artikelen uit de jaren vijftig en zestig gevonden: Nevermann 1956 over Heinrich Muche, en Brans 1963 over Duitse voc-dienaren.
24‘Indonesian Studies never really developed nor does any real school or tradition of Indonesian studies exist in any of the German speaking countries (Kratz 1981b, p. 109).
25Mandelslo 1658; Heinrich von Poser, Lebens- und Todes Geschichte (Jena 1675).
26Het artikel is opgenomen in een bundel die werd uitgegegeven onder auspiciën van het Institut für Orientforschung in het toenmalige Oost-Berlijn.
27Dharampal-Frick 1994, p. 63.
28Zie ook de catalogus Berlijn 1993.
29Michel 1985-1995 en Pfaff 1992; over Meister en diens tekeningen in de British Library: Muntschick 1984.
30Over Muche: Nevermann 1956; over Frik: Rose 1982; over Hoffmann: Perst 1956 en Beck 1970; over Merklein: Wunder 1988; over Wurmb: Smit 1988; over Wintergerst: Lauchner 1985/86.
31De reizen van de chirurgijn Ultzheimer werden in modern Duits uitgegeven in 1971, waarbij overigens de oorspronkelijke hoofdstukindeling van het manuscript niet is aangehouden. Een jaar later kwam de integrale tekst van het handschrift van Christoph Carl Fernberger ter beschikking (Wernhart 1972). Wagners Journal, dat deels al in 1888 was gepubliceerd, wordt integraal weergegeven door Michel in 1987. Der Orientalisch-Indianische Kunst- und Lust-Gärtner, de grote botanische studie van Georg Meister uit 1692, was al in 1973 opnieuw uitgegeven. Peter Kolbs berichten over de Khoikhoi en de Kaap werden in 1979 weer toegankelijk gemaakt door W. Jopp, de reizen van de twee als soldaat uitgevaren Holsteiners Andersen en Iversen in 1980 door Lohmeier. Van het handschrift van Caspar Schmalkalden verscheen in 1983 een geïllustreerde, maar niet complete editie door Joost, en in hetzelfde jaar werd Hoffmanns Ostindische Voyage in facsimile herdrukt. In 1985 verscheen een herdruk van de Reise nach Ostasien van Johann Jakob Merklein.
32Schmitt e.a. (ed.) 1988.
33Kirsch publiceerde hierover al in 1990. Zie over het boek van Dharampal-Frick en dat van Kirsch: Van Gelder 1996b.
34Ertzdorff 1992.
35Bijvoorbeeld Brans 1952 en Rose 1982. Het is geen toeval dat hetzelfde type bron voor de geschiedschrijving van Afrika in deze jaren aandacht krijgt; zie Jones 1983.
36Zie Bepler 1994, p. 182, en het standaardwerk van Brenner 1990.
37Brenner 1989, p. 7.

38Fayle 1929.
terug  begin  verder