Ilias in een mythische duisternis, zoodat men zelfs twijfelt aan zijn bestaan, al zijn de herinneringen, die de Engelschen, nu zoo trotsch op hun hoofddichter, omtrent den schepper van Hamlet bewaarden, onzeker en schaarsch, in weerwil daarvan kunnen wij hun werken begrijpen en waardeeren.
‘Onder onsjes’ daarentegen, zooals De Génestet zelf gewoon was zijn verzen te noemen, verraden te veel van het innerlijk leven, dan dat de lezers niet aanstonds verlangen, ja behoefte gevoelen zouden, om zich den dichter zelven, zij het dan ook slechts met breede trekken, te zien voorgesteld.
Het was dus noodzakelijk om deze kompleete uitgave door een beeld van den dichter te doen voorafgaan. Een uitvoerige levensbeschrijving zal men niet verwachten of begeeren. Meer dan een schets zal het niet kunnen zijn, een schets van De Génestet's dichterlijke ontwikkeling en van hetgeen daarop invloed heeft uitgeoefend. Ik zal tevreden zijn, zoo 't mij gelukken mag het beeld van den beminnelijken dichter te doen herleven voor den geest van hen die hem kenden, en het zoo weer te geven, dat hij, ook voor hen die hem niet gekend hebben, niet geheel een vreemdeling blijft.