Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 5]

I.

Gelijk alle waarachtige kunstenaars onderscheidde De Génestet zich door een bijzonder vroege ontwikkeling. Toen ik hem leerde kennen, gevoelde ik hoever hij mij vooruit was in levenservaring, in literarische zelfkennis en menschenkennis tevens, in oordeel, in zekerheid omtrent den weg dien hij bewandelen moest, om niet te spreken van die kunstvaardigheid, dat meesterschap over maat en rijm, dat hem als geboren dichter eigen was. Toch was hij mij in leeftijd niet veel meer dan een jaar vooruit. Den 21sten November 1829 te Amsterdam geboren, was hij als achttienjarig jongeling reeds zoo goed als gevormd, en dichtte hij reeds twee jaren vroeger verzen, niet onwaardig om onder de oogen van 't publiek te komen. Wel is het waar, wat een zijner vrienden, de heer Zimmerman, in een opstel aan zijn nagedachtenis gewijd, heeft opgemerkt, dat hij geen wonderkind was, geen merkwaardig natuurverschijnsel uitstekend door die vroege rijpheid, die meestal door spoedig verval wordt gevolgd; maar een buitengewoon kind was hij zeker. Zijn vroege ontwikkeling schaadde echter niet aan zijn karakter, omdat zij niet kunstmatig maar natuurlijk was. Zij was niet gekweekt in een trekkas, zij kwam

[p. 6]

van-zelf, zij was gezond. Daarom bleef hij een jonden met de jongens, vlug en vroolijk, vol levenslust en ondeugd, ‘prettig slecht’, gelijk hij-zelf het noemt.

 
Ons hoofd, ons hart was vol en dol,
 
Wij speelden nog geen menschenrol,
 
Wij waren vrome knapen!

zoo zegt hij-zelf in dat jolige vers: 't Latijnsche school, gedicht in een tijd toen de ‘Latijnsche poort’ zich reeds sedert twee jaren achter hem had gesloten, en hij dus sinds lang uit ‘die wereld vol illuzie’, dat ‘gezellig en gezegend oord’ was verdreven; doch dat bewijst hoe levendig de herinnering aan dien heerlijken tijd bij hem was gebleven, en bewijst meteen, dat hij daar geen neuswijs pedantje maar een echte kwak is geweest, en, al schreef hij verzen, gevoeld heeft

 
Dat men altoos een bengel blijft,
 
En dat de Rektor groot is!

In 1843 begon die ‘zoete bluf van 't eerst Latijn,’ en in dat jaar werd hij ook huisgenoot in 't gezin van den heer Jan Adam Kruseman, den man die niet slechts in de nederlandsche schilderschool een eervolle plaats inneemt, maar ook door zijn helder verstand en edel hart de liefde die zijn pleegzoon hem toedroeg ten volle verdiende. Daar vond hij, wat hij vroeger nooit bezeten had, een ouderhuis. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Zijn moeder, een schoone vrouw, wier levensgroote beeltenis steeds op zijn studeervertrek hing, en op wie hij moet geleken hebben, ontviel hem ook reeds vroeg. Hij sprak van haar altijd met groote, innige liefde. Maar schoon hij haar gemis bleef gevoelen, liefhebbende verwanten deden wat zij konden, om het hem te vergoeden. Eerst woonde hij eenigen tijd te Breukelen bij zijn grootmoeder, en later werd hij in het gezin van zijn oom en voogd, dien ik zoo even noemde, niet in naam slechts maar werkelijk, een zoon

[p. 7]

en een broeder. Hij bleef er ook nog een paar jaren van zijn studententijd inwonen, en eerst toen de heer Kruseman met de zijnen naar het schoonst gedeelte van het Sticht vertrok, vestigde hij zich met zijn neef en medestudent H.L. Kruseman, thans zijn opvolger te Delft, in de drukke Kalverstraat op kamers.

Hoeveel angst en inspanning het onzen dichter gekost had om student te worden, heeft hij in een zijner bekendste verzen duidelijk genoeg uitgesproken. Wij, die hem gekend hebben, kunnen ons voorstellen met welk een schrik hij de instelling moet hebben vernomen van dat ‘weleer beruchte staatsexamen’, dat zich voor hem als een spooksel tusschen de Latijnsche poort en die der Akademie verhief, de afkondiging van dat decretum horribile, dat nu ook over hem was uitgesproken. Hij, met zijn afkeer van alle schoolsche geleerdheid! Hij, die niets begrijpen kon, dan datgene waarvan hij de schoonheid gevoelde, en wien de schoonheid der Mathezis niet was geopenbaard! Hij, die niets belachelijker vond, dan zich in ernst bezig te houden met Klodion den langharigen, en al zulke personen die hem niet de minste belangstelling inboezemden! Hij, met zijn ‘lichaamslijtend zenuwstel!’ Hij heeft de proef doorstaan, en is niet bezweken. Maar hij-zelf schreef zijn redding uit dit schrikkelijk gevaar toe aan de vriendelijkheid en humaniteit van een der Examinatoren, den zwolschen Rektor Thiebout, den rustigen, krachtigen man, wiens kalme blik hem-zelf zijn kalmte hergaf, en wien hij later in een jubellied zijn vurigen dank wijdde. Zoo begon hij zijn studiën aan het amsterdamsche Atheneum en aan het Seminarium der remonstrantsche Broederschap, waartoe hij behoorde.

De studiejaren van De Génestet vielen in den bloeitijd van dat Seminarium. Het getal der studenten was grooter dan het sinds lang was geweest, en daaronder waren er met wie hij gaarne verkeerde. Aan het hoofd der kleine inrichting, doch waaraan een roemrijk verleden een zekere achtbaarheid gaf,

[p. 8]

stond, nog in volle kracht van lichaam en geest, de man die als redenaar de plaats van Van der Palm had ingenomen, en die het beginsel van verdraagzaamheid en verbroedering, de leus der Remonstranten, zoo volhardend en met zulk een indrukwekkende welsprekendheid verdedigde, Abraham des Amorie van der Hoeven. Met warme bewondering voor zijn talent, met levendige sympathie voor zijn karakter sloot onze jonge dichter zich bij hem aan, en gaf zich vol liefde aan zijn leiding over. Wederkeerig stond hij bij dezen in hooge gunst, waarop hij zich echter volstrekt niet voorstaan liet, en die hem dan ook niemand benijdde. Zij waren elkander waard en verstonden elkander. Een dor en afgetrokken geleerde, een man die louter voor de wetenschap leefde, zou voor den dichterlijken student niet dat geweest zijn wat deze geniale redenaar, deze oprechte, hartelijke, vaderlijke vriend voor hem geweest is. Natuur en waarheid! dat was, wat men ook zeggen moge, de grondwet voor beide. De lessen van Van der Hoeven waren de eenige die hem blijvend boeiden, en hij schreef er zorgvuldig, hij, wiens excerpten en diktaten anders voor het grootste deel uit gapingen bestonden. Zonder eenige gemaaktheid en als een recht dat hem door niemand betwist werd, nam hij in het dinsdagsche theeuur steeds de plaats aan Van der Hoeven's rechterzijde in, en was er de ziel van 't gesprek, was er - ik moet er dit bijvoegen - even ondeugend en vrij als altijd. Geen wonder dan ook dat het Van der Hoeven was, die hem later te Delft als leeraar bevestigde, en dat de dood van den geliefden leermeester, niet veel jaren daarna, hem dat schoone gedicht: In Memoriam ingaf, waarin hij

 
Zijn leiding en zijn lessen en gesprekken,
 
Zijn woord in jonglingstrijd vaak weldaad voor zijn hart,

nog dankbaar herdacht: welsprekend getuigenis van zijn smart en zijn liefde.

[p. 9]

Theoloog in vollen zin is onze dichter nooit geweest, al studeerde hij in de Theologie. Voor de wetenschap was hij, in die dagen althans en nog een geruimen tijd later, niet zeer billijk. Hij kende haar slechts in één vorm, dien eener onbezielde en verwaande geleerdheid, en veroordeelde haar onmeedoogend als:

 
Onbegrijplijk dom en droog,

of stelde haar in een - trouwens niet zeer gelukkig - vers: In de bibliotheek van een liefhebber, zonder barmhartigheid ten toon. Zoolang hij zich nog met letterkundige studie mocht bezighouden, ging het wel. Horatius en Ovidius althans trokken hem aan, en het onderwijs van den smaakvollen Bosscha was beter in staat om hem nog eenige liefde voor de ouden in te boezemen, dan dat van een streng filoloog zou geweest zijn. Meer sympathie had hij voor de nieuweren, die hij misschien beter verstond, en dus ook hooger waardeerde. Ik herinner mij nog zeer goed, met welk een warmte op zekeren avond een dronk, door een opgewonden studentje, aan schrijver dezes niet geheel onbekend, op de nieuwere letterkunde uitgebracht, door De Génestet werd beantwoord; een ketterij, die onze gastheer - het was een feest door Van der Hoeven ter eere van De Génestet's verloving gegeven - ditmaal met zijn gewonen vriendelijken glimlach aanhoorde en... niet bestrafte. Een groot gegraveerd portret van Byron hing steeds in zijn studeerkamer; hij had een diepe vereering voor zijn genie, evenals voor dat van Heine, hoewel hij zich altijd van de uitspattingen van 't Byronianisme heeft vrijgehouden, en noch de dartelheid van den geestigsten der duitsche dichters bij hem navolging, noch diens sombere levensbeschouwing bij hem weêrklank vond. Van de Franschen las hij liefst Alfred de Musset, Hugo, ook Lamartine en Barbier, en Sainte Beuve mag wel een zijner letterkundige leermeesters genoemd worden. Met Dingelstedt liep hij hoog, ook en vooral met Rückert,

[p. 10]

van wien hij nog al iets heeft vertaald. Niet het minst boeide hem Göthe; en dat kon niet anders bij een dichter wiens ideaal was: de schoonste gedachte uit te drukken in den eenvoudigsten, edelsten, reinsten vorm; hij vond dat ideaal bij niemand zóó als bij den hoofddichter van Duitschland terug. Ook de hollandsche dichters verwaarloosde hij niet. Van de ouden vond hij meer behagen in Huyghens, den puntigen leekedichter der 17de eeuw, dan in den eenigszins gemaniereerden Hooft; ofschoon de poëzie van den Muiderkring ook hem getroffen had, zooals blijkt uit zijn droomen Op een vervelende soirée; in Cats meer dan in Vondel. Wie herinnert zich niet die laatste koepletten van Fantasio, waarin de schalke dichter voor een wijl het fluweelen kalotje van ‘den lieven grijsaard’ opzet, van dien

 
Christen zoo vol ziel en Dichter zoo vol schats,
 
(den) lust van Prins en Boer, (den) besten vader Cats!

om in den geest van dezen ‘Zanger van het leven’ een paar zedelessen aan knaap en maagd uit te deelen. Doch ook hier waren het de nieuweren die hem meest bezig hielden.

Hoe hij over Van Lennep dacht kan dat warme vers getuigen in den nacht van 24 Maart 1846 geschreven: Morgen is mijn dichter jarig, een vers, dat, ik zou haast zeggen, een ware studie van de werken des jarigen dichters verraadt, en door dezen werd beantwoord, onder anderen met een vriendelijke waarschuwing tegen dat: ‘in den nacht’, daar ook poëten beter doen 's nachts te slapen. Wel werd de bewondering van den zestienjarigen knaap in latere meer kritische jaren, als er een nieuw werk van den grooten romanschrijver verscheen, nu en dan een weinig getemperd, maar telkens kwam hij weder tot zijn oude liefde terug, en toen hij in den laatsten tijd van zijn leven weer nader met Van Lennep in aanraking kwam, zou hij met dezelfde geestdrift als vroeger en met geoefender

[p. 11]

hand een jubellied op diens verjaardag hebben kunnen schrijven. Maar niemand wellicht had zulk een indruk gemaakt op zijn dichterlijken geest als Da Costa en Beets. Die zoowel deze beide als De Génestet gehoord hebben, zullen het niet loochenen. De Génestet, anders zoo oorspronkelijk, had zich in zijn prozastijl bijna geheel naar Da Costa, in zijn voordracht naar Da Costa en Beets gevormd. Las hij, of liever zong hij zijn verzen voor, gij dacht onwillekeurig aan den zanger van Vijf en twintig jaren; preekte hij, gij vondt in stijl en aktie diens gloeiende improvisatiën weder, niet zelden afgewisseld met dien plechtigen en in goeden zin zalvenden toon, waarvan Beets het geheim bezit. Ik behoef wel nauwlijks te herinneren, dat hier geen sprake is van kinderachtige nabootsing, en dat de overeenkomst slechts een gevolg was van den diepen indruk door de beide dichterlijke sprekers op De Génestet gemaakt, die in weêrwil daarvan zijn oorspronkelijkheid wist te bewaren. Het huis van Da Costa stond, evenals dat van Van Lennep, voor hem open; kon het anders, dan dat het vuur van dien genialen dichtergeest hem, den dichter, met geestdrift bezielde, en dat, bij alle verschil van godsdienstige richting, het karakter van dien grooten en goeden man hem geheel voor zich innemen moest? Met Beets is hij, meen ik, eerst later in aanraking gekomen. Doch de vorm van De Génestet's verzen levert bewijs genoeg, hoe zeer hij dien van Beets' gedichten bestudeerd had en hoe hoog hij die schatte. Voor den schrijver van de onsterfelijke Studententypen koesterde hij groote vriendschap. Reeds in 1849 bracht hij in zijn gezelschap eenigen tijd te Scheveningen door en meermalen was hij zijn gast op den Hemelschen Berg. 't Was ook zeer natuurlijk dat er sympathie bestond tusschen twee letterkundigen, waarvan de een in zijn proza, de ander in zijn poëzie, al wat stijf en deftig was schuwde, en natuur en waarheid huldigde bovenal. Ik herinner mij, dat hij ook de verzen van Ter Haar zeer waardeerde, vooral diens Abd-el-kader en

[p. 12]

Joannes en Theagenes . Het laatste had hem zelfs in een zekeren wedijver ontstoken, en hij hoopte dat het hem nog eens gelukken mocht een dergelijk onderwerp in de kerkgeschiedenis te vinden. Zoo vervulden letterkunde en poëzie hem geheel, en voor de wetenschap was daarbij in zijn hart geen plaats. De theologische studiën waren hem een noodzakelijk middel, om het doel dat hem aanlachte te bereiken en eens het Evangelie te mogen verkondigen; doch meer zijn zij hem, althans in zijn studenten-tijd, nooit geweest. De herinnering aan de Latijnsche school, boven reeds aangehaald, en waarin hij het heerlijke leven betreurt dat hij daar eens voerde, dagteekent juist uit het jaar, waarin hij van de propedeutische tot de theologische studiën overging. Ach! in deze wereld van ‘moraal, kritiek en polemiek’ voelde hij zich gansch niet t' huis. Zij was voor hem niet gemaakt, en hij niet voor haar. Hij is er zich in blijven bewegen, schoon eigenlijk als een vreemdeling; in het stille Delft heeft hij zich zelfs met eenigen ernst aan het bestudeeren van de groote godgeleerde vraagstukken des tijds gezet; - misschien wel omdat die vraagstukken toen het schoolsche kleed hadden afgelegd, en in anderen vorm midden onder de gemeente gebracht waren; - maar het vermoeide hem; en als hij zich gedurende eenigen tijd, bijvoorbeeld in de kwestie van den vrijen wil of zoo iets, had verdiept, was hij niet alleen zelf verbaasd over zijn volharding, maar moest hij aanstonds in letterkundige werkzaamheden verpoozing zoeken.

De Mailbrief uit de Laatste der Eerste is zulk een verademing van theologisch-wijsgeerige inspanning. ‘Is 't ook’, zoo roept hij in het tweede koeplet uit:

 
Is 't ook een tijd waarin wij leven! ach wij hooren
 
Geen geestig liedje schier uit Hollands dichterkoren!
 
En 't lieve vaderland, het schijnt me al meer en meer
 
Één godgeleerd dispuut, waar ik mij wende of keer...
 
O Muzen mijner jeugd, o schalken, zorgeloozen!
 
Laat me aan uw hart een wijl van al dien strijd verpoozen!
[p. 13]

Nooit heeft hij - en ik zal de laatste zijn om het hem ten kwade te duiden - veel eerbied gehad voor de Theologie, gelijk zij was; en hij voelde zich niet geroepen om haar een andere richting te geven. ‘Hebt gij’, zoo schreef hij mij later, ‘hebt gij Sepp's bekroonde verhandeling al gelezen? 't Is een dik boek daar veel belangrijks in staat - doch ik moet zeggen, dat de historie onzer vaderlandsche Theologie mij, voor gemelde Theologie, weinig respekt inboezemt.’ - In onze eigenlijke studiën nam hij dan ook weinig deel, ofschoon hij zich niet opzettelijk afzonderde. Ook toen hij predikant was bleef hij in den kring van theologische geestverwanten, en woonde hij onder anderen eenige samenkomsten bij door een aantal hunner uit verschillende plaatsen in 1858 en 59 gehouden. Doch karakteristiek is het volgende antwoord op een noodiging tot een dier bijeenkomsten, die ik hem had gezonden: ‘Lieve vriend, ofschoon de Theses van dien aard zijn, dat ze iemand weg zouden jagen - ben ik wel gedetermineerd’ (de hoofdkwestie was het Determinisme) ‘Dingsdag ten uwent te komen. Ik hoop dat het colloquium wat minder stijf en deftig en langdradig zal wezen dan de vorige keer...’

Dan, al vond hij onze wetenschappelijke diskussies langdradig en vervelend, al kon hij geen theologisch vraagstuk verteren, zoo het niet met een weinig attisch zout was gekruid, al stak hij niet zelden den draak met onze deftigheid en geleerdheid en diepzinnigheid, hij was en bleef bij ons allen gezocht en geliefd. In het eigenlijke studentenleven mengde hij zich weinig. Niet, dat hij geen open oog had voor hetgeen er frisch en aantrekkelijk in was; zijn Liedje aan een jong student zou alleen genoeg zijn om het tegendeel te bewijzen. Maar hij studeerde te Amsterdam, en bleef dus in den kring zijner betrekkingen en oude vrienden, zoodat hij geen behoefte gevoelde veel nieuwe kennissen in de studentenwereld te maken. Daarbij kwam, dat zijn teeder gestel hem verbood om het Epikurisch feestgezang van zijn eerste studiejaar zelf veel in

[p. 14]

toepassing te brengen. En eindelijk, - waarom zou ik het verzwijgen? - zijn buitengewoon talent bracht hem meer in aanraking met letterkundigen dan met studenten, en plaatste hem in een eigenaardige stelling, die hem verbood zich zoo geheel aan 't verkeer met zijn gelijken in jaren en studie te geven, als hij anders had kunnen doen. Evenwel, met verscheidenen onzer ging hij veel om, en voor degenen die zijn sympathie hadden was hij een dienstvaardig en hartelijk vriend.

Nog staat zijn beeld levendig voor mijn geest, zooals ik hem in die dagen eerst leerde kennen. Nog zie ik, dunkt mij, dat edel, fijn-besneden gelaat, met een rijkdom van krullende lokken omringd, dien geestigen mond, dat hooge voorhoofd, dat vriendelijk en toch zoo ondeugend oog waarmeê hij u zoo open aanzag. Nog zie ik dat oog van geestdrift vonkelen, als hij ons een zijner nieuwste verzen of een gedicht van een lievelingspoëet voordroeg op zijn zangerigen toon. Nog zie ik zijn schalken, spottenden blik, als we bijwijlen zeer deftig of geleerd wilden wezen. Nog zie ik hem de lippen stijf op elkander klemmen, als iemand het waagde hem een prullig versje voor te lezen, een schaperig minneliedje of zoo iets, ziek van sentimentaliteit, totdat hij zich niet langer bedwingen kon, en met koddige verontwaardiging uitriep: ‘Maar, dat is een lor!’ Zijn oordeel, waar het de kunst gold, was onmeedoogend, zijn ondeugende plagerij spaarde zijn beste vrienden niet. Maar van hem konden wij alles verdragen. Innemend en beminnelijk was zijn omgang in de hoogste mate. Wij meenden wel eens grieven, ernstige grieven tegen hem te hebben, en namen voor, hem dat bij gelegenheid eens goed onder de oogen te brengen. Maar zoodra wij hem ontmoetten en hij twee minuten met ons sprak, waren alle grieven vergeten, en had hij ons weer geheel met zich verzoend.

Zoo, onder velerlei afwisselende, doch nooit overspannende, studiën en werkzaamheden, door liefhebbende betrekkingen en vrienden omgeven, aan de zijde der verloofde, die hem later, -

[p. 15]

helaas, voor weinige jaren! - tot den gelukkigsten echtgenoot zou maken, om zijn rijke gaven door velen bewonderd en geëerd, bereidde hij zich voor tot die betrekking, die hij uit liefde gekozen had. Meest in Amsterdam, dat den jongen dichter zulke rijke hulpmiddelen tot zijn ontwikkeling aanbood, doch 's zomers in de vakantiën liefst buiten, te Bloemendaal, zoo menigmaal door hem bezongen, en aan welks liefelijke natuur zijn poëzie inderdaad verwant was, te Scheveningen, waar de zee zijn teedere zenuwen sterkte, ‘zwevende’, gelijk hij mij destijds schreef, ‘van de zee naar het bosch, van de duinen naar de ontluikende heiden van dien Heereboer’, waaraan een zijner schoonste verzen (kerngesund zooals onze Overrhijnsche naburen 't zouden noemen) gewijd is, ‘zich amuzeerend nu eens als een kluizenaar in de bosschen, dan weêr als homme du monde bij de lieve menschen, die er een buiten op na houden voor eens anderen mans pleizier’; - verzen schrijvend in zijn gezellig en gemakkelijk studeervertrek, of ‘ze zeggend in de lucht, ze gevend aan den wind, die ze verstrooit, 't geen beter en frisscher voor hen is, dan dat ze in een of ander mooi boekje gedrukt worden’, of ook wel ze, onder luide toejuiching, voorlezend in allerlei zalen en zaaltjes van het Vaderland; van tijd tot tijd, vijf of zesmaal, naar het gebruik bij het remonstrantsche Seminarium, predikend met al den smaak en het vuur van een dichterlijken geest en met al den ernst eener innige overtuiging; vroolijk maar sober, ongedwongen maar zichzelf bedwingend, een ‘mensch van vleesch en bloed’, maar die wel zorgde dat vleesch en bloed niet de overhand kregen, jong maar rein, doorleefde hij vijf gelukkige jaren. Wien kan het bevreemen, dat de bundel Eerste Gedichten , dien hij aan het einde van zijn studietijd uitgaf, den stempel van een blijden en dankbaren geest droeg? Bij een karakter als het zijne kon het niet anders. Hij was gelukkig, waarom zou hij zich verbeelden ongelukkig te zijn? Waarom een wanhoop, een menschenhaat, een Weltschmerz

[p. 16]

veinzen, die de zijne niet waren, die hij niet gevoelde? Van niets had hij zulk een afgrijzen, dan van het spelen eener rol. Ook als dichter, als schrijver, hij voelde het instinktmatig van den aanvang af en het werd hem immermeer bewust, moest men zich voordoen zooals men is. Menschen, tot wie hij een strafrede kon richten als deze:

 
Al uw zeemlen, al uw zuchten,
 
Al uw doen is laria,
 
Ieder zuchtjen is een Judas,
 
Ieder glimlach is een list...

kon hij zien noch luchten. En al was nu die bestraffing zoo erg niet bedoeld, al bleef die ‘vent die humorist werd’ - en die later getoond heeft het in gezonden zin te kunnen zijn, - ‘die diepstgezonken Simia’ steeds zijn vriend, er lag waarheid in die grappige overdrijving, en in den grond van de zaak was 't gemeend. Nooit is hij dan ook van dat beginsel afgeweken. Zijn verzen zijn een deel van hemzelf. Hij sprak er in uit, wat hij werkelijk gevoelde, niets meer, niets minder.

De Eerste gedichten verschenen in December 1851, doch waren reeds in November van dat jaar verzameld en gedrukt. De Bundel bevat verzen van de jaren 1846-1851, dus van het zestiende tot het twee-en-twintigste van onzen dichter; de voorrede is juist op zijn twee-en-twintigsten verjaardag geschreven.

Men moet dit in het oog houden, om aan deze eerste gedichten recht te doen, en ze volkomen te waardeeren. Want zij getuigden inderdaad van een merkwaardige ontwikkeling. Er zijn zwakke verzen in, wie zou 't loochenen? Ik althans zal 't niet opnemen, hetzij voor: Vliegenvreugd en dichtersmart, hetzij voor: In de Bibliotheek van een liefhebber, om slechts deze te noemen. Ik zal niet beweren dat het Epikurisch feestgezang iets anders bewijst, dan groote kunstvaardigheid. Ik zal niet zeggen dat schetsen als het Zomertochtje, wenschen

[p. 17]

als Egoïsmus, schertsende uitvallen zooals Boutade of Vogeltjes die zoo vroeg zingen krijgt de poes, iets toebrengen tot oplossing van de groote raadselen des levens; ofschoon ik de meeste niet gaarne zou willen missen. Maar het is toch al iets, dat een knaap zulk een meesterschap over den vorm heeft verworven, als De Génestet reeds in de jaren waaruit deze verzen afkomstig zijn toonde te bezitten, dat hij reeds dadelijk aanving, gelijk Van Vloten zoo juist heeft aangemerkt, met dien gezonden, treffenden eenvoud, dien anderen, zelfs Beets, eerst na veel tasten en zoeken gevonden hebben. Neem bijvoorbeeld - niet een van die verzen, waarvan ik er straks eenige genoemd heb, en die haast alleen om den wil van den vorm schijnen te bestaan - neem zelfs niet dat: Aan iedereen, dat, uit het oogpunt van savoir-faire een kunststuk, nochtans ook goed en gezond is gedacht; maar neem er, waar het onderwerp bepaald hoofdzaak is, zooals de Avondzon:

 
Ja, in God is mijn kracht, -
 
Sprak hij innig en zacht,
 
Maar ik voel dat mijn leven zal renten:

met dat schoone slot:

 
En ik hoorde hem aan
 
Met een lach en een traan:
 
'k Had de zon nooit zoo plechtig zien dalen:
 
En dat bleeke gezicht
 
Werd zoo sprekend verlicht,
 
Door de laatste, haar stervende stralen.

of zooals de bekoorlijke schildering van den Muiderkring, wier heugenis hem voor den geest kwam op een vervelende soirée, een schildering die eindigt met muziekale verzen als deze:

[p. 18]
 
Vos hoort den weêrklank van Ausoonje's veldschalmeien;
 
Barlaeus meent zich op d' Olympus, bij de goôn,
 
En vader Vondel, in verrukking van dien toon,
 
Denkt aan zijn paradijs en dicht zijn englenreien;

waarin bovendien de personen met een enkelen toets zoo juist worden gekenschetst. Of liever, lees den ganschen Bundel van 't begin tot het einde, en gij zult zien, dat de taal dezen jongen dichter gehoorzaamde, omdat hij haar geen geweld deed, al het gezochte en onverstaanbare zorgvuldig vermeed, en zich-zelf gewillig aan haar wetten onderwierp. En die schoone, gemakkelijke vorm was de vrucht van aanhoudende en onvermoeide oefening. De Génestet paarde een fijn dichtersgehoor - te opmerkelijker omdat, hij volstrekt geen gevoel voor muziek had - aan een kieschen smaak. Als geboren dichter viel het hem gemakkelijker verzen te schrijven dan proza: dit laatste was misschien zijn zwakke zijde. Toch vergenoegde hij zich niet met improvizatiën op het papier. Hij zeide mij wel eens, in navolging van Alfred de Musset: Je fais difficilement des vers faciles, en toonde mij soms een onvoltooid gedicht, waarvan hier een koeplet, daar een paar heele of halve regels met een aantal gapingen tusschenbeide waren opgeteekend, en dat nog tijd noodig had om te rijpen. Want hij achtte den vorm niet onverschillig. Deze was hem, en terecht, een der twee hoofdzaken voor den kunstenaar, den dichter. Een kunstwerk moest schoon zijn, uiterlijk en innerlijk. Had men niets wezenlijks te zeggen, men deed beter te zwijgen, ook al bezat men de gaaf, een stroom van vloeiende regels zonder ínhoud te doen vlieten. Maar was men niet in staat zijn goede, ware, verhevene, diepzinnige gedachten anders dan in een stootenden, smakeloozen, gewrongen, met één woord, leelijken vorm uit te spreken, dan mocht men onder de denkers een plaats verdienen, op den rang van dichter moest men geen aanspraak maken:

[p. 19]
 
Want proza, man, en poëzy
 
Zijn twee!

Zulke overleggingen waren het, die hem aan den vorm zijner verzen van den aanvang af zulk een groote zorg deden wijden. Hij rijmde niet, wanneer hij niets op het hart had; maar als een gedachte, een aandoening hem inspireerde, dan achtte hij het wel de moeite waard, haar in een behaaglijk kleed aan anderen te doen kennen. Zonder te vijlen en te schaven als Feitema, was hij altijd keurig. En terwijl hij alles wat den goeden smaak zou beleedigen, zonder mededoogen verwijderde, wist hij toch ook alle stijfheid te vermijden, en aan zijn gedichten die losheid, dat levendige en natuurlijke, dat pikante te doen behouden, dat er geen geringe verdienste van uitmaakt.

Of was dat misschien de eenige verdienste van dien eersten Bundel? Toen hij verscheen waren er die zoo oordeelden. Ik herinner mij dat onze vriend mij in die dagen, niet zonder zekere teleurstelling, een brief van een onzer gevierdste dichters liet zien, waarin deze hem voor de toezending der Eerste gedichten bedankte, maar er geen anderen lof bijvoegde, dan dat de vorm zoo schoon was. En daar waren er velen, ook letterkundige orakels, die met dat oordeel instemden. Ik erken, dat het mij onbillijk voorkomt. Het zijn, men vergete dit niet, de gedichten van een knaap en een jong student, en men wijze mij dan uit de eerste werken van onze beste dichters iets aan, wat daarmeê, ook naar de innerlijke waarde gerekend, vergeleken kan worden. Hier waren geen oude, afgezaagde denkbeelden, vruchten van vroege lektuur, in nieuwen vorm gegoten. Hier was een overtuiging, inderdaad, een overtuiging, waarvan men verschillen, doch wier bestaan en wier oprechtheid men niet loochenen mag. Hier was een frissche, oorspronkelijke levensbeschouwing, werkelijk het eigendom van den dichter, en waarvoor hij, welk onderwerp hij ook behan-

[p. 20]

delde, een gelukkige uitdrukking wist te vinden. Hier klonk de blijde toon eener levenslustige jeugd, doch hier werd ook geen diepte gemist, geen ernst vergeefs gezocht; hier werd bijwijlen met heiligen ernst gesproken, bijwijlen de toon van weemoed aangeslagen, bijwijlen een stem uit het diepst des harten vernomen. Men zal immers geen diepte ontzeggen aan die schoone belijdenissen: Uit mijn Dagboek, Stem des harten, In gelukkige dagen, Dagelijksch brood; men zal den ernst niet willen miskennen van de Volksdichter, Kritiek en zoovele andere verzen. En wie wordt niet getroffen door den stillen weemoed die er over dat reeds genoemde: De Avondzon, en over zijn afscheidslied Aan Mr. E.H. 's Jacob, dat werkelijk een afscheid voor goed geweest is, ligt uitgespreid? - En dat hij niet alleen voor de zwakheden en kleine gebreken zijner medemenschen een scherpen blik had, dat niet alleen het dichterlijke van zulke jolige figuren als zijn jong Student hem trof, dat hij ook het verhevene eener waarlijk tragische figuur wist te waardeeren en weer te geven, dat kan zijn Hertogin van Orleans bewijzen, met dien heerlijken aanhef:

 
Gij alleen waart koningin,
 
Bij het spatten van hun kronen,
 
Bij 't uiteenslaan van 't gezin,
 
Bij het kraken van hun tronen:

met die treffende herinnering aan haar vroeggestorven gemaal:

 
Was 't uw blik die haar bestraalde
 
Toen, in haar, uw vorstenzon
 
Koninklijker nederdaalde,
 
Dan zij immer rijzen kon?

en dat verheven slot:

[p. 21]
 
Weduw, wandel over 't puin
 
Van 't paleis in asch verzonken,
 
En het ingestort arduin;
 
Want een stemme heeft geklonken
 
Om uw opgeheven kruin:
 
Deze koningsweeûw is heilig,
 
Zuiver van de vorstenblaam:
 
Deze koningsweezen veilig,
 
In de schaduw van haar naam!

Maar wat dezen Bundel zulk een groote, en blijvende populariteit verzekerde, dat was de frischheid, die niet alleen den vorm, maar ook de gedachten kenmerkte, de jeugdige kracht, die alles doortintelde. Men voelde zich als het ware een lenteadem uit deze verzen tegenwaaien. Deze dichter was een man van zijn tijd, met een open hart voor natuur en menschheid, geen vreemdeling in de wereld die hem omringde. Tot nog toe - waarom zouden wij het verbloemen? - behoorden verreweg de meesten, en zeker de uitstekendsten onzer dichters, met hun sympathie en denkwijs, tot een vervlogen tijdperk. Tegen den geest der eeuw streden zij, in plaats van zich aan de spits der beweging te stellen. Profeten van het verleden, ijverden zij voor denkbeelden, die de meesten hunner tijdgenooten al hadden prijs gegeven, of verheerlijkten zij een tijd, waarin men, zonder eenige dweeperij, zich moeilijk verplaatsen, en die nimmer terugkeeren kon. Wij - ik bedoel het jongere geslacht - wij bewonderden Bilderdijk en Da Costa, om nu geen levenden te noemen, maar gelijk wij Vondel of Cats waardeerden, als mannen van een vorige eeuw, als welsprekende tolken van gevoelens die de onze niet meer waren. Bovendien waren onze dichters, klassieken en romantieken, elk in hun soort veel te geleerd, zelfs voor de beschaafden onder het volk. Maar wat deze jonge dichter ons gaf, was noch geleerd, noch verouderd. Het leefde en was uit het volle leven gegrepen. Het was geen

[p. 22]

huldigen van den waan van den dag, maar ook geen miskennen van het streven onzes tijds.

Gelijk hij dacht, zoo dachten wij ook. Vroom van hart en waarlijk liberaal, waardeerde hij vroomheid in iederen vorm, zelfs al was zij eenigszins mystisch gekleurd, maar de zijne was niet geprangd in 't keurslijf van een versleten stelsel. Met welk een jeugdigen moed werd hier het Schotje van onverdraagzaamheid en sektegeest bestormd! Met welk een ondeugenden humor werd hier Jan Salie aan zijn oor getrokken en om zijn alarmeeren uitgelachen! Hoe werd hier in de Spreekwoordjes, en in de St. Nikolaasavond (dat wij toen echter slechts gehoord hadden) met de menschelijke ijdelheid der ridderlintjes de draak gestoken! Hoe vereenigde zich hier levenslust met wakkeren stervensmoed! Geen wonder, waarlijk! dat wij dit nieuwe lied, voorbode van een nieuwen tijd, met innige blijdschap begroetten. Geen wonder dat De Génestet, van dat oogenblik af, de lievelingsdichter werd voor al wat jong was, jong van jaren en jong van hart, en dat we allen vrijwillig instemden met de stelling, die hier metterdaad en in zulke goede verzen werd verdedigd: Slechts wat waar en gezond en rein en natuurlijk is, slechts dat is schoon!