Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 23]

II.

In 1852 trad De Génestet het openbare leven in. In Juni werd hij proponent bij de remonstrantsche Broederschap, spoedig daarop te Moordrecht, in Augustus te Delft beroepen, en in 't najaar op laatstgenoemde plaats door Van der Hoeven bevestigd. Met lust en liefde aanvaardde hij deze taak. Men heeft gevraagd of De Génestet wel voor haar berekend was, en of hij niet beter gedaan had, zich in een ambteloos leven geheel aan de letteren te wijden. Van de eene zijde heeft men beweerd, dat hij, door den last van zulk een beroep op zich te nemen, zijn eigenlijke roeping miskende; dat zijn dichterlijk talent in 't gareel dezer praktische werkzaamheden verstikken of althans groote schade moest lijden, en dat de dag, waarop hij besloot zijn ambt neder te leggen, in waarheid de dag zijner bevrijding mocht worden genoemd. Van de andere zijde heeft men aangevoerd, dat een dichter zooals hij voor de betrekking van godsdienstleeraar niet geschikt was; dat hij haar niet kon waarnemen zooals 't behoorde; die zóó preekte moest spoedig uitgepreekt zijn, en toen hij zijn ontslag nam, toen had men al

[p. 24]

lang voorspeld dat dit het einde moest wezen. Er was wel een greintje waarheid in beiderlei beweren, maar ook niets meer, en de gevolgtrekkingen, die men er uit maakte, waren zeker onjuist. Het prediken, geregeld, iedere week, voor een uitgelezen gehoor, viel hem zwaar; doch niet omdat hij niets had te zeggen. Hij had veel te zeggen, meer dan die hoofdschuddende wijzen, die er wel eens over klaagden, dat zijn preken zoo vol waren. Hij had een rijkdom van gedachten, waarop menig ambtgenoot zijn gansche leven zou kunnen teren. Maar hij had een te grooten afkeer van gemeenplaatsen; hij droeg te groote zorg voor den vorm waarin hij zijn gedachten uitdrukte; hij was te veel kunstenaar, met één woord, om niet eenigszins gebukt te gaan onder de verplichting om iederen Zondagmorgen op te treden met een stuk, dat, naar zijn schatting, waardig was om gehoord te worden. Misschien heeft zijn teer gestel daaronder wel wat geleden. Misschien, waarschijnlijk zelfs, zou hij, indien hij uitsluitend letterkundige geweest ware, zijn krachten als dichter beproefd hebben aan stouter onderwerpen dan die, welke hij nu met zooveel gratie en meesterschap heeft behandeld. Hij zelf gevoelde, toen hij zijn laatstverschenen Bundel uitgaf, dat hij ‘nog wel iets beters’ zou kunnen geven, dan hij tot nog toe gaf, ‘dat er nog wel andere snaren op zijn speeltuig konden weerklinken, dan die tot op dien tijd met hun teederen toon een vriendelijk oor hadden gestreeld’; en wij mogen ons verzekerd houden, dat hij dit metterdaad zou hebben getoond, zoo hem een langer leven ware geschonken; wij mogen veronderstellen, dat dit reeds nu gebleken zou zijn, indien de plichten van zijn ambt, en, vergeten wij het niet, de groote rampen die hem troffen, hem daarin niet hadden belemmerd. Maar als wij bedenken, dat het niet de minsten zijner gedichten uit de Laatste der Eerste zijn, die hun oorsprong danken aan zijn pastorale ervaring, vooral dat wij die kostelijke Leekedichtjes niet bezitten zouden, zoo hij door zijn betrekking niet van-zelf gedwongen ware ge-

[p. 25]

worden, om zich in te laten met de theologische vraagstukken van den dag, dan hebben wij, ook uit een letterkundig oogpunt geen reden ons te beklagen, dat hij een tijdlang als voorganger eener gemeente is werkzaam geweest.

Dit is zeker, dat hij zijn beroep uit vrije liefde heeft gekozen, en, zooveel zijn zwakke gezondheid toeliet, met ijver heeft vervuld. Voor hetgeen deftig en officiëel was, gevoelde hij zich ongeschikt, en hij had er een verklaarden afkeer van. In een drukken werkkring, die al zijn tijd ingenomen en de inspanning van al zijn krachten vereischt zou hebben, zou hij misplaatst zijn geweest. Doch daarom juist was de kleine remonstrantsche gemeente te Delft voor hem als geschapen. Hij was er geheel t'huis, en zij had wederkeerig aan hem alles te danken. De voorwaarden waarop hij zich aan haar verbond - haar middelen waren destijds nog niet toereikend om in het onderhoud van een eigen leeraar te voorzien - maakten haar mogelijk, reeds toen een zelfstandige gemeente te worden. Door hem kwam zij tot grooten bloei. Het kerkje, schoon voor de gemeenteleden veel te ruim, was weldra te klein om de schaar van toehoorders te bevatten, die zich door het rijke gehalte en den schoonen vorm, bovenal door den diepen godsdienstzin en den ernst zijner prediking aangetrokken voelden. Ook het hart zijner weinige leerlingen had hij al spoedig gewonnen; want, die zijn verzen kent weet het, hij had de kinderen lief, en vond er een groot behagen in om, op zijn eigenaardige, onderhoudende wijs, wat goed en rein en edel is bij hen aan te kweeken. Trouw bezocht hij zijn kranken en deelde met hart en ziel in alles wat de leden zijner gemeente betrof. ‘Ik verlang’, zoo schreef hij mij, ‘ik verlang eens naar Rotterdam te komen - maar ik heb hier een lieve zieke, die ik dagelijks bezoek, en wier einde ik al sinds eenige dagen heb tegemoet gezien. Hierdoor ben ik gebonden. Anders kwam ik eens praten.’ En toen hij dat schoone vers schreef: De lendenen omgord:

[p. 26]
 
Op, uit uw armstoel naar dat stroodak in de verte!
 
Der armen Heiland roept in guren winternacht.
 
Op, uit uw blij gezin, naar 't eenzaam huis der smarte:
 
Weent met die weenen, trouw en zacht;

of toen hij in dat andere Toen ik een knaap was gewaagde van een ure die voor hem gekomen was:

 
Ure van roeping, van ernst, van genâ,
 
Dat in mijn boezem die stem werd vernomen:
 
Hebt gij mij lief? en mijn ziele sprak: ja;

en betuigde toen eerst gevonden te hebben ‘trots banden en zielstrijd en smart’, ‘wat hij eens vruchteloos zocht in zijn streven:’

 
Vrijheid en vrede voor 't rusteloos hart!

toen was het niet alleen de dichter die sprak. - Kortom, dichter moge De Génestet in de eerste en voornaamste plaats zijn geweest, ook in zijn predikambt vond hij en vervulde hij een roeping. En toen hij het eindelijk, na acht jaren arbeids, nederlegde, was het niet uit tegenzin voor die betrekking, die hij vrijwillig gekozen had, maar alleen omdat zijn krachten een zoo inspannend werk niet langer gedoogden, en hij zich geheel aan een anderen plicht, de opvoeding zijner kinderen, verlangde te wijden.

Tevreden met zijn werkkring, was De Génestet niet minder gelukkig in zijn gezin, althans in de eerste jaren. Dat waren de jaren van weelde, waarvan hij spreekt, die van weemoed kwamen later. In hetzelfde jaar, dat hij het openbare leven intrad, begon voor hem ook het huiselijke. In September 1852 trad hij in den echt met Mejuffrouw Henriette Bienfait. Te Bloemendaal, waar de familie zijner bruid den zomer doorbracht, werd het huwelijk gesloten. Daar waar

[p. 27]

hij zijn liefste plek had gevonden, door hem zoo welsprekend bezongen, werd hij vereenigd met haar, die hem volkomen verstond en waardig was. Slechts een zevental jaren ongeveer mocht hij zich in haar bezit verheugen. Wat zij voor hem in dien korten tijd geweest is, hoe innig hij haar liefhad, dat kan zelfs de vriend niet beschrijven; dat verraden slechts eenige zijner verzen, waarvan ik alleen dat onovertrefbare: Liefde behoef te noemen. Welk een tegenstelling en welk een overeenstemming tegelijk, tusschen den levendigen, beweeglijken, opgewonden dichter en de zachte, kalme, doch zoo verstandige en hoogstontwikkelde vrouw, die hem ter zijde stond. Menigmaal bezocht ik hem, eerst in 't oude huis,

 
dat daar aan de vest
 
Zoo witjes lacht in 't groen!

met bloemen en boomen omgeven, vriendelijk, vroolijk, en dat hij, met al zijn gebreken en ongemakken, nimmer vergeten kon; later in dat statige, deftige huis, dicht bij de Haagpoort, waar hij meer comfort en ruimte vond, doch waar de dichter zich maar half tehuis gevoelde, en dat hij Welgelegen doopte, omdat het zoo dicht bij 't Kerkhof lag, weinig vermoedend, helaas! dat het voor hem nog in anderen zin niet ver van den doodenakker zou zijn. Altijd was zulk een bezoek mij een genot. Ook het nieuwe huis was toenmaals nog

 
vol huwelijkszegen,
 
Kinderliefde en moedermin.

En daar, in 't midden van zijn jong, bloeiend gezin, leerde men hem eerst in al zijn beminnelijkheid kennen. Tot die dichters, die, sterker van verbeelding dan van gevoel, aandoenlijke verzen maken op het huiselijk geluk, en intusschen tehuis zeer ongezellig en lastig en tiranniek zijn, behoorde hij geenszins. Zooals hij zich in zijn gedichten schetst, ‘'t liefste

[p. 28]

speelgoed zijner kinderen,’ met hen stoeiend en spelend, een kind als zij, zoo was hij werkelijk. Ik zie hem nog, bij een groot verdriet van een der kleinen, dat bittere tranen scheen te kosten, vóór haar nederknielen, en met koddigen ernst smeeken, om toch het hart van haar armen vader niet te breken, zoodat de tranen spoedig door lachjes vervangen werden. Alle stroefheid, alle hardheid, alle stijfheid waren uit zijn huis gebannen. Anni's taal mocht vrij en ongedwongen in de huiskamer weêrklinken, en er was behalve de moeder nog een, die er met welbehagen naar luisterde. Toch nam hij de taak van de vorming zijner kinderen ernstig ter harte. Die er zich van overtuigen wil, leze dat voortreffelijke: Opvoeding:

 
Ik heb een leelijk trekje
 
Ontdekt in 't kleine hart
 
Van ons aanvallig bekje -
 
Dat baart mij groote smart.
 
 
 
Ik heb tot God gebeden
 
Dat Hij mij raden wou,
 
Hoe 'k best dat hartje kneden
 
Dat plantje sturen zou?

Hun geluk was hem alles. Geen vuriger bede steeg ooit op uit zijn hart, dan voor het behoud der moeder met haar blondje en bruintje nevens haar. Niet dieper trof hem de smart en ellende in de wereld, de smart en ellende waarvan hij nu menigmaal getuige moest zijn, dan wanneer hij dacht aan zijn huis, ‘zijn zoet geluk’,

 
De moeder met haar kroost gezegend en bemind,

en zoolang hij de zijnen nog om zich had, mocht hij zijn Dagboek nog dat van een gelukkige noemen. In den zomer van 1856 deed hij met een vriend een reis naar Zwitserland; hij waardeerde de ontzaglijke grootheid van de natuur die hij daar

[p. 29]

aanschouwde, ofschoon zij hem, gelijk hij mij verhaalde, nog meer overstelpte dan aantrok; maar ‘mijn hart is t'huis!’ riep hij uit. ‘De kopjes zijner lieven zweefden voor hem uit’, en al hoorde hij en verstond hij den lofpsalm dien de heilige Natuur tot eer van God aanstemde, toch, zeide hij,

 
Toch dieper nog weêrklinkt, door 't binnenst van mijn harte,
 
In 't vreemde schoone land, altijd een zachte stem,
 
Die ruischt van uit de dierbre verte,
 
En die nog luider spreekt van Hem!
 
 
 
Van Hem..... wiens liefde en licht, uit drie paar vriendlijke oogen
 
Zoo heerlijk op mijn paden blinkt:
 
Wiens lof uit kindermond steeds door mijn woning klinkt,
 
Mijn kluis vol vrede, die 'k al strijdend ben ontvlogen!
 
Van Hem.... wiens trouwe, wiens bescherming en genaê,
 
Ik al mijn schat beveel, met duizend teederheden,
 
Terwijl ik 't vochtig oog naar gindsche bergen sla,
 
Vol heimwee en gebeden!

Hoe spoedig zou dat geluk, voor hem het hoogste op aarde, gesloopt worden! Nog geen drie jaren nadat hij deze regels te Interlaken schreef, klom zijn geluk ten top. Hem werd een zoon geboren. ‘Er is’, zoo jubelde de blijde vader,

 
Er is een kind geboren,
 
Een jongetje in de Mei,
 
De feestmaand, de uitverkoren
 
Van Liefde en Poëzy.

Wel had zijn lieve vrouw reeds sinds December van het vorige jaar aan koorts en zenuwzwakte geleden, maar nu liet alles zich geheel anders aanzien. ‘Weet gij,’ zoo schreef hij mij den 28sten Mei 1859, ‘weet gij dat ik een zoon heb, een krullebol? Wij zijn in-gelukkig en dankbaar. De lieve kraamvrouw en mijn edel knaapje maken het voortreffelijk nu - doch wij hadden barre dagen en uren, voor die kleine P.A. er was.’

[p. 30]

Maar juist twee maanden later was het een geheel andere toon, dien hij aansloeg. ‘'t Is lang niet fleurig in mijn huis,’ schreef hij toen. Sedert negen weken was alles veranderd. De jonge moeder, kort na de geboorte van haar zoon zoo wel en gelukkig, leed weer aan koorts en hoesten, ‘was zwak en bleef zwak.’ Men zou de buitenlucht gaan beproeven, doch de bezorgde echtgenoot stelde zich ook daarvan niet veel voor. Zoo was het ook. In Augustus was het niet beter. ‘Wij hebben,’ zoo schreef hij toen, ‘wij hebben lijdzaamheid van noode, is en blijft onze Dagtekst.’ In September ging de zieke hard achteruit. De geneesheeren gaven geen hoop meer. Op de mededeeling van dit vreeselijk vonnis, in een brief van 21 Sept. 1859, laat hij volgen: ‘Voor mij, ach! ik kan vaak niet oproeien tegen al de droefheid en weemoed, die mij overstelpt, nu, hier in dit oord van zooveel zegen en gezegende herinneringen. Mijn liefste Plek werd mijn Olijvenhof. Waarschijnlijk zal ik haar dezer dagen per jacht - rijden kan niet meer - vervoeren naar Amsterdam, bij onze moeder. Daar heeft zij de meeste rust en is omgeven van allen die zij 't meest lief heeft. Ik heb beloofd haar niet te zullen verlaten, natuurlijk. Slechts als 't redelijk is wenschte ik een enkelen Zondag 's avonds zelf te gaan preêken.’

‘Onzen treurigen overtocht,’ zoo heette het in een brief van 28 Sept., ‘hebben wij Zaterdag ll. nog al betrekkelijk goed volbracht. Maar het had ook niet langer moeten duren! Wie had mij gezegd dat ik ooit op die wijze door Amstels grachten varen zou! Ach! het was zoo diep-melankoliek!’

Toch, in die sombere dagen, bleef hij werkzaam, en dezelfde brieven, waaruit deze treurige berichten ontleend zijn, getuigen van levendige belangstelling in alles wat er omging op letterkundig en godsdienstig gebied. Hij had oogenblikken dat het kruis hem bijkans te zwaar viel. Maar meestal was hij moedig en berustend. Gelijk hij zegt in zijn Door zegen geheiligd, de herinnering van Gods zegenende liefde bleef hem een

[p. 31]

troost en kracht in dagen van ‘raadselvolle smart’. In deze dagen was het dat hij de weinige, maar door vorm en gedachte uitstekende regels schreef, die ik mij niet ontzeggen kan in hun geheel aan te halen:

 
Boven mijn hoofd aan zijden draad
 
Slingert het zwaard al heen en weder,
 
't Moét vallen - vallen, vroeg of laat!
 
Het trilt, het velt mij neder!
 
 
 
Doch om mijn hoofd ook ruischt een stem,
 
Te midden van al mijn vreezen,
 
Die mij gebiedt met zachten klem,
 
Toch niet bezorgd te wezen.

En in die dagen - 15 Oktober 1859 - was het ook dat hij mij schreef: ‘De gure dagen, die wij gehad hebben - waren voor mijn zieke niet gunstig. Schoon zij steeds het bed houdt, de scherpe N. en O. wind dringt overal door. Nu onmerkbaar, dan weêr merkbaar, wordt dat lief en liefelijk wezen gesloopt van dag tot dag... voor de oogen onzer liefde. Ik ben ziek, bedroefd en lijd erge pijn ook menigmalen, doch ik doe mijn best mij over te geven. Mijn Christendom lost zich op - ten minste als ik christelijk ben gestemd - in een Fiat voluntas! uitgesproken met een eeuwige hope in het hart... Doch in het leerstuk der H. Triniteit vind ik geenerlei troost noch kracht.’

Ik haal deze weinige regels uit verscheiden brieven aan, om eenigszins de stemming te doen kennen, waarin hij verkeerde, toen de grootste slag die hem treffen kon, naderde: om eenigszins te doen gevoelen wat hij geleden moet hebben, toen die hem eindelijk trof en weldra door den dood van zijn zoontje gevolgd werd. Deze smart was te groot, dan dat hij haar in zijn verzen had kunnen uitstorten. Zijn overvloeiend geluk kon hij daarin lucht geven, maar niet wat hij leed, toen

[p. 32]

het zoo geheel werd verwoest. Hij kon slechts zeggen, hoe lief hij haar had, die hem nu was ontnomen, hoeveel liever toen hij ‘weenend aan haar sponde zat’, dan toen hij haar als jonge bruid in de armen drukte, hoe hij van haar leven en hopend sterven leerde; en hij zeide het, zooals hij alleen het zeggen kon, in dat heerlijke: ‘Die ik het meest heb liefgehad,’ dat ik niet behoef uit te schrijven, omdat ieder het zich herinnert. Als een man heeft hij zijn kruis gedragen. Zijn krachtige geest, zijn ware, gezonde, ongeveinsde vroomheid hielden hem staande. Maar hij was verbrijzeld; en ik vermoed dat het lichaamslijden van zijn laatste levensjaar voor een groot deel moet worden toegeschreven aan den schok dien het verlies zijner echtgenoote hem gegeven had.

Weinige maanden daarna nam De Génestet zijn ontslag als predikant der Broederschap. De redenen die hem daartoe bewogen heb ik reeds genoemd. Ook, naar Delft terug te keeren, zonder zijn kinderen, en in die stad, waar hij zulke gelukkige jaren gekend had, een eenzaam, droevig leven te leiden, daartegen zou hij niet bestand, en hij zou er niet toe in staat zijn geweest. Daarom vestigde hij zich te Amsterdam, in de onmiddellijke nabijheid van zijn schoonmoeder, Mevrouw de Wed. Bienfait, in wier huis zijn kinderen een liefderijke verzorging vonden, en bracht den zomer meest te Bloemendaal door. Doch ook daar leefde hij ‘als in stad, stil, op zijn kamer.’ In de gezondheid en gelukkige ontwikkeling zijner lieve kinderen vond hij zijn troost, en een zekere afleiding in drukke werkzaamheid. Zijn twee laatste Bundels bezorgde hij in dit eene jaar. De betrekking van lid der plaatselijke Schoolkommissie te Amsterdam en die van sekretaris der Kommissie voor de oprichting van een standbeeld ter eere van Vondel nam hij waar met een ijver en nauwgezetheid, die bij zijn aanleg, zijn afkeer van alle routine en zijn wankele gezondheid te verdienstelijker waren. Het sekretariaat der laatstgenoemde kommissie bracht hem in aanraking met oudere en jongere letterkun-

[p. 33]

digen, hem reeds bekend of nog onbekend, vooral met Van Lennep, dien hij ook als uitgever van Vondels werken bijzonder leerde schatten. Bij Potgieter vond hij groote sympathie, en hij betuigde mij dikwijls voor zijn literarische ontwikkeling aan dezen Gids-veteraan niet weinig verplicht te zijn. Ook Zimmerman, eens zijn wellicht al te strenge beoordeelaar, doch wiens denkbeelden over De Génestet's poëzie later zeer gewijzigd waren, zag hij veel, gelijk hij te Bloemendaal Cd. Busken Huet dikwijls, bij wijlen ook A. Pierson ontmoette, vrienden met wie hij in menig opzicht eenstemmig dacht. Niet het minst verkwikte hem het verkeer met dien ouden vriend, aan wien zijn: Vrienden op 't kerkhof gewijd is, met wien hij ‘de paden zijner jeugd, de wegen van zijn lot menigwerf te zamen was gegaan,’ en aan wien hij zich nimmer zoo innig gehecht voelde

 
Als op den zwaren weg naar gindsche kerkhofdreven.

Liefhebbende betrekkingen omgaven hem met allerlei zorgen. En toen eindelijk het uitzicht zich voor hem opende, dat zijn verbroken huwelijksgeluk weer zou worden hersteld, toen de zuster zijner overledene gade haar lot met het zijne wilde verbinden, toen scheen het of de diepe wonde niet slechts verzacht maar geheeld zou worden, en er nog betere dagen voor hem waren weggelegd.

Doch het heeft niet alzoo mogen wezen. Reeds in den zomer van 1860 vertoonden zich de voorboden van de ziekte, waaraan zijn teêr gestel op den duur geen weerstand zou kunnen bieden. Den 26sten Augustus van dat jaar schreef hij mij: ‘Mijn konstitutie en het gebruik van staal dwingt mij tot zeer veel fyzieke beweging, en wandelende kan ik wel dichten, maar niet stellen en schrijven. Als ik in de lucht ben weet ik van geen vermoeienis of iets; als ik op mijn kamer zit ben ik meestal moê. Ik heb de rustelooze natuur van een vogel: was ik 't maar!’ Zoo bleef het tot in 't begin van 1861, toen een ernstige keelongesteldheid hem aantastte. Maar hij kwam

[p. 34]

ook die te boven. ‘Ik ben herstellende,’ zoo schreef hij mij in 't vroege voorjaar, ‘maar houd nog steeds mijn kamer. Misschien mag ik van de week even met rijtuig naar mijn moeder. Die historie heeft mij geducht aangepakt en ik ben zwak geworden - van al die pijn en al die koorts.’ Spoedig sterkte hij weder aan. Zelfs was hij weldra in staat om nog eens naar Rotterdam over te vliegen, en mij te bezoeken. Ik zal dien avond nooit vergeten. Hij was geheel de oude, vol leven en vernuft, hartelijk en beminnelijk. Cremer las dien avond in de Hollandsche Maatschappij en ons plan was geweest daar samen heen te gaan. Maar wij bleven praten en praten, en vergaten lezing en alles. Weinig dacht ik, toen ik van hem afscheid nam, dat ik hem voor het laatst de hand had gedrukt. Want het duurde niet lang of wij ontvingen weer ontrustende berichten. De keelziekte, die geweken scheen, greep hem weder aan met nieuwe kracht, en ging over in een algemeene ontsteking der slijmvliezen. Het was het einde. Te vergeefs wachtte men beterschap van 't verblijf te Rozendaal met zijn schoone natuur en gezonde lucht; hij kon er niet meer van genieten. Hij was er slechts heengevoerd om te sterven. ‘Nog den laatsten dag zijns levens,’ - het zij mij vergund hier de woorden van Zimmerman te gebruiken, die hem, kort na zijn ontslapen, in de Gids zoo welsprekend herdacht - ‘nog den laatsten dag zijns levens had hij doorgebragt in den kring dergenen, die hem liefhadden, in den dierbaren huisselijken kring, waarin hij zich 't liefst en meest bewoog; vermoeid en zwak, maar zonder smarte of pijn, had hij zich ter ruste begeven. Trouwe liefdeoogen bewaakten den slaap van den kwijnenden zieke: geen onrust of strijd vertoonde zich op het bleeke gelaat; matheid en uitputting, maar liefelijke vrede tevens blonken van zijn open, hooggewelfd voorhoofd; Peter de Génestet was in den vroegen morgen den tweeden Julij ter eeuwige ruste ingegaan.’

Dezelfde auteur heeft met eenvoudige trekken zijn uitvaart

[p. 35]

geschetst. Slechts betrekkingen en vrienden begeleidden hem naar zijn laatste rustplaats, en een drietal hunner voerde er het woord. Op het kleine kerkhof te Rozendaal, naast die statige laan die naar Beekhuizen voert, in 't midden van die liefelijke natuur waarvoor zijn hart altoos geopend was, rust zijn overschot. Door de zorg van eenige vrienden is een smaakvol gedenkteeken in zoogenaamd gothischen stijl op zijn graf geplaatst. Het Fiat voluntas, dat in zijn laatste jaren wel zijn levensspreuk mocht heeten, staat op den lijksteen gegrift.

 

Men verwondert zich, als men ziet, hoeveel De Génestet in dat negen- of tiental jaren, in weêrwil van vele andere bezigheden en van zooveel overstelpende smart, nog op letterkundig gebied heeft gearbeid, en hoeveel voortreffelijks hij heeft geleverd. Als nederlandsch dichter bracht hij aan de jaarboekjes zijn betamelijke schatting. Het meeste wat hij daartoe soms zuchtend bijdroeg, werd in zijn Laatste der Eerste herdrukt. Al het andere is in deze uitgave opgenomen. Ook in de Gids en Nederland verscheen nu en dan een zijner gedichten. Zijn In Memoriam, een schoone hulde aan de nagedachtenis van zijn geliefden leermeester en vriend Abraham des Amorie van der Hoeven, werd afzonderlijk uitgegeven, ofschoon hij 't aanvankelijk een andere bestemming had toegedacht. Voor een dier verzamelingen van gedichten bij uitheemsche platen, die destijds aan de orde waren, en waaraan, wij moeten het erkennen, onze letterkunde sommige harer schoonste sieraden te danken heeft gehad, de Historische vrouwen, dichtte hij zijn Mademoiselle de la Vallière, waarin hij het kiesche onderwerp met bewonderenswaardigen takt behandelde, en toonde het dichterlijk-schoone dezer figuur juist te hebben gevat. In het Zondagsblad schreef

[p. 36]

hij letterkundige brieven, doch slechts enkele; die over den Improvizator Beerman toont, dat hij ook over zijn kunst ernstig had gedacht, en zich rekenschap van haar hooge eischen wist te geven. In De Teekenen des Tijds was hij mij een trouw en bereidwillig medewerker; de beoordeelingen van dichterlijke werken van godsdienstigen inhoud, die daarin voorkomen, zijn van zijn hand. In 1855 namen wij te zamen de redaktie van den Christelijken Volks-Almanak op ons, en tot aan zijn dood toe had ik het voorrecht de uitgave daarvan met hem te bezorgen. Het was een klein en nederig boekje, maar hij had het lief, en stelde zich ook voor die taak geen geringe eischen. Metterdaad het bewijs te leveren, dat stichtend en smakeloos niet altijd behoefden samen te gaan, dat was daarin zijn streven. Misschien was het een illuzie, maar wij hoopten, dat door dien weg gezonde, heldere godsdienstige denkbeelden ingang zouden vinden ook in de harten des volks; en zoo 't ons niet gelukt is, populair te worden, omdat het gehemelte van het nederlandsche volk nog aan andere spijzen gewend is, geheel onvruchtbaar is ons streven toch niet geweest. Voor mij was dit samenwerken in menig opzicht genoeglijk, en hoewel wij soms over ondergeschikte punten verschilden, wij werkten in één geest. En onze vrienden hielpen ons trouw.

In twee Bundels heeft De Génestet zelf de meesten zijner gedichten uit dit tweede tijdperk zijner dichterlijke loopbaan bijeengebracht, in de Leekedichtjes en de Laatste der Eerste . Van genen spreek ik straks. Eerst eenige woorden over den laatstverschenen Bundel - de voorrede is gedagteekend eind-Maart 1861, dus ruim drie maanden vóór zijn dood - omdat die met de Eerste gedichten nauwer samenhangt, en daarvan eigenlijk het tweede gedeelte uitmaakt. De Génestet zelf heeft dit ingezien, en door de keus van zijn titel een bewijs van literarische zelfkennis gegeven.

Inderdaad, men behoeft, na de Eerste gedichten met aan-

[p. 37]

dacht te hebben gelezen, dezen tweeden Bundel slechts ter hand te nemen, om al spoedig te bemerken, dat hij met volle recht Laatste der Eerste mag heeten. De dichter is ouder geworden, het zou, ook zonder dat men het jaartal zijner verzen opmerkte, niemand ontgaan. Slechts een enkele maal keert die jeugdige, ondeugende scherts, waarvan de eerste verzameling overvloeide, hier weder, bijvoorbeeld in het Liedje in den maneschijn, of in het Kijkje in 't leven, van den zwarten koetsier die het zoo warm had in zijn maskeradepak, een versje, dat niet weinig ergernis gegeven en bedenkelijke schuddingen des hoofds heeft teweeggebracht, maar dat als satire op een treurige vertooning wel verdiend, en uit het oogpunt van kunst een der beste is, die De Génestet ooit heeft geschreven. In De Mailbrief herkent gij aanstonds den dichter van Fantasio, maar het gedicht bleef onvoltooid; de stormen des levens, die weldra over hem losbraken, doofden het vuur der vroolijke inspiratie uit; en toen hij later tot kalmte was teruggekeerd, kon hij geen schertsend tafereel meer ophangen van het leven in dat Delft, waar voor hem de groote tragedie begonnen was. Bovendien, vergelijkt men 't vers met De St. Nicolaasavond, die kostelijke vertelling, zoo rijk, zoo stout, zoo vrij, zoo tintelend van geest, zoo oorspronkelijk, dan bespeurt men in De Mailbrief, met zijn wat al te sterke reminiscensen aan Beets' Maskerade , een zekere vermoeienis, en gevoelt men dat voor onzen dichter een andere tijd was aan gebroken.

Maar, al is hij ouder geworden, hij is dezelfde gebleven. In De liefste plek, in het Voorjaarsliedje, in dat ondeugende, haast al te cynische Neen nimmermeer, zelfs niet, bezingt hij de natuur, de hollandsche, de liefelijke, met dezelfde geestdrift als in zoo menig koeplet van den eersten Bundel. De hartelijke, trouwe, deelnemende vriendschap waarvan daar meer dan een vers getuigde, spreekt zich ook hier krachtig uit in Vrienden op 't kerkhof, en in dat roerende Ver van huis, toe-

[p. 38]

gewijd aan de herinnering van dien jonggestorven dichter met zijn

 
Dweepend hoofd en vroom gemoed,

die, evenals zijn vader, in 't vreemde land was bezweken. Hier nog geheel dezelfde wereld- en levensbeschouwing als vroeger. Hij heeft geleden, hij is in een harde school geweest, en goed en wakker en moedig heeft hij zijn kruis gedragen. Maar dat beweegt hem nu niet tot dweepzieke geringschatting van 't geluk. Hij zingt van zijn geluk, zijn groot en vol geluk, in tal van liederen, die ik niet behoef te noemen. Hij dankt er voor, vurig, innig. Hij verbergt niet, dat hij siddert voor den dag van rouw. Hij bidt, dat zijn dierbaren hem gespaard mogen blijven. Hij is er geheel van vervuld, en wat hij schrijft vloeit er van over. Ja zelfs als hij ‘des drijvers geweldige roede’ gevoeld heeft, als hij ondervonden heeft, hoe de smart oefent en loutert, wil hij niet toegeven dat de zegen zonder vrucht zou zijn. In zijn: Door zegen geheiligd bepleit hij de zaak van hen

 
Wie niet de Nood - maar Zegen bidden leerde,
 
Wie iedre bloem ontstak in liefde en lof;

en hij bekent in Menschelijk, dat hij ‘ras naar 't eind van dorre lijdensdreven’ hijgde, en dat hij, na het: Uw wil geschiede! ook wel gebeden heeft:

 
Mijn God, geef mij een bloem en zend me een zonnestraal!

‘Levenslust en stervensmoed’ was vroeger zijn geliefkoosd thema geweest. En dat bleef het. Hoe spreekt de eerste uit zijn Jonge roeping, hoe geestig predikt hij den tweeden in 't Liedje van verlangen, en hoe vereenigt hij ook hier deze beide in zijn Welgelegen, waarin hij aan de ‘stille vrienden’, die men zijn woning voorbijvoert om ze naar het vlak daarbij gelegen kerkhof te brengen, de boodschap medegeeft

[p. 39]
 
Dat (hij) graag bij (zijn) beminden
 
Nog wat blijven woû in vreê;

schoon hij het ook gansch niet akelig vindt om zoo dicht bij de graven te wonen:

 
Waar ge lang om heen kunt treden,
 
Maar toch eindlijk rusten moet

Hij heeft ook getwijfeld, want hij heeft meer gezocht en nagedacht dan voorheen. Het geloof zijner kindsheid werd menigmaal geschokt. Ik kan al de verzen niet optellen waarin dit doorstraalt, waarin hij 't met zooveel woorden belijdt. Maar dezelfde gezonde vroomheid, dezelfde godsdienstzin van zijn jongelingsjaren zijn hem bijgebleven. De Terugblik, waarmeê de bundel geopend wordt, draagt daarvan den stempel. Wat hij ook wensche en wille, waarheen hij streven moge, hij voelt dat een hooger geest hem leidt en gebiedt, en te midden van de groote raadselen des levens ziet en weet hij op al zijn paden:

 
Almacht, Liefde, Trouw, Genade,

en dat geeft hem kracht. Had hij eens gezongen:

 
Daar spreekt een andre lach in 't oog der aangebeden',
 
Waar gij haar drukt in d'arm als 't zoetst geschenk van God;
 
De vriendschap heeft, met Hem, verhoogde teederheden,
 
De luite een reiner klank, en 't leven meer genot;

ook thans betuigt hij in zijn Levensvoorwaarde, dat alles, het beste en dierste wat hij bezit, geen waarde voor hem heeft, dan in 't bewustzijn van een eeuwig leven; dat hij liever sterven zou dan het geloof te derven in de trouw van zijn Schepper, een geloof, in zijn wezen gegrond. Ook de frischheid, de waarachtigheid, de ongeveinsdheid zijner godsvrucht heeft hij niet verloren door de theologie, waarin hij nu geen vreemdeling meer is, of door het ambt dat hij bekleedt, en dat maar

[p. 40]

al te vaak het natuurlijke en ongedwongene aan een overigens oprechte vroomheid ontneemt. Dat blijkt onder anderen uit: Niet voor de menschen, een parafraze van Mattheus 6, 16, en uit zijn Bekentenis, dat hij maar een mensch van vleesch en bloed is, als iedereen, en zich dies op geen hoogen voel zet, om ‘deftigheên’ te zeggen. Dat blijkt vooral uit De schoenlapper van Alexandrië, geestige verdediging van het Ora el labora in tegenstelling met de pijnlijke zelfkwelling van den vader der kluizenaars. Doorlees al deze bladzijden, en gij moet erkennen, het is altijd dezelfde De Génestet van zijn studentenjaren, vroom zonder dweepzucht, opgeruimd zonder lichtzinnigheid, schertsend met uw dwaasheden zonder pijn te doen, leerend zonder verwaandheid, dezelfde vijand van alle komedie en onnatuurlijkheid. De veranderde omstandigheden, waarin hij zich geplaatst ziet, hebben hem niet veranderd, maar gevormd en ontwikkeld. Hij is geen deftige dominé geworden en geen gewichtig huisvader. Hij is niet ‘in de geleerdheid vervallen,’ al weet hij meer en beter dan een jaar of wat geleden. Hij preêkt niet noch zalft. Hij is onze oude beminnelijke dichter gebleven, en vrij zingt hij zijn lied.

Doch, bij alle overeenkomst is er ook onderscheid. Er is groote vooruitgang ten minste, vooral in diepte van gedachte, in levensernst, in echt-poëtische opvatting. De vorm is niet slordiger geworden. Integendeel, hoewel het scheen, dat hij daarin niet veel meer te leeren had, hij is hem nu nog meer meester dan immer te voren. Hoezeer blinkt in dit opzicht het Mooi-weêrslied uit:

 
Een zonnestraal,
 
Een wonderstraal
 
Is in mijn borst gedrongen:
 
Mijn matte ziel herleefde weêr,
 
Ik twijfel en ik haat niet meer
 
En heb mijn lied gezongen.
[p. 41]
 
Een blij geruisch
 
Om 't zonnig huis
 
Verkondde mij den vrede.
 
Van liefde en lof klinkt heel mijn hof,
 
't Juicht alles en geeft juichensstof:
 
En noodt: O dank toch mede.

Niet door zijn losheid en gemakkelijkheid van maat, zooals dit, maar door zijn stijl, door de afwisselende, gansch niet gemakkelijke schildering van het stoute zwitsersche en bekoorlijke hollandsche natuurschoon, is Op reis merkwaardig, tevens door de diepte van gevoel die er uit spreekt. Ook in Liefde, dat onder De Génestet's schoonste verzen moet worden gerangschikt, vindt gij beide, rein gevoel en uitnemenden vorm, met elkander vereenigd. Maar niets komt, wat meesterschap over den vorm betreft, in vergelijking met de Arme visschers. Het is een vertaling, zooals men weet, uit de Légende des Siècles van Victor Hugo. In vertalen lag De Génestet's kracht niet, en ik zal de laatste zijn om er over te klagen; want het was bij hem het gebrek eener deugd, hij behoefde bij anderen niet te borgen wat hijzelf bezat. Toch ondernam hij dit moeilijke werk, en zette hij zich kort daarna aan 't overbrengen van een duitsch blijspel van Halm (Der Sohn der Wildniss), een overzetting die onvoltooid is gebleven en niet werd uitgegeven. Want, hoe ook zijn vorm werd geroemd, hij liet zich daardoor niet tot gemakzucht verleiden. Hij voelde, dat hem nog iets ontbrak, en schoon hij reeds een meester mocht heeten, hij versmaadde zulk een oefening niet. Ook gelukte de proef volkomen. De Arme visschers is een hollandsch gedicht geworden, waaraan niemand bij 't lezen den vreemden oorsprong bemerkt. Meer nog dan in zijn vrij talrijke vertalingen uit Rückert, dien hij met bijzondere liefde vertolkte, meer zelfs dan in De Heidenapostel, naar Béranger, zijn hier alle, en veel grootere moeilijkheden overwonnen. Het is een triomf.

[p. 42]

Maar, anders dan bij 't lezen van de Eerste gedichten, onder het lezen van de verzen uit deze tweede verzameling, moet men met opzet aan den vorm denken, om zijn schoonheden te bewonderen. Men vergeet hem door de schoonheid van inhoud en gedachte. Ik zou bijkans den geheelen Bundel moeten aanhalen, om te bewijzen hoe zeer hij in rijkdom en diepte van gedachte heeft gewonnen, vooral in diepte van gevoel. Men leze bijvoorbeeld: Uit het dagboek van een gelukkige. Een gelukkige, hij is het nog. Maar hij heeft nu aanschouwd, wat hij voorheen niet vermoedde. Helaas! roept hij uit,

 
Helaas! ik zag meer rouwe en raadslen in dit leven,
 
Dan waar mijn zorgloos hart, mijn ijdle jeugd aan dacht.

Dood, armoê, krankte, zonde, hij had ze nu in al haar ellende gezien. Al worstelde hij, hij bleef gelooven. Maar hij had nu gezien, dat, al bloeide zijn levenshof nog als een lentegaarde,

 
In 't midden, voor wie denkt en liefheeft, rijst - een kruis.

Zoo getuigen Biblia en Onvergankelijk van een veel dieper opvatting en juister waardeering der bijbelsche Schriften dan die hij vroeger bezat; en hoe hij ook daarin echte poëzie wist te vinden, al was zijn beschouwing van de geschiedkundige waarde der evangelische verhalen veranderd, dat bewijzen: De engel bij het graf, en dat heerlijke: 't Was toch de Hovenier, naar Johannes 20, 15; dat bewijzen: De lendenen omgord, waar van de bekende uitspraak van Jezus, en Onvermoeid, waar van het welsprekende slot van Jesaja 40 zulk een gelukkig gebruik wordt gemaakt. Tevens getuigen deze laatste gedichten, met hoeveel meer ernst hij nu het leven beschouwde. En dat getuigen meê zooveel andere verzen, zijn lied Aan de zon, waaruit men zien kan, hoe hij over zijn leven en bestemming had nagedacht, en hoe de slotsom was geweest: Niet overdoen, maar voorwaarts gaan; zijn Komen en gaan:

[p. 43]
 
Daar is een tijd van komen,
 
Daar is een tijd van gaan;
 
Dat hebt gij meer vernomen,
 
Maar hebt gij 't ook verstaan?

zijn Werken, denken, leeren, waarin hij nu begreep dat eigenlijk het leven bestaat; zijn De beste vriend, dat eigenlijk een loflied is op den plicht, ‘zijn last en zijn lust;’ niet het minst dat mannelijke gedicht: Neen, dat, als afkomstig van een zoo liefderijk en liefelijk karakter als het zijne, nog te grooter waarde bezit. En die weten wil, hoe het lijden niet neerdrukt maar verheft, verheft boven de nietigheden en ijdelheden der wereld en boven den kleingeestigen twist der partijen, hoe het hèm daarboven had verheven, die leze en herleze zijn Op de Bergen, dat ook als dichterlijke gelijkenis voortreffelijk is.

Ook als waarachtig dichter heeft De Génestet zich in dezen Bundel meer nog dan in den vorigen doen kennen. Dat hij niet slechts zijn eigen lijden en de ervaringen van zijn eigen hart wist weer te geven in welsprekende taal, dat hij ook van anderer leed een diep gevoel had, en zich daarin wist te verplaatsen, dat blijkt uit verzen als Kinderloos en Het haantje van den toren. Het laatste is een uitvoerige schildering - al te uitvoerig, hebben sommigen gezegd - het eerste niet meer dan een uitgewerkte schets. Een schets, meer niet, is ook dat klein juweel: Naar de natuur. Maar zoowel in de vlugge teekening als in de voltooide schildering herkent gij den meester. 't Zijn wel belangwekkende, maar toch zeer alledaagsche onderwerpen. Een rijk moedertje die haar kind heeft verloren, en zich nu arm voelt tegenover de bedelares die het hare in de armen heeft; een troep jongens en meisjes spelend op 't kerkhof, bij het geopende graf; een teringlijderes, die zoo gaarne herstellen zou, en steeds tuurt op 't haantje van den kerktoren, hopend, immer flauwer, maar hopend niettemin,

[p. 44]

dat het eindelijk een zoelen zuidewind zal verkondigen - ziedaar de figuren. Maar hoe heeft De Génestet nu daarover de poëzie met volle handen uitgestrooid! Hoe leven deze beelden! Er wordt in Het haantje van den toren niet gejammerd of gedeklameerd, er is niets ziekelijks in, maar toch - of liever juist daardoor grijpt het aan. Gij hebt die lieve ‘Levenslust’ niet gekend, zooals hij, maar zijn kunst weet u met haar te doen lijden. Zij is zoo echt-menschelijk, en toch zoo wezenlijk vroom. Voordat zij zeggen kan: ‘Uw wil geschiê,’ heeft zij lang geworsteld, is zij gedurig geslingerd; de onderwerping kost haar veel. En àls zij het gezegd heeft, werpt ze 's anderen daags toch nog even een blik naar buiten,

 
Half zegevierend, kalm, beslist,
 
half strijdens-, hopens-moê;
 
 
 
En toen - niet meer.

Ik weet niet wat schooner is, deze geniale trek, of het treffende slot:

 
Naar 't Haantje van den toren keek.
 
met droeven glimlach, één:
 
't Blonk in de blauwe lucht en wees -
 
naar 't zoele Zuiden heen.

Het gedicht is een der populairste van onzen dichter geworden, en dat verdient het ten volle.

Naar de natuur is niet minder voortreffelijk, al is het kleiner. Hier is echte humor. Er wordt geen woord gezegd over het treffend kontrast tusschen dien grafkuil, waar straks het lijk in zal worden nedergelaten, en die woelige spelende kinderen, stoeiend, vechtend, vrijend

 
Al op den grafkuilrand,

en dat alles in verwachting van hetgeen er komen zal:

[p. 45]
 
Er wordt er een begraven,
 
Dat is een aardig geval.

Er wordt geen bespiegeling geleverd over de onbezorgdheid der kinderen, die nog aan sterven niet denken, en toch eerbied toonen voor den dood, zoodra straks de sombere staatsie nadert. Het wordt slechts afgebeeld, met een paar toetsen, maar gij ziet het. Gij voelt het kontrast. Iets van een huivering gaat u over de leden, bij het laatste koeplet

 
Zij spelen - daar nadert langzaam
 
De staatsie het wachtend graf ...
 
Zij steken de hoofden te zamen,
 
En nemen de petjes af.

Dàt is kunst, en de ware.

Er zou over menig vers van dezen Bundel nog vrij wat te zeggen zijn. Over één nog slechts een enkel woord, over het laatste. Een kruis met rozen, wie kent het niet? Het munt door alles uit, door vorm, door dichterlijke opvatting, door schoonheid van gedachte. Beteekenisvol staat het aan het slot van de laatste verzameling door De Génestet in 't licht gezonden. Dat was ook inderdaad de slotsom waartoe het leven hem had gebracht. Het had met zijn ernst en zijn pijnlijke slagen zijn levenslust niet uitgedoofd. Het zware kruis had hem de rozen niet doen vergeten, waarmeê het omstrengeld was. En hij had geleerd de kleinste knop nog dankbaar te kweeken.

 
De bloeme lacht u,
 
O lacht háár toe!
 
En vloek het kruice
 
Nooit, levensmoê.
 
 
 
Moog elke bloeme
 
Der aard vergaan,
 
De vrucht des Levens,
 
Die rijpt er aan.
[p. 46]

Leveren de Laatste der Eerste een spiegel van 's dichters innerlijk en huiselijk leven, de Leekedichtjes zijn de vrucht van zijn godsdienstig denken en van zijn deelneming aan de wetenschappelijke beweging van zijn tijd. Zij zijn, hoewel vroeger uitgegeven, inderdaad jonger dan de eerstgenoemde verzameling. De oudste dagteekenen van 1857, de meeste van 1859 en 60. In dit laatste jaar dichtte hij bijna niet anders. Hijzelf zegt dan ook in de Voorrede van de Laatste der Eerste: ‘dat dit boekske eigenlijk anterieur is aan de Leekedichtjes, en voor een goed deel nog behoort tot een vroegere periode van zijn leven, ook van zijn dichterlijk leven.’ En hij roemt den naam Tweede gedichten door ‘een schrander vriend’ aan zijn vroeger verschenen Bundeltje gegeven, als zeer juist gekozen. Hier was dan ook iets nieuws en oorspronkelijks. De dichter, die tot hiertoe slechts uit het maatschappelijk, het huiselijk, het innerlijk leven, een enkele maal uit de historie het onderwerp zijner zangen had genomen, begeeft zich hier op een ander gebied. Men kan, het is zoo, Het Schotje, met Cd. Busken Huet, een Leekedichtje noemen. Men kan in de andere twee Bundels nog wel eenige kleine verzen meer vinden, die dezen naam verdienen. Ook is onze dichter aan het godsdienstig leven nooit vreemd gebleven, maar heeft menigmaal zijn religieus gevoel in zijn verzen uitgestort. Maar zich, zooals hij nu deed, te mengen in den strijd der wijsgeeren en der godgeleerden, met geen andere wapenen dan de pijlen van zijn vernuft, en enkel toegerust met zijn schoon talent; of liever, dien fellen kamp in puntige ‘rijmen en dichten’ af te schetsen en - te beoordeelen, dat was een nieuwe, stoute gedachte, die bij de uitkomst bleek een gelukkige te zijn geweest.

Ik heb reeds gesproken over De Génestet's weinige ingenomenheid met de theologie, zooals hij haar kende, en den weerklank daarvan vernemen wij nog in het eerste der Leekedichtjes:

[p. 47]
 
Niet in de scholen, neen, heb ik gevonden;
 
En van geleerden, och! weinig geleerd!

Maar zijn oordeel over haar was geheel anders dan vroeger geworden. Hij kon, zoolang zij zich aan hem vertoonde in haar schoolsch gewaad, hetzij met die deftigheid waardoor de hollandsche, hetzij met die smakeloosheid waardoor de duitsche godgeleerden zich gewoonlijk kenmerkten - hij kon maar niet begrijpen waartoe zij eigenlijk diende. De eenige theoloog, dien hij waardeerde, dien hij liefhad moet ik zeggen, was Hase geweest; Hase, de dichterlijke schrijver van de Gnosis , waarvan men gansche bladzijden onthoudt zonder het te weten, wiens kerkgeschiedenis in miniaturen zelfs den grootsten vijand van alle geleerdheid niet vermoeien kan, en een van wiens geestige brochures door onzen dichter tot het thema van zijn eerste of tweede preek was genomen*). Op het standpunt van dezen geleerde, wiens rationalisme door zijn groote gemoedelijkheid verzacht en met een zeker poëtisch waas werd overtogen, wiens zachte humor en oorspronkelijkheid hem aantrokken, plaatste De Génestet zich gaarne. En hij is er, zoo ik mij niet bedrieg, ook na zijn studententijd, nog een geruimen tijd op gebleven. Daar kwam het jaar 1857. Busken Huet's Brieven over den Bijbel brachten de moderne godsdienstige beweging uit de school over in de kerk. Een pleidooi zoo welsprekend, zoo goed geschreven, zoo bondig, was wel geschikt om ook onzen dichter te winnen. Aan-

[p. 48]

vankelijk, bij 't verschijnen der eerste afleveringen, nog tegenstrevend, was hij weldra overtuigd. Nu verruimde zich zijn gezichtskring. Nu zag hij, dat de leelijke oude boom der theologie, dien hij den rug had toegekeerd om onder de groene heesters der poëzie schaduw te zoeken en geurige bloemen te plukken, nu zag hij dat die vruchten gaf, rijk en rijp. Nu verstond hij het belang dier vraagstukken, waarmeê hij het niet de moeite waard geacht had zich het hoofd te breken; hij begreep dat zij ook voor het godsdienstig leven van het hoogste gewicht zijn, omdat er niet duurzaam een klove kan zijn tusschen ons denken en ons gemoed. En hij wierp er zich midden in. Werken, van wier strenge wetenschappelijkheid hij vroeger zou hebben gegruwd, las hij nu met aandacht en studie, sommige meer dan eens. Niet om zelf een geleerde te worden: het denkbeeld alleen zou hem vroolijk hebben gemaakt. Niet om zich als medestrijder te mengen in den kamp. Maar omdat hij geen vreemdeling zijn wilde in zijn tijd; omdat hij dien verstaan wilde en als dichter verstaan moest; omdat hij als godsdienstig mensch gevoelde; dat deze strijd niet buiten hem omging, maar dat hier zijn zaak werd behandeld. Hij is geen theoloog geworden, want hij was meer. Dichter was hij, en hij is het gebleven. Leek was hij tot-nog-toe geweest tegenover de felle kampioenen van wetenschap en kerk, en op dat standpunt wilde hij zich blijven plaatsen. Vandaar uit sprak hij over alle partijen zijn oordeel, schertsend, geestig, ernstig ook bijwijlen. Maar vooral maakte hij van die voordeelige stelling gebruik om de tolk te worden van de behoeften van 't godsdienstig gemoed en de dierbaarste belangen dier leeken, onder wie hij zich vrijwillig schaarde. Zoo werd hij, dien al wat jong was in Nederland reeds als zijn dichter begroette, de zanger van dien onbloedigen godsdienstoorlog, die met zulk een felheid ontbrandde, en, hoewel thans niet zoo hevig meer als toen, nog niet is beslist.

[p. 49]

't Is waar, die volkomene, gansch kleurlooze - ik zou haast zeggen bovenmenschelijke onpartijdigheid, waarvan sommigen droomen, moet men ook in de Leekedichtjes niet zoeken. De Génestet had zich zeer beslist bij de zoogenaamde Modernen aangesloten. Zijn geheele aanleg en karakter dreef hem naar die zijde. Hoe vroom zijn hart ook zijn mocht, zijn hoofd was te helder om het oude supranaturalisme aan te nemen, dat hij trouwens metterdaad reeds sinds lang had prijsgegeven; en van geven en nemen was hij ook geen vriend. Bovenal hinderde hem het onnatuurlijke en gekunstelde, dat een zeker soort van vromen maar niet scheen te kunnen afleeren, en dat hij haatte met een onverholen haat. Hoort slechts hoe hij de deftigheid geeselt, die ‘bastaard van den ernst’ (CV), en gij zult zijn vreugde begrijpen, toen hij haar

 
Aan een witten das verhangen,
 
Ergens plechtig bung'len zag.

Hoort hoe hij smeekt om van den preektoon verlost te worden (LX), en betuigt het met die vroomheid niet te kunnen vinden, die zoo deftig en zuur kijkt, en waarachter zich dus zeker leelijke gedachten moeten verschuilen (XI). Hoe ergerde hem het kinderschooltje van die drijvers der leer, die de kleinen met hun dogmen vergeven, en in plaats van als de kinderen te worden, hun kinderen aan zich gelijk willen maken (XIV); en hoe ergerde hij zich niet, maar hoe schreide hij over dien vriend, die voorheen zijn hart ‘op 't gelaat droeg,’

 
Een harte zoo gul en zoo warm en zoo waar,

doch van wien men nu moest vragen: ‘Waar zat toch zijn hart?’ - die niet meer sprak, maar altijd preêkte, ja zelfs met zekere plechtigheid at en dronk, ‘schoon smakelijk zeer.’ (III). Hoe roemt hij daartegenover Ds. Humanus, die een mensch is, eenvoudig, mild, gewoon, en wiens geest daarom onmerkbaar heerschappij voert (CVI). Maar al koos hij partij, geen

[p. 50]

partijzucht verblindde hem een oogenblik. Zelden slechts was zijn satire niet zeer billijk. Bijvoorbeeld als Dr. C.P. Hofstede de Groot de min of meer overbodige verzekering geeft, dat zijn proponent Leonard ‘in 't geheel niet aardig’ is, bedoelt hij iets anders dan onze dichter in zijn achtste Leekedichtje hem laat zeggen; en toen het Mihi constat van Prof. Doedes, voor elk die Latijn verstaat duidelijk genoeg en zeer goed te verdedigen, door Dr. A. Pierson op de bekende wijze was gebruikt, liet De Génestet zich verleiden om er nog eens meê te lachen. Doch dat zijn uitzonderingen. Meestal troffen zijn pijlen zeer juist. Ook spaarde hij zijn eigen vrienden geenszins. Als hij zich vroolijk maakt over het theologizeeren van Machteld en Leonard, dan ontvangt de schepper van Reinout en Machteld van deze kritiek ongevoelig ook zijn deel (XIX). De ‘groote geest’, die ‘van menig boei ons trouw bevrijdde,’

 
Man van hart en hoofd vol glans! (XXVIII)

voor wien onze leekedichter een diepe vereering gevoelde, kan toch voor dezen zijn zwakke zijde niet verbergen, en wordt er onmeedoogend meê geplaagd (XXV Nimium nocet, XXVI Systematisch, en XXVII Theorie en praktijk). Verklaarde hij dien Monist, dat hij nog liever Dualist zou wezen, dan zich zoo als een vlieg in 't web van dat systeem te laten vangen, vriend Dualist blijft ook niet ongemoeid (XXIII Dualisme), en als deze zijn tegenstander tot de bekentenis wil brengen, dat een van hen beiden gek moet wezen, wordt hem door den leekedichter glimlachend herinnerd, dat er nog een derde mogelijk is: een van beiden of beiden (XXXIX Twee Coryfeën). Den middenman roept hij toe:

 
.... Wilt ge een man zijn, - kies partij!

maar de liberalen van heden worden gewaarschuwd, om niet als die van gisteren, kettermeesters te worden; en het niet-

[p. 51]

gelooven op gezag stelt hij al niet veel hooger dan het gelooven op gezag (LI en LII). Vooral dat gemeene, platte, ongodsdienstige liberalisme, dat hij in Jan Rap zoo onverbeterlijk heeft geschetst, was hem een gruwel, en ik weet niet hoe men zijn minachting voor zulke wansmakelijke wezens beter kan uitdrukken dan in LXXI Zeker Materialisme:

 
Jan Rap verklaart: Ik ben een chemisch praeparaat!
 
Vriend! Spiritualist, deswegen, maakt zich kwaad;
 
Niet ik, mij gaf dit licht; ik dacht al vaak voordezen:
 
Wat zou zoo'n smeerpoes toch wel wezen?

Met één woord, hij was een echt liberaal, en elke richting was hem wel, mits zij naar boven streefde.

Niemand zal de Leekedichtjes van eentonigheid beschuldigen. Er is rijkdom en afwisseling in. Nu eens schildert hij eenvoudig, maar met groote kunst, een type, die men aanstonds herkent, een type uit het leven gegrepen. Ik noem nog eens Jan Rap, die nu voor goed onsterfelijk is geworden als Midas, en, zoo ik hoop, menigen maat heeft verloren. Ik herinner aan Twee in één huis, het huwelijk van leer en leven, aan De wereld der traditie, van dat Lutheraantje dat zeker een doopsgezinde geest zou geworden zijn,

 
Zoo meneer zijn oudste broeder
 
Maar een meisje was geweest!

aan Leer en leven vooral, een genrestukje zooals hij er meer heeft geleverd, tegenhanger van het Kijkje in 't leven uit de Laatste der Eerste. Gij ziet die jongens door elkander woelen en warren, vechten, stoeien, hun zusje plagen, totdat het uur ter katechizatie slaat, en zij hun van buiten geleerd geloof voor dominé gaan opzeggen, en gij stemt in met den wensch des dichters:

[p. 52]
 
Hoe 'k wou, dat Hij haar tegenkwam,
 
Die kindren in zijn armen nam,
 
En vast wel anders leerde!

Dan weêr schertst hij en brengt het ridendo dicere verum in praktijk. Een enkele maal nadert zijn scherts aan de satire, bijvoorbeeld als hij in XCI Liefde de onliefelijkheid der liefdepredikers hekelt, of den Vromen raad geeft (CIII):

 
Neem alles aan, dat 's 't beste deel -
 
Ook finantiëel.

Maar het is slechts een enkele maal, en het is altijd een satire zonder bitterheid. Hij raakt, en altijd zeer juist; zijn scherpe blik heeft overal de zwakke zijde opgemerkt; maar hij kwetst niet; en degeen dien hij treft, althans zoo deze een verstandig man is, vergeeft het hem gaarne, om de bonhommie die zich in al zijn humor verraadt, en om de fijne geestigheid waarmeê hij zich uitdrukt. Van geest vloeit dit bundeltje over, van den echten, ongezochten, die alleen aan zulke versjes het pikante geven kan, waardoor zijn Leekedichtjes zich van de rijmen zijner navolgers onderscheiden.

Toch schertst hij niet altijd. Meer dan eens slaat hij een geheel anderen toon aan. Men leze bijvoorbeeld LVIII Aan een hollandschen knaap, en noeme mij dan iets, waaruit een dieper overtuiging spreekt van de noodzakelijkheid dier innerlijke roeping, die den Evangelieprediker alleen kan sterken tot zijn moeilijke taak. Of men hoore dien kreet van het hart: LXV. Een kind der eeuw onder een preekstoel:

 
Gij Prediker, daar in de lucht,
 
Hebt gij dan geen woordje voor mij?

waarin de dringende behoefte van het vroom gemoed, een behoefte door geen leerstukken te voldoen, zoo roerend wordt uitgesproken. Deze ‘Rijmen en Dichten’ waren hem geen spel. Zij welden op uit de diepten van zijn hart. Zij han-

[p. 53]

delen over datgene, wat hij met grooten ernst gezocht had, en nog altijd bleef zoeken. Het leven gaf hem een raadsel op, en het kostte hem strijd, dat hij de oplossing nog niet had gevonden. Als Zijn Hooggeleerde op de studeerkamer het schoone, wèl-geslotene systeem ontvouwde, dan voelde hij zich bevredigd, maar beneden onder de ‘droeve kermisklucht’ scheen het hem:

 
Of 't raadselvolle leven
 
Droevig lacht met elk systeem.
 
(XCIV Van boven naar beneden.)

Met het licht van Piet, die tevreden was als hij wist, dat een komeet een ster is met een staart (VI Wetenschap en oppervlakkigheid), vergenoegde hij zich niet, maar de vraag: ‘Wat is waarheid?’ op anderen toon dan door Pilatus gesproken, drong hem, kwelde hem, liet hem geen rust. (XLVIII Geen Pilatus). Zoeken wil hij, liever, dan zichzelven paaien ‘met onmanlijk droomen.’ Mijn vrome, zegt hij:

 
Slaat het oog,
 
Voor het Al geopend,
 
Vorschend rond en staêg omhoog,
 
Lijdend soms, doch hopend!
 
Kan de zelfmoord van 't verstand
 
U slechts ruste geven,
 
Hij wil liever aan Gods hand,
 
Rustloos zoekend - leven!
 
(LXXII Moderne wereldbeschouwing.)

en hij dankte er God voor, dat hij ‘op zijn aardschen tocht,’

 
Onder weemoed, scherts of lijden,
 
Met een hart voor al wie strijden,
 
Steeds naar 't hoogste zoeken mocht.
 
(XLVI Een geloovige.)

Doch onder dat zoeken gelooft hij onveranderlijk, dat eenmaal zeker de dag uit de nevelen zal rijzen, ook al mag hij

[p. 54]

hem niet begroeten. Naast weemoed en smart, verzekert hij (XCVII Weemoed en hope), rijst ‘in 't geslingerd menschenhart’ de hope, en waakzaam, werkzaam kunnen wij wachten,

 
Dat het raadsel zich ontknoope:
 
Wat ons korte leven zij!

Is hij ‘peinzensmoede,’ in de praktijk, in het volle leven, in het vervullen van een heiligen plicht vindt hij rust en verademing (XCIX-CI). En welk een groot, welk een onwankelbaar geloof, een geloof behouden in den strijd, spreekt hij uit in dat schoone Peinzensmoede (CXIII), dat wij als de slotsom van heel zijn innerlijken kamp mogen beschouwen:

 
Daar is geen Priester
 
Die u verklaart,
 
Maar u zoekt niemand
 
Vergeefs op aard.

De werking der Leekedichtjes is groot geweest en duurt nog altijd voort. Ons volk heeft door de wijze waarop het deze verzen ontving, een blijk van goeden smaak en wezenlijken godsdienstzin gegeven. Ook zullen zij blijven. Wat ook van onzen dichter vergeten worde, zij niet. Zij zijn klassiek. Zij bevatten meer wijsheid en vroomheid dan menig geschrift dat er op is aangelegd om te onderwijzen of te stichten; van die gezonde wijsheid, die gezonde vroomheid, die voor alle tijden zijn.

 

Het zou nutteloos zijn, ons in bespiegelingen te verdiepen over hetgeen onze dichter nog geworden zou zijn en zou hebben geleverd, zoo hij langer voor zijn volk en onze, thans helaas! met dichters schraal bedeelde letterkunde, gespaard ware gebleven. Groote plannen woelden in zijn geest.

[p. 55]

Gelijk hij het godsdienstig leven in zijn Leekedichtjes had weergegeven, zoo wilde hij eveneens het maatschappelijk leven afschetsen in gelijken vorm. Ook scheen hij het voornemen te hebben om zich op dramatisch gebied te gaan bewegen, en daartoe de vertaling van Halm's Sohn der Wildniss begonnen te zijn, die onafgewerkt is achtergebleven. Men mocht nog veel van hem verwachten, van hem, die in zijn jeugd en eersten mannelijken leeftijd reeds zooveel uitstekends had geleverd, en volstrekt niet genegen was om op de verworven lauweren te gaan rusten, maar, in de overtuiging dat de kunst lang en het leven kort is, zich onafgebroken oefende en arbeidde en zocht. Doch in plaats van naar deze mogelijkheden te vragen, hebben wij reden om dankbaar te zijn voor hetgeen hij geweest is en volbracht heeft, voor de kostbare nalatenschap die wij van hem bezitten.

Ik heb getracht een schets te geven van De Genestet's beminnenswaardig karakter en dichterlijke ontwikkeling. De eigenaardigheden van zijn talent zijn daarbij vanzelf ter sprake gekomen. Een kritiek van zijn verzen te leveren, laat ik aan anderen over. Indien het daartoe hier de plaats ware, ik zou er mij niet onpartijdig genoeg toe gevoelen. Maar zal ik ten slotte nog zeggen, wat, naar mijn inzien, zijn dichterlijk karakter uitmaakt, wat hem van andere poëten onderscheidt? Ik zou het willen zoeken in die zeldzame vereeniging van fijnen smaak, tintelenden geest, diep, innig, haast vrouwelijk gevoel, en helder gezond verstand, waarvan alles wat hij schreef getuigde. Hij heeft bewezen dat geestigheid de poëzie niet schaadt, zooals men wel eens beweerde, en dat alles afhangt van de wijs waarop men haar gebruikt; bewezen niet minder, dat een koel hoofd kan samengaan met een warm gemoed, en dat een dichter zeer keurig zijn kan op den vorm zijner verzen, zonder daaraan gloed en leven te ontnemen. Men zou hem een humorist kunnen noemen, niet in de beteekenis die men tegenwoordig daaraan geeft, nu al wat grappig is humoristisch ge-

[p. 56]

noemd wordt, maar in den zin dien hijzelf daaraan gaf. ‘Een rijke taal,’ zoo beschreef hij den Humor in zijn honderd-elfde Leekedichtje:

 
Een rijke taal vol geest en - ingehouden tranen,
 
Vol zin, - ook zeer geschikt tot leeren en vermanen;
 
Mits maar de vrienden haar verstaan.
 
Want velen klinkt ze als Grieksch; voor andren weêr profaan.

Niets beantwoordt beter aan deze beschrijving dan zijn eigen gedichten. Men zou het er als Motto boven kunnen plaatsen.

Toch zouden hem deze uitstekende gaven misschien niet die populariteit onder de beschaafden*) verworven hebben, waarin hij zich mocht verheugen. Wat hem tot den lievelingsdichter van velen maakte, dat was de waarheid, de oprechtheid, die alles kenmerkte wat hij openbaar maakte. Hij bezat in groote mate de eigenschap, die Carlyle als het kenmerk der geniën beschouwt: seriousness. De kunst was hem ernst, verzen maken kon hij niet. Zijn verzen werden. Hij was dichter van nature, en heeft zich getrouwelijk van al wat rhetorisch, gemaakt, gekunsteld is, vrijgehouden. Uit het volle, rijke menschenleven greep hij, en uit zijn eigen binnenste, en gaf zijn indrukken en aandoeningen en gedachten terug in een vorm, dien hij niet behoefde te zoeken. Zij leven, die gedichten, want zij zijn waar. Hij heeft - en daar was hij dichter voor - hij heeft de werkelijkheid geïdealizeerd, maar het was dan toch ook de werkelijkheid, geen spook van zijn verbeelding, dat hij idealizeerde. Dat voelden allen die hem lazen. Een gewaande dichtersmart zou-

[p. 57]

den zij niet verstaan hebben, en kunstige deklamaties zouden bij hen geen weêrklank hebben gevonden. Maar deze smarten hadden zij ook op hun wijze geleden, dezen strijd ook gevoerd, met deze twijfelingen ook geworsteld, en wat hij hun van zijn levenservaringen beschreef, dat hadden zij ook gezien, al hadden zij er nooit, zooals hij, de schoonheid, het poëtische van opgemerkt. De beelden, die hij uit de menschenwereld, waarin hij bestendig verkeerde, overbracht op zijn doek, waren zoo gelijkend, dat ieder ze herkende. Dat bracht zijn werken in aller handen en doet ze nog altijd waardeeren. De eerste toejuiching, waarmeê ze begroet werden, is verstomd, maar ze worden niet minder genoten, ze zijn nog altijd frisch en nieuw. Ik geloof dat ze deze frischheid behouden zullen, deze eeuwige jeugd. Zij hebben hem een eereplaats verzekerd onder de nederlandsche dichters, en een plaats in menig hart tegelijk. De eerste kan hij niet meer verliezen. Ik heb grond om te vertrouwen, dat hij ook de laatste behouden zal.

 

C.P. Tiele.