|
|
|
| |
| | | |
Aan een Lid der Kommissie tot afneming van het weleer beruchte Staats-Examen.+
Deed weleer aan Kreta's stranden
Hellas' kroost u watertanden,
Wreeder monster spert zijn kaken
Om een dichter klein te maken
Aan de kust der Zuierzee!
Deed Peloponnesisch woeden
Hellas' ingewanden bloeden,
Van haar roem en rang ontzet:
Wat zijn driemaal tien tirannen,
Bij de zwolsche Zevenmannen,
Wat Lysander bij Cobet? -
| | | |
Dacht weleer in Spaansche dagen
De Inquisitie duizend plagen
Voor den armen zondaar uit....
Helscher foltring, wreeder schroeven
Gaan die Heeren straks beproeven
Een zangrig knaapje, thans verlost
Van al zijn zorg en pijn,
Al heeft het zeeën zweets gekost
Een vroolijk kind van zestien jaar
Vol liefde en levensgloed,
Ontworsteld aan zijn doodsgevaar,
Lang zweeg mijn lier in 't vunze stof,
Maar nu ontwaakt zij tot uw lof,
Maar nu ontwaakt ze wel te moê,
| | | |
En brengt u fluks haar feestgalm toe,
En stort haar danklied uit!
Mijn kloppend hartjen in de knel,
Mijn boezem gansch vervaard,
Mijn lichaamslijtend zenuwstel,
Maar onbedaarlijk bleef mijn drift,
Een zenuw is mijn citherstift,
Een bruischend lied, mijn bloed!
Hoe weeldrig ruischt nu Flaccus' luit
En kweelt van Lydia, de bruid,
Ik voel mij dichter, vrij en blij,
Bij 't klinken van dien toon,
En ding, verliefd van poëzij,
Naar 's dichters lauwerkroon!
Neen! neen! uw vriendschap is mijn kroon....
Geen frissche lauwer bloeit zoo schoon;
Uw naam vervul mijn lied!
'k Heb, u ter eer, meer kelken wijn
Dan 'k bekers water dronk,
Gevuld - geleêgd, op 't blij festijn,
Waar luid uw naam weêrklonk!
| | | |
O wist gij, welk een heldre taal
Daar uit uw blikken sprak,
Toen in die groote, holle zaal
Mijn hart van weedom brak;
Toen 'k riep: Odéons zaalgewelf,
Zink op den stomling neêr! -
Toen 'k twijfelde aan mijn ikheid zelf,
Uw blik was noordstar voor mijn ziel:
Een vuurbaak der verdoolde kiel
Bij 't bruisend golvenslaan.
'k Was haast in eigen drift gestikt,
Uw hand hield mij omhoog!
Uw vriendschap heeft mij meer verkwikt,
En holde ik, als een schichtig ros,
Nooit liet uw hand den teugel los,
Maar hield mij steeds in 't spoor.
Gij hebt d' ontembren knaap getemd,
Hoe bandloos, woest en wild,
Den bergstroom, in zijn vlucht, gestremd, -
Neen meer! mijn angst gestild!
En dies, ik zweer bij d'ouden Styx,
Bij d' onderaardschen troon,
| | | |
Bij 't ondergaan der Westerzon,
Voor 't Gothisch roovrenzwaard;
Bij 't lange haar van Klodion,
Ja, 'k zweer u bij den duursten eed:
(Een eed in de elfde macht!)
Dat ik mijn algebra vergeet,
Dat 'k eenmaal druipe als 't grootste lek,
Ja, - breek de zenuw van mijn nek
Vergeten? - hoe, wie uit dien klank,
Vergeef, o lievling van mijn zang,
Nog eens mijn onverstand!
Gij waart mijn goede geest, mijn vriend,
Uw trouwe zorg heeft meer verdiend,
Maar 'k heb niet meer - Aanvaard!
Nu zweef, o lied, o wensch, o beê
Eens boezems, meer dan vol,
Vlieg over IJ en Zuierzee,
Naar 't overdierbaar Zwol!
| | | |
Daar Muze, vindt ge een huis, een hart,
Ga onbeschroomd, mijn lied!
Heeft mijn Latijn dien blik getart....
Mijn verzen vreezen niet.
O zie met de eigen vriendschap neêr,
En luister naar mijn toon,
En vraagt en eischt gij altoos meer,
Dát zij mijn heerlijkst loon.
Ja dan wellicht, bij 't knappend vuur
In 't hoekje van uw haard,
Wordt menig vers in 't avonduur
Kritiek en scherts bewaard!
Maar zoo mijn hart, u trouw verknocht,
Haar teêrste wenschen slaken mocht,
Dan riep ik schaatrend uit:
Uw vriendschap blijf mijn loon, mijn kroon!
En - noem dien wensch niet laf! -
Neem gij nog eens mijn oudsten zoon,
1847.
|
+Gij vindt het immers niet kinderachtig, dat ik deze herinnering van een zoo interessante periode uit het.... jongensleven heb laten drukken? De ‘jongelui van tegenwoordig’ - hoe gek! - mogen hieruit leeren, hoeveel angsten wij hebben doorgestaan, maar ook hoeveel pleizier gehad.... eer de poorte der Akademie ook voor zuigelingen ontsloten werd. Het versje is geïnspireerd door de innemende wijze, waarop het négerend examen werd afgenomen. De zinspelingen zijn alle historisch. Het heugt mij nog levendig hoe grappig en akelig ik reed op mathesis cum suis, en hoe serieus ik onder de eerste Frankische Koningen ook ‘Klodion den Langharige’ (zie pag. 75, boven) noemde, alsof de man mij bijzonder interesseerde.
|
|