Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 102]

De Hertogin van Orleans.

1848.
 
Gij alleen waart Koningin,
 
Bij het spatten van hun kronen,
 
Bij 't uiteenslaan van 't gezin,
 
Bij het kraken van hun tronen;
 
Gij, vol moed en moedermin,
 
Midden tusschen al de dolken
 
Van de fijnstgeslepen taal,
 
Bij den oproerkreet der volken,
 
Bij het dreigen van hun staal!
[p. 103]
 
Midden tusschen al 't geschreeuw,
 
Kalm en zwijgend - maar welsprekend!
 
Vorstenmoeder, Koningsweeûw,
 
Door den vinger Gods geteekend
 
In het midden van uw eeuw,
 
Om de smaadheid, om de vlekken
 
Der verworpen majesteit
 
Met den mantel te overdekken
 
Van uw koningsheerlijkheid!
 
 
 
Smeekend, zeegnend stondt gij daar,
 
Als een vredeboô verrezen,
 
Bij het dringen van 't gevaar:
 
Laat mij Frankrijks engel wezen,
 
En dit kind.... uw martelaar!
 
Schooner nog dan in die dagen,
 
Toen, omstraald van Juliglans,
 
't Land der riddren roem mocht dragen
 
Op de Bruid van Orleans!
 
 
 
Schooner nog dan toen weleer,
 
Om de wieg van d' eerstgeboren,
 
't Zegelied van vrede en eer
 
Zich uit Frankrijks hart deed hooren
 
Voor zijn lievling en zijn Heer!
 
Thans!.... die volksstem brult verwoeder,
 
Ongewisser dreigt de kans....
 
Luider spreekt de stem der moeder
 
En der Weeûw van Orleans!
[p. 104]
 
Maar dat moederlijke bloed
 
Moest wel tot den einde vloeien
 
Met een onversaagden moed,
 
En die vrouweboezem gloeien
 
Van een koninklijken gloed....
 
Anders, telg der Julidagen,
 
Kost gij wenschen, dat uw zoon
 
Op zijn hoofdje 't wicht zou dragen
 
Van zijn Februarikroon?
 
 
 
Moeder! zoo gij 't eischen dorst,
 
O, gij wist, dat ge in uw armen
 
Niet het sieraad van uw borst,
 
Maar het heilge moet beschermen,
 
Maar het weesje van uw Vorst!
 
En, bij 't stormen der gevaren,
 
Kroost en volk en vorsten saam
 
Eén herinring grootsch bewaren
 
Aan een grooten, dierbren naam!
 
 
 
Koningszoon, van God verhoogd,
 
Eer een kroon u 't hoofd zou drukken
 
Wier gewicht gij nimmer woogt,
 
Hebt gij-zelf in zielsverrukken
 
Uwer weduw traan gedroogd?
 
Was 't uw blik die haar bestraalde
 
Toen, in haar, uw vorstenzon
 
Koninklijker nederdaalde
 
Dan zij immer rijzen kon?
[p. 105]
 
Ja, zijn geest, o bleeke vrouw,
 
Streed met u dien strijd der smarte:
 
‘Wees, mijn gade, wees getrouw!’
 
Klonk het in uw biddend harte,
 
Klonk het in dien nacht van rouw!
 
Hij was 't, die u sterkte en steunde,
 
Tusschen vloek en lofgeschal,
 
Toen een halve wereld dreunde
 
Van dien daverenden val!
 
 
 
Lelie, waar de ceder viel,
 
Beur uw stengel naar de wolken!
 
Dat het kroost der vorsten kníel'
 
Voor de Goden hunner volken -
 
Vlekloos blijve uw vorstenziel;
 
En uw naam zal heerlijk suizen
 
Door de jongste orakelblaên,
 
Over 't puin der koningshuizen
 
Als een koning zal hij gaan!
 
 
 
Waar de balling zwerven moet,
 
Met een kroon van schimp beladen,
 
Slechts door ballingen gegroet;
 
Waar hij, op zijn vreemde paden,
 
Geen getrouwen meer ontmoet;
 
Waar zijn broederen hem honen,
 
Waar zijn voet zich scheuren zal
 
Aan de splinters van hun tronen,
 
Neêrgesmeten door zijn val;
[p. 106]
 
Waar geen eigen graf hem wacht,
 
Waar de Pyreneën schateren:
 
Sluwe staatsman, waar uw macht,
 
En alleen 't geruisch der wateren
 
Klagende antwoordt op zijn klacht;
 
Waar op Frankrijks kluchttooneelen,
 
't Zedelooze volk ten spot,
 
't Grijze hoofd een rol zal spelen
 
Wreeder dan op 't moordschavot....
 
 
 
Gij, vorstin in 't rouwgewaad,
 
Laat de vrije volken handelen
 
Naar des hoogsten Konings raad,
 
Door de volken zult gij wandelen
 
Zonder wrok en zonder smaad!
 
Heil den bodem, heil den Koning,
 
Waar die koningsdochter huist!
 
Vrede dier onschendbre woning,
 
Vrede, waar dat rouwkleed ruischt!
 
 
 
Paarlen der welsprekendheid
 
Op dien rouw, o Lamartine,
 
In bewondering gespreid!
 
Dat uw naam geen vloek verdiene
 
Dier verheven majesteit!
 
Haar uw lauwren, volksgenieën,
 
Heldenmuze, haar uw klacht,
 
Koningszonen, buigt de knieën,
 
Vrije volken, houdt de wacht:
[p. 107]
 
Voor haar wijkplaats houdt de wacht,
 
Als op nieuw de driften wrokken,
 
Als in éénen wreevlen nacht -
 
Weêr die grijze tronen schokken
 
Door een onweêrstaanbre kracht!
 
Als voor woede- en lasterkreten,
 
Voor het spottend handgeklap,
 
Gij geen heul of heil mocht weten,
 
Koningsbloed en koningschap....
 
 
 
Weduw, wandel over 't puin
 
Van 't paleis, in asch verzonken,
 
En het ingestort arduin;
 
Want een stemme heeft geklonken
 
Om uw opgeheven kruin:
 
Deze koningsweeûw is heilig,
 
Zuiver van de vorstenblaam:
 
Deze koningsweezen veilig
 
In de schaduw van haar naam!