|
|
|
| |
| | | |
Idealen.
Aan W.S. theol. stud.
Wat gij in uw liefste droomen
Ooit uw God hebt afgebeên,
't Kerkje tusschen lindeboomen,
't Vroolijk landschap om u heen;
Velden, die van welvaart ruischen,
't Rookwolkje uit de bonte kluizen,
Al de liefde van dat oord:
Kleinen, die zich om u dringen,
Grijsaards, luistrend naar uw woord.
| | | |
Laat die toekomst-idealen,
Van Gods zegen overstort,
Steeds uw weg, uw hart bestralen,
Waar het somtijds donker wordt;
Zoo geen vriendlijke aangezichten
Meer 't gezellig pad verlichten,
Eens met bloemen overspreid, -
Zoudt gij schromen, zoudt gij vreezen!
Mag de weg niet eenzaam wezen,
Die u naar uw dorpje leidt?
1847.
|
|
|