terug  begin  verder

[p. 132]

In de Bibliotheek van een Liefhebber.

 
Geleerdheid grijnst van alle kanten
 
Hier door een stemmig donker heen:
 
Ach! met de eerwaarde folianten
 
In perkament, als achtbre tanten,
 
Ben ik, zoo jong, niet graag alleen.
 
 
 
Hu! ijzegrimmige kwartijnen,
 
Gij staart mij zoo verschriklijk aan,
 
Als waar' hij erger dan profaan,
 
Die aan uw saaien schuifgordijnen
 
Zijn wuften handschoen durfde slaan.
[p. 133]
 
't Is boek van onderen tot boven!
 
Hier groeien boeken uit den grond:
 
Ai help! ik voel mij zoo bestoven,
 
Als relden al die filozofen
 
Gelijk uit hun papieren mond!
 
 
 
Hij, die dees achtbre rijen schikte,
 
Bouwde eens aan Babels toren meê;
 
Hier hebt gij de oudheid, stof op sneê!
 
En - hoe ik van de titlen schrikte -
 
Verwarring is hier 't groot idee.
 
 
 
Ik zou vergeefs mijn vrienden zoeken,
 
Ik heb geen moed en geen pleizier;
 
Het is of gij uit alle hoeken
 
Mij toebromt, o pedante boeken:
 
‘Gij zijt geen boek, wat doet gij hier?’
 
 
 
Hoor! De oude grenen kasten kraken,
 
De meester komt..... het vunze stof
 
Dampt naar de zoldring duf en dof!
 
Ik mag mij uit de voeten maken,
 
Ik voel een bitsen schouderklop,
 
Ik zie twee opgesperde kaken.....
 
De boekeneter eet mij op!

1849.

terug  begin  verder