|
|
|
| |
| | | |
Lente.
Laat het strooien hoedje zwieren
Pluk een knopjen in uw tuin:
Dierbre, wij gaan lente vieren
Wij gaan juichen, wij gaan danken
Die uit bloemen weeft ons lot,
Die ons harte vult met klanken
| | | |
Die zijn bloemen in uw gaarde,
Hart en hemelen ontplooit;
Die zijn schoone bloeiende aarde,
Zonneglans en heerlijkheid;
Die ons, kindren, zorgeloozen,
Boven eike- en lindekruinen
Laat ons danken vroom en blij;
Op de hooge, blonde duinen,
Lachen wij den hemel tegen,
Met zijn vrede, met zijn pracht,
Met nog ruimer, rijker zegen
Ja! ik wil mijn vroolijke oogen
Naar mijn Schepper slaan!
'k Weet, Hij, die zoo menig traan
| | | |
In zijn goedheid af woû drogen,
Op, ter hooge tempelzalen!
Door geen mensch bespied,
Wil ik juichen: ik geniet!
En aan Hem den dank betalen,
Laat het strooien hoedje zwieren
Pluk een knopjen in uw tuin,
Lieve, wij gaan lente, vieren
1849.
|
|
|