|
|
|
| |
| | | | | |
I. epikurisch feestgezang.
Ruischende wanden, en schittrende zalen,
Bruisende bekers en ramlende schalen,
Blinkende toortsen in flonkrend kristal,
Klinkende kelken en jubelgeschal!
Schaatrende buien van lachen en zingen,
Klaatrende stroomen en kurken aan 't springen;
Spreien van dons voor het uitgerekt lijf,
Reien van vrinden in 't zalig verblijf!
Blazende wangen en smakkende lippen,
Azende blikken op aadlijke snippen,
| | | |
Gouden fazanten en druipende kluif,
Oude, gemerkte, gezegende druif!
Heilige schotels van bruine pasteien,
Veilige feestdisch en gladde geleien,
Geuren en fleuren van 't blinkend festijn,
Keuren van spijzen en kleuren van wijn!
Dappren, valt aan op uw puik-koteletten!
Wappren, als vaandels, de blanken servetten,
Spoedig met bloed van de druiven bemorst,
Moedig vergoten uit weeldrige dorst!
Helden, valt aan op uw walmenden feestdisch!
Melden de resten hoe goed bier de geest is!
Harten en magen, organen en geest,
Tarten tot morgen de drukte van 't feest!
Vloeie nu 't feestlied uit kokende longen!
Gloeie de Pudding in vurige tongen!
Krake de Noga en zinke tot puin,
Smake dat gruizel van eetbaar arduin!....
Ruikers en kransen en versche festoenen,
Suikers, vaniljes, oranjen, citroenen,
Adem van frischheid, verkwik ons gemoed,
Wadem een koeltjen in 't ziedende bloed!
Rompen van taarten en marmeren klippen;
Klompen van ijzen versmelt op de lippen!
| | | |
Gloeiende dronken aan vriendschap en min,
Vloeiende verzen vol boeienden zin!
Vonklende kelken en ruischende snaren,
Kronklende wolken van fijne sigaren!
Volop van weelde, van lust en genot....
Dolkop, bedenk u een zaliger lot!
Dampende kruien van 't weelderig Oosten,
Stampende voeten bij hartlijke toasten!
Buien van geestdrift doorgieren de zaal,
Uien doorkruien het prachtige maal!
Eere dan, wie bij de feestbokaal rusten,
Eere wie 't langste den bekerrand kusten,
Eere, wie 't keurigst en fijnst heeft gesmuld;
Eere, wie 't kundigst zijn maag heeft gevuld.
1847.
| |
II. een liedje aan een jong student.
Gegroet, o lievling van mijn zang,
Al duurt uw zoete droom niet lang,
Gegroet en luid geprezen!
O lust en eere van uw stand,
Lang blijve uw jeugd floreeren:
| | | |
Gij zijt zoo gloeiend amuzant,
Lang moogt ge u amuzeeren!
Mij is geen naam, geen rang bekend,
Zoo schoon als de uwe, o jong Student,
Die fladdert in het leven!
'k Heb eerbied voor den blijden soes,
'k Heb eerbied voor den vrijen roes
Van deze - uw beste weken!
De jeugd zij als een korenveld,
Verruklijk schoon voor de oogen,
Dat joelt en woelt en bruist en zwelt,
Door d' uchtendwind bewogen!
Staan eens die wilde velden kalm,
Bij schoven saamgebonden,
Dan wordt aan iedren gouden halm
Een rijke vrucht gevonden!
Die nimmer dwaas was in zijn jeugd,
Wordt nimmer recht verstandig,
Een fiksche jeugd - baart mannendeugd,
Maakt handelbaar en handig.
'k Vertrouw die wijze jongens niet
Van achttien, twintig jaren -
| | | |
Uw wijsheid is een gloeiend lied,
Laat vrij de blonde, zijden snor
Schreeuw nog uw keel aan Iö's schor
En laat champagne vloeien!
Tier - zoo 't uw borst verruimen kan; -
Maar schuldloos en - met gratie!
Scheld aan 't biljart den stommen Jan,
Maar scheld met variatie!
Speel homber als een oude rot,
Moog tusschenbeide een mooie pot
Uw kunst ten deele vallen!
Maar zoek het liefst uw zoetste feest
Toon daar uw opgewonden geest
Leer ons hoe gij uw blauwe pet
(Een pet van achttien jaren!)
Zoo onnavolgbaar, zoo koket,
Gooit om uw bruine haren!
Als vond ook zij de vreugde zoet,
Als kreeg zij geest en leven;
| | | |
Ik zal een nieuwen zijden hoed
Nog niet, vooreerst, dien schalken kop
Blijf frisscher dan de rozeknop
Laat steeds de Graties in haar gunst
Uw pad met goud bestrooien,
En met een onnavolgbre kunst
Blijf jong en wild en woest en rond;
Altijd zoo helder, zoo gezond,
Vlieg, jonge vlinder, naar uw zin,
Laat niets uw vlucht beperken,
En - vlieg toch eens het leven in,
Nog stofgoud op de vlerken!
Die wensch zij ijdel, als de droom
Van 't jong studentenleven,
Op! toch genoten, zonder schroom,
Een wensch tot slot, een warme beê:
Al schreeuwt ge niet, - blijf zingen,
| | | |
Klink altijd meê - word nooit blazé
En doe geen domme dingen.
Nov. 1849.
| |
III. de humorist.
Horrible, horrible, most horrible!
Eenmaal had ik zeven vrinden,
Bloemen in mijn levensgaard,
Die ik tot een krans mocht binden
Om mijn hoofd en om mijn haard.
Luister, en van één tot zeven,
Zeg ik in een bondig lied,
Waar zij allen zijn gebleven,
Want ik had - maar heb ze niet.
De eerste, een knaap met blonde lokken
En een vriendelijk gemoed,
Is naar 't verre land vertrokken,
Hij is heen en - heen voor goed.
Op zijn beeltnis blijf ik staren
En ik weef een lang gedicht;
| | | |
Door mijn droom en komt hij waren,
Met een vreemd en bruin gezicht.
Nommer Twee liet zijn getrouwen
Loopen voor een kleine meid,
Die hem strengen op leert houên,
Smelten doet van zaligheid.
't Was een fiere, forsche jongen,
Die altijd mijn poken brak;
Onbedwingbaar, nu bedwongen,
Door een zachte vrouweplak!
Nommer Drie, wien ik het leven
Door zag fladdren, zingen, zweven,
Half een vlinder, half student,
Zijn Eerwaarde zakte op klompen
In een kleigrond, zes voet diep,
En tracht d'Urmensch in te pompen,
Wie dan toch de wereld schiep!....
Nommer Vier werd ongenietbaar;
't Is een Graecus, 't is een Piet - maar
Ongelooflijk dom en droog.
'k Moest den Vijfde laten glijden,
Daar 'k met hem mijn rust verloor,
| | | |
Las hij me altijd verzen voor.
En de Zesde, jong bedorven -
Zwakke ziel en groote geest -
Is, mijn ziele schreit - gestorven!
Maar een ander zegt, gesjeesd.
Mocht hij voor een vriend herleven,
'k Zou hem in een dankbaar hart
't Liefste plekje wedergeven,
Heilig door een lange smart.
Maar u kan ik zien noch luchten,
Al uw zeemlen, al uw zuchten,
Ieder zuchtje is een Judas,
Ieder glimlach is een list....
O mijn help! ik merk het nu pas,
Ach, de vent werd humorist!
1850.
| | | |
| |
IV. het schotje.+
Et nos! we hebben hier zoo iets,
Als 't binnen kort in duigen stort,
Zing ik een klein Te Deum!
Het is een wit gepleisterd graf,
Die soms bij 't Amsterdamsch latijn
Verschriklijke oogen zetten!
't Is opgelapt en opgeknapt,
't Is opgeflikt en opgeschikt,
En staat nog - bij de gratie.
Het is een afgeleefde best,
Vol pleisters en op krukken,
En toch - een mannentreitrend nest,
Vol onuitstaanbre nukken!
Ik heb een hekel aan die kast,
Dat huichelend gebouwtje,
Het is me een levende ergernis,
Een ‘gansch venijnig ouwtje!’
| | | |
En toch, mijn ziel miskent u niet,
Wier zorgen met meer smaak dan geld
Ons kastje restaureerden.
Voor wie het opneemt (met zijn neus)
Is 't zaaltje vrij behaaglijk;
Voor mij - ik heb het al gezegd -
Voor mij is 't onverdraaglijk!
Ad rem! een lang weêrhouden lied
Moog trillen door dit krotje,
Het is een ronde dichtervloek,
Geslingerd tegen 't Schotje!
Dat Schotjen in de breede bank,
De bank der Hooggeleerden,
Die eenmaal allen (een voor een)
In diesem Halle oreerden!
Die nu met toga's of met roem
Wanneer hun evenmensch oreert
Dat Schotjen in de breede bank,
De bank der Hooggeleerden,
Die in dit hol zich - juist als ik, -
Soms gruwlijk embêteerden!
| | | |
Dat Schotje, dat die bank verdeelt
Potsierlijk in twee hokken....
Zou 't eene voor de schapen zijn,
En 't ander voor de bokken?
Dat weet ik niet, maar wat ik weet,
Dan heb ik rust in voet noch vuist,
Ik zit - als op een kooltje!
Maar wat ik weet, dat zeg ik luid,
Dat zeg ik zonder schromen:
Kastanjes moeten eenmaal uit
Het smeulend vuur genomen!
't Is Feest: kijk op, daar naakt de rei
Zij nemen plaats in 't groote hok
En spitsen klassische ooren!
De orator klautert in de Broek 1
En soest er zeer genottelijk.
't Jus Pilei 2 verblijdt zijn hart -
Al kleedt zoo'n steek bespottelijk!
| | | |
Waar toeft ge, o Seminarie-trits?
Ei, zet u bij de vrinden!....
Hoe nu? de bank is opgepropt,
Er is geen plaats te vinden? - -
Men sluit hun 't deurtje voor den neus,
Men laat hen opmarcheeren.
Adieu kollega's! hier is 't uit
Men sluit u 't deurtje voor den neus,
Gij hoort niet bij de heeren!
Wat meent gij? die Illustre School
Zou zich - - enkanailleeren?
O wee! o non-sens, o elend!
O tijden, menschen, zeden!
O Schotje, dat de broedren scheidt!
O gruwlen van 't voorleden!
O Schotjen, aaklig overschot
Van langgestorven veeten,
Van broedertwist, van broederhaat,
Vervolging van 't geweten!
Gerechte Hemel! ziet gij 't aan?
Daar sluit men ze op een plokje
Als halve ketters bij elkaêr,
Apart in 't kleine hokje!
| | | |
Een Lutheraan, een Remonstrant,
Die worden achter 't schot gezet,
Als waren 't antichristen!
Den Lutheraan, den Remonstrant,
Bij zulk een feestgenotje,
Die schuift en dringt men op elkaêr,
Als uitschot - achter 't Schotje!
Dat zijn toch brave kerels:
En, Athenaeum! aan uw kroon
Zeer schitterende perels!
De Remonstrant et caeteri,
En hier alleen, hier durft, hier mag
Zoo'n Schotje hen negeeren!
Toch heeft onze eeuw zoo menig muur
Zoo menig breeden dam geslecht
Zoo menig hooge toren viel
Als Babylon in gruizelen,
Ik zag de wijzen overbluft
En starre hoofden duizelen!
| | | |
Maar, trots de schokken onzes tijds,
Maakt met partijgeest en behoud
Al is 't een gruwel in ons oog,
Wat namen wij nog dragen,
Al kan dat onverwrikbaar ding
Geen Christenziel behagen:
Al werd het zesmaal ridikuul,
Sinds ééntjen - o die stoutert! - 1
Met vluggen, vrijen, fieren moed,
Het staat, het scheidt en scheurt, ten schand
Van waarheid en verlichting!
Dat Schotjen is - een formulier,
Dat Schotjen is - een richting!
Het heeft een kop, het heeft een ziel,
Staat, vrinden, niet verwonderd!
Ja, in dat Schotje huist een ziel,
De geest van zestienhonderd!
| | | |
Een schalke Dortsche grootpiepa
Zit in dat schot verstoken,
Die bij zijn leven tien uur ver
De ketters heeft geroken!
Hij klemt de rotte planken vast
Van 't waggelende muurtje,
Dat haast bij 's mans papieren dam
Moog knettren op mijn vuurtje!
‘Tot hiertoe en niet verder!’ grijnst
Het zieltjen in die planken.
Gij Heeren hebt één geest misschien,
Maar ik heb hier - twee banken!
Bezoek te grauwen middernacht
Dan hoort ge een bitsen hamerslag:
Dat is mijn timmrend ouwtje!
Hij timmert losse spijkers vast
Met wee- en preektoon-galmen;
Hij bromt en blaast: verdragen!! wat!
En knarsetandt in psalmen!
O timmer, onverzoenbre geest,
Ras brengt een vroolijk standje
U 's nachts een heuchelijk bezoek,
En helpt - temet - een handje!
| | | |
Wij komen, ja! wij komen, hoor!
Met fakkels en flambouwen,
Met feestwijn en triumfmuziek
Wij stroomen allen samen tot
En trappen 't Schotje - krak! - ineen
Met vreeselijke staatsie!
Zal door 't gewelfje schallen,
En krakend bij den laatsten toon
Zal 't laatste Schotje vallen!
Dan wordt die ‘ketter onzer eeuw’
En 't ‘Athenaeum floreat!’
Stroomt uit de borst der braven!
Zoo nu wie 't aangaat, grijnzend lacht
En laakt die kromme sprongen....
Wel, dat men 't Schotjen overgeev'
Aan d' eersten krullenjongen!
| | | |
Ja, 'k raad u, laat, met stille trom,
Dat haatlijk Schotje sloopen,
En zet die laatste, lafste sluis
Voor liefde en eenheid open!
Maar is 't ook weêr een uitgaaf, die
Met moeite wordt bedropen....
Ik zal de ‘schoft’ betalen, ja,
En ik wil 't Schotje koopen.
Ik wil het als een rariteit
Een staaltje van humanen geest,
Na zooveel honderd jaren!
En 't zieltjen? Och, dat zieltje zal
Bij mij geen kwaad meer brouwen,
Met primo Mei verhuist hij weêr....
Bij mij is 't niet te houên.
1850.
| | | |
| |
V. aan mijn vriend mr. e.h. s'jacob
.
Naar Batavia vertrekkende.
Ter herinnering.
'k Zal niet schreien en niet klagen,
Stille smart is - diepe smart;
'k Wil den last des afscheids dragen,
Moedig als uw manlijk hart.
Maar een korte, vrome bede,
Maar een handdruk zij mijn groet:
Lieve zwerver, ga in vrede,
Met uw God en met uw moed!
Lievling van uw trouwe vrinden,
Wees de lievling der Fortuin;
Vriendschap - liefde moogt gij vinden,
Maar gedenk aan Hollands duin.
Blijf de kracht der jonge jaren,
Blijf dien onbedorven geest,
En dat edel hart bewaren,
Dat ons dierbaar is geweest!
| | | |
Wij, wij zullen menigmalen
Spreken van den verren vrind,
Van zijn droomen en verhalen,
Van zijn lach, die harten wint;
En in droevige oogenblikken
Zal een trouwe groet misschien
Uw geliefden wel verkwikken
Met een droom van wederzien.
Want - wij blijven u verbeiden,
Ach, het is nog veel te vroeg,
Dierbaarste, om voor goed te scheiden,
En - wij zijn nog jong genoeg....
Maar zoovelen zijn gebleven,
Velen hebben niet gewacht: -
Goede reis dan voor dit leven
En voor 't andre: Goeden nacht.
1850.
|
+Voor de oningewijden in de beruchte geschiedenis van het Schotje in 't Amsterdamsche Athenaeum wil ik de zaak hier in proza met een paar woorden uiteenzetten. Ik begin met u te vertellen, dat wij er een Athenaeum op nahouden. Gij zult - hope ik - de vriendelijkheid hebben mij niet tegen te spreken. Dat gebouwtje is zeer wrak, zeer oud, zeer vuns, maar voor eenigen tijd met onloochenbaren smaak en savoir-faire opgeknapt. In dat Athenaeum is een bank, waar zich de professoren bij feestelijke gelegenheden in nederlaten. In die bank was een muurtje. Ja het was er, het is er niet meer. Eere aan de Kuratoren! eere den Sekretaris, die het bevel tot slooping heeft geteekend. Dat was ten minste een liefelijk verschijnsel in deze dagen van twist en scheuring. Maar toen dit versje geschreven werd, was het er nog, dat muurtje. Anders ware dit versje niet geschreven. 1)
Welnu: aan de ééne zijde van dat schotje prijkte in gloria het gereformeerde Athenaeum, in de personen van zijn professoren natuurlijk; aan de andere zijde werden de Seminaria, door vijf professoren vertegenwoordigd, op elkander gedrongen, in het zevende of vierde gedeelte (ik heb geen mathematischen blik) van de geheele bank. Het verwondert mij, dat het nog zoo lang goed is gegaan. De bespottelijkheid en onbillijkheid dezer afscheiding viel te meer in het oog, wanneer men bedacht dat de gereformeerde theologen ook gedeeltelijk werden gevoed en gekweekt, in geestelijken zin, door luthersche, remonstrantsche, menniste Professoren. Zie pag. 172, koeplet III.
1)Zooals bekend is, werd ook het gebouwtje, waarvan onze dichter hier spreekt, sedert voor ander onderwijs ingericht, en de zetel van het Athenaeum naar den Ouden Doelen op den Singel overgebracht.
Noot van den Uitgever.
1Broek, houten broek = katheder. - Borger.
2Letterlijk; Het hoede-recht: het doctorale recht om met gedekten hoofde te mogen spreken.
1Historisch; een der professoren ‘van 't kleine hokje’ is over het schotje gesprongen op den 9 den van October, anno 1849.
|
|