|
|
|
| |
| | | |
Aan Iedereen.
Als u het hart tot spreken dringt,
Maar wat gij spreekt of preekt of zingt,
Nooit rake uw bol, wat zeng of zied,
Kort, krachtig zij uw toast, uw lied,
Geef nimmer, zonder zin of slot,
En snoer, beleefd maar vrij, den zot
Zeg, wat gij meent, waar plicht gebiedt,
| | | |
De dwaas alleen verschiet om niet
En zoo uw Proza rolt en staat,
Maar zoo gij straks in 't Rijm vergaat,
Wees met uw stijl, zoo flink, zoo vrij
Want proza, man, en Poëzij
Gij, Zanger, wien de boezem brandt,
Uw lied zij ons een vriendenhand
Maar weg met ijdle dichtersmart
Gezond zij hoofd en harp en hart -
Geef, Meester in de kunst, kritiek,
En scherm niet voor uw eigen kliek
Ei, gun den dommen dwaas geen rust,
Maar schreeuwt ge uit nijd of luim of lust,
| | | |
Weet, wat gij zegt; denk, eer gij schrijft
Maar zoo gij eeuwig wischt en wrijft,
Een warkop, wat hij broedt of doet,
Een helder hoofd, een rein gemoed
1850.
|
|
|