[p. 188]
In Gelukkige Dagen
.
Z
achte, frissche lentestralen,
Liefdegeur en levensgloed
Stroomen door dees rijke dalen,
Stroomen in mijn blij gemoed.
Zegen heb ik mild ontvangen....
Nochtans - in mijn eenzaamheid -
Heb ik bij mijn blijdste zangen
Menig stillen traan geschreid.
Neen, in 't groote rijk der smarte
Ben ik lang geen vreemdling meer;
In mijn pas ontloken harte
Klinkt een stem reeds van weleer:
[p. 189]
Waar ik van Gods gunst verhaalde,
Dacht ik: Hoe 't mij wezen zou,
Als uw blik mijn lot bestraalde!
Moederliefde, moedertrouw.
Maar niet luide zal ik klagen,
Voor de menschen - zeker niet.
Vriendlijk, als dees blijde dagen,
Klink voor elk mijn dankbaar lied.
Gij slechts - geesten van 't verleden!
Voert mijn diepe, stille klacht
Voor den Hoorder der gebeden,
In dees stillen lentenacht!
1850.