|
|
|
| |
| | | |
De Avondzon.+
Ja in God is mijn kracht,
Sprak hij innig en zacht, -
Maar ik voel dat mijn leven zal renten;
Hebt ge uw dienstknecht vertrouwd,
O genadige Heer der talenten!
'k Heb naar kennis gedorst,
Zij verscheurde mijn borst;
Trouwe liefde genas mijne wonden;
'k Heb den prijs en - de ellend
Maar den weg en de waarheid gevonden.
| | | |
Zijn mijn kaken verbloeid,
Is mijn voorhoofd vermoeid -
Ik geloof, ik ben jong, ik mag werken;
Zoete lucht die mij wacht,
Schenk mijn lichaam weêr kracht!
Ik genees, als ik zwakken mag sterken!
Schenk mij, Heere, geduld!
Want mijn geest is vervuld
Van mijn plannen, die bloeien en rijpen.
Voor wie dingt naar de kroon,
Die de hand van den Christen mag grijpen.
En hij schudde het hoofd in gedachten:
'k Heb geen kleinen geleerd,
'k Heb geen zondaar bekeerd,
Nog geen lijder getroost: laat mij wachten.
En mijn strijdleus is: vrede des Heeren!
Hoor! de westewind suist,
En het korenveld ruischt...
Dat is Hij, die den oogst zal vermeêren.
| | | |
Leid mij zachtkens naar huis,
In de dienst van uw kruis,
Die mijn ziel zich zoo lieflijk gedacht heeft!
Als een knecht van uw rijk,
Die zijn dagwerk geloovig volbracht heeft...
Met een lach en een traan:
'k Had de zon nooit zoo plechtig zien dalen:
Werd zoo sprekend verlicht,
Door de laatste, haar stervende stralen.
1850.
|
+Mocht iemand nieuwsgierig zijn naar of belang stellen in den oorsprong van dit versje, die leze in ‘Proza en Poezy’ van Abraham des Amorie van der Hoeven Jr., de ‘Herinnering,’ door Dr. J.J. van Oosterzee, pag. 7. ‘Nog heugt mij eene stille namiddagure,’ enz.
|
|