Dichtwerken


auteur: P.A. de Genestet


bron: P.A. de Genestet, Dichtwerken (ed. C.P. Tiele). Gebroeders Kraay, Amsterdam 1869  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 264]

B. Een Woord ten geleide van den tweeden druk.

De herdruk van deze ‘Eerste gedichten’ werd, om verschillende redenen, al sedert geruimen tijd - daar was ook geen haast bij - gedurig uitgesteld. Ootmoedig erkenne ik, dat ik wel gaarne nog eerst wederom eens een nieuw boekske in de wereld had gezonden, voor ik ten tweedenmale aankwam met het oude. Evenwel, dat nieuwe is er nog niet, en hier (hoe armelijk het ook staan moge!) is nu toch het oude, in rijker dos. Alleen maar - en och of het wezen mocht om de indiskretie van een tweeden druk eenigszins te verminderen - de inhoud is, als gij ziet, een weinig vermeerderd, vermeerderd met een gedicht mijner jeugd, waarvan tot nu toe slechts een nederig fragment verscheen. De bezwaren toch - men heeft ze wel eens kleingeestig genoemd - die lang geleden bij mij bestonden tegen de uitgave van de ‘Sint-Nikolaasavond’, zijn nu langzamerhand geheel opgelost door den tijd, die zooveel veranderen deed; het bewuste vers is thans bijna elf jaren oud; - en bovendien nog vooral.... Mijn waarde lezer, ik heb evenals gij, om duchtige redenen, den diepsten afkeer van al wat zweemt naar geijkte frazen! Anders wellicht zou de bescheidenheid mij hier vrij dringend gebieden u de verzekering te geven dat ik niet zóo vermetel ben geweest, zóó ingenomen met een pro-

[p. 265]

dukt van weleer, om uit eigen beweging, zonder velerlei vriendelijke voorlichting, het ‘nonum prematur in annum’ (in gewijzigden zin!) toe te passen op dit aloud verhaal - welks inhoud nu tot de geschiedenis behoort - geschreven ‘toen ik een jong student was’, en dat niets anders is of zijn wil, dan

 
Un gros rire,
 
Gonflé de gaîté franche et de bonne satire!

Maar dat is het dan toch ook, geloof ik, - immers op gezag van anderen - en dit autoriteits-geloof alleen geeft mij vrijmoedigheid voor mijn ‘Sint-Nikolaasavond’ een kleen, kleen plaatsje te vragen op het gebied der Nederlandsche Letterkunde, als welgemeende proeve in een dichtsoort, die, zoover ik weet, ten onzent althans, nog niet door afschrikkende meesterstukken is vertegenwoordigd. Voorts, ik geef het vers bijna geheel zooals ik 't schreef - en zeker nu niet meer zou kunnen of willen schrijven - met al zijn ‘actualiteiten - van weleer,’ zijn frischheid en zijn gebreken, zijn vroolijke rijmen en zijn ‘studentikooze’ woorden en wendingen, zijn losheid en zijn dwaasheid - zijn achttien jaren! De lezer zal daarom wèl doen, vooral ten mijnen opzichte, bij de lezing van mijn vertelling zich diep te doordringen van dien wijzen regel: Il faut juger les écrits, etc., gij weet het! en meer bepaaldelijk nog, zich gedurig te herinneren dat het gedicht werd geschreven in het jaar 1849 - enkele regels slaan geheel en al op de dingen toen van den dag, verg. koeplet X, XLIII, LIV - het jaar 1849, toen Pius IX Rome had verlaten, toen Oostenrijk, met behulp van zijn Radetsky's den vrijheidsgeest bedwong, toen, onder onze vaderlandsche tijdschriften, dat ‘Letterlievend maandschrift’ nog bestond, dat sedert evenals Radetsky van het tooneel dezer wereld is afgetreden.

Wat betreft andere ondeugende toespelingen, die men ‘in der tijd’ in deze Sint-Nikolaashistorie heeft willen vinden; de menschen weten altijd meer van u dan gij-zelf; ik heb er niet meê van doen en stel ze geheel en al op rekening van de gelukkige vinders. Een zaak alleen, nimmer

[p. 266]

of nergens iets anders dan een zaak, een kolossale ijdelheid dezer wereld, werd hier belachlijk gemaakt. Sapienti sat!

Nog een opmerking en ik zwijg. Het kan een eenigszins geoefend oog, bij de lezing van mijn verhaal, bijna niet ontgaan, dat het er eigenlijk, laat mij zeggen, als geheel op ingericht is, niet om in stilte te worden gelezen, maar om te worden voorgedragen, vertoond, kwam mij haast uit de pen. Ik heb dan ook, om deze eigenaardigheid - nu een eigenaardig gebrek misschien - eerlijk te doen uitkomen, het naar de Nutzaal riekende ‘mijn Hoorders’ - maar niet veranderd in ‘mijn Lezers’, gelijk dit anders tegenwoordig de gewoonte is, wanneer opstellen, oorspronkelijk voor toehoorders bestemd, straks als lektuur worden opgedischt. Maar ik liet dat ‘mijn Hoorders’ onveranderd staan, bij den druk, ook nog om andere reden, met andere gedachten. Ik meen, vooreerst, met goede en dankbre herinneringen aan de vrienden van weleer, wier belangstelling mij eenmaal liefelijk was en zoet - en dan ook met den wel wat vermetelen wensch, dat het vroolijke lied van mijn jeugd thans, na tien jaren in zijn mausoleum te hebben gerust - slechts van tijd tot tijd werd aan het MS. een uitstapje vergund - nog vele even welwillende lezers en lezeressen mocht ontmoeten, als het eenmaal hoorders en hoorderessen vond bij de voorlezing in Hoofd- en Hof- en Maasstad, - en ook in die oude Veste, waar ik later de schoonste en beste jaren van mijn leven heb gesleten - helaas, nu voor altijd voorbij! Ach, mijn arme ‘Eerste gedichten!’ Met welk een vreugde zond ik uw eersten, met welk een weemoed zend ik uw tweeden druk mijn vrienden toe!

 

P.A. de G.

Amsterdam, Maart 1860.