|
|
|
| |
| | | |
LXI. Wetenschappelijke ontwikkeling.
Zij hebben saam gekonjugeerd,
Hun namen in de bank staan door elkander;
Zij kwamen school steeds even laat,
En de een schreef pensa voor den ander.
Ze zijn van de eigen slanke leest,
Zij deelden saam hun lief en leed, zelfs hun sigaren
Nú zonder schroom, zonder schaamte of ontzag
Elkanders talenten, moreel en gedrag;
Elkander in 't duister met woorden en daden!
Want beiden maakten naam in de eigen wetenschap,
Maar de een heeft in het spoor des anderen gereden,
Daar kwam verschil, niet zonder reden;
't Ving aan met vriendelijk gekrab,
Maar steeg allengs van trap tot trap.....
Dat grijpt elkander nu in 't hart als in de haren....
Och, of ze nog maar weêr (in 't klein) kwâjongens waren!
|
|
|