|
|
|
| |
XCI. Hoe soms de liefde heerscht.
De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren, de liefde
is niet afgunstig, de liefde handelt niet lichtvaardig,
Zij handelt niet ongeschikt, zij zoekt zich-zelve niet,
zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad.
Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij
verblijdt zich in de waarheid.
Zij bedekt alle dingen - zij verdraagt alle dingen.
't Is nú der Liefde gouden tijd,
De tijd waarin wij leven!
Vraag toch maar rond! Men bijt en strijdt
Door Liefde alleen gedreven.
Neen, staar mij niet zoo spottend aan,
Wien broeders hardheid griefde;
Het komt op 't recht begrip maar aan,
Het recht begrip van liefde!
| | | |
De Liefde doet den naaste leed,
Dat's tot zijn best, beweert ze;
De Liefde is hard, is scherp, is wreed,
Dat is juist liefde, leert ze.
De Liefde zegt ook geestigheên,
Die de arme zielen plagen,
Maar 't is tot nut van 't algemeen,
Daar ze in de waarheid zich verblijdt,
Zoo is ze, allicht eens, aardig!
Doch scheldt u noô een foutje kwijt:
De Liefde is niet lichtvaardig!
Zij ringeloort, zij kritizeert
De stumperds naar den geeste,
En staaft hun wat de Apostel leert
En toont: Ik ben de meeste!
Haar mantel - gaf zij u present,
Zíj maakt de Waarheid thans bekend,
Zij vilt de naakte ellende!
En mocht ze - uit zwakheid - in een vrind
Nog soms een feil verhelen,
Straks toont ze weer hoe trouw zij mint
Hun, die haar 't snoodst vervelen!
De Liefde dient: zij dient, als 't moet...
Ook klappen toe en vegen!
| | | |
Desnoods vermoordt ze een zwakken bloed,
Der maatschappij tot zegen!
Dat kost haar strijd en zielsverdriet,
Maar Liefde zoekt zich-zelve niet,
Zij zoekt slechts - uw gebreken!
Zoo spreidt de Liefde, (de Echte, hoor!
De Ware? streng van zeden!)
Thans in het rond (pas op uw oor!)
Zij werkt en - bidt, wat smaad ze droeg
Van flauwe tegenstanders,
Die spotten: ‘Liefderijk genoeg -
Maar lieflijk is toch anders!’
|
|
|