|
|
|
| |
| | | |
Mooi-weerslied.
Is in mijn borst gedrongen:
Mijn matte ziel herleefde weer,
Ik twijfel en ik haat niet meer
En heb mijn lied gezongen.
Van liefde en lof klinkt heel mijn hof,
't Juicht alles en geeft juichensstof:
En noodt: o dank toch mede!
| | | |
Het was ook triestig in mijn hart;
Daar hing een lucht vol zorg en smart;
'k Was treurig, of daarbinnen
Een booze geest had uitgestrooid,
Dat 's Hemels blijde zonne nooit
Weêr de aarde zou beminnen.
Een vreugd niet uit te spreken!
't Is of er bloemen open gaan,
En lentenachtegalen slaan,
En strakke windslen breken.
Waar vloden al mijn zorgen?
Weer heb ik iets van 't vroolijk kind,
Die 't leven zag, in rozentint,
Een korten, blijden morgen.
| | | |
Daar, wie mij griefde, daar, mijn hand!
En neem mijn liefste bloem ten pand,
O God der bloeiende aarde!
Die licht en geur on vroolijkheid,
Mild in mijn ziele hebt verspreid,
1854.
|
|
|