|
|
|
| |
| | | |
Het Liedje van Verlangen.
Een knaapje leunt aan moeders schoot
Vol slaaps de knippende oogen,
En houdt zich wakker, taai en groot,
Hij 's bang in 't donker, bang alleen;
Blijft talmen, treuz'len, hangen.
Het dwaze jonkske dwingt,
Een liedje van verlangen.
Reeds half het offer van den dood,
Bukt zich een grijsaard naar den schoot
| | | |
Maar zeg hem niet: 't is tijd van rust!
Schoon afgeleefd in iedren lust,
Hij hunkert nog te blijven:
Hij zucht en hijgt, maar juicht en lacht,
Hij leeft slechts om, met kunst en kracht,
Den doodslaap te verdrijven.
Hij 's bang in 't donker - bang alleen,
Blijft meêdoen, beuz'len, hangen;
De dwaze grijsaard dwingt,
Een liedje van verlangen.
1853.
|
|
|